Hoofdstuk XXXVII Verloren reis. — Landverkenning. — Verbastering der schildpad. — De beenderenvlakte

Het zou mij onmogelijk zijn de opeenvolgende gevoelens te schetsen, die professor Lidenbrock bezielden, zijn ontsteltenis, zijn ongeloof, zijn toorn! Nooit zag ik iemand eerst zoo verlegen, daarna zoo verbitterd.

De vermoeienissen van den overtocht, de doorgestane gevaren, alles moest dus weder op nieuw beginnen. Wij waren achteruit in plaats van vooruit gegaan.

Maar mijn oom was weldra zichzelven weder meester.

“O! het noodlot speelt mij zulke parten!” riep hij uit; “de elementen spannen tegen mij samen! de lucht, het vuur en het water vereenigen hunne pogingen om zich tegen mijne reis te verzetten! Welnu! men zal zien, wat mijn wil vermag. Ik zal het niet opgeven; ik zal geene streep achteruitgaan, en wij zullen zien, wie het winnen zal, de mensch of de natuur!”

Op de rots staande, verbitterd, dreigend, scheen Otto Lidenbrock, gelijk de woeste Ajax, de goden uit te dagen. Maar ik oordeelde het noodig om tusschen beiden te komen en die zinnelooze drift te betoomen.

“Hoor mij aan!” zeide ik hem op een vasten toon. “Er is hier beneden eene grens voor iedere eerzucht; wij moeten tegen het onmogelijke niet kampen; wij zijn slecht uitgerust voor eene zeereis; vijf honderd uur gaans kan men niet afleggen op een slecht samenraapsel van balken met eene deken tot zeil, een stok tot mast, en dan nog tegen de ontketende winden. Wij kunnen niet sturen, wij zijn de speelbal der stormen, en wij zouden als dwazen handelen, zoo wij ten tweeden male dien onmogelijken overtocht beproefden!”

Tien minuten lang kon ik, zonder in de rede gevallen te worden, die onwederlegbare redenen opsommen, maar dat kwam alleen door de onoplettendheid van den professor, die geen woord van mijne bewijsvoering verstond.

“Naar het vlot!” riep hij.

Hij antwoordde verder niets. Te vergeefs smeekte ik, werd ik driftig; ik stiet het hoofd tegen een wil, die vaster was dan graniet.

Hans was juist gereed met de herstelling van het vlot. Men zou gezegd hebben, dat dit zonderling wezen de plannen mijns ooms ried.

Met eenige stukken surtarbrandur had hij het vaartuig weder in orde gebracht. Een zeil verhief er zich op en de wind speelde in zijne plooien.

De professor zeide eenige woorden tot den gids en terstond bracht deze de bagage weder aan boord en maakte alles voor het vertrek gereed. De dampkring was tamelijk zuiver en de noordwestewind hield aan.

Wat kon ik doen? Mij alleen tegen twee verzetten? Onmogelijk. Als Hans nog maar mijne zijde gekozen had. Maar neen! Het scheen, dat de IJslander zijn eigen wil ter zijde gesteld en de gelofte van zelfverloochening afgelegd had. Ik kon niets verkrijgen van een dienaar, die zoo blindelings aan zijn heer overgegeven was. Ik moest vooruit.

Ik wilde dus op het vlot mijne gewone plaats innemen, toen mijn oom mij met de hand tegenhield.

“Wij zullen eerst morgen vertrekken,” zeide hij.

Ik maakte een gebaar als iemand, die zich aan alles onderwerpt.

“Ik moet niets verzuimen,” hernam hij, “en nu het noodlot mij op dit gedeelte der kust heeft geworpen, zal ik het niet verlaten voor ik het verkend heb.”

Men zal deze opmerking begrijpen, als men bedenkt, dat wij wel op den noordelijken oever waren teruggekomen, maar niet op ons vroeger uitgangspunt. Gräubenhaven moest westelijker liggen. Niets was derhalve natuurlijker, dan zorgvuldig den omtrek dezer nieuwe landingsplaats te onderzoeken.

“Laten wij op ontdekking uitgaan!”

En Hans aan zijn werk latende, vertrokken wij. De ruimte tusschen het zeestrand en den voet der lage voorgebergten was zeer groot; wij hadden een half uur te loopen voor wij den rotsmuur bereikten. Wij vertrapten ontelbare schelpen van allerlei gedaante en grootte, waarin de dieren der allereerste tijden leefden. Ik bemerkte ook verbazende schalen wier middellijn dikwijls grooter was dan vijftien voet. Zij hadden toebehoord aan die reusachtige glyptodons van het pliocenische tijdvak, waarvan de hedendaagsche schildpad slechts eene onbeduidende vertegenwoordigster is. Bovendien was de grond bezaaid met eene menigte steenachtige overblijfselen, eene soort van strandkeitjes door de golven afgerond en in opeenvolgende rijen gerangschikt. Ik kwam dus tot de opmerking, dat de zee voorheen die ruimte had bedekt. Op de verstrooide rotsen, die nu buiten haar bereik waren, hadden de golven duidelijke sporen van haar overgang achtergelaten.

Dit kan eenigszins het bestaan van dien oceaan, veertig uur gaans onder de oppervlakte van den aardbol, verklaren. Maar mijns inziens moest die watermassa allengs wegzinken in de ingewanden der aarde, en was het duidelijk, dat zij voortkwam uit het water van den Oceaan, die zich een weg baande door de eene of andere scheur. Evenwel moest ik aannemen, dat die scheur thans verstopt was; want dit geheele hol of die onmetelijke vergaarbak zou anders in korten tijd vol geloopen zijn. Misschien ook was dit water, tegen het onderaardsche vuur moetende strijden, gedeeltelijk verdampt. Daaruit kon ik dan ook de wolken verklaren, die boven ons zweefden, en de vrijwording van die electriciteit, die stormen deed ontstaan in het midden der aarde.

Deze theorie van de natuurverschijnselen, die wij bijgewoond hadden, scheen mij voldoende toe; want hoe groot de natuurwonderen ook zijn mogen, toch kunnen zij altijd uit natuurkundige redenen verklaard worden.

Wij liepen dus over eene soort van aangespoelden grond door het water gevormd, gelijk al de gronden van dat tijdperk, die zoo kwistig over de oppervlakte van den aardbol verspreid zijn. De professor onderzocht oplettend iedere kleine ruimte in de rotsen. Bestond er ergens eene opening, dan was het van belang voor hem om er de diepte van te peilen.

Eene mijl ver hadden wij het langs de oevers der Lidenbrock-zee gehouden, toen het voorkomen van den grond plotseling veranderde. Het scheen alsof alles omgewoeld was door eene hevige rijzing der benedenlagen. Op verschillende plaatsen toonden hoogten en diepten een geweldige verplaatsing van den bodem aan.

Met moeite klauterden wij over deze verwarde massa granietstukken, keisteenen, kwartsblokken en aangespoelde gronden, toen zich eene laag, meer dan eene laag, eene geheele vlakte vol beenderen aan onze blikken vertoonde. Men zou gezegd hebben, dat het een onmetelijk kerkhof was, waar het gebeente der geslachten van twintig eeuwen nederlag. In de verte vertoonden zich hooge stapels van dergelijke overblijfselen, zich uitstrekkende zoover het oog reikte en die zich in een nevel verloren. Dáár, op drie vierkante mijlen misschien, lag de geheele geschiedenis van alle dierlijk leven opeengestapeld; eene geschiedenis, slechts met flauwe trekken beschreven in de nieuwere aardlagen der bewoonde wereld.

Een ongeduldige nieuwsgierigheid overmeesterde ons. Met een dof geluid kraakten onder onze voeten de overblijfselen dier voorhistorische gedierten, welke in de musea der groote steden als kostbare voorwerpen worden ten toon gesteld. Duizend Cuviers zouden niet toereikende geweest zijn om die verbazende beenderenhoopen tot volledige geraamten bijeen te voegen.

Ik stond verbaasd. Mijn oom had zijne lange armen opgeheven naar het dikke gewelf dat boven onze hoofden was uitgespannen. Zijn geheele voorkomen kenteekende een onbegrensde verbazing, zijn gapende mond, zijne achter de brilleglazen schitterende oogen, zijn hoofd dat op en neder, rechts en links, heen en weder getrokken werd. Hij stond voor een onschatbare verzameling leptotheriën, mericotheriën, lophodions, anoplotheriën, megatheriën, mastodonten, protopitheken, pterodactylen — in één woord, van allerlei voorwereldlijke monsterdieren, hier als voor zijn vermaak opeengestapeld. Men stelle zich een opgewonden boekenliefhebber voor, plotseling verplaatst in de beroemde boekerij van Alexandrië, door een wonder uit hare asch herrezen, na door Omar verbrand te zijn — in zulk eene stemming stond daar mijn oom, professor Lidenbrock.

Maar van een geheel anderen aard werd zijne gewaarwording, toen hij, over de beenderen stappende, een schedel opnam en met eene trillende stem uitriep:

“Alex! Axel! een menschenhoofd!”

“Een menschenhoofd, oom,” antwoordde ik met geene mindere verbazing.

“Ja, neef! Ach, Milne-Edwards! Ach, de Quatrefages! Waarom zijt gij niet hier, waar ik ben, ik Otto Lidenbrock!”

Загрузка...