Theodore Sturgeon Vennus Plus X

‘Charlie Johns!’ schreeuwde Charlie Johns. ‘Charlie Johns!’ Want het was een absolute noodzaak om deze minuut, deze seconde, te weten wie Charlie Johns was.

‘Ik ben Charlie Johns,’ zei hij agressief en, klagend, zei hij het nog eens. Niemand betwistte het, niemand ontkende het. Hij lag met opgetrokken knieën in de warme duisternis, zijn armen gekruist en zijn voorhoofd stevig tegen zijn knieschijven gedrukt. Hij zag een mat flikkerend rood, maar dat was binnen zijn oogleden. Hij was Charlie Johns.

C. Johns stond er eens op een kast gestencild, in zwarte gecalligrafeerde letters op zijn einddiploma, in getypte letters op een looncheque, en Johns, Chas. in het telefoonboek.

Die naam, goed. Uitstekend. Maar een mens is meer dan een naam. Een man is zevenentwintig, kijkt ’s ochtends in de spiegel naar zijn scheiding en houdt van een drupje Tabasco op zijn eieren. Hij werd geboren met een misvormde teen en schele ogen. Hij kan vlees braden, autorijden, met een meisje vrijen, met een stencilmachine omgaan en naar de badkamer lopen om zijn tanden te poetsen. (Denk aan de hoektanden en de tweepuntige kiezen.) Hij ging royaal op tijd van huis, maar hij zal laat op zijn werk zijn.

Hij deed zijn ogen open en er was geen matrood flikkeren meer, maar grijs — ijskoud zilver — grijs zoals de slakkensporen op de seringenbladeren in het voorjaar. Ja, het was lente, lente. En gisternacht was het liefde. Laura, zij...

Als de dagen langer worden, duurt de lichte avond eeuwig, en kun je zoveel doen. Hoe had hij Laura gesmeekt om haar schermen op te hangen! Als Moeder dat eens had kunnen zien! Beneden in Laura’s stinkende kelder had hij in het halfdonker met de schermen onder zijn arm voortgeschuifeld. Hij was recht in de wrede punt van de bengelende scharnier van een afgedankt luik gelopen. Het had hem een gat in zijn bruine broek gekost en een bloeduitstorting in zijn dijbeen. En het was het waard, waard, deze eindeloze avond met een meisje, een echt meisje (ze kon het bewijzen) en de hele weg naar huis had hij alles bemind! haar en natuurlijk de lente, en alles om hem heen en natuurlijk zeiden de boomkikkers, de lucht, de seringen en het opdrogende zweet op zijn lichaam liefde, liefde! (Goed — dit is goed, goed. Het was goed om een deel van het hier en nu te zijn, en natuurlijk de lente, en o natuurlijk liefde; maar het best van alles was om te herinneren, om het allemaal te weten, Charlie.) Beter dan liefde was de herinnering aan huis, het pad tussen de hoge heggen, de twee witte lampen met het grote zwarte 61 er op geschilderd (dat had zijn moeder gedaan voor de huisbaas; ze was erg handig) alleen waren de cijfers langzamerhand verweerd, en ja, de handen ook. De hal met het gevlekte koper, de muur vol brievenbussen en belknopjes voor de bewoners, en het rooster van de huistelefoon die zolang ze hier woonden nog nooit had gewerkt. En de massief koperen plaat die het elektrische slot verborg, dat hij jarenlang met zijn schouder had opengestoten, zonder de pas in te houden... en kom dichterbij, dichterbij, want het is zo belangrijk om te herinneren; het herinneren is onbelangrijk; het gaat alleen om het herinneren zelf; het kan! het kan!

De traploper op de treden van de benedenverdieping, met de ouderwetse vernikkelde roeden, was versleten en pluizig aan de randen. (Juffrouw Mundorf gaf les in de eerste, Juffrouw Willard in de tweede en Juffrouw Hooper gaf les in de derde klas. Herinner alles.) Hij keek om zich heen, waar hij in het zilveren licht lag te herinneren; de zachte muren leken niet van metaal en niet van textiel, ze hadden iets van beide, en het was erg warm... hij bleef herinneren, met open ogen: de trap van de tweede naar de derde verdieping had ook nikkelen roeden maar geen loper, en de treden waren allemaal uitgehold, heel weinig maar; als je naar boven liep kon je aan alles denken, maar door het holle geluid van je voeten op de treden wist je precies waar je was...

‘Mijn God!’ schreeuwde Charlie Johns, ‘Waar ben ik?’

Hij strekte zich uit, rolde over op zijn buik en trok zijn knieën op en kon zich toen niet meer bewegen, even. Zijn mond was droog en heet, zijn spieren, rug en benen waren helemaal zacht en verward zoals het breimandje dat zijn moeder nog eens zou opruimen...

...liefde en Laura, lente, de lampen met 61, de schouder tegen het slot, de trappen met de uitgeholde treden — en hij kon zich zeker de rest van de weg herinneren, omdat hij naar binnen was gegaan, naar bed was gegaan, naar zijn werk... of niet? Of niet?

Hij drukte zich bevend overeind, knielde en ging op zijn hurken zitten met een gevoel of hij ieder moment kon omrollen. Hij liet zijn hoofd voorover zakken en rustte uit, hijgend. Hij keek naar de bruine stof van zijn kleren. Een gordijn, dat een onbekende maar zekere verschrikking kon ontsluiten.

En dat deed het.

‘Het bruine pak,’ fluisterde hij. De bloeduitstorting op zijn dij bewees dat hij niet was opgestaan om naar zijn werk te gaan. Hij was zelfs niet bovenaan de tweede trap gekomen. Inplaats daarvan was hij... hier.

Omdat hij niet kon staan, bewoog hij zich op handen en voeten voort. Hij draaide zijn hoofd, gluurde. Hij betastte zijn kin en constateerde dat hij geen noemenswaardige baard had.

Hij zwenkte opnieuw en zag een lang ovaal in de gewelfde muur. Het eerste teken dat hij in dit gewatteerde huis zag en het deed hem Niets.

Hij vroeg zich af hoe laat het was. Hij bracht zijn arm omhoog en hield zijn oor bij zijn horloge. Het liep nog steeds. Hij keek er op. Een tijd lang bleef hij roerloos kijken. Alsof hij niet in staat was iets te zien. Op het laatst ontdekte hij dat de wijzerplaat in spiegelschrift was. De twee stond op de plaats van de tien, de acht op die van de vier. De wijzers wezen een tijd aan die elf minuten voor elf zou moeten zijn, maar als het horloge werkelijk achteruit liep, elf minuten over één. En het liep achteruit. Hij zag het aan de secondenwijzer.

En weet je, Charlie, zei iets hem in deze verwarring en verbazing, weet je dat je, zelfs nu, alleen herinneren wilt? Algebra op de middelbare school, waar je zo slecht in was. Je kreeg die juffrouw Moran met haar vooruitstekende tanden. Op een dag stelde je haar een vraag over iets dat je niet helemaal begreep en door de manier waarop ze je antwoordde, moest je haar meer vragen... en ze deed een deur open die je nooit eerder had opgemerkt en zijzelf werd iets... enfin, je observeerde haar sindsdien en begreep waar die bevroren blik, die strenge discipline en die pure onmenselijkheid voor waren. Ze wachtte op iemand die haar iets wilde vragen, dat enigszins van de vraagstukken in het wiskundeboek afweek. Het was of ze al jarenlang wanhoopte nog eens zo iemand te zullen vinden. Dit betekende zoveel voor haar omdat ze van wiskunde hield op zo’n manier dat het jammer werd dat het woord liefde ooit voor iets anders was gebruikt. Ze wist ook niet of de jongen die haar hulp kwam vragen misschien de laatste zou zijn, want ze teerde weg aan kanker, hetgeen niemand ook maar vermoedde voordat ze op een dag niet meer op school verscheen.

Charlie Johns keek naar het flauwe ovaal in de zacht zilveren muur en verlangde naar juffrouw Moran. Hij verlangde ook naar Laura. Hij kon ze beiden zo duidelijk voor de geest halen, hoewel er jaren tussen deze beide herinneringen lagen. (Hoeveel, vroeg hij zich af, op zijn horloge kijkend, hoeveel jaren liggen ze van mij af?). Hij verlangde naar zijn moeder en het roodharige meisje uit Texas. Hoe zou ze met zijn moeder opschieten? En Laura met juffrouw Moran?

Hij kon zijn geheugen niet uitschakelen en wilde dat ook niet, durfde niet. Zolang zijn herinnering werkte, wist hij dat hij Charlie Johns was en ofschoon hij niet wist waar hij was en hoe laat het was, was hij niet verloren. Niemand is verloren zolang hij weet wie hij is.

Moeizaam kreunend kwam hij overeind. Hij was zo slap en duizelig, dat hij alleen wijdbeens kon blijven staan. Hij kon alleen lopen als hij zwaaiend met zijn armen zijn evenwicht probeerde te bewaren. Hij liep naar de flauwe omtrek van het ovaal op de muur, maar hij kon niet anders dan diagonaalsgewijs vooruit komen. Het was net als die keer in die kermistent op Coney Island, herinnerde hij zich, waar je in een kamer wordt opgesloten waarvan de vloer opeens begon te hellen. Er waren uitsluitend groene spiegels om je heen. Zij moesten die vloer wel vijf of zes keer per dag schoonspuiten. Hij voelde zich nu hetzelfde, maar er was een voordeel: hij wist wie hij was, en hij wist bovendien dat hij ziek was. Hij zonk op een knie op de grond voor de muur en steunde: ‘Ik ben mezelf niet. Dat is alles.’ Pas toen hoorde hij zijn eigen woorden en sprong overeind: ‘Jawel!’ schreeuwde hij. ‘Toch wel!’

Hij strompelde vooruit en drukte tegen het ovaal. Het ging open. Aan de andere kant stond iemand glimlachend te wachten, gekleed op een manier die Charlie naar adem deed snakken. ‘Neem me niet kwalijk!’ stotterde hij en sloeg voorover.


* * *

Herb Raile woont in Homewood, waar hij grond heeft aan de Begonia Drive, een terrein dat grenst aan het even grote stuk grond van Smitty Smith, dat zich uitstrekt tot aan de Calla Drive. Herb Railes huis is op verschillend niveau gebouwd. Smith heeft een soort boerderij. De huizen van Herbs buren links en rechts zijn eveneens op verschillend niveau gebouwd.

Herb komt de oprijlaan op, toetert en steekt zijn hoofd naar buiten: ‘Hallo!’

Jeanette is het gras aan het maaien en schrikt van het lawaai. Ze zet haar voet op de aardplaat en drukt die naar beneden tot de maaimachine stil staat. Daarna rent ze lachend naar de auto.

‘Pappie! Pappie!’

Davy is vijf, Karen drie.

‘Wat een verrassing, liefje!’

‘Ik heb Arcadia afgemaakt en de grote baas zei, Herb, zei hij, ga naar huis naar je jongens. Je ziet er lekker koel uit.’

Jeanette heeft shorts en een T-shirt aan.

‘Ik ben een grote jongen geweest!’ roept Davy, terwijl hij aan Herbs zijzak rukt.

‘Ik ben ook een grote jongen geweest!’ gilt Karen.

Herb tilt haar lachend op: ‘Wat zul jij later een grote man worden!’

‘Breng haar niet in de war, Herb! Heb je nog aan de cake gedacht?’

Herb zet zijn drie jaar oude dochter weer op de grond en loopt naar de auto. ‘Cake mix. Het is lekkerder als je hem zelf bakt.’ Ze begint te kreunen en hij voegt er haastig aan toe: ‘Ik zal hem wel bakken. Ik kan lekkerder cake bakken dan wie ook.’

‘Kaas?’

‘Verdomme. Ik kwam Louie tegen.’ Hij neemt de boodschappen en gaat naar binnen om zich te verkleden. Davy zet zijn voet op de plaats waar Jeanette haar voet zette om de maaier te stoppen. De cilinderkop is nog heet. Davy is op blote voeten. Wanneer Herb naar buiten komt, zegt Jeanette troostend: ‘Stil. Je bent al bijna een man.’

Herb draagt shorts en een T-shirt.


* * *

Het was geen meisjesachtige verlegenheid waardoor Charlie Johns tegen de grond sloeg. De oorzaak had van alles kunnen zijn: het licht van een zaklantaarn in zijn gezicht, voetstappen die plotseling naar beneden gingen. Iemand die zo gekleed was, dacht hij, moest in ieder geval een vrouw zijn.

Hij was tot nu toe niet in staat geweest om aan iets anders dan vrouwen te denken — Laura, moeder, juffrouw Moran, het meisje uit Texas. Hij kon zien waardoor iedereen, na een snelle blik op deze figuur, zo zou denken. Niet dat hij op dit moment werkelijk iets zag. Hij lag plat op zijn rug op iets dat aan een brancard deed denken. Iemand behandelde een wond op zijn voorhoofd, terwijl een vaag naar hazelaar ruikend compres zijn gezicht verkoelde. Maar degene die tegen hem sprak — waarvan hij geen woord verstond — had geen vrouwenstem. Het was evenmin een basso profundo. Wat een toestand! Stel je een dieprode korte badjas voor, met een riem er om, maar zowel aan de boven- als aan de onderkant kort afgesneden. Achter de bovenarmen zat geen stof en het boord, achter de hals, dat ver boven het hoofd uit torende had iets weg van een beklede stoelrug, en was bijna zo groot. Beneden de riem liep de stof uit in zwaluwstaarten als bij een jacquet. Aan de voorkant, onder de riem bungelde een zijdeachtig stuk stof dat de Schotten over hun kilts dragen en sporran noemen. Zeer zachte sokken in dezelfde kleur als de badjas met aan voor- en achterkant slappe punten, reikten tot halverwege de kuiten.

Hij wist niet waarmee hij werd behandeld, maar het kloppen in zijn hoofd hield plotseling op. Hij bleef een ogenblik roerloos liggen, bang dat het zou terugkeren. Maar er gebeurde niets. Aarzelend hief hij zijn hand op. Het compres werd van zijn ogen getrokken en hij keek in een glimlachend gezicht Hij hoorde enkele zangerige lettergrepen, die eindigden in een vragend geluid.

‘Waar ben ik?’

De wenkbrauwen in het gezicht gingen omhoog. Sterke koele vingertoppen beroerden zijn lippen en het hoofd schudde zachtjes heen en weer.

‘Ik versta u evenmin,’ zei Charlie. Hij richtte zich op een elleboog op en keek om zich heen. Hij voelde zich veel sterker.

Hij was in een grote T-vormige kamer. De poot van de T werd voornamelijk in beslag genomen door de gewatteerde cel waar hij uit was gekomen. De deur stond nog steeds open. Binnen en buiten straalde dat zachte, koude zilveren licht. Het was of hij in een grote pompoen met vleugels zat. De dwarse bovenkant van de T bestond uit een doorzichtige muur, van vloer tot plafond. Charlie meende dat hij een dergelijk groot raam wel eens had gezien voor de etalage van een warenhuis, maar hij betwijfelde het. Aan beide einden van de T hingen draperieën, waarachter zich vermoedelijk deuren bevonden.

Buiten was het adembenemend. Op een golf-course zie je soms hele stukken golvend groen, maar nooit zo eindeloos als hier. Er stonden hier en daar wat tropische bomen en er groeiden vele soorten palmen. Op een van de ruïnes, zo schilderachtig dat zij uitsluitend gebouwd leken met het doel schilderachtig te zijn, groeide een hoge, exotische vijgeboom.

Het enige gebouw dat het bekijken waard was — en Charlie bevond zich op de twaalfde of veertiende verdieping, veronderstelde hij — was onmogelijk.

Neem een kegel en maak deze drie maal zo lang, buig hem tot een kwart cirkel en draai hem om. Zet het smalste eind in de grond, zodat het zware eind in een boog, door niets gesteund, boven de grond hangt. Maak het geheel ongeveer honderdvijftig meter hoog, en zet er asymmetrische ramen in en ronde, wonderlijk geplaatste balkons, die in de lucht schijnen te hangen, en je hebt een idee van dit gebouw, dit onmogelijke gebouw.

Charlie Johns keek met open mond van dit gebouw naar zijn gezelschap en terug. De man keek, en had niets menselijks. Zijn ogen stonden te ver uit elkaar en waren te lang. Wanneer het iets erger was geweest, zouden zij eerder aan de zijkanten dan de voorkant van zijn gezicht hebben gestaan. Zijn kin was sterk en zacht. Hij had gezonde vooruitstekende tanden en een grote neus met zulke hoge neusgaten, dat zij aan die van een paard deden denken. Zijn gezicht en houding waren even sterk en vriendelijk als de aanraking van zijn vingers. Zijn romp was langer dan die behoorde te zijn en de benen juist wat korter. Wanneer Charlie schilder was geweest, had hij ze willen tekenen. En dan natuurlijk die kleren...

‘Ik ben op Mars,’ stamelde Charlie. Hij had grappig willen zijn, maar het klonk jammerlijk angstig. Hij maakte een hulpeloos gebaar in de richting van het gebouw.

Tot zijn verbazing begon de man te knikken en te glimlachen. Hij had een warme, vertrouwenwekkende lach. Hij wees op Charlie, op zichzelf en op het gebouw, deed een stap in de richting van het enorme raam en wenkte.

Waarom ook niet? Toch wierp Charlie nog een blik op de deur van de zilveren cel waar hij uit was gekomen. Hoe klein hij ook was, toch was deze deur het enige dat hem enigszins vertrouwd was.

De man begreep zijn gevoelens en maakte een geruststellend gebaar van het ver verwijderde gebouw naar de cel. Charlie lachte niet van harte, maar stemde toe. De man pakte hem opeens bij de arm en liep niet naar de draperieën maar recht op het raam af, recht door het raam.

Charlie rukte zich los en rende naar zijn brancard. De man stond buiten. Hij stond op de lucht en wenkte hem met een glimlach. Hij riep hem, maar Charlie zag het alleen, want er kwam geen geluid. Wanneer men opgesloten is, voelt en hoort men het, men weet het in ieder geval en Charlie wist het. Toch was deze wonderlijke figuur uitgebroken en wachtte nu, ongeduldig maar opgewekt, op Charlie.

Soms moet een mens zijn trots hebben, dacht Charlie. Dit is zo’n moment en ik heb geen trots. Op handen en voeten kroop hij naar het raam. Het was er, hij wist dat het er was, maar hij voelde het niet. Voetje voor voetje ging hij naar buiten.

De man lachte — maar Charlie was er zeker van dat hij hem niet uitlachte — liep zonder grond onder de voeten, op niets, naar hem toe. Hij stak zijn hand uit maar Charlie trok de zijne weg. De man lachte opnieuw, boog zich voorover en sloeg tegen het vlak dat op onverklaarbare wijze zijn voeten droeg, kwam overeind en stampvoette.

Ja, hij stond wel degelijk op iets. Charlie begon zich (weer) te herinneren en herinnerde zich een oude West Indische vrouw op het vliegveld in San Juan. Niemand wist om welke reden zij voor het eerst uit een vliegtuig stapte, haar eerste roltrap tegemoet. Ze probeerde een trede, sprong achteruit, gilde, probeerde het nog eens en gilde weer, tot een stevige jongeman haar oppakte en haar zonder pardon op de roltrap zette. Ze greep de leuning en de hele weg bleef zij gillen, maar van de lach.

Hij wilde desnoods wel kruipen, maar niet gillen. Doodsbleek en met holle ogen stak hij een hand door een raam dat geen raam was en sloeg waar de man had geslagen. Dit voelde hij wel degelijk!

Op een hand en twee knieën voortkruipend, met de andere hand om zich heen tastend en zijn ogen zo gericht dat hij wel voor zich uit, maar niet naar beneden kon kijken, ging hij het niets tegemoet.

De man, wiens stem hij opeens weer kon horen, wenkte hem lachend om dichterbij te komen, maar Charlie was niet van plan verder te gaan. En tot zijn ontzetting vloog de man opeens op hem af, pakte hem beet en tilde hem zonder pardon op. Hij sloeg zijn hand om iets op borsthoogte — een leuning!

Charlie staarde naar die hand die ogenschijnlijk niets vast had en toch een gezegende steun had gevonden. Hij zag de door het vasthouden gespannen zijkant van zijn hand, de witte knokkels. Hij legde ook zijn andere hand op de leuning en keek naar de ander, die iets in zijn zangerige taal zei en naar beneden wees. Automatisch keek ook Charlie naar beneden en hijgde. De diepte was waarschijnlijk niet meer dan een meter of zeventig, maar het leken wel kilometers. Hij slikte en knikte, want hij meende dat de man een vriendelijkheidje had gezegd als ‘Wat diep, hè?’ Te laat drong het tot hem door dat hij gezegd moest hebben: ‘Zullen we?’ en dat hij had geknikt.

Zij vielen. Charlie gilde. Het was geen gelach.


* * *

De Bon Ton Lanen zijn — is — een complex van, natuurlijk, kegelbanen en, vanzelfsprekend, een daarbij behorende bar, maar er is een heleboel bijgekomen. Bij de zakdoekenautomaat, bijvoorbeeld, is een tweede automaat gekomen voor kleine zakdoekjes voor de lippenstift van de dames. In de bar zijn schuimige boerengordijnen gekomen en een kamerbrede afsluiting rondom de krakelingen-en-eieren-stand. De barmeid is zoiets als serveerster geworden en er heeft een ware evolutie plaatsgevonden van bier uit blik tot vermouth met soda. De speeltafels zijn eveneens verdwenen, en vervangen door een souvenirstalletje.

Hier zitten Jeanette Raile en haar buurvrouw Tillie Smith met een welverdiende — speciaal Tillie is een ster in het kegelen aan het worden — geslagen crème de menthe en ze proberen tot de zaken van de avond te komen — en dat zijn... zaken.

‘Boekhouden is boekhouden,’ zegt Jeanette. ‘En een tekst is een tekst. Waarom bemoeit die ouwe Bierbuik zich dan steeds met de tekstschrijvers?’

Tillie neemt een delicaat slokje van haar menthe. ‘Anciënniteit,’ zegt ze, een woord dat een heleboel verklaart. Haar man werkt bij de public-relations van de Ruiter Fabrieken. Jeanette fronst haar wenkbrauwen. Haar man werkt voor het agentschap dat deze Fabrieken als klant heeft. ‘Hij kan ons geen bevelen geven.’

‘Ach,’ geeuwt Tillie, wier man een beetje ouder en in sommige opzichten ongetwijfeld wat slimmer is dan Herb, ‘die machinehulpen zijn zo makkelijk te hanteren, want ze zien zo afschuwelijk goed wat ze voor zich hebben.’

‘Wat kunnen ze niet voor zich hebben?’

‘Zoals de oude Trizer die bij Ruiter werkte,’ vervolgde Tillie. ‘Een van de jongens — vraag me alsjeblieft niet wie -wilde wat meer ruimte in zijn kantoor en had daarover een gesprekje met de Grote Baas — je weet wel, grappig — en sloot een soort kroegweddenschap af dat hij de oude onkostennota’s hoger kon maken zonder dat de oude Trizer het zou merken.’ Ze nipt, lacht lichtjes.

‘En wat gebeurde er?’ vraagt Jeanette nieuwsgierig.

‘De oude Trizer kende mijn — nou ja, die jongen had het op hem gemunt en toen de zwendelpapieren begonnen binnen te stromen, ging hij ze verzamelen tot de stapel zwaar genoeg was om ze op het hoofd van die jongen te laten vallen. Maar die jongen deed het langzaamaan, zodat het een tijd duurde. In die tussentijd kreeg de Grote Baas natuurlijk overal kopieën van, om die dwaze dwaze truc vol te houden. En toen Trizer eindelijk zijn bom klaar had, waren er vijf weken voorbij gegaan en toen had de Grote Baas er geen plezier meer in. Toen gaven ze de oude Trizer een plaatsje in de Raad van Commissarissen waar hij door zijn anciënniteit behalve zichzelf niemand meer kwaad kan doen.’

‘Eigen schuld,’ zegt Jeanette. ‘Het snoepje.’

‘Dat is meer een naam voor een chocolaterie.’

‘Inderdaad,’ zegt Jeanette stralend, want daar heeft ze tot nu toe niet aan gedacht. ‘Herb gebruikt dat als slagzin voor een nieuwe campagne om een grote chocolaterie te strikken, maar vertel het aan niemand.’ Intussen is ze van plan het Herb te vertellen.


* * *

Zij stonden op veerkrachtige zoden, Charlie met knikkende knieën. De man had zijn arm om hem heen geslagen en hield hem overeind. Charlie probeerde rechtop te blijven staan en keek op toen hij daartoe in staat was. Hij huiverde en de man verstevigde zijn greep. Met inspanning van al zijn krachten gooide hij de arm van zich af. De man begon te praten en maakte allerlei gebaren, waarvan er een waarschijnlijk ‘Het spijt me!’ betekende. Charlie begon te grinniken en klopte hem zwakjes op de schouder. Daarna wierp hij weer een bezorgde blik omhoog en deed een stap achteruit. Het gebouw was niet alleen te kolossaal, maar hing als een vuist boven zijn hoofd. Het was een even wild stuk architectuur als het andere gebouw, maar op een andere manier.

Zij liepen over de graszoden — er schenen geen paden of wegen te zijn — en wanneer Charlie had gedacht dat de vreemde uitrusting van de man naast hem de aandacht zou trekken, vergiste hij zich. Hij zelf zag er veel vreemder uit. Niet aan hun vriendelijk gewuif en de zich snel afwendende ogen kon hij zien dat zij niet alleen nieuwsgierig waren, maar dat nieuwsgierigheid hier niet gepast was.

Zij liepen om het gebouw heen en Charlie zag zeker vijftig mensen die in het zwembassin rondplasten. Hun badpak bestond uit zachtzijden sporrans die zonder zichtbare steun aan hun lichaam hingen. Ditmaal was hij niet verbaasd meer. Zij begroetten hem zonder uitzondering met een ernstig gewuif, een glimlach, een enkel woord. Zij waren kennelijk blij zijn begeleider te zien.

De mensen die niet in het zwembad waren droegen kleren in allerlei soorten en stijlen, en soms gingen ze in paren gelijk gekleed, maar hij begreep niet wat de bedoeling hiervan was, zo er al een bedoeling achter zat. Sommigen hadden bijvoorbeeld alleen een fel oranje band om hun biceps — en natuurlijk ook de sporran — of een flodderige broek of enorme vleugelachtige boorden, spitse hoeden of platte sandalen. Er kwam geen eind aan en behalve degenen die gelijkgekleed naast elkaar liepen, waren er geen overeenkomsten tussen hen dan in de schoonheid van hun kleren en de rijkdom en afwisseling van de stoffen. Zij waren blijkbaar dol op kleren, maar alleen als versiering, en zij schenen zich niet bezig te houden met een lichaamsdeel in het bijzonder. Hij zag geen vrouwen.

Een vreemde omgeving. De lucht was versterkend en de hemel die toch stralend was — met iets van die zilveren glans uit zijn ‘gewatteerde cel’ — was bedekt. Er waren veel bloemen. Sommige hadden een zware en kruidige geur. Ze hadden vaak felle kleuren en vele had hij nooit eerder gezien. Het gras was even onmogelijk als de gebouwen. Het was overal even veerkrachtig en zonder kale plekken of onkruid.

Ze liepen verder het gebouw om en kwamen door een overwelfde gang, die op onverklaarbare maar prettige wijze naar links overhelde. Zijn begeleider pakte zijn arm en voor hij zich kon afvragen waarom, vielen ze een meter of twintig naar beneden. Even later stonden ze in een ruimte die heel vaag aan een ondergronds station deed denken, maar in plaats van op een trein te wachten stapten ze over de rand van het platform — Charlie onvrijwillig — en hij onderging de onprettige gewaarwording van vallen zonder dat hij viel — want de put was overbrugd door de onzichtbare substantie die hen naar beneden had gevoerd langs het eerste gebouw.

Halverwege stopten ze. De man keek Charlie vragend aan. Charlie probeerde zich op alles voor te bereiden en knikte. Hij wist niet hoe, want hij kon het niet zien — het scheen een soort gebaar te zijn — maar opeens vlogen zij door een tunnel. Zij stonden weer stil. Hij merkte nauwelijks of zij stopten of zich weer in beweging zetten. Met onwaarschijnlijke snelheid vlogen zij weer voort tot zij een paar minuten later opnieuw op een ander perron stopten. Ze liepen een soort vierkante kelder aan de zijkant in en werden ter hoogte van de grond, onder het conisch gevormde gebouw gegooid. Ze liepen het station uit en staken over naar een kelderachtige, centrale binnenplaats, omringd door muren waarlangs de inboorlingen in hun onzichtbare liften op en neer flitsten. Hun felgekleurde kleren fladderden om hun lichaam. De lucht was vol muziek. Eerst meende Charlie dat het om een soort openbaar spreeksysteem ging, maar al gauw merkte hij dat ze zongen. Zachtjes bewogen zij zich voort van plek tot plek, gingen neuriënd de openbare hal in en uit.

Juist toen zij een zijmuur naderden zag hij iets dat hem zo verbaasde, dat hij nauwelijks opmerkte hoe hij minstens zeventig meter omhoog werd gestuwd. Hij wist langzamerhand niet meer hoe hij het had en liet maar met zich sollen. Van zijn vroegere waardebepalingen bleef niets over. Twee van de mannen, die hem op de centrale binnenplaats passeerden, waren zwanger. Er was geen twijfel aan.

Hij keek wantrouwend naar zijn glimlachende begeleider — het sterke gezicht en die gespierde armen en stevige benen — het was waar, hij had een gladde kin en... en sterk ontwikkelde borstspieren. De tepel was veel geprononceerder dan bij een man... Aan de andere kant: waarom ook niet? Ook de ogen waren anders. Als ‘hij’ een vrouw was, moesten zij allemaal vrouwen zijn. Waar waren dan de mannen? Hij dacht weer aan de manier waarop hij — zij — hem als een zak soda had opgepakt. Wanneer een vrouw hiertoe in staat was, wat zouden dan de mannen wel niet kunnen? Eerst zag hij ware reuzen, daarna kleine figuurtjes in een ondergronds dienstvertrek in de kelder.

Hij begon zich ongerust te maken en vroeg: ‘Waar gaan we heen?’

Zijn gids knikte, pakte zijn arm en hij had de keus tussen lopen of op zijn gezicht vallen.

Ze kwamen bij een kamer.

De deur ging open, of, beter gezegd, verwijdde zich. Het was een ovale deur, die in het midden open spleet en weer achter hun dicht ging.

Hij bleef staan en ging terug. Niemand hield hem tegen. De deur was sterk genoeg om aan tien mannetjes zoals hij weerstand te bieden.

Hij keek op.

Allemaal keken ze naar hem.


* * *

Herb Raile brengt een bezoek aan Smitty. De jongens slapen. Hij heeft een elektronische babysit, die niet groter dan een draagbare radio is. Hij klopt en Smitty doet open.

‘Hallo.’

‘Hallo.’

Hij loopt naar het buffet in het eetgedeelte van Smitty’s huiskamer, legt zijn apparaat neer en steekt het in het stopcontact. ‘Wat doe je?’

Smitty tilt de baby op, die hij op de bank had gelegd toen hij de bezoeker binnen liet. Hij hangt het kind aan zijn schouder, waar het zich als een lapel vasthecht. ‘O, ik regel de boel tot de baas terug is.’

‘Weg met de baas,’ zegt Herb.

‘Ben jij de baas in huis?’

‘Je maakt een lolletje,’ zegt Herb, ‘maar als het een vraag is, krijg je een eerlijk antwoord.’

‘Geef me dan een eerlijk antwoord.’

‘Bij ons soort mensen is helemaal geen baas in huis meer.’

‘Ja. Ik dacht al dat de boel uit de hand liep.’

‘Dat bedoel ik niet, uilskuiken.’

‘Wat bedoel je dan wel, kip zonder kop?’

‘Je vormt een team, bedoel ik. Iedereen jammert over het feit dat de vrouwen de dienst overnemen. Dat doen ze niet. Ze betrekken het huis. Dat is iets anders.’

‘Interesssant. Je bent een brave jongen,’ zegt hij liefjes.

‘Een wat?’

‘Ik zei het tegen de baby, sufferd. Hij wou gaan huilen.’

‘Laat hem eens kijken. Het is jaren geleden dat ik zo’n klein kind heb vastgehouden,’ zegt de vader van de drie jaar oude Karen. Hij neemt de baby van Smitty over en houdt hem op armlengte van zich af: ‘Ta, ta, ta, ta!’ Zijn tong beweegt zich tussen zijn lippen. ‘Ta, ta.’

De ogen van de baby worden rond en, onder de oksels gehouden, trekken de schouders zich op tot de natte kin in het slabbetje verdwijnt. ‘Ta, ta, ta!’ De oogjes worden plotseling amandelvormig, er komt een glimlach om het mondje en er klinkt een tevreden geluidje achter uit zijn keel. ‘Tja, ta, ta! Hij lacht,’ zegt Herb.

Smith komt achter hem staan om te kijken. ‘Verdomme,’ zegt hij en kijkt over Herbs schouder naar het kind. ‘Ta, ta, ta.’

‘Ta, ta, ta!’

De baby houdt op met lachen en kijkt snel van de een naar de ander. ‘Je brengt hem in de war.’

‘Hou je mond,’ zegt de vader. ‘Ta, ta, ta!’ De baby vindt dit zo leuk dat hij kraait en de hik krijgt.

‘Stik,’ zegt Smith. ‘Kom mee naar de keuken, dan pak ik zijn water.’

Herb loopt met de baby naar de keuken en Smith pakt de fles uit de koelkast en zet die in de elektrische verwarmer. Hij neemt de baby van Herb over en hangt die weer aan zijn schouder. De baby begint steeds erger te hikken. Hij geeft hem een paar tikjes. ‘Verdomme, ik heb Tillie beloofd dat ik hier de boel zou opruimen.’

‘Ik zal wel voor padvinder spelen. Je hebt je handen vol.’

Herb pakt de borden van het aanrecht, krabt ze schoon boven de voetemmer, en stapelt ze in de gootsteen. Daarna draait hij het hete water aan. Het is allemaal vertrouwd want deze gootsteen en zijn gootsteen en de gootstenen in de huizen links en rechts en achter en voor hem zijn allemaal dezelfde gootstenen. Hij pakt de fles met het vloeibare afwasmiddel, kijkt er naar en knijpt zijn lippen op elkaar. ‘We nemen dit nooit meer.’

‘Waarom niet?’

‘De pest voor je handen. We nemen nu Lano-Liefde. Kost iets meer, maar,’ zegt hij en daar laat hij het bij.

‘Twee extra lieve handen voor twee extra dubbeltjes,’ zegt Smith, een televisiereclame citerend.

Herb mengt er wat koud water bij, pakt de spuit en begint de borden een voor een af te wassen.


* * *

Behalve de man die hem gebracht had, waren er nog vier andere mensen. Twee droegen identieke kleren — een felgroene riem en op de heupen de baleindelen van een rok vol baleinen. Maar zonder de rok. De langste, vlak voor Charlie, had een omgekeerde badjas aan, zo ongeveer als die van Charlies gids, maar deze was vlammend oranje geverfd. De vierde man droeg iets als het benedendeel van een zwempak uit 1890, in elektrisch blauw.

Ze glimlachten, terwijl Charlie verschrikt van de een naar de ander keek. Zij lagen nonchalant op lage banken en op knielkussenachtige en bultige dingen die zo uit de grond schenen te groeien. De lange zat aan een soort schrijftafel, die, nadat hij was gaan zitten, om hem (haar) heen gebouwd scheen te zijn. Hun warme vriendelijke glimlach en hun ontspannen houding waren hartverwarmend en toch had Charlie het gevoel dat dit alles iets met modern zakendoen uitstaande had, zoiets van: ‘Gaat u toch zitten. Trek uw schoenen uit als u wilt. Neem een sigaar en noem me alsjeblieft geen meneer.’

Een van de groenen sprak in die vogelachtige (als de vogels duiven waren) tonen van dit volk tegen de oranje man, terwijl hij lachend tegen Charlie gebaarde. Ook hij scheen hem niet uit te lachen. Nu sprak Charlies gids en hij oogstte algehele vrolijkheid. Daarna zag Charlie hoe zijn vroegere begeleider met rode badjas en al op de grond hurkte en met gesloten ogen fanatiek de vloer begon te onderzoeken. Daarna kroop hij op zijn knieën en een hand, terwijl hij de andere angstig vooruit stak, en zijn gezicht had een uitdrukking van komische ontzetting.

Zij huilden van het lachen.

Charlie voelde zijn oorlelletjes gloeiend heet worden, een teken van boosheid of alcohol, maar hij was er zeker van welke van die twee niet de aanleiding was. ‘Ik wil de grap ook wel eens horen!’ brulde hij. Nog nalachend keken ze hem perplex aan, terwijl Roodrok verder ging met zijn imitaties van een twintigste eeuwer in zijn eerste onzichtbare lift.

En opeens knapte er iets in Charlie Johns, die heen en weer was getrokken, geduwd, gevallen, gegooid, gestegen, die verbijsterd en verbaasd was en zo verloren dat de emmer nu overliep. Hij trapte en het lichaam van het roodgerokte creatuur vloog over de grond en bleef voor de schrijftafel van de gele liggen.

Er viel een doodse stilte.

Langzaam stond de roodrok op, draaide zich om om hem aan te kijken, terwijl hij zachtjes over zijn gekneusde rug wreef.

Charlie drukte zijn schouder nog harder tegen de onverzettelijke deur en wachtte. Een voor een keek hij in vijf paar ogen. In geen oog was boosheid, hoogstens enige verbazing. Hij zag alleen verdriet en dat vond hij erger dan woede.

‘Verdomme,’ zei hij tegen de roodrok. ‘Je hebt er om gevraagd!’

Een van hen liet een soort koeren horen, een ander schaterde een antwoord. Daarna kwam de roodrok naar voren en maakte nog meer geluiden en liet nog meer gekreun horen dan Charlie tot nu toe gehoord had, en dat wilde zeggen: ‘O, ik ben een schoft. Het was niet mijn bedoeling om je te kwetsen.’ Charlie begreep het en ergerde zich. Het liefste had hij willen zeggen: ‘Waarom deed je het dan?’

De gele stond langzaam en indrukwekkend op en kwam op de een of andere manier uit de hem omringende schrijftafel. Met een warme en meelevende uitdrukking op zijn gezicht bracht hij een drielettergrepig woord uit en maakte een gebaar naar achteren, waar een deur openging of beter gezegd, een deel van de muur zich verwijderde. Er klonk een zacht goedkeurend gemompel en ze knikten en wezen allemaal in de richting van de zojuist ontstane opening.

Charlie Johns deed juist zoveel stappen om door de deuropening te kunnen kijken. Hij zag wat hij verwacht had: de gewatteerde tafel in een zee van licht, de helmvormige zaak aan de ene kant, de schroefachtige toestellen voor armen en benen — een soort operatiekamer waar hij niets voor voelde.

Hij deed een stap terug, maar er stonden drie mensen achter hem. Hij balde zijn vuist, maar een stevige greep om zijn arm maakte hem volstrekt hulpeloos. Hij probeerde te trappen, maar een bloot been sloot zich om zijn knieën. Het was inderdaad een ijzersterk been. De oranje man kwam met een verontschuldigend lachje op hem toe en drukte een witte bol, ter grootte van een pingpongbal, tegen zijn rechter bicep. De bal gaf een klik en liep leeg. Charlie vulde zijn longen om te gaan schreeuwen, maar hij kon zich later nooit herinneren of hij een kik had gegeven.


* * *

‘Heb je dit gezien?’ vraagt Herb. Zij zitten in de woonkamer van Smith. Herb bladert de krant door. Smitty geeft de baby op zijn arm de waterfles en vraag: ‘Wat?’

‘Slipjes! Slipjes voor mannen.’

‘Onderbroeken, bedoel je?’

‘Nog minder dan een bikini. Gebreid. Mijn God! Ik denk dat het bijna niks weegt.’

‘Natuurlijk niet. Het is een goede uitvinding.’

‘Heb jij ze dan?’

‘Natuurlijk. Wat kosten ze daar?’

Herb kijkt in de advertentie: ‘Anderhalve dollar per stuk.’

‘Dan moet je naar Busters Discount op de Vijfde gaan. Twee voor tweevijfenzeventig.’

Herb bekijkt de illustraties: ‘Je kunt ze in het wit, zwart, lichtgeel, lichtblauw en rose krijgen.’

‘Ja,’ zegt Smitty. Voorzichtig trekt hij de speen terug. De baby hikt niet meer. Hij slaapt.


* * *

‘Word wakker, Charlie, word wakker!’

Nog een paar minuten, moeder, een paar minuten. Ik zal niet te laat komen. Eerlijk. Ik was om een uur of twee thuis. Je weet niet hoe rot ik me voelde. Nou ja. Hoe laat is het, moeder?

‘Charlie... ik kan je niet vertellen hoe bedroefd ik ben...’ Bedroefd, Laura? Maar ik wilde het volmaakt hebben. Maar wie, in het werkelijke leven, kunnen het die allereerste tijd samen redden? Kom, kom... Het is gemakkelijk te herstellen. We beginnen opnieuw. O, Charlie...

‘Charlie?’ Je heet Charlie? Noem me maar Red.

...toen ik een jaar of veertien was (herinnerde, herinnerde hij zich) was er een meisje dat Ruth heette. Er was een soort van kus-het-kussen feestje en, geen grapje, zij speelden postkantoortje. Het postkantoor was tussen de dubbele buitendeuren en de dubbele binnendeuren met de zware gordijnen ervoor in het ouderwetse huis in de Sansom Street. Tijdens dat feestje keek hij voortdurend naar Ruth. Zij had een zachte bruine huid en sluik, kortgeknipt blauwzwart haar. Ze had een enigszins schorre fluisterstem, een preuts mondje en verlegen ogen. Ze durfde niet langer dan een seconde naar je te kijken en onder die zachte huid kon je nauwelijks een blos zien opkomen, maar zonder die te kunnen zien wist je dat die blos haar huid warmer maakte. Er werd gegiecheld en gefluisterd en tenslotte werden hun namen genoemd, zodat ze samen het postkantoor in moesten en de deur achter zich sluiten. Ze deden het alsof het vanzelfsprekend was. Hij hield die deur voor haar open en ze ging met neergeslagen, schijnbaar gesloten ogen, naar binnen. De anderen maakten lach- en kusgeluiden, maar Charlie knipoogde breed en sloot de deur. ...binnen wachtte ze zwijgend en hij was als een vurige jonge haan, die als zodanig bekend stond en die reputatie ook nodig had en hij pakte haar schouders met beide handen. Voor het eerst ontsluierde zij toen haar wijze verlegen ogen en zij liet hem afglijden in deze verre duisternis, waar hij roerloos rondzwom, in jarenlange seconden. Dit is alles wat ik met je wil doen, Ruth, zei hij en kuste haar voorzichtig en zachtjes op het midden van haar zachte warme voorhoofd en daarna keek hij weer in haar ogen: omdat, zei hij, dit alles is wat ik met je moet doen, Ruth.

Jij begrijpt me, Charlie, hijgde ze. Jij, jij begrijpt me.

‘Jij begrijpt me, Charlie. Jij, jij begrijpt me.’

Hij deed zijn ogen open en de mist trok op. Iemand boog zich over hem heen. Niet moeder of Laura of Red of Ruth of iemand, maar dat ding in die vuurrode badjas, dat nogmaals zei: ‘Nu begrijp je me, Charlie.’

Het waren vreemde woorden, maar hij verstond ze alsof ze in zijn eigen taal gesproken waren. Hij wist zelfs het verschil. De structuur was anders en vertaald betekende het zoiets als ‘Jij [tweede persoon enkelvoud, maar zonder intimiteit of formaliteit, maar wel met vriendschap en eerbied als voor een oude oom] begrijpt [een werkwoordsvorm zonder emotionele of psychische ondergrond] me [een ‘me’ dat hulpvaardige leiding impliceerde van bijvoorbeeld een raadgever of gids en niet van een superieur] Charlie.’ Hij was zich volkomen bewust van de betekenis van de woorden, en dat hij eventueel in zijn eigen taal kon antwoorden. Dat kon, want hij was niets kwijt; hij had er alleen iets bij gekregen.

Hij voelde zich... prettig. Hij voelde zich alsof hij slaap gemist had, een beetje schaapachtig ook door de innerlijke wetenschap dat zijn verontwaardiging even zinloos als zijn angst was geweest. Deze mensen hadden hem niet belachelijk willen maken en zouden hem niet willen kwetsen.

‘Ik ben Seace,’ zei de rode badjas. ‘Versta je me.’

‘O ja!’

‘Spreek alsjeblieft Ledoms.’

Charlie herkende de naam. Het was de naam van de taal, het land en de mensen. In de nieuwe taal antwoordde hij verwonderd: ‘Ik kan het spreken!’ Hij was zich bewust van een merkwaardig accent. Het Ledoms was een mooie, welluidende taal. In een flits herinnerde hij zich zijn verrukking toen hij als kind op een schrijfmachine een vel papier met schrijfschrift zag staan. De letters stonden op een volkomen natuurlijke manier achter elkaar, even sierlijk met elkaar verbonden als de lettergrepen van het Ledoms. Ze vulden je mond en je moest ze uitspreken of je ze proefde. ‘Ik kan het spreken!’ riep Charlie Johns en allemaal feliciteerden zij hem. Hij had zich maar eenmaal in zijn leven zo gelukkig gevoeld als nu: toen hij op zijn zevende in een jongenskamp was en hij zijn eerste slagen zwom.

Seace nam hem bij de bovenarm en hielp hem overeind, zodat hij kon zitten. Zij hadden hem gekleed in een soort ziekenhuisjas. Hij keek naar Seace (hij herinnerde zich nu dat hij meerdere malen ‘Ik ben Seace!’ had gezegd sinds zijn aankomst) en hij lachte, lachte werkelijk, voor de eerste keer in deze vreemde wereld. Er steeg weer een gemurmel van blijdschap op.

Seace wees op de man in het oranje. ‘Mielwis,’ stelde hij voor. Mielwis kwam naar hem toe en zei: ‘We zijn blij dat je bij ons bent.’

‘En dit is Philos,’ vervolgde Seace. De man in de bespottelijke blauwe broek knikte en lachte. Hij had een scherp gezicht vol humor en schitterende zwarte ogen, die misschien een hoop verborgen hielden.

‘Dit zijn Nasive en Grocid.’

De groen geklede mannen begroetten hem en Grocid zei: ‘Je bent onder vrienden. We willen dat je dit, voor alles, begrijpt.’

Mielwis, de lange, die de ander met een ontastbaar aureool van eerbied scheen te omringen, zei: ‘Ja, dat moet je geloven. Vertrouw ons. En... als je iets wilt, vraag het dan.’

In een harmonieus koor bevestigden zij dit allemaal.

Charlie bevochtigde zijn lippen en zei onzeker: ‘Ik zou, geloof ik... het liefst van alles wat inlichtingen willen hebben.’

‘Vraag maar. We zullen je alles vertellen wat je weten wilt,’ antwoordde Seace.

‘In de eerste plaats: waar ben ik?’

Mielwis, die wachtte tot de anderen hem het woord gaven, zei: ‘Je bent in Geneeskunde.’

‘Dit gebouw heet Geneeskunde,’ legde Seace uit. ‘Het andere gebouw, waar we vandaan kwamen, is Wetenschap.’

Grocid voegde er eerbiedig aan toe: ‘Mielwis is [het woord betekende organisator en leider en iets dat subtieler en dieper was, iets als de bezieler] van Geneeskunde.’

Mielwis glimlachte alsof het een compliment was en vertelde: ‘Seace is hoofd van Wetenschap.’

Seace negeerde hetgeen klaarblijkelijk eveneens als compliment was bedoeld en zei: ‘Grocid en Nasive zijn hoofd van de Kinder Afdeling. Je zult die wel willen zien.’

‘Ik hoop dat je gauw eens komt,’ koerde Grocid.

Charlie keek verbijsterd van de een naar de ander.

‘Je ziet,’ zei Seace (maar het betekende eigenlijk je weet) ‘dat we allemaal bij je zijn.’

De juiste betekenis van deze woorden ontging Charlie, ofschoon hij de indruk had dat ze veelbetekenend waren, zoiets of de Koningin, de President en de Paus in een keer aan je werden voorgesteld. Daarom zei hij de enige woorden die hij op dit moment kon vinden: ‘Dank je wel...’ Ze schenen in goede aarde te vallen. Daarna keek Charlie naar de enige man, Philos, in de broek, die nog geen identiteit had. Verrassend genoeg gaf Philos hem een knipoogje en Mielwis zei: ‘Philos is hier om je te onderrichten.’

Dat zei hij overigens niet precies. De zin had een merkwaardige grammaticale draai, zo’n beetje als iemand die zegt: ‘Uien houden niet van mij,’ wanneer hij bedoelt: ‘Ik houd niet van uien.’ Philos scheen in ieder geval geen speciale eerbied te verdienen voor hetgeen hij was, zoals de hoofden van Geneeskunde, Wetenschap en Kinderen. Misschien werkte hij hier alleen maar.

Charlie prentte dit in zijn hoofd, en keek het kringetje rond. Ze keken hem aandachtig aan.

‘Maar waar ben ik?’ vroeg hij weer.

Eerst keken ze elkaar aan, toen Charlie. Seace vroeg tenslotte: ‘Wat bedoel je precies?’ En tot de anderen: ‘Hij wil weten waar hij is.’

‘In Ledom,’ zei Nasive.

‘Waar ligt Ledom?’

Weer keken ze elkaar aan en Seace zei: ‘Hij wil weten waar Ledom ligt!’

‘Luister,’ zei Charlie met wat hij een redelijk geduld vond. ‘Laten we bij het begin beginnen. Welke planeet is dit?’

‘Aarde!’

‘Goed. Nu... De Aarde?’

‘Ja!’

Charlie schudde zijn hoofd: ‘Ik heb nooit van deze Aarde gehoord!’

Iedereen keek naar Philos die zijn schouders ophaalde en zei: ‘Dat is waarschijnlijk zo.’

‘Het is een taalvergissing,’ vervolgde Charlie. ‘Als dit de aarde is, ben ik een... Hij kon geen vergelijking vinden die treffend genoeg was. ‘Ik weet het!’ zei hij plotseling. ‘Er is een woord dat Aarde betekent — de planeet waar ik op leef — in iedere taal. Ik bedoel dat het Martiaanse woord voor Mars Aarde is. Het Venusiaanse woord voor Venus is ook Aarde.’

‘Opmerkelijk!’ zei Philos.

‘Desondanks,’ zei Mielwis, ‘is dit Aarde.’

‘De derde planeet van de zon?’

Ze knikten eenstemmig.

‘Spreken jullie en ik over dezelfde zon?’

‘Van moment tot moment,’ mompelde Philos, ‘is niets ooit hetzelfde.’

‘Breng hem niet in de war,’ zei Mielwis stijfjes. ‘Ja, het is dezelfde zon.’

‘Waarom willen jullie het me niet vertellen?’ riep Charlie, die zijn emoties niet langer de baas kon.

‘Dat willen we wel,’ antwoordde Seace hartelijk. ‘Hoe kunnen we anders antwoord geven? Dit is de Aarde. Jouw planeet en onze planeet. Wij zijn er allemaal op geboren. Hoewel,’ voegde hij er aan toe, ‘op verschillende tijden.’

‘Toen ik een jongen was,’ vertelde Charlie, ‘las ik een heleboel wat wij science fiction noemen. Hebben jullie ook zoiets?’

Zij schudden hun hoofden.

‘Verhalen over... nou ja, voornamelijk de toekomst, maar niet altijd. Een heleboel van die verhalen gaan in ieder geval over tijdmachines — uitvindingen die je naar het verleden of de toekomst kunnen brengen.’

Zij keken hem gespannen aan. Niemand zei een woord. Hij had het gevoel dat niemand iets ging zeggen. ‘Een ding is zeker,’ zei Charlie tenslotte geschokt. ‘Ik ben niet in het verleden.’ Opeens keek hij ontzet om zich heen. ‘O, dat is het natuurlijk! Ik... ik ben in de toekomst!’

‘Opmerkelijk!’ mompelde Philos.

‘Wij dachten niet dat je zo gauw tot deze conclusie zou komen,’ zei Mielwis vriendelijk.

‘Ik heb je verteld,’ stotterde Charlie, ‘dat ik vroeger zoveel, zoveel scie...’ En in zijn afgrijzen begon hij te snikken.


* * *

De baby slaapt en uit de elektronische intercom, met zijn nevenhelft op een klamp in de deuropening tussen Karen en Davy’s kamers in het andere huis, klinkt niets anders dan een zacht gegons. De vrouwen zijn nog niet thuis van het kegelen. Het is vredig in huis. De mannen drinken wat. Smitty ligt half op een bank. Herb kijkt naar de televisie, die niet aan staat, maar de gemakkelijke stoel waarin hij zich heeft opgevouwen is zo geplaatst dat hij moeilijk ergens anders heen kan kijken. Terwijl hij op het lege scherm kijkt, ziet hij zijn gedachten. Af en toe vertelt hij er een: ‘Smitty?’

‘Ja!’

‘Als je bepaalde dingen tegen een vrouw zegt slaat ze dicht.’

‘Wat voor dingen?’

‘Differentieel,’ zegt Herb.

Smitty probeert zijn voeten zo ver op de vloer te krijgen, dat hij bijna gaat zitten.

‘Transmissie,’ mompelt Herb. ‘Potentiaal.’

‘Transmissie wát?’

‘Frequentie is net zoiets. Ik bedoel: je hebt een perfecte vrouw, gezond verstand en alles. Kan met Italiaanse handigheid bridgen zonder een spier te vertrekken. Ze heeft misschien zelfs een automatische tijdwijzer in haar hoofd, zodat ze een ei, dat vier minuten moet koken, er precies na vier minuten, zonder de klok te raadplegen, kan uithalen. Zo’n vrouw heeft meer dan genoeg intelligentie en intuïtie, bedoel ik.’

‘Natuurlijk.’

‘Goed. Nu ga je haar iets uitleggen en opeens weet ze niets meer. Je koopt bijvoorbeeld een auto met een instrumentje waardoor beide achterwielen tegelijkertijd draaien, zodat je nog weg kunt komen als het ene wiel op ijs staat. Ze heeft er misschien wel eens wat over gelezen in een advertentie of zo en ze vraagt je er iets over. Nou, zeg je, dat schakelt gewoon het differentieel uit. Zodra je het woord differentieel in je mond neemt, kan ze niet meer tot tien tellen. Dan weet ze absoluut niets meer. Je kunt haar tien keer uitleggen, dat het differentieel niets bijzonders is. Je kunt praten als brugman, maar ze begrijpt er niets van. Ze zit potdicht tot je over een ander onderwerp begint. Met frequentie is het net zo.’

‘Frequentie?’

‘Ja. Laatst noemde ik het toevallig en ik zag dat haar gedachten meteen stilstonden. Hé, zei ik, weet je eigenlijk wat frequentie is? En wat denk je dat ze zei?’

‘Weet ik veel!’

‘Ze zei dat het een radio-onderdeel was.’

‘Nou ja — daar is ze een vrouw voor.’

‘Je begrijpt geloof ik niet, wat ik bedoel, Smitty. Anders zou je je er zo niet afmaken.’

‘Ik wel. Dat is makkelijker.’

‘Het zit me dwars. Een woord als frequentie is een doodgewoon woord. Het zegt precies wat het is. Frequent wil zeggen dikwijls en frequentie hoe dikwijls iets gebeurt.’

‘Vrouwen hebben gewoon geen gevoel voor techniek.’

‘Dacht je dat? Heb je ze wel eens over kleren gehoord? Over géren en opnaaisels en dubbele franse naden? En heb je ze wel eens met die dubbele zig-zag-steek naaiende, slin-gerende-klos naaimachine bezig gezien? Of heb je ze op kantoor wel eens met die dubbele boekhoudmachines zien werken?’

‘Ik zie nog steeds niet in wat er fout aan is als ze zich niet drukmaken over een differentieel.’

‘Nu leg je er precies de vinger op, of althans bijna! Ze hebben geen zin om er over na te denken. Ze willen er niet over nadenken. Ze kunnen veel ingewikkelder dingen begrijpen, maar ze willen niet. En waarom niet?’

‘Misschien vinden ze dat het niet gepast is voor dames of zoiets.’

‘Waarom zou dat nou ongepast zijn? Ze gaan stemmen, rijden auto en doen alle dingen die mannen plachten te doen.’

‘Nee, je begrijpt er niks van,’ zegt Smitty. Hij komt moeizaam overeind, pakt zijn lege glas en komt dat van Herb halen. ‘Ik weet alleen dat je ze beter hun eigen gang kunt laten gaan. Weet je wat Tillie gisteren gekocht heeft? Een paar woestijnlaarzen. Precies dezelfde als de mijne. Het kan mij niet schelen dat ze bepaalde dingen niet willen begrijpen. Misschien dat mijn zoon later daardoor precies weet welke van de twee zijn vader is. Vive la différence!


* * *

Zij brachten hem van de operatiekamer naar een vertrek dat hij als het zijne mocht beschouwen en ze namen afscheid van hem met woorden die zo oud als de wereld waren: ‘God zij met je.’ Het was de eerste keer dat hij hun woord voor God hoorde, en Charlie was er werkelijk van onder de indruk.

Hij lag alleen in de nogal kleine kamer, opgefleurd door allerlei kleuren blauw. Een hele muur werd in beslag genomen door een raam dat uitkeek op een parkachtig landschap en het wankele gebouw van Wetenschap. De vloer was oneffen, zoals zovele vloeren die hij hier had gezien, nogal veerkrachtig en kennelijk waterproof. Hij was bovendien enigszins glooiend, zodat het schoonmaakwater kon wegstromen. In de hoek en op nog drie andere plekken liep de vloer op tot een paddestoel, zodat je kon zitten. De zitplaats in de hoek kon je, door op een paneeltje te drukken, breder, smaller of hoger maken. Je kon ook allerlei soorten bobbels, gleuven en uitwassen tevoorschijn halen voor onder je schouders of knieën. Drie verticale gouden staven bij dit ‘bed’ controleerden de lichten. Door de hand tussen de eerste twee staven op of neer te bewegen, controleerde je de intensiteit, en op de zelfde manier regelde je tussen de volgende twee de kleuren. Er was eenzelfde toestel naast de deur — of liever het stuk muur dat open ging als je op een bepaalde krul in de verwarde tekening op het oppervlak wees. De bedmuur helde naar binnen, de muur aan de overkant naar buiten en er waren nergens vierkante hoeken.

Hij waardeerde dat zij zoveel begrip hadden om hem alleen te laten, zodat hij weer tot zichzelf kon komen. Hij was dankbaar, boos, op zijn gemak, eenzaam, angstig, nieuwsgierig en verontwaardigd. Hij moest nodig bijkomen.

Hij had een wereld verloren, en maar goed ook. Hij was er nogal ziek van, en als hij ooit had geweten dat er een uitweg was, zou hij die hebben gekozen.

Hij vroeg zich af wat er van zijn oude wereld over was. Hadden we oorlog? Wat leefde er nu in de Taj Mahal — termieten of alphadeeltjes? Zou die clown de verkiezingsstrijd toch gewonnen hebben? God verhoede het.

‘Moeder, ben je gestorven?’

Charlies vader was zo trots geweest toen hij geboren werd, dat hij een zaadje voor een sequoiaboom in de grond had gestoken. Een sequoia in Westfield, New Yersey! midden in het soort ontwikkelingsproject dat gedoemd was om, tien jaar voor de hypotheek was afbetaald, al verouderd te zijn. In gedachten had hij hem ver boven de ruïnes zien uitsteken. Toen was hij plotseling gestorven en zijn zaken bleken zo’n warboel te zijn en de premie van zijn levensverzekering was al zo lang niet betaald, dat Charlies moeder de boel verkocht had en was verhuisd. Op zijn zeventiende was Charlie teruggegaan. Een soort pelgrimstocht, waarvan hij zelf de reden niet begreep. Hij had zijn vader nooit gekend, maar het huis stond er nog inderdaad in een achterbuurt en ook de boom. Hij had iets vreemds gedaan. Hij had de boom aangeraakt en gezegd: ‘Het is goed, vader.’ Omdat zijn moeder nooit zorgen had gekend terwijl hij leefde. Wanneer hij nog had geleefd, zou ze evenmin zorgen hebben gekend. Maar op de een of andere manier scheen ze er van overtuigd dat hij wist, zorg na zorg, beetje bij beetje, vernedering na ontbering, wat zij doormaakte en innerlijk scheen ze zich te voelen als een vrouw wier man haar alle liefde en verdraagzaamheid ontneemt. Daarom had Charlie vaag het gevoel gehad dat hij de boom dat moest zeggen, alsof zijn vader er in leefde als een verdoemde boomnimf of zoiets. Hij vond het een pijnlijke herinnering, maar hij herinnerde, herinnerde.

De boom kon nu heel hoog zijn, of, wanneer er tijd genoeg was verstreken, dood. Wanneer het roodhoofd uit Texas nu een oude madame was in de een of andere oliehaven, zou de boom heel groot kunnen zijn, en als Ruth (wat was er in godsnaam met Ruth gebeurd?) nu dood was, zou de boom de grootste uit heel Noord Yersey kunnen zijn.

Goed. Hij wist nu een van de dingen die hij moest uitvinden. Hoever? Hoe lang geleden? (Niet dat het veel verschil zou maken. De wereld kon in twintig jaar even vijandig en even veranderd — en toch voor het grootste deel hetzelfde — zijn als in honderd jaar. Wat maakten honderd of duizend jaar voor wezenlijk verschil?) Toch: allereerst moest hij zien uit te vinden: Hoever?

De volgende stap was hijzelf. Charlie Johns. Voor zover hij het had begrepen was er hier niets zoals hij, alleen deze Ledomieten, wie en wat zij ook mochten zijn.

Hij herinnerde zich iets dat hij had gelezen: was het Ruth Benedict? Dat de mens niets in zijn zaadcellen had van wat eens zijn taal zou worden, zijn godsdienst of maatschappij. Met andere woorden: je kunt elke baby, van welke kleur en uit welk land ook, overplanten en hij zal opgroeien zoals de mensen in zijn nieuwe vaderland. Hij had ook eens een artikel gelezen met ongeveer hetzelfde idee: wanneer je een Egyptische baby uit de tijd van Cheops in het moderne Oslo zou zetten, zou hij tot een gewone Noor opgroeien, die Morseseinen zou kunnen leren en misschien zelfs een vooroordeel tegen Zweden had. De grondige studies van geschiedkundigen toonden aan dat zij geen enkel voorbeeld van menselijke evolutie konden geven. Het feit dat de mensheid uit holen was voortgekomen en diverse beschavingen had opgebouwd, had hier niets mee te maken. Het had ze laten we zeggen dertigduizend jaar gekost en als de mens opnieuw moest beginnen, zou het hem vermoedelijk weer evenveel tijd kosten.

Hij wist nog vrijwel niets van de Ledomieten af. Toch was het duidelijk dat a) zij tot een menselijke soort behoorden en b) dat zij radicaal anders waren dan de mensen uit zijn tijd. Het verschil was meer dan een sociaal of cultureel verschil tussen bijvoorbeeld een australische inboorling en de directeur van een fabriek. De Ledomieten waren physiek in vele opzichten anders. Zo te zien waren zij echter toch uit de mensheid ontstaan. Was dat misschien de sleutel tot het antwoord op vraag één: Hoever? Hoelang duurt het voor zich een dergelijke verandering voltrokken heeft? Hij wist het niet. Hij keek uit het raam en zag in het parkland beneden de felle kleuren van enkele Ledomieten. Zij leken volwassenen. Wanneer je voor een generatie dertig jaar uittrok en als ze geen eieren legden als zalmen en die allemaal tegelijk uitbroedden, dan moesten ze hier al een aardig tijdje rondlopen. Om nog maar te zwijgen over hun technologie: hoelang zou het kosten om een ontwerp als van het gebouw Wetenschap uit te voeren? Hij moest ineens denken aan een advertentie met artikelen als aluminiumfolie, antibiotica, melk in zakken e.d. waarin naar voren werd gebracht, dat al die dingen een jaar of twintig geleden nog niet bestonden. Wanneer je in een technische eeuw als de twintigste leefde, zag je alles veranderen. Misschien was hij even lachwekkend als de West Indische vrouw op de roltrap, maar hij moest niet vergeten dat haar eerste roltrap, hoe vreemd ze die ook vond, niet eens een product van haar toekomst was.

Vergeet dat niet, hield hij zichzelf voor. Wees niet al te verbaasd. Er waren maar al te veel mensen in zijn tijd die niet begrepen dat de curve van de technische ontwikkeling niet rechtlijnig als een duikplank was, maar een geometrische kromme als een skisprong. Deze droefgeestige lieden waren tot in hun vingertoppen behoudend en wierpen zich op een uitstervend ding om het terug te brengen of te behouden. Dit was natuurlijk geen echt conservatisme, maar een redeloos verlangen naar de goede oude tijd toen je nog kon voorspellen wat er de volgende dag, of misschien zelfs de volgende week, zou gebeuren. Niet in staat het totaal te zien waren zij dol op nieuwe gemakken en hun wereld stortte in elkaar wanneer zij merkten dat hun wereld daardoor veranderde. Charlie Johns wilde zich niet uitgeven voor een denker, maar hij was zich er toch altijd van bewust geweest dat progressiviteit iets dynamisch is, dat je vooruit moest kijken.

Hij keek opnieuw naar het gebouw Wetenschap. De onwaarschijnlijke vormgeving leek een illustratie van zijn gedachten. Dat bracht hem terug tot Vraag Twee.

Hij moest zijn tijd niet verknoeien met de vraag hoe het was gebeurd — hoe hij op zijn zevenentwintigste van de uitgeholde houten treden van de trap van de tweede naar de derde verdieping van zijn huis op nummer 61 in de 34ste Straat Noord was weggerukt. Hoe was een kwestie van hun technologie en daar kon hij toch niet achterkomen. Hij kon alleen hopen dat hij binnenkort iets wijzer zou worden. Hij moest nu eerst het waarom van dit alles te weten zien te komen.

Hij moest er van uitgaan dat het een moeilijke en zware onderneming was om hem hier te krijgen. Spelen met ruimte en tijd was tenslotte geen geringe zaak. Dan bleef er deze vraag over: met welk doel hadden de Ledomieten dit gedaan? Het kon natuurlijk een test zijn: als je een nieuw soort aas hebt wil je ook weten wat je er mee vangt. Of zij hadden een specimen nodig uit zijn tijd en ruimte en dat specimen werd nu toevallig Charlie Johns. Of zij wilden Charlie Johns en niemand anders. Het laatste was het minst waarschijnlijk, maar het makkelijkst te geloven. Vraag Twee was dus te herleiden tot de vraag: waarom ik?

En daaruit ontstond als vanzelf Vraag Drie: Wat kunnen ze met mij beginnen? Hij had nu wel zijn fouten, maar ook een zekere zelfkennis. De Ledomieten konden hem nooit hebben genomen omdat hij zo knap, intelligent of sterk was. Dan hadden ze een betere keuze kunnen doen! Een zekere bekwaamheid kon evenmin de reden zijn. Charlie placht te zeggen dat hij geen landloper was omdat hij altijd werkte en misschien was hij toch nog een soort landloper. Hij verliet de middelbare school toen zijn moeder ziek werd en van het een kwam het ander en hij was nooit teruggegaan. Hij had damesondergoed verkocht, koelkasten, schoonmaakmiddelen en met encyclopedieën langs de deur geleurd. Hij was een tijdje kok geweest, liftbediende, schoonmaker, zeeman, kermisgast, chauffeur op een bulldozer en loopjongen. Tussen door had hij ook nog tractors bestuurd, kranten verkocht, affiches aangeplakt, auto’s gespoten, en op een wereldtentoonstelling had hij een tijdlang borden met eigeel besmeurd om een afwasmachine te kunnen demonstreren.

Hij had altijd alles gelezen wat los en vast zat. Hij had van alles opgepikt uit gesprekken. Zijn kennis was breed en vol hiaten en soms kon je dat ook horen. Dan gebruikte hij woorden die hij wel gelezen maar niet gehoord had. Zo was hij geworden tot wie hij was en daarom — misschien — was hij uit zijn wereld in deze wereld getild. Maar was het nu de bedoeling om hem hier te hebben of... hem daar weg te krijgen?

Hij dacht er over na. Wat had hij gedaan (of wie was hij geweest) dat de toekomst niet aan stond?

‘Laura!’ gilde hij. Het was juist begonnen, het was echt, het was voor altijd. Kon dat het zijn? Moest hij een nieuwe weg gaan en deze wereld als een ballon opblazen en er een gat in prikken?

Luister, luister. Wanneer hij naar de toekomst was overgebracht om iets te voorkómen waaraan hij in het verleden bezig was en wanneer dat iets met Laura had te maken, ging het om hun huwelijk. Dat betekende (hij had genoeg science fiction gelezen om een dergelijke redenering niet vreemd te vinden) dat in een of ander bestaan, in de een of andere tijdstroom, Laura en hij getrouwd wàren en kinderen hadden. Daarom hadden zij besloten in te grijpen.

‘O, Laura!’ riep hij. Ze had geen rood en ook geen blond haar, maar je kon het evenmin een abrikozenkleur noemen. Ze had bruine ogen, maar zo licht dat ze wel goud leken. Ze verdedigde zich eerlijk en netjes, zonder misplaatste zedigheid of uitdagendheid en als ze zich overgaf, was het met haar hele hart. Hij had naar een heleboel meisjes verlangd nadat hij had ontdekt dat zij meer konden dan giechelen en gillen. Van een paar meisjes had hij gehouden. Maar hij had er meer gehad dan een paar — meer dan zijn deel, dacht hij soms — van degenen die hij had willen hebben. Maar hij had nog nooit van een meisje gehouden zoals van Laura.

Het was iets als met Ruth toen hij pas veertien was. Zoiets gebeurde altijd. In die tijd stond het geliefde meisje boven alles, behalve een ding en dat was: het niet te bederven...

Hij had af en toe fantasieën gehad over de vier of vijf meisjes met wie dit was gebeurd: hoe zij hun hoofden bij elkaar staken om uit te vinden waarom hij zich had teruggetrokken terwijl hij van elk van hun hield. En waarom zij nooit, nooit in staat waren om dat uit te vinden. Want dit was het antwoord, meisjes, of jullie het leuk vinden of niet: ik wilde het niet bederven.

Tot nu.

‘Nu!’ schreeuwde hij en hij schrok er zelf van. Wat betekende ‘nu’ in godsnaam?

...tot Laura, tot haar volledige overgave. Alleen kon je het geen overgave noemen, omdat hij zichzelf ook overgaf. Ze deden het allebei, tegelijkertijd, samen. Slechts een keer. En toen, op weg naar huis, op de trap...

Vraag Twee was waarom ik? ‘Daar moeten jullie wel een verdomd goede reden voor hebben,’ mompelde hij dreigend tegen het Gebouw Wetenschap. En dat leidde naar Vraag Drie: Wat gaan jullie met mij beginnen? en dus: hij moest hier verder gaan — en hij voelde dat dat bijna zeker de oplossing was — of hij kon terug. Hij moest wéten.

Daar moest hij meteen aan beginnen. Hij legde zijn hand over de drie staven die de lichten regelden, en de deur week open.

‘Voel je je beter?’ vroeg Philos.


* * *

‘Foezzel Foezzel’ schreeuwt het koor eenstemmig, en dan klinkt een geluid als van grote deksels: Wam Wam. Op het scherm is een gezicht te zien: glad, volle glanzende lippen, zware kromme wenkbrauwen, maar (en ‘maar’ is hier onvermijdelijk) ook bakkebaarden tot hier, en een dikke gespierde nek die uit de open boord van een zwart leren jasje steekt.


Foezzel Foezzel

(Wam Wam)

Foezzel Foezzel

(Wam Wam)

Foezzel Foezzel


(Wam — ) maar in plaats van het tweede Wam waarop men gespannen wacht (Smittys TV heeft een ontzagwekkend geluidssysteem en dat Wam krijgt een ondertoon waar je van schrikt) gaat plotseling de zware franje van wimpers om de bleke ogen omhoog en de stem valt in, een langzame seksloze stem, die een liedje zingt. De woorden zijn ongeveer: I hold Yie-Ooew, I kiss Yie-Ooew, I love Yie-Ooew, Ooew-Ooew. De camera rijdt achteruit en men ziet de zanger die zich beweegt alsof hij met uiterste concentratie tussen zijn billen een deurknop probeert te vangen die aan een metronoom is bevestigd. Een explosie van hysterisch gekrijs dwingt de camera om de eerste rij van het publiek te nemen: een stelletje gansjes van meisjes dat als bezeten orakels klanken uitstoot en rilt van emotie. Terug naar de zanger die (dit moet wel het geval zijn) over het toneel rijdt op een onzichtbaar fietsachtig oefeningentoestel, waarvan het stuur voor- en achteruit gaat terwijl de pedalen draaien en het zadel, het zadel op en neer gaat.

Smith steekt een lange arm uit en draait de TV af. ‘Jezus.’

Herb Raile leunt achterover in zijn grote stoel, doet zijn ogen dicht, heft zijn kin op en zegt: ‘Sensationeel.’

Wat?’

‘Hij heeft voor elk wat wils.’

‘Jij vindt het leuk! Smiths stem slaat over op het laatste woord.

‘Dat heb ik helemaal niet gezegd,’ antwoordt Herb. Hij doet zijn ogen open en kijkt Smith quasi nijdig aan. ‘En beweer nooit dat ik dat heb gezegd, begrijp je?’

‘Maar je zei toch...’

‘Ik zei dat hij voor iedereen iets heeft. Ik dacht dat je het daar wel mee eens was.’

‘Vooruit.’

‘Dat stuk gevangenisaas spreekt voor zichzelf.’

‘Kwaakt, bedoel je.’

Herb lacht: ‘Hé, ik ben de tekstschrijver hier. Kwaak mij van de liefde. Dat kan ik best gebruiken... en de echte of latente homoseksuelen zijn vast dol op hem. Jonge kerels imiteren zelfs zijn haar en zijn jasje. Vooral de oudere vrouwen zien hem graag: komt door zijn kindersmoeltje en zijn bloemenoogjes.’ Hij haalt zijn schouders op ‘Hij heeft voor iedereen wel iets.’

‘Je vergeet je ouwe vriend en buurman Smith.’

‘Iedereen heeft ook iets nodig om te haten.’

‘Dat is niet echt een grapje, hè Herb.’

‘Niet echt, nee.’

‘Ik maak me zorgen over je,’ zegt Smitty. ‘Als je zo doet maak ik me altijd zorgen.’

‘Als ik hoe doe?’

‘Of je alles ernstig neemt.’

‘Is dat niet goed?’

‘Een man moet alleen zijn werk ernstig nemen. Maar niet zichzelf, hoe hij zich ook voelt.’

‘Wat gebeurt er dan met hem?’

‘Hij wordt ontevreden.’ Smith kijkt Herb uilachtig aan. ‘Iemand die in de reclame zit, bijvoorbeeld, gaat zijn producten ernstig nemen, bijvoorbeeld, test ze in zijn eigen tijd, leest ernstig de Consumentengids na. Maar als hij zijn gevoelens ernstig neemt, en een nieuw account krijgt, kan hij zijn werk niet ernstig meer nemen.’

‘Hou nou op, Smitty,’ bluft Herb, die een beetje bleek is geworden. ‘Dan neemt hij een nieuw account, dat is belangrijk.’

‘Al het andere, is spel’

‘Al het andere, is spel.’

Smith wuift naar de televisie: ‘Ik hou er niet van en niemand zal er van houden.’

Herb Raile denkt er ineens aan wie die rock-en-roll-show sponsort. Een concurrent. Smitty’s grootste concurrent. O, ik en mijn grote bek. Ik wou dat Jeanette er was. Zij zou het niet gemist hebben. ‘Ik zei dat het een rot show was.’

‘Zeg dat dan meteen, Herbie.’ Hij pakt Herbs glas en neemt het mee om het te vullen. Herb zit en denkt zoals een tekstschrijver behoort te denken. Een: de klant is koning. Twee: Maar geef me een pakje waaruit alle geuren komen van alle zonden van alle seksen en ik zal de aarde bewegen. En dat ding — hij kijkt naar de grote dode cataract van het dode televisieoog — was er verdomd dicht bij.


* * *

‘Ik voel me rot, werkelijk rot,’ zei Charlie Johns. Hij hoorde zelf dat hij het Ledoms nog steeds met het accent van een vreemdeling sprak.


‘Ik begrijp het,’ zei Philos. Hij liep de kamer door en ging bij een van de paddestoelen staan. Hij had nu een oranje-wit gestreept iets aan dat een soort vleugels bij de schouders had. Zijn lichaam was, behalve de schoenen en de zijden sporran, verder onbedekt. ‘Mag ik?’

‘O natuurlijk, ga zitten... Je begrijpt het niet.’

Philos trok vragend zijn wenkbrauwen op. Ze leken dik en vlak, maar wanneer hij ze bewoog, hetgeen nogal dikwijls gebeurde, zag je dat ze ieder afzonderlijk gepunt waren, zodat ze er als twee met bont beklede bijna platte daken uitzagen.

‘Jij bent thuis,’ zei Charlie nadrukkelijk.

Hij dacht in een onplezierig ogenblik dat Philos zijn hand wilde grijpen en hij trok zich instinctief terug. Maar Philos deed het niet en zei met warme sympathie in zijn stem: ‘Je zult het gauw genoeg zijn. Maak je niet ongerust.’

Charlie keek hem aandachtig aan. Hij scheen te menen wat hij zei, en toch... ‘Je bedoelt dat ik terug ga?’

‘Daar kan ik geen antwoord op geven. Seace...’

‘Ik vraag het Seace niet! Ik vraag het jou! Kan ik terug?’

‘Als Seace...’

‘Met Seace zal ik het er over hebben als het ogenblik daar is. Wees nu eerlijk tegen me: kan ik terug of niet?’

‘Natuurlijk, maar...’

‘Wat maar?’

‘Maar misschien wil je het niet.’

‘Waarom niet?’

‘Alsjeblieft,’ zei Philos en zijn vleugels trilden van zijn ernst. ‘Wees niet boos op me. Je hebt vragen, dringende vragen. Dat weet ik. En wat ze zo dringend maakt is het feit dat je bepaalde antwoorden wilt horen. Als je die niet krijgt zul je steeds bozer worden, maar niet alle antwoorden zijn zoals jij ze hebben wilt. Anders zouden ze niet waar zijn. En er zijn vragen... die je niet stellen moet.’

‘Wie zegt dat?’

‘Jijzelf! Wanneer je ons beter kent, zul je toegeven dat je sommige vragen niet stellen moet.’

‘Ik doe het toch! Zul je ze beantwoorden?’

‘Als ik kan, natuurlijk.’ (Hier zat weer een grammatikale verschuiving. Zijn ‘als ik kan’ wilde zo ongeveer zeggen ‘als het mij mogelijk is’, maar misschien ook: ‘als ik mag’. Aan de andere kant — bedoelde hij soms dat hij alleen op zijn vraag zou reageren als hij het antwoord wist?) Charlie verdrong deze gedachte en stelde hem Vraag Een, een dringende.

‘Van hoe ver je bent gekomen? Hoe bedoel je dat?’

‘Precies zoals ik het zeg. Je haalde me uit het verleden. Hoe lang geleden?’

Philos keek oprecht teleurgesteld: ‘Ik weet het niet.’

‘Weet jij het niet? Of... weet niemand het?’

‘Volgens Seace...’

‘Je hebt blijkbaar gelijk,’ viel Charlie hem geërgerd in de rede. ‘Sommige vragen zullen moeten wachten. Tot ik Seace zie...’

‘Nu ben je weer boos.’

‘Niet waar. Ik ben nog steeds boos.’

‘Luister,’ zei Philos, terwijl hij zich voorover boog. ‘Wij zijn... nou ja, wij zijn een nieuw volk, wij Ledomieten. Je zult er alles van horen. Maar je kunt niet van ons verwachten dat onze tijdrekening dezelfde is als van jullie. En wat kan het je eigenlijk schelen hoelang geleden het met jouw wereld was afgelopen en de onze de enige was om verder te leven?’

Charlie werd doodsbleek. ‘Zei je... zei je... afgelopen?’

Bedroefd spreidde Philos zijn handen uit: ‘Je begrijpt natuurlijk...’

‘Wat moet ik begrijpen!’ snauwde Charlie en toen, klagend: ‘Maar... maar... Ik dacht dat iemand... zelfs heel oud...’ In een flits zag hij de gezichten voor zich van zijn moeder, Laura, Ruth.

‘Maar ik zei je toch dat je terug kunt, en weer worden waarvoor je geboren werd.’

‘Werkelijk?’ vroeg Charlie langzaam en hij keek als een kind dat het onmogelijke wordt beloofd — maar beloofd.

‘Ja,’ zei Philos, terwijl hij een gebaar om zich heen maakte. ‘Maar dan weet je alles, alles.’

‘Als ik maar thuis ben,’ antwoordde Charlie. ‘Daar gaat het om.’ Maar iets in hem keek naar een pas gevonden vonk van afgrijzen en beademde die, zodat hij steeds harder begon te gloeien. Het einde kennen. Weten wanneer het zou komen, hoe het zou komen, dat het werkelijk het einde was, het EINDE. Je ligt naast Laura’s warme lichaam en je weet het. Je koopt moeders ellendige krant waarvan ze ieder woord gelooft en je weet het. Je gaat naar de kerk (misschien wel vaak met deze wetenschap) en kijkt naar een trouwerij. De bruid loopt in verrukkelijk wit naast de bruidegom in zijn strakke pak en je weet het. Nu, op dit moment, in deze idiote wereld wilden ze hem alles vertellen. Hoe. Wanneer.

‘Ik zal je wat zeggen,’ barstte hij los. ‘Je stuurt me terug en zegt geen woord over het hoe, het waarom en het wanneer. Afgesproken?’

‘Je probeert te marchanderen? Wil je dan iets voor ons doen?’

‘Ik...’ Charlie stond met beide handen aan zijn ziekenhuisjas te frommelen. ‘Ik heb niets om te marchanderen.’

‘Jawel: een belofte. Wil je ons een belofte doen en die houden?’

‘Als ik die belofte tenminste kan inlossen.’

‘Zeker, zeker. Luister maar: leer ons kennen. Wees onze gast. Leer Ledom tot in de grond kennen — zijn geschiedenis (veel is er niet!) zijn gewoonten, zijn godsdienst en bestaansreden.’

‘Dat duurt eeuwen!’

Philos schudde zijn donkere hoofd en zijn zwarte ogen schitterden: ‘Het duurt niet zo lang. Zodra wij voelen dat je ons werkelijk kent, zullen we je waarschuwen en dan staat het je vrij om terug te keren. Als je wilt, tenminste.’

Als? lachte Charlie ongelovig.

‘Ik denk inderdaad dat er een ‘als’ is,’ antwoordde Philos ernstig.

‘Laten we je voorstel eens nader bekijken, vriend,’ zei Charlie Johns even ernstig. ‘Die zin het duurt niet zolang bevalt me niet. Je kunt wel zeggen dat ik Ledom niet ken voor ik alle moleculen in alle oogappels heb geteld.’

Voor het eerst zag Charlie een uitdrukking van boosheid op een Ledoms gezicht. Maar Philos antwoordde rustig: ‘Wij zouden zoiets nooit doen. Omdat we het niet zouden kunnen, denk ik.’

‘Ik moet maar vertrouwen hebben,’ zei Charlie driftig. ‘En wat staat daar tegenover?’

‘Als je ons beter kent...’

‘Ik moet beloften doen voor ik jullie beter ken.’

Philos slaakte een zucht en lachte: ‘Je hebt gelijk — in jouw ogen dan. We zullen niet marchanderen. Maar onthoud: ik doe je een voorstel en wij zullen ons er aan houden. Als jij tijdens het onderzoek van ons en onze cultuur ziet dat wij je zo snel mogelijk helpen, moet je beloven om door te gaan. Wanneer wij vinden dat we je genoeg hebben laten zien om ons te leren kennen, zullen we alles in het werk stellen om je te laten terugkeren.’

‘En als ik die belofte niet geef?’

Philos haalde zijn schouders op: ‘Vermoedelijk zul je in ieder geval terugkeren tot waar je vandaan bent gekomen. Voor ons is het alleen belangrijk dat je ons leert kennen.’

Charlie keek diep in de zwarte ogen. Zij leken volkomen argeloos en hij vroeg: ‘Mag ik overal heen? Alles vragen?’

Philos knikte.

‘En krijg ik overal antwoord op?’

‘Voor zover mogelijk is.’

‘Hoe meer vragen ik stel, hoe meer plaatsen ik bezoek, hoe meer ik zie, des te vlugger kan ik vertrekken?’

‘Precies.’

‘Hoe is het mogelijk,’ zei Charlie Johns tegen Charlie Johns. Hij stond op, liep de kamer door en ging weer zitten. ‘Luister,’ zei hij tegen Philos, die hem had gadegeslagen. ‘Voor ik je riep zat ik na te denken en toen kwam ik op drie belangrijke vragen. Toen wist ik natuurlijk nog niet wat ik nu weet — dat jullie wilden samenwerken.’

‘Kom er mee voor de dag.’

‘Vraag Een kunnen we overslaan, want die ging over mijn verleden — uit welk verleden kom ik?’ Hij stak vlug zijn hand op. ‘Geef er geen antwoord op. Ik wil het niet weten.’

‘Maar...’

‘Ik zal je vertellen waarom. Misschien zou ik daardoor gaan begrijpen wanneer het eind kwam en dat wil ik voor geen goud weten. Als ik er over nadenk, moet ik toegeven dat het weinig verschil maakt. Als ik terugga... zeg, ben je er zeker van dat ik terugkeer tot de tijd en plaats waar ik vandaan ben gekomen?’

‘Zo ongeveer wel, ja.’

‘In dat geval kan het me weinig schelen of dat één of tienduizend jaar geleden is. Als ik terug ben, zie ik dus ook mijn vrienden weer terug.’

‘Ja.’

‘Goed. Vraag Een is dus afgehandeld. Vraag Drie eigenlijk ook, want ik weet nu wat ik hier doe. Blijft over Vraag Twee: Waarom ik? En niet iemand anders? Of namen jullie een steekproef en pakten jullie de eerste de beste? Of heb ik iets dat jullie nodig hebben? Of... of deden jullie het om een daad van mij te voorkomen?’

‘Ik zal al die vragen proberen te beantwoorden,’ zei Philos, die enigszins koel op zijn heftigheid reageerde. ‘Ten eerste: we wilden inderdaad niemand anders hebben dan jou. Ten tweede: het ging om een specialiteit die je hebt. En tenslotte: hoe zullen door dit alles je daden in de toekomst beïnvloed worden?’

‘Je bedoelt,’ zei Charlie nadenkend, ‘dat ik anders zal worden?’

‘Doordat je ons hebt leren kennen?’ vroeg Philos, vriendelijk lachend. ‘Dacht je nu werkelijk dat je hierdoor wezenlijk aangetast zou kunnen worden?’

‘Ik denk het niet, nee,’ gaf Charlie toe en wat vriendelijker vroeg hij: ‘Zou je me nu ook willen vertellen welke speciale kwaliteiten ik dan wel heb?’

‘Zeker,’ antwoordde Philos. ‘Objectiviteit.’

‘Ik voel me gekrenkt, ik ben verbijsterd en voel me volkomen verloren!’ riep Charlie uit. ‘Hoe kun jij dan over objectiviteit praten!’

Er kwam een lachje om Philos’ lippen en hij zei: ‘Maak je daar niet druk over: je voldoet. Luister: heb je ooit de ervaring gehad dat een buitenstaander een opmerking maakte die je iets leerde over jezelf, iets dat je zonder die opmerking nooit geweten zou hebben?’

‘Dat heeft iedereen wel eens, denk ik.’ Hij moest opeens denken aan de stem van een vriendinnetje die hij door de dunne scheidingswand van de kleedhokjes op het strand hoorde. Ze zei — en ze had het over hem: ‘Het eerste wat je van hem zult horen is dat hij niet heeft gestudeerd en dat het hem niets kan schelen.’ Voor het eerst was het toen tot hem doorgedrongen dat hij dit inderdaad altijd zei en het was nooit tot hem doorgedrongen hoe kinderachtig het klonk.

‘Zoals ik je al heb verteld,’ vervolgde Philos, ‘zijn wij een nieuw ras en wij vinden het noodzakelijk om letterlijk alles over onszelf te weten te komen. We hebben hiervoor gereedschappen, die ik je zelfs niet beschrijven kan. Maar een ding hebben we uiteraard niet: objectiviteit.’

‘Dat kan wel zijn, maar ik ben bepaald geen expert in het onderzoeken van rassen en culturen.’

‘Dat ben je wel, omdat je anders bent. Daardoor alleen al ben je in zekere zin een expert.’

‘En als het me niet bevalt wat ik observeer?’

‘Dat maakt toch niet uit,’ antwoordde Philos. ‘Of je ons waardeert of niet, beschouwen wij alleen als feiten.’

‘En als ik klaar ben...’

‘Kennen wij onszelf beter.’

Charlie lachte wrang en zei: ‘Maar dan weten jullie toch alleen wat ik ervan denk?’

Ook Philos lachte een beetje zuinig en zei: ‘We kunnen altijd nog protesteren...’

Ze begonnen allebei te lachen en Charlie Johns zei: ‘Goed. Ik doe het.’ Hij geeuwde op de meest onfatsoenlijke manier en verontschuldigde zich. ‘Wanneer gaan we beginnen? Morgenochtend?’

‘Ik dacht dat we...’

‘Luister eens,’ zei Charlie, ‘ik heb een lange dag achter de rug en ik kan niet meer.’

‘O, je bent moe? Maar ik vind het niet erg om even te wachten terwijl je uitrust.’ En Philos ging er een beetje makkelijker bij zitten.

‘Ik bedoel,’ zei Charlie verbijsterd. ‘Dat ik slapen wil.’

Philos sprong op. ‘Slapen!’ Hij sloeg zijn hand tegen zijn hoofd. ‘Neem me niet kwalijk. Ik was het helemaal vergeten. Natuurlijk!... Hoe doe je dat?’

‘Wàt?’

‘Wij slapen niet.’

‘Nooit?’

‘Nee. Hoe slaap je eigenlijk? De vogels steken hun kop tussen hun vleugels.’

‘Ik ga liggen en doe mijn ogen dicht. En dan... dan blijf ik liggen. Meer niet.’

‘Dan wacht ik wel even. Hoelang duurt het?’

Charlie keek hem onzeker aan. Maakte Philos een geintje?

‘Meestal een uur of acht.’

Acht uur!’ Onmiddellijk, alsof hij zich schaamde voor zijn onwetendheid en nieuwsgierigheid, liep Philos naar de deur.

‘Dan kan ik je beter alleen laten.’

‘Graag, ja.’

‘Als je iets wilt eten...’

‘Dank je. Ik heb het me laten uideggen toen ze me vertelden hoe de lichten werkten. Weet je wel?’

‘O ja. Er zijn kleren in de kast.’ Hij beroerde, of beroerde bijna, een krul in de tekening op de muur aan de overkant. Er ging een deur open die zich onmiddellijk weer sloot. Charlie zag in een flits allerlei fel glinsterende stoffen. ‘Pak maar wat je wilt,’ zei Philos en voegde er aarzelend aan toe: ‘Ze zijn een beetje anders dan de kleren die jij gewend bent, maar we hebben ze zo gemakkelijk mogelijk gemaakt. Je moet weten... wij hebben nog nooit een man gezien...’

‘Zijn jullie dan... vrouwen?’

‘Nee, dat niet!’ zei Philos, wuifde en was verdwenen.


* * *

Smith dweept met Oude Boekanier. Herb Raile staat in de badkamer beneden en kijkt in Smitty’s medicijnkast, die boven de WC hangt. Ook boven de toilettafel, naast de wastafel, hangt een kast. Al deze huizen hebben deze twee kasten. In de prospectus worden ze de Zijne en de Hare genoemd. Jeanette noemt ze de Zijne en de Onze. Tillie Smith gebruikt ze kennelijk allebei want de Zijne staat vol met vrou-wendingen. Dan is er nog de Erector Set van de Oude Boekanier, die de baardharen voor het scheren overeind zet en dan is er nog iets van de Oude Boekanier waardoor je haren na het kammen plat tegen je schedel komen te liggen. Verder is er nog Tinteling van de Oude Boekanier, een badzout met vitamine C er in. (Herb heeft het woord boekanier eens in een woordenboek opgezocht en ontdekte dat het zeerover betekent. Geen wonder dat ze er dan meer van de rommel in moesten doen, zei hij, maar het was niet een grapje waar Smith om lachen kon.) Herb vindt het een beetje zielig voor Smith dat hij met al die rommel van de Oude Boekanier zit, omdat er betere spullen op de markt zijn. Zachte Wang, bijvoorbeeld. Herb heeft zijn goede baan op het reklamebureau voornamelijk te danken aan een slagzin die hij voor Zachte Wang heeft bedacht die bizonder goed is ingeslagen: een plaatje van een Zuidamerikaanse wolf die met een verrukt zwijmelende en borstige Europese dame wangen wrijft en zegt: Wil je een zachte wang?

, denkt Herb. Een tube aambeizalf. En natuurlijk allemaal kalmerende middelen. Een hoop walgelijk sterke aspirines en een fles met monsterlijke half blauwe en half gele capsules. Driemaal daags één capsule. Herb wedt dat het Achromycine is. Hij buigt zich voorover en, niets aanrakend, tuurt hij op het etiket. Volgens de datum is het drie maanden geleden gekocht. Herb denkt na. Dat was in die tijd toen Smith een poos lang niet dronk.

Prostaat?

Kleurloze lippenstift — voor gebarsten lippen. Kleurloze nagellak. Een Touchstift. Wat is in godsnaam een touchstift nummer 203 van Brown? Hij brengt zijn hoofd dichterbij. De kleine lettertjes zeggen: Voor tijdelijk retoucheren van onze Kleurtint. De tijd gaat verder, Smitty. Ook voor jou.


* * *

Charlie herinnerde (herinnerde, herinnerde) zich opeens een liedje dat werd gezongen door de grote kinderen uit de tweede klas kleuterschool, bij het touwtjespringen:

Pim-Pam-Pes, breng de barones

Moeder krijgt een baby

geen jongen en geen meisje

maar een doodgewone baby.

Terwijl het liedje door zijn hoofd speelde viel hij in slaap.

Hij droomde van Laura. Zij kenden elkaar pas zo kort en toch hadden ze al een eigen taaltje, het taaltje van geliefden. Hij liep nu door een vreemd gebied, waarin het helder en duidelijk tot hem doordrong dat Laura en hij door onzichtbare barrières van tijd en ruimte gescheiden waren, maar waarin tegelijkertijd zijn moeder aan het voeteneind van zijn bed zat. Hij werd zich steeds bewuster dat hij in Ledom was, zodat hij bij het wakker worden zich niet verdwaald zou voelen. Toch werd het gevoel van zijn moeders aanwezigheid sterker en sterker, zodat hij om haar begon te roepen toen zij er bij het ontwaken niet bleek te zijn...

Hij stond op, liep naar het raam en keek, op veilige afstand, naar buiten. Het weer was niet veranderd. Hij had vermoedelijk de klok rond geslapen, want de lucht, ofschoon weer bedekt, was even stralend als tijdens de tocht vanuit het Gebouw Wetenschap. Hij was uitgehongerd en zich de instructies herinnerend, liep hij naar het plank-bed waarop hij had geslapen en trok aan de onderkant van de eerste van de drie gouden staven. Een onregelmatig deel van de muur — niets was hier ooit vierkant of recht of volkomen glad — rolde weg als de jaloezie van een ouderwetse schrijftafel en als een vreemdsoortige tong kwam er een plank naar buiten. Er stonden een kom en een bord op. De kom was gevuld met een soort waterpap. Op het bord lag, schilderachtig gerangschikt, een hoop exotisch gekleurd fruit. Er waren een of twee eerlijke bananen en sinaasappels bij en nog wat druifachtige vruchten. De andere vruchten waren blauw, gestippeld, weerschijnend vermiljoen en groen en in wel zeven verschillende kleuren rood. Maar hij had behoefte aan iets koels en er was geen drank te bekennen. Hij zuchtte en pakte een orchideekleurige bal, die nota bene naar beboterde toast rook! Aarzelend beet hij er in... en gromde van verbazing, want de schil was op kamertemperatuur en het sap van de wonderlijke vrucht ijskoud. Het smaakte naar appels en kaneel. Hij knapte er helemaal van op.

Daarna keek hij naar de pap. Hij was nooit erg dol op papsoorten geweest, maar dit rook erg lekker. Er lag iets naast het bord dat er uitzag als een soort lepel: een steel met aan het uiteinde een blauwe lus van fijn draad. Het ding zag er uit als een miniatuur tennisracket zonder snaren. Afwachtend pakte hij de steel en stak de lus in de pap. Tot zijn verbazing schoof het voedsel uit zichzelf op het wonderlijke eetvlak en toen hij de lepel naar zijn mond bracht, viel er geen druppel. Het smaakte zo verrukkelijk dat de onzichtbare holte in de lus hem niet eens in verwarring bracht. Hij keek er naar, stak er een onderzoekende vinger in (het bood weinig weerstand aan zijn vinger) en genoot van de sappige, zoete kruidige smaak van de vullende papachtige massa. De geur was volkomen nieuw voor hem, maar hij at de kom tot op de bodem leeg.

Tevreden stond hij op. Zijn bed verdween in de muuropening, die zich ogenblikkelijk weer sloot. Charlie knikte goedkeurend, liep naar de kast en betastte de krul in de tekening. De deur ging open. Ook in de kast gloeide weer dat zilverachtige licht. Met een argwanende blik op de randen van de ovale opening — dat ding scheen erg enthousiast open en dicht te gaan — tuurde hij naar binnen en zocht zijn oude vertrouwde bruine broek. Die was er niet. Hij zag alleen een rij vreemde constructies — andere woorden waren er niet voor — van stijve glimmende stoffen in allerlei gelen, blauwen en groenen. Er waren ook stoffen in allerlei kleuren tegelijk. Verder zag hij nogal wat kleurloze stoffen.

De kleren hadden verschillende modellen. Sommigen waren eenvoudig als nachtponnen — bij wijze van spreken dan — want als je in zo’n kledingstuk moest slapen, zou je zeker dromen dat je op een scherp traliewerk lag. Er waren wijde broeken, strakke slipjes, lendendoeken en lange en korte kilts, hoepelrokken en tenslotte smalle en wijde mantels.

Maar wat was die glinsterende, vijf centimeter brede en ongeveer twee meter lange riem, die er uitzag als een rij aan elkaar gesmede letters U. En hoe werd je verondersteld een volmaakte bol van veerkrachtig zwart materiaal te dragen... op je hoofd?

Hij zette het ding op en probeerde het in evenwicht te houden. Het kostte geen enkele moeite. Hij bewoog zijn hoofd om het af te schudden. Het verschoof geen millimeter. Hij trok er aan, maar er was geen beweging in te krijgen. Het zat zo vast als een muur. Het trok evenmin aan zijn haar, en het voelde aan of het op zijn schedel plakte.

Hij liep naar de drie gouden staven, stak zijn hand al uit om Philos te roepen, maar wachtte. Hij wilde zich eerst aankleden. Wat deze idiote wezens ook mochten blijken te zijn, hij had geen zin om zich door een vrouw te laten aankleden. Die tijd had hij achter de rug.

Hij liep weer naar de kast. Het trucje om de kleren op te hangen had hij gauw door. Ze hadden geen hangertjes, maar als je een kledingstuk in de gewenste vorm spreidde en je raakte er het rechter deel van de binnenmuur mee aan, bleef het in precies dezelfde vorm hangen. Daarna schoof je het op alsof het aan een roe hing, alleen was er geen roe. Als je het uit de kast haalde, zakte het in elkaar en werd het weer een leeg kledingstuk.

Hij zag iets dat enigszins de vorm van een zandloper had. Het was marineblauw en had een rode band. Hij meende er een lekkere kniebroek van te kunnen maken. Hij trok de witte mantel uit — er zat gelukkig een opening in de rug, anders had hij hem nooit over de zwarte bal op zijn hoofd kunnen krijgen — en vouwde het donkerblauwe materiaal tot een broek om zijn onderlichaam Hij wilde deze met het rode lint om zijn middel vastbinden, maar voor hij het wist had het lint zich al gesloten. Hij begon er verbaasd aan te trekken. Het werd wat wijder en sloot zich vast om zijn middel, zonder te knellen. Daarna trok hij het voorpand aan tot het paste en liet de rest als een soort voorschoot hangen. Hij draaide zich naar alle kanten en keek er bewonderend naar. Het kledingstuk zat hem nu als gegoten. Het kon hem weinig schelen dat zijn benen aan de zijkanten te zien waren. Hij zag er nu toch anders uit dan de gemiddelde Ledomiet. Minder vrouwelijk, hoopte hij.

Verder wilde hij niets aan, want hij had al ontdekt dat het klimaat hier tropisch was. De meeste mensen hier droegen iets op hun bovenlichaam, al was het maar een armband of iets op de schouderbladen. Hij neusde in de kast en vond tenslotte een jasje van hetzelfde donkerblauw. Hij trok het er uit. Het leek loodzwaar, maar was vederlicht. Het paste niet alleen of het voor hem gemaakt was, maar het had ook nog smalle biesjes van hetzelfde rood als zijn riem. Het was nog een puzzel om het aan te krijgen, tot hij zich realiseerde dat het niet over de schouders ging maar onder de armen. Het had hetzelfde rechtopstaande boord als Seace had gedragen en aan de voorkant viel het precies over zijn borstbeen. Er zat geen sluiting aan, maar dat was geen probleem: het sloot zich vanzelf en zat als gegoten.

Onderin de kast stonden schoenen: kussentjes die om de bal van de voet en de tenen sloten en andere die alleen de hiel bedekten. Er stonden ook sandalen met banden en zelf-hechtende veters, soepele laarzen in allerlei kleuren, aan de rand gebogen schoenen in Turkse stijl en verder allerlei vormen en modellen, die er voor zorgden dat de voet niet kon knellen. Charlie liet zich leiden door de kleur en koos een paar bijna gewichtloze laarzen, marineblauw met rood, die precies bij zijn kleren pasten. Hij hoopte dat ze zijn maat waren, maar terwijl hij ze aantrok realiseerde hij zich dat de schoenen natuurlijk iedereen zouden passen, welke maat hij ook had.

Tevreden liep hij naar de drie gouden staven en raakte er een aan. De deur ging open en Philos kwam binnen. Charlie vroeg zich verschrikt af of hij al die uren soms met zijn neus tegen de deur had gestaan. Philos had een gele kilt aan, bijpassende schoenen en een zwarte bolero, die hij achterstevoren scheen te hebben aangetrokken. Het zag er niet slecht uit. Zijn gezicht lichtte op toen hij Charlie zag: ‘Ben je al klaar? Mooi zo!’ Daarna trok zijn gezicht zich samen, een uitdrukking die Charlie niet thuis kon brengen.

‘Is het goed zo?’ vroeg hij. ‘Ik wou dat ik een spiegel had.’

‘Natuurlijk,’ antwoordde Philos. ‘Mag ik even...’ Hij wachtte. Charlie had het gevoel of hij op bijna rituele wijze op zijn vraag inging. Hij begreep er niets van. Wat betekende dit ‘Mag ik even...?’

‘Natuurlijk,’ antwoordde Charlie en keek zijn ogen uit. Want Philos had zijn handen bij elkaar gebracht en in zijn plaats stond daar nu iemand in diep, glanzend blauw met een hoge rechtopstaande boord, die het enigszins lange gezicht perfect omlijstte.

‘Goed?’ De figuur verdween en Philos kwam weer te voorschijn. Charlie keek hem met open mond aan. ‘Hoe heb je dat gedaan?’

‘O, dat vergat ik je te vertellen.’ Hij strekte zijn hand uit en Charlie zag een metalen ring van hetzelfde glinsterende blauw als het draad van de lepel waarmee hij had ontbeten. ‘Als ik die met mijn andere hand aanraak, heb ik een spiegel.’ Hij deed het nog eens en weer zag Charlie de man met die dwaze bol op zijn hoofd voor zich staan.

‘Dat noem ik nog eens een vondst,’ zei Charlie verrukt. ‘Maar waarom heb je altijd een spiegel bij je? Kun je jezelf er ook in zien?’

‘Nee,’ antwoordde Philos met datzelfde samengetrokken gezicht, waarop hij een lachje tevoorschijn probeerde te brengen. ‘We hebben dit gewoon ter verdediging. Wij Ledo-mieten maken zelden ruzie en dit is een van de redenen.

Kun jij jezelf woedend en onlogisch voorstellen (met het laatste woord bedoelde hij dwaas en onvergeeflijk) wanneer je plotseling jezelf ziet zoals anderen je zien?’

‘Het lijkt me inderdaad een koude douche,’ gaf Charlie toe. ‘Daarom vragen wij ook eerst toestemming voor we het gebruiken. Dat is een kwestie van beleefdheid Dat is zo oud als mijn soort menselijkheid en misschien ook de jouwe. Men vindt het niet leuk om zichzelf ongevraagd te zien.’

‘Jullie hebben hier een hele speelgoedwinkel,’ zei Charlie bewonderend. ‘Kan ik overigens de kritiek doorstaan?’

Philos bekeek hem van top tot teen en zijn gezicht scheen zich nog meer samen te trekken. ‘Uitstekend,’ zei hij tenslotte. ‘Je hebt goed gekozen. Zullen we gaan?’

‘Wat is er toch met je?’ vroeg Charlie. ‘Als er iets aan mijn uiterlijk mankeert, kun je het beter nu zeggen.’

‘Als je het vraagt,’ antwoordde Philos aarzelend en Charlie merkte dat hij zijn woorden uiterst voorzichtig koos. ‘Ben je erg dol op die... eh... hoed?’

‘Helemaal niet. Eerst kon ik hem niet van mijn hoofd krijgen en naderhand vergat ik hem.’

‘Wacht maar even,’ zei Philos. Hij deed de kast open en pakte iets dat er uit zag als een laarzentrekker. ‘Raak hem hier mee aan.’

Charlie deed het en het zwarte ding viel op de vloer. Hij gaf er een schop tegen zodat het weer in de kast vloog en vroeg: ‘Wat is dit?’

‘Deze de-stator? Die inactiveert de biostatische kracht van het materiaal.’

‘Door die biostatische kracht sluiten al die kleren vanzelf?’ ‘Ja. Het is namelijk geen dood materiaal. Vraag het Seace maar, ik begrijp het zelf niet helemaal.’

Charlie keek hem aandachtig aan: ‘Er is iets, Philos. Zeg het maar.’

Ofschoon het onmogelijk leek, trok Philos’ gezicht zich nog meer samen. ‘Liever niet. De laatste keer dat iemand om je lachte, schopte je hem door Mielwis’ kamer.’

‘Dat spijt me. Ik was toen een beetje overspannen. Vertel op.’

‘Weet je wat je op je hoofd had?’

‘Nee.’

‘Een queue.’

Gierend van het lachen gingen ze naar Mielwis.


* * *

‘Die vrouwen nemen de tijd,’ zegt Smith.

‘Die proberen elkaar met kegelen te vloeren.’

‘Een dwaze dwaze tekstschrijver.’ Maar Smith wilde niet hatelijk zijn. Hij zit te lachen in zichzelf.

De stilte valt. Ze zijn uitgepraat. Herb weet dat Smith weet dat ze allebei weten dat de ander een onderwerp van gesprek zoekt. Herb vindt het krankzinnig dat mensen niet bij elkaar kunnen zitten zonder woorden uit te kramen, maar hij zegt het niet omdat Smith eens zou mogen denken dat hij weer ernstig is.

‘De omslagen gaan er weer uit,’ zegt Smith na een tijdje.

‘Ja. Moeten al die jongens hun broeken weer laten veranderen. Wat zou de kleermaker met al die omslagen doen? En de fabrikanten die er opeens mee blijven zitten?’

‘Niks.’

‘En ze kosten hetzelfde,’ zegt Herb, op de broeken zonderomslagen doelend.

‘O, ja.’

Stilte.

‘Heb jij veel no-ironkleren?’ vraagt Herb.

‘Een paar broeken. Zoals iedereen.’

‘Wie wast en droogt ze?’

‘Niemand,’ zegt Smith met enige verontwaardiging. ‘De stomerijen hebben nu een speciaal procédé.’

‘Waarom koop je dan no-ironspullen?’

Smith haalt zijn schouders op: ‘Waarom niet?’

Stilte.

‘Ouwe Farrel.’

Herb kijkt naar Smith en ziet Smith door zijn raam en door het raam van het huis schuin aan de overkant kijken. ‘Wat doet ie?’

‘Televisie kijken, denk ik. Wat een stoel!’

Herb staat op, loopt de kamer door. Hij zet een asbak op de tafel en komt weer terug. ‘Zo’n contourstoel, geloof ik.’

‘Ja, maar rood. Hoe kan hij nou een rode stoel in die kamer zetten?’

‘Wacht maar af, Smitty. Hij gaat moderniseren.’

‘Hè?’

‘Twee jaar geleden had hij immers die boerenrommel van boomstammen? En toen ineens die gekke grote groene stoel. Binnen een week: boem! Vroeg Amerikaans, zijn hele kamer.’

‘O, ja.’

‘Binnen een week, zeg ik je.’

‘Boem.’

‘Dat zei ik, ja.’

‘Hoe kan iemand tweemaal in drie jaar tijd moderniseren?’

‘Zal wel door zijn familie komen.’

‘Ken je hem?’

‘Ik? Gelukkig niet. Ik ben nooit bij hem thuis geweest. We groeten elkaar amper.’

‘Ik dacht dat hij nogal krap zat.’

‘Waarom?’

‘Auto.’

‘Hij geeft het misschien aan andere meubels uit.’

‘Vreemde mensen.’

‘Waarom?’

‘Tillie zag haar in de supermarkt zwarte melasse kopen.’

‘Allemachtig,’ zegt Herb. ‘Die rommel is een cultus op het ogenblik. Geen wonder van die auto. Het kan ze misschien niet eens schelen dat hun auto al achttien maanden oud is.’

Stilte.

‘Het wordt tijd dat ik de boel een keer verf.’

‘Ik ook,’ zegt Herb.

Buiten zijn witte lichten te zien. Smitty’s stationcar komt de oprijlaan op, rijdt de garage in en de lichten gaan uit. Autoportieren slaan dicht. Twee tegelijkertijd sprekende stemmen, die geen woord van elkaar missen. De deur gaat open en Tillie komt binnen. Jeanette komt binnen. ‘Hallo, jongens! Wat doen jullie?’

‘O, we zitten een beetje te praten,’ zegt Smith, terwijl hij een afwijzend gebaar met zijn hand maakt. ‘Mannenpraat.’


* * *

Zij liepen door de golvende gangen, stapten tweemaal in een bodemloze put en werden omhoog getrokken. Mielwis, in een kledingstuk van schuin om zijn lichaam gewonden, geel en purper gekleurd lint — om zijn linkerbeen naar links en om zijn rechter naar rechts — was alleen en knikte goedkeurend toen hij Charlies marineblauwe kleren zag.

‘Ik laat jullie alleen,’ zei Philos, aan wie Mielwis tot dan geen aandacht besteedde. Toen knikte hij vriendelijk. Charlie stak zijn hand op en Philos verdween.

‘Zeer taktvol,’ zei Mielwis waarderend. ‘Zoals Philos hebben we er maar één.’

‘Hij heeft erg zijn best voor mij gedaan,’ zei Charlie en ondanks zichzelf voegde hij er aan toe: ‘geloof ik...’

‘De goede Philos heeft me verteld dat je je veel beter voelt.’

‘Ik begin zo’n beetje te begrijpen hoe ik me voel,’ zei Charlie. ‘En dat is meer dan toen ik hier kwam.’

‘Het moet een verwarrende ervaring zijn geweest.’ Charlie keek hem oplettend aan. Hij had geen flauw idee hoe oud deze mensen waren en waarschijnlijk door de eerbied die deze betuigd werd, had hij de neiging om Mielwis ouder te schatten dan de anderen. ‘Je wilt dus een onderzoek naar ons instellen.’

‘Zeker.’

‘Waarom?’

‘Het is mijn kaartje naar huis.’ Zodra Charlie het had gezegd, wist hij dat deze woorden in het Ledoms vrijwel geen betekenis hadden. In zijn taal was het woord ‘kaartje’ inherent aan betalen, maar in het Ledoms had het meer verband met ‘etiket’ of ‘indexkaart’. ‘Ik bedoel,’ voegde hij er vlug aan toe, ‘als ik alles heb gezien wat je mij wilt tonen...’

‘... en alles wat je wilt hebt gevraagd...’

‘...en ik je heb verteld wat ik er van vindt, dat ik weer terug kan naar waar ik vandaan ben gekomen.’

‘Ik ben blij dat ik dit kan bevestigen,’ zei Mielwis en Charlie had de indruk dat hij hem wilde duidelijk maken dat dat heel wat betekende. ‘Laten we beginnen.’ Dit klonk als een grapje.

Charlie lachte onzeker. ‘Ik weet nauwelijks waar.’ Hij dacht ineens aan iets dat hij ergens had gelezen. Was het van Charles Fort? Als je een cirkel wilt meten, geeft het niet waar je begint. ‘Goed. Ik wil iets weten over... iets persoonlijks over de Ledomieten.’

‘Vraag maar,’ zei Mielwis met gespreide handen.

‘Philos,’ begon Charlie, die opeens merkte hoe verlegen hij was bij deze vraag. ‘Philos vertelde me gisteravond, zei iets... Hij zei dat jullie Ledomieten nog nooit een man gezien hebben. Ik dacht dat jullie dus allemaal vrouwen waren, maar hij ontkende dat...’

Mielwis gaf geen antwoord en keek hem vriendelijk aan, een lachje om zijn lippen. Ondanks zijn verlegenheid die om de een of andere reden opeens erger werd, herkende Charlie de tactiek en bewonderde die. Vroeger had hij eens een leraar gehad die deze tactiek toepaste: ‘Zie er zelf uit te komen.’ Maar daarvoor moest je toch alle feiten kennen!

Charlie begon na te denken. Zij hadden een sterk ontwikkelde borst en grote tepels en niet, zoals in zijn wereld, brede schouders en smalle heupen. Hun haar werd op net zo verschillende wijze gedragen als hun kleren, maar hij wilde zich daardoor niet van de wijs laten brengen. Daarna dacht hij aan de taal die hij nu vloeiend kon spreken en die toch allerlei mysteries en geheimen had. Hij keek naar de ernstige en geduldige Mielwis en zei tegen zichzelf in het Ledoms: ‘Ik kijk naar hem.’ Voor het eerst in zijn leven vroeg hij zich af wat het woord ‘hem’ voor associaties bij hem opriep. In het Ledomietisch had het geen associaties met geslacht. Toch was het een persoonlijk voornaamwoord, je kon het bijvoorbeeld niet voor dingen gebruiken. Zo was dus het persoonlijk voornaamwoord in Ledom: persoonlijk en zonder aanduiding van geslacht. Maar wilde dat ook zeggen dat de Ledomieten geen sekse hadden? Dat zou Philos’ opmerking in zekere zin verklaren: zij hadden nog nooit een man gezien en waren evenmin vrouwen.

De woorden ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ kenden ze. Het alternatief was dus: beiden. De Ledomieten hadden beide seksen.

Hij keek naar Mielwis en zei onhandig: ‘Jullie zijn beide.’

Mielwis zweeg even en reageerde op geen enkele wijze. Toen kwam er een brede glimlach om zijn lippen alsof hij blij was met Charlies ontdekking. ‘Is dat zo erg?’ vroeg hij.

‘Daar heb ik niet over nagedacht,’ antwoordde Charlie eerlijk. ‘Ik vraag me alleen af hoe het mogelijk is.’

‘Dat zal ik je laten zien,’ zei Mielwis en statig stond hij op en kwam achter zijn tafel vandaan en liep naar een verbijsterde Charlie.


* * *

‘Ha, stieren!’ zegt Tillie Smith. ‘Wat doen jullie?’

‘Mannenpraat,’ geeuwt Smith.

‘Ha, kegels,’ zegt Herb. ‘Hoe ging het?’

‘Ik heb drie partijen verloren,’ zegt Jeanette.

‘Herb is een zanik,’ zegt Smith.

‘Zeur niet zo. Laten we liever wat drinken,’ vindt Tillie.

‘Wij niet,’ zegt Herb snel, terwijl hij met zijn ijsblokjes in een overigens leeg glas rammelt. ‘Ik heb genoeg gehad en het is al laat.’

‘Ik ook niet,’ zegt Jeanette, die de hint begrijpt.

‘Bedankt voor je drankjes en je vuile moppen,’ zegt Herb tegen Smith.


‘Die over die dansende meisjes moet je ze niet vertellen,’ zegt Smith.

Jeanette doet druk of ze aan het kegelen is. ‘Welterusten, Til. Laat ze maar rollen.’

Ook Tillie maakt kegelende bewegingen, waardoor Smith weer op de bank valt waar hij overigens graag ligt. De Railes nemen hun kegeltas mee. Herb kreunt dramatisch terwijl hij de tas oppakt. Jeanette trekt de babysit uit en stopt die onder Herbs linkerarm terwijl ze haar handtas onder zijn rechterarm stopt. Daarna wacht ze op hem — omdat ze een dame is — totdat hij met zijn knie de deur voor haar openduwt.


* * *

‘Kom mee,’ zei Mielwis en Charlie volgde hem naar een wat kleinere kamer. Een muur was van de grond tot het plafond vol gleuven met labels — een soort kaartsysteem, veronderstelde hij — en zelfs deze waren niet recht maar gebogen. Ze deden denken aan de bogen die hij eens had zien tekenen door een efficiency-expert: maximum bereik van de rechterhand, optimum bereik van links, enz. Aan de andere muur was een zachte witte plank bevestigd, die er uit zag als een onderzoektafel. In het voorbijgaan gaf Mielwis er een zachte klap op en de plank volgde hem de kamer in, langzaam zakkend, tot hij tenslotte op zithoogte was. ‘Ga zitten,’ zei Mielwis over zijn schouder.

Charlie nam plaats en keek naar de lange Ledomiet die een blik over de labels wierp. Plotseling zei hij: ‘Hier moeten we zijn!’ Hij stak een vingertop in een van de gleuven en drukte zijn hand naar beneden. Er kwam een grote kaart uit. De lichten begonnen zwakker te branden en de kaart werd steeds helderder. Mielwis liet een tweede kaart uit de muur komen en ging naast Charlie zitten.

De kamer werd donker en de kaarten waren verlicht. Charlie zag de voor- en zijkant van een in een zijden, een centimeter onder de navel beginnende, sporran geklede Ledomiet. Charlie had rode, groene, blauwe en purperen sporrans gezien die langer of korter waren dan deze, maar een Ledomiet zonder sporran moest hij nog zien. Dat was duidelijk taboe en hij zei dan ook niets.

‘We zullen gaan ontleden,’ zei Mielwis en zonder dat Charlie het merkte bracht hij een verandering in de kaart aan: blip! De sporran en de huid daaronder waren verdwenen, zodat de fascia en verschillende spiervezels van de buikwand te zien kwamen. Met een lange zwarte aanwijsstok, die hij op de een of andere wonderlijke wijze tevoorschijn toverde, wees hij de organen aan wier functies hij zakelijk beschreef. Het uiteinde van de stok bestond uit een naald, een cirkel, een pijl of een soort haak, al naar zijn wil.

Charlie vroeg en vroeg maar! Zijn verlegenheid was allang verdwenen en nu kwamen twee van zijn sterkst gekleurde karakteristieken naar boven: ten eerste het resultaat van zijn allesverslindende en onvermoeibare leeshonger en ten tweede de onvoorstelbare hiaten in zijn kennis. Beide waren erger dan hij zich ooit had voorgesteld. Hij wist veel meer dan hij wist, maar daar stond tegenover dat hij minstens zeven maal meer hiaten had dan hij wist.

De anatomische details waren fascinerend en hij had het gevoel of hij een wonder zag: het vernuft, de vindingrijkheid en de efficiënte complexiteit van een levend ding.

In actieve vorm bezaten de Ledomieten beide seksen. De intromittent zat achterin in wat je de vaginale holte zou kunnen noemen. De basis van dit orgaan had aan iedere kant een opening, want de Ledomieten hadden twee baarmoeders waardoor altijd identieke tweelingen werden geboren.

Tijdens een erectie daalde de phallus naar buiten, terwijl hij in gewone toestand was ingesloten. Hij bevatte op zijn beurt de urethra. Het paren gebeurde wederkerig, op andere wijze was het onmogelijk. De testikels waren in- noch uitwendig, maar lagen in de lies vlak onder de huid.

Toen Charlie op al zijn vragen antwoord had gekregen, gaf Mielwis de kaarten met de rug van zijn hand een duwtje en zij verdwenen weer in hun gleuven. Tegelijkertijd gloeiden de lichten aan.

Charlie keek een ogenblik zwijgend voor zich uit. Hij dacht aan Laura — en eigenlijk aan alle vrouwen, alle mannen... De astronomische symbolen voor vrouw en man waren Venus en Mars, maar welke symbolen zouden ze in godsnaam voor deze wezens gebruiken? Mars plus Y? Venus plus X? Een omgekeerde Saturnus? Hij keek Mielwis aan en vroeg: ‘Hoe heeft de mensheid dit in ’s hemelsnaam voor elkaar gekregen?’

Mielwis lachte toegeeflijk en keerde terug tot het archief. Hij (zelfs na deze uitleg kon Charlie Mielwis in gedachten niet anders dan ‘hij’ noemen) begon langs de wand te zoeken. Charlie wachtte geduldig op nieuwe uitleg, maar Mielwis liet een geërgerd gebrom horen en liep naar de hoek van de kamer, waar hij zijn hand op een van de grillige krullen van de muurschildering legde. Onmiddellijk vroeg een klein, beleefd stemmetje: ‘Ja, Mielwis?’

‘Waar heb je het homo sap. ontleedmateriaal gelaten, Tagin?’

‘In de archieven, onder Uitgestorven Primaten,’ antwoordde het kleine stemmetje.

Mielwis bedankte en ging naar een tweede muur met gleuven. Hij vond al gauw wat hij nodig had. Charlie stond op toen Mielwis hem wenkte en hij keek naar de kaarten die tevoorschijn waren gekomen. De lichten doofden langzaam en de kaarten straalden. ‘Dit zijn ontledingen van homo sap, mannelijk en vrouwelijk,’ begon Mielwis. ‘Ik wil je laten zien hoe weinig veranderingen er in feite hebben plaatsgevonden.’

Hij liet de menselijke voortplantingsorganen in embryonale staat zien, waarbij hij aantoonde dat de seksuele organen soortgelijk waren en bleven en hoe alle mannelijke organen hun tegenhanger in de vrouw hadden. ‘Wanneer je niet uit een wereld kwam waar juist zo de nadruk op het verschil werd gelegd, zou het je geen moeite kosten om te zien hoe klein die verschillen in feite zijn.’ (Voor het eerst hoorde hij een Ledomiet een deskundige toespeling op homo sap. maken.) Mielwis behandelde nu enkele kaarten van pathologische aard. Hij demonstreerde hoe men op biochemische wijze een orgaan kon uitschakelen en een ander tot een bepaalde functie kon brengen. Een man kon daardoor melkafscheiding krijgen en een vrouw baardgroei. Hij liet Charlie allerlei platen zien om te bewijzen hoeveel variëteiten er in de natuur in de voortplantingsdaad bestaan. Hij zag bijvoorbeeld een hoog in de lucht parende bijenkoningin, die daarna een substantie met zich meedroeg waardoor zij letterlijk honderdduizenden eieren, letterlijk generatie na generatie, kon bevruchten. Na diverse voorbeelden was Charlie er dan ook van overtuigd, dat de afwijking tussen Ledom en homo sap. noch ongebruikelijk, noch bijzonder drastisch was.

‘Maar hoe is dit allemaal gebeurd?’ vroeg hij tenslotte.

Mielwis antwoordde met een vraag: ‘Wat kroop het eerst uit de drek en ademde lucht inplaats van water? Wie kwam het eerst uit de boom en pakte een stok om als gereedschap te gebruiken? Welk beest groef het eerst een gat in de grond om er doelbewust zaad in te stoppen? Het gebeurde. En dat is alles. Zulke dingen gebeuren...’

‘Je weet er veel meer van,’ beschuldigde Charlie. ‘Je weet een heleboel over homo sap. ook.’

‘Dat is Philos’ specialiteit en niet de mijne,’ antwoordde Mielwis. ‘Voor zover het Ledom betreft. Ik dacht overigens dat je niet wilde weten hoe en wanneer het met homo sap. is afgelopen. Niemand zal je inlichtingen onthouden die je werkelijk wilt hebben, Charlie Johns, maar lijkt het je niet dat het begin van Ledom en het eind van homo sap. iets met elkaar te maken hebben? De beslissing is natuurlijk aan jou.’

Charlie sloeg zijn ogen neer: ‘D... Dank je, Mielwis.’

‘Praat er eens met Philos over. Wanneer iemand het kan uitleggen, is hij het wel. En ik moet eerlijk toegeven,’ zei hij met een brede lach, ‘dat hij beter weet dan ik waar hij ophouden moet. Het ligt niet in mijn aard om dingen te verzwijgen. Je moet er maar eens met hem over praten.’

‘Graag,’ zei Charlie. ‘Ik zal het doen.’

Mielwis’ afscheidswoorden waren dat de natuur, ondanks alles, maar één principe heeft: continuïteit. ‘En dat zal gebeuren,’ besloot hij, ‘al moet er een wonder aan te pas komen.’


* * *

‘O, het is geweldig,’ zegt Jeanette tegen Herb als ze nog een drankje klaarmaakt en hij, nadat hij even naar de kinderen heeft gekeken, weer in de keuken komt. ‘Het is geweldig om zulke buren als de Smiths’ te hebben.’

‘Geweldig,’ zegt Herb.

‘We hebben zo dezelfde belangen.’

‘Heb je wat gepresteerd vanavond?’

‘O ja!’ zegt ze, terwijl ze hem het glas geeft en tegen de gootsteen leunt. ‘Je werkt nu al zeven weken aan een slagzin voor die grote chocolaterie.’

‘Is dat zo?’

‘Wat denk je van: Het Snoepje?’

‘Nee maar... wat een vondst! Je bent een genie!’

‘Ik ben een dievegge,’ zegt ze. ‘Want Tillie zei dat, als een grapje. Misschien is ze het allang vergeten, en daarom zit je er al zeven weken op te zwoegen.’

‘Slim, slim. Een pakkende zin. Smitty had me weer te pakken vanavond.’ ‘Hoe dan?’

Hij vertelt over de T.V.-show en het daarop volgende gesprek.

‘Je bent stapelgek,’ zegt Jeanette. ‘Maar hij is wel een gem.’

Gem is hun privé uitdrukking voor iemand die gemene dingen doet.

‘Ik kon me best redden.’

‘Je kan in ieder geval wel een bom achter de hand houden.’

Hij kijkt het raam uit: ‘Te dichtbij om een bom te gooien.’

‘Alleen als ze weten wie hem gegooid heeft.’

‘Welnee,’ zegt hij. ‘We willen hem toch niet bombarderen?’

‘Natuurlijk niet. We willen alleen een bom voor het geval dàt. Ik weet trouwens iets dat zonde is om te laten lopen.’ Ze vertelt hem hoe de oude Trizer naar boven is getrapt en dolgelukkig zou zijn wanneer hij Smith te pakken kon nemen.

‘Laat nou, Jeanette. Hij heeft prostaat.’

‘Vertelde hij dat?’

‘Nee, ik ontdekte het. Stapels medicijnen. En aambeien.’

‘Daar zal ik Tillie eens flink mee pesten.’

‘Je bent de meest verdorven vrouw die ik ken.’

‘Hij nam mijn kleine honneponnetje te pakken en dat neem ik niet.’

‘Ze zullen trouwens denken dat ik het je verteld heb.’

‘Ze zullen zich de hele dag afvragen hoe dat uitgelekt is. Ik red het wel, honnepon. Wij zijn een team. Dat moet je niet uitvlakken.’

Hij draait zijn drankje rond, kijkt er naar en zegt: ‘Smitty zei ook al zoiets.’ Hij vertelt haar over de woestijnlaarzen en hoe Smith denkt dat de kinderen al gauw niet meer zullen weten wie de vader is.

‘Kan je dat wat schelen?’

‘Toch wel.’

‘Vergeet het,’ zegt ze. ‘Wat doet het er toe? Wij zijn een nieuw soort mensen. Je moet er aan wennen dat Davy en Karen zullen opgroeien zonder dat akelige grote Ding waarover je altijd leest, het vaderbeeld, het moederbeeld en al die andere onzin.’

‘Mijn Levensverhaal, door Karen Raile. Toen ik een klein meisje was, had ik geen pappie en mammie zoals de andere kindertjes. Ik had een Commissie.’

‘Commissie of niet, sombere jongen, zij hebben eten, drinken, kleren en liefde. Is dat niet genoeg?’

‘Ja, maar een vaderbeeld is ook iets waard.’

Ze tikt hem op de wang: ‘Alleen diep in je hart mag je je groot voelen. En je bent er al zeker van dat jij de enige bent die groot genoeg is om tot deze Commissie te behoren? Niet soms? Laten we naar bed gaan.’

‘Hoe bedoel je dat?’

‘Laten we naar bed gaan.’


* * *

Philos stond voor Mielwis’ kamerdeur en keek alsof hij juist aankwam: ‘Hoe was het?’

‘Een beetje overdonderend wel,’ antwoordde Charlie.

‘Wil je nog meer informatie? Of is het voor het moment genoeg? Moet je alweer slapen?’

‘Nee, vannacht pas.’ Het woord vannacht leek even abstract geworden als de woorden man en vrouw. Hij meende dan ook dat hij er aan moest toevoegen: ‘Als het donker is.’

‘Als wat donker is?’

‘Als de zon ondergaat. Sterren, maan, al dat soort dingen, weet je wel.’

‘Het wordt niet donker.’

‘Het wordt niet... Wat zeg je nu weer? De aarde draait toch zeker? Of niet soms?’

‘Ik begrijp wat je bedoelt. Ja, buiten Ledom zal het wel donker zijn.’

‘Ligt Ledom dan onder de grond?’

‘Dat is geen vraag om met ja of nee te beantwoorden.’

Charlie zag neer op de gang en zag een groot stuk van de bewolkte, stralend zilveren lucht. ‘Waarom niet?’

‘Dat moet je Seace vragen. Hij kan dat beter uitleggen dan ik.’

Ondanks zichzelf moest Charlie lachen en in antwoord op Philos’ vragende blik, zei hij: ‘Eerst zeg je dat Mielwis alles weet. Maar Mielwis zegt dat jij een expert bent. En jij stuurt me weer naar Seace.’

‘Waarin was ik dan een expert, volgens Mielwis?’

‘Dat zei hij niet precies. Hij beweerde min of meer dat jij alles van de Ledomietische geschiedenis afweet. Hij zei ook nog iets anders — dat jij wist wanneer je moest ophouden met inlichtingen geven, terwijl het niet in zijn aard lag om iets achter te houden.’

Voor de tweede maal zag Charlie een blos over Philos’ donkere wangen vliegen: ‘Maar dat is wel míjn aard.’

‘Luister eens,’ zei Charlie geschrokken. ‘Misschien heb ik het mis. Ik kan het best verkeerd begrepen hebben. Ik wil niet de oorzaak zijn dat er moeilijkheden tussen jullie ontstaan.’

‘Ik begrijp wat hij er mee bedoelt,’ zei Philos vlak. ‘Ik voel me heus niet pijnlijk getroffen. Dit is iets in Ledom, dat niets met jou uitstaande heeft.’

‘Dat heeft het wel! Mielwis zei dat het begin van Ledom wel degelijk te maken heeft met de ondergang van homo sap. en daar wil ik niets over weten.’

Zij waren intussen gaan lopen, maar opeens stond Philos stil en legde zijn handen op Charlies schouders. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘We hebben allebei gelijk en ongelijk. Er is niets onaangenaams waar jij verantwoordelijk voor zou zijn. Vergeet het, want het was verkeerd van mij om zo te reageren. Vergeet mijn gevoelens, mijn problemen.’

‘Mag ik dan niet alles over Ledom weten?’ vroeg Charlie sluw. Daarna lachte hij en zei tegen Philos dat het in orde was en hij alles zou vergeten.

Maar dat zou hij zeker niet.


* * *

In bed zegt Herb plotseling: ‘Maar Margaret moet ons niet.’

‘Dan bombarderen we haar ook,’ zegt Jeanette tevreden. ‘Ga slapen. Over welke Margaret heb je het eigenlijk?’

‘Margaret Mead, de antropologe. Ze heeft dat artikel geschreven waarover ik je laatst vertelde.’

‘Waarom moet ze ons niet?’

‘Ze zegt dat een opgroeiende jongen zoals zijn vader wil zijn. Als zijn vader een goede verzorger en een goede speelkameraad is en in huis even handig als een wasmachine of een vuilnismachine of zelfs als een vrouw, zal hij later net zo worden.’

‘Wat is daar fout aan?’

‘Ze zegt dat er uit de voorsteden geen avonturiers, onderzoekers of kunstenaars kunnen komen.’

Na een korte stilte zegt Jeanette: ‘Zeg tegen jouw Margaret dat ze kan opvliegen. Ik zei je al eerder: wij zijn een nieuw soort mensen. Wij verzinnen mensen die niets weten van dronken vaders of moeders bij de melkboer. Wij zaaien een rijke oogst van mensen die blij zijn met wat ze hebben en geen tijd verspillen aan het overtreffen van de buren. Je kunt beter niet over ernstige dingen denken, lieveling. Dat is slecht voor je.’

‘Dat is eigenlijk precies gelijk hetzelfde wat Smith tegen me zei,’ zegt Herb verbaasd. Hij lacht. ‘Maar hij bedoelt het andersom.’

‘Hangt er van af hoe je het bekijkt.’

Hij blijft een tijdje liggen denken over zijn-en-haar woestijnlaarzen en mijn ouder is een Commissie en hoe goed een man er uit ziet met een afdroogdoek en tenslotte wordt hij er een beetje gek van. ‘Welterusten, liefje.’

‘Welterusten, liefje,’ mompelt ze.

‘Welterusten, schatje.’

‘T’rusten, schatje.’

‘Verdomme!’ schreeuwt hij opeens. ‘Noem me toch niet steeds hetzelfde als ik jou noem!’

Ze is niet precies bang, maar wel een beetje geschrokken. Ze weet dat hij met iets overhoop ligt en zwijgt.

Een tijd later raakt hij haar aan en zegt: ‘Het spijt me, liefje.’

‘Goed — George.’

Hij moet lachen.


* * *

Het kostte maar enkele minuten om met de ‘ondergrondse’ — er was een Ledomse naam voor, maar een onvertaalbare — bij de Wetenschap te komen. Charlie en Philos kwamen onder de overhellende top van het vreemde struktuur uit en liepen om het zwembad heen, waar zeker weer een stuk of dertig, veertig Ledomieten aan het rondplassen waren. Ze bleven een ogenblik staan kijken. Ze hadden onderweg weinig gesproken, waren allebei nog bezig met hun eigen gedachten, maar terwijl hij naar deze duikende, rennende en zwemmende mensen keek, vroeg Charlie: ‘Hoe blijven die korte schortjes in hemelsnaam zitten?’ En Philos trok hem daarop zachtjes aan zijn haar en vroeg: ‘Hoe blijft dit zitten?’

En Charlie moest — een van de weinige keren in zijn leven — blozen.

Ze liepen om het gebouw heen en kwamen onder de kolossale overkoepeling. Philos bleef staan en zei: ‘Loop jij maar door.’

‘Ik wou dat je meeging,’ zei Charlie. ‘Dit keer zou ik het prettig vinden als je er bij was wanneer iemand zegt: praat er maar met Philos over.’

‘Dat zal zeker gebeuren en ik zal ronduit met je praten wanneer het ogenblik daar is. Maar denk je niet dat je meer over Ledom vandaag te weten komt vóór ik je met een heleboel feiten uit de geschiedenis in de war breng?’

Wat ben je, Philos?’

‘Ik ben historicus.’ Hij voerde Charlie naar de voet van de muur en legde zijn hand op de onzichtbare rail. ‘Klaar?’

‘Klaar.’

Philos deed een stap achteruit en Charlie werd pijlsnel omhoog getrokken. Hij was al zo vertrouwd met deze manier van voortbewegen, dat hij niet meer zijn ogen sloot en hij zag Philos naar het zwembad lopen. Een vreemd wezen, dacht hij. Niemand schijnt op hem gesteld te zijn.

Hij dreef kalm tot stilstand in de lucht voor een groot raam en stapte er moedig op af. En er doorheen. Tegelijkertijd voelde hij weer die onzichtbare afsluiting, die er toch was. Vormde hij op zo’n moment een deel van die onzichtbare muur? Iets dergelijks moest het wel zijn.

Hij keek om zich heen. Het eerst wat hij zag was de gewatteerde cel, de pompoen met zilveren vleugels, de tijdmachine met zijn open deur, precies als toen hij tevoorschijn kwam. Hij zag de draperieën op het eind van de kamer en een vreemdsoortige, scheve uitrusting op een soort zware sokkel in het midden. Er stonden tevens enkele stoelen en een hoge tafel met een hoop papieren.

‘Seace?’

Geen antwoord. Een beetje verlegen liep hij de kamer door en ging op een van de stoelen zitten. Hij riep wat luider, maar er kwam geen antwoord. Hij sloeg zijn benen over elkaar en wachtte. Een tijd later stond hij weer op en keek in de zilveren pompoen.

Hij had niet geweten dat hij zo’n schok zou krijgen. Hij wist niet eens dat het hem zou schokken. Maar daar, op die zachte zilveren vloer had hij meer dood dan levend gelegen, jaren en kilometers verwijderd van alles wat hem interesseerde, het gedroogde zweet op zijn lichaam. Zijn ogen keken door een waas van tranen. Laura! Laura! Ben je dood? Brengt dood zijn je dichter bij me? Ben je oud geworden, Laura, is je mooie lichaam verschrompeld? Was je er blij om? Laura, weet je dat ik alles, zelfs mijn leven zou geven om je even te mogen aanraken, zelfs als jij oud zou zijn en ik niet?

Of... kwam het afschuwelijke einde toen je jong was? Sloeg de grote hamer op je huis en was het in één helder ogenblik gebeurd? Of begon je door de ontastbare gifregen inwendig te bloeden en te braken en hief je je hoofd op om naar je uitgevallen haar op het hoofdkussen te kijken?

Hoe vind je me? schreeuwde hij van binnen. Hoe vind je Charlie in marineblauw en rode biesjes? Wat vind je van deze krankzinnige boord?

Hij knielde in de deuropening van de tijdmachine en sloeg zijn handen voor zijn gezicht.

Na een tijdje kwam hij weer overeind en zocht iets om zijn neus af te vegen. Terwijl hij keek en keek, zei hij: ‘Ik zal bij je zijn als het gebeurt, Laura. Of tot het gebeurt... Misschien kunnen we samen oud sterven, Laura, wachtend...’

Verblind door zijn eigen gevoelens, vond hij zichzelf terug in het einde van de kamer, zonder te weten wat hij daar deed of hoe hij daar gekomen was. Er was niets dan muur met getekende krullen, die hij aanraakte. Er kwam een opening, zoals die waarin zijn ontbijt had gestaan, maar er kwam geen tong naar buiten. Hij boog zich voorover en gluurde naar binnen en zag in de verlichte ruimte een stapel vierkante, doorzichtige dozen en een boek.

Hij haalde de dozen er uit, eerst uit nieuwsgierigheid, daarna met toenemende opwinding. Hij haalde ze er een voor een uit, maar heel voorzichtig zette hij ze, een voor een, weer terug zoals hij ze had gevonden.

In een van de dozen zat een roestige spijker. Helder metaal toonde aan waar de spijker schuin was afgesneden.

In een andere doos zat een door regen vervaagd boekje lucifers. Het rood van de luciferkoppen had vlekken op het papier gemaakt. Hij wist het, hij wist het! Hij zou het overal herkennen! Alle letters waren er niet meer, maar hij zag dat het uit Dooley’s Bar en Grill uit de Arch Street kwam, al stonden de paar overgebleven letters dan ook in spiegelschrift.

Hij vond ook een gedroogde goudsbloem. Geen vlammende, prachtige Ledomietische wonderbloem, maar een gewone, gedroogde goudsbloem.

Daarna vond hij in een volgende doos een kluit aarde. Wiens aarde? Was dit aarde die haar voeten betreden hadden? Was het uit de aarde onder de grote witte lampen met de verblekende 61 er op geschilderd?

En, tenslotte, een boek. Zoals alles hier was het niet vierkant, maar rond en de regels waren boogvormig, ofschoon niet regelmatig. Hij kon het als een normaal boek openslaan en lezen, hetgeen hem niet meer verbaasde dan zijn plotselinge beheersing van het gesproken Ledoms.

De tekst bestond uit een hoogst technische beschrijving van de procedure en verscheidene bladzijden met kolommen vol aantekeningen, met vele doorhalingen en verbeteringen. Dan waren er verschillende bladzijden met vier getekende wijzerplaten, van klokken of instrumenten, zonder wijzers. De laatste waren blanco, maar de eerste waren beschreven, er waren wijzers in getekend en er stonden merkwaardige notities bij: Kever gestuurd, niets teruggekomen. Er stond vaak ‘niet teruggekomen’, tot hij aan een pagina kwam waarop een zeer groot en triomfantelijk Ledoms uitroepteken stond. Het ging hier om Experiment 18 en er stond in beverig handschrift bij: Noot gestuurd. Bloem teruggekomen! Charlie pakte de doos met de bloem er in en draaide hem naar alle kanten, tot hij het cijfer 18 ontdekte. Die wijzers, die wijzers... Met een ruk draaide hij zich om en holde naar de vreemde apparatuur in het midden van de kamer. Er stonden vier wijzers op en bij elke wijzer was een knop die in een cirkel om de wijzer moest worden getrokken. Hij moest de vier knoppen dus in de in het boek aangegeven stand zetten en dan... Een tuimelschakelaar is overal te herkennen en op deze stond duidelijk aan en uit.

Hij liep weer naar de hoek en begon zenuwachtig te bladeren. Experiment 18... het laatste voor de lege bladzijden begonnen. Stenen gestuurd. Teruggekomen (in Ledomse lettertekens): Charlie Johns.

Snel begon hij met het boek in zijn handen de standen uit zijn hoofd te leren.

‘Charlie! Ben je hier, Charlie Johns?’

Seace!

Toen Seace, die door de een of andere onzichtbare deur achter de tijdmachine was binnengekomen, de hoek om kwam, had Charlie het boek net terug gelegd. Maar hij kon de krul niet op tijd vinden en daar stond hij nu, voor een geopend stuk muur, de dode goudsbloem in zijn hand.


* * *

‘Wat doe je?’

Herb opent zijn ogen en ziet zijn vrouw die zich over hem heen buigt. ‘Ik lig op zaterdagmiddag in een hangmat en praat met de kinderen.’

‘Ik keek naar je. Je zag er erg ongelukkig uit.’

‘Zoals Adam zei toen zijn vrouw uit de boom viel. Eva valt weer eens.’

‘Lelijkerd. Vertel mama maar wat er aan de hand is.’

‘Jij en Smith willen niet dat ik ernstig ben.’

‘Jongen toch! Ik sliep al bijna toen ik dat zei!’

‘Goed. Ik dacht over een boek dat ik eens gelezen had, dat ik niet kan vinden en dat ik nog eens wil lezen. De Verdwijning.’

‘Misschien is het dan gewoon verdwenen. O God! Dat is Philip Wylie. Is dol op vis, haat vrouwen.’

‘Ik weet wat je bedoelt en je vergist je. Hij is dol op vis, maar haat de manier waarop vrouwen worden behandeld.’

‘Keek je daarom zo ongelukkig in die hangmat?’

‘Ik was helemaal niet ongelukkig. Ik probeerde me te herinneren wat de man zei.’

‘In De Verdwijning? Ik weet het. Het gaat er over dat op een dag alle vrouwen van de aardbodem verdwenen zijn. Griezelig.’

‘Je hebt het gelezen! Mooi. Er was een hoofdstuk in met een soort verklaring. Dat wil ik nog eens lezen.’

‘Ooo... ja. Ik herinner me dat. Ik heb het overgeslagen omdat ik wilde weten hoe het verhaal afliep. Het ging over...’

‘Dat heeft een tekstschrijver nou vóór op een schrijver van bestsellers,’ onderbreekt Herb. ‘Een tekstschrijver zorgt er voor dat de klant nooit door saaie woorden van het product wordt afgeleid. Maar Wylie deed dat wel in dat hoofdstuk. Geen mens die het nodig heeft, heeft het gelezen.’

‘Bedoel je, dat ik het nodig had?’ vraagt ze agressief. ‘Wat heeft hij dat ik nodig zou hebben?’

‘Niets,’ antwoordt Herb en zinkt uitgeput, met gesloten ogen, weer in zijn hangmat.

‘O, liefje, ik wilde je niet...’

‘Ik ben niet kwaad! Het gaat er mij juist om dat hij het met jou eens is...’

‘Waar is hij het dan mee eens?’

Herb doet zijn ogen weer open en kijkt in de lucht. ‘Hij zegt dat de mensen hun eerste grote fout maakten toen zij de gelijkheid van man en vrouw begonnen te vergeten en zich concentreerden op het verschil. Hij noemt dat de grote zonde. Hij zegt dat daardoor mannen mannen haten en ook vrouwen. Hij zegt dat dit de oorsprong van alle oorlogen en vervolgingen is. Hij zegt dat omdat wij niet meer kunnen liefhebben.’

‘Zoiets heb ik nooit beweerd!’

‘Daar lag ik nou juist over te denken. Jij zegt dat wij een nieuw soort mensen zijn, een Commissie of een team. Het doet er niet meer toe wie de mannen- en wie de vrouwendingen doet.’

‘O, bedoel je dat.’

‘Wylie maakt ergens een grappige opmerking. Hij zegt: sommige mensen denken dat de meeste mannen sterker zijn dan vrouwen doordat mannen de vrouwen selectief hebben gefokt.’

‘Heb jij selectief vrouwen gefokt?’

Hij lacht tenslotte en dat wil ze ook. Ze kan er niet tegen als hij bedroefd kijkt. ‘Iedere verdomde keer weer,’ zegt hij en trekt haar in zijn hangmat.


* * *

Seace hield zijn hoofd schuin en liep op Charlie toe. ‘Zo, jongeman. Wat doe je daar?’

‘Neem me niet kwalijk,’ stotterde Charlie. ‘Ik... ik...’

‘Je hebt die bloem er uitgehaald?’

‘Ik kwam hier en ik dacht... ik dacht dat jij...’

Seace klopte hem op de schouder en zei: ‘Goed, goed, jongen. Ik had je die bloem toch willen laten zien. Ken je hem?’

‘Ja,’ antwoordde Charlie. ‘Het is een goudsbloem.’ Seace haalde het boek uit de opening en schreef de naam van de bloem er in. ‘Die hebben wij niet in Ledom,’ zei hij trots. Hij knikte in de richting van de tijdmachine. ‘Je weet nooit waar dat ding mee thuis komt. Jij bent natuurlijk een prijs-voorbeeld. Zo’n kans krijg je maar eens in de honderddrieënveertig quadriljoen, als je dat tenminste iets zegt.’

‘Bedoel je... bedoel je dat ik net zo weinig kans heb om terug te komen?’

Seace lachte: ‘Kijk niet zo verschrikt! Milligram bij milligram — en atoom bij atoom, geloof ik — krijg je er uit wat je er in gestopt hebt, maar we kunnen zelf kiezen wat we er in doen. Wat er uitkomt...’ Hij haalde zijn schouders op.

‘Kost het veel tijd?’

‘Dat hoopte ik van jou te leren, maar je wist het niet. Hoelang denk je dat je er in hebt gezeten?’

‘Het lijkt me jaren.’

‘Dat kan niet. Dan zou je allang verhongerd zijn. Maar aan deze kant werkt het ogenblikkelijk. Sluit de deur, trek de schakelaar uit, doe de deur open en het is gebeurd.’ Rustig trok hij de bloem uit Charlies hand en stopte die, met het boekje, in de opening en drukte die dicht. ‘Kom! Wat wil je weten? Er is mij gezegd dat ik je alleen niet mag vertellen wanneer en hoe die dwaze homo sap. zijn idiote collectieve keel afsnijdt. Sorry: dat moet je je niet persoonlijk aantrekken. Waar wil je beginnen?’

‘Er is zo veel...’

‘Er is eigenlijk erg weinig. Laat me je een voorbeeld geven. Kun jij je een gebouw, een stad, desnoods een hele cultuur voorstellen, die drijft op het enkele technische idee van de elektrische dynamo en de motor — wat in essentie hetzelfde is?’

‘Jawel.’

‘En eigenlijk is het toch iets vreemds voor iemand die nog nooit van zoiets gehoord heeft. Met elektriciteit en motoren kun je trekken, duwen, verhitten, verkoelen, sluiten, verlichten, ja, eigenlijk alles. Begrijp je?’

Charlie knikte.

‘Goed. Het gaat om beweging. Zelfs hitte is in laatste instantie beweging. Wij hebben een enkel ding dat alles doet wat de elektrische motor kan doen, plus nog een aantal dingen in het statische vlak. Het werd hier in Ledom ontwikkeld en het is de hoeksteen van de hele structuur, A-veld genaamd. A is een afkorting van Analogon. In de grond is het eigenlijk een simpele zaak, hoewel de theorie...’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Heb je wel eens van een transistor gehoord?’

Charlie knikte. Dit was een man met wie je tenminste praten kon.

‘Dat is zo simpel als maar kan,’ vervolgde Seace. ‘Een hoopje materiaal met drie draden er aan. Zet een signaal op één draad en hetzelfde signaal komt er honderd maal versterkt uit. Geen opwarmingstijd, geen geleidedraden die kunnen breken en geen vacuum dat verloren kan gaan. En het kost bijna geen energie.’

Toen kwam de tunneldiode, in vergelijking waarmee de transistor te ingewikkeld, te groot, te zwaar en te inefficiënt is, en hij is veel kleiner en zo te zien veel eenvoudiger. Maar de theorie, mijn god! Op een dag zullen we nog eens zo ver zijn dat we alles kunnen doen met niets, zonder dat het enige energie kost — alleen zal niemand de theorie kunnen begrijpen.’

Charlie lachte beleefd. Hij kende het grapje al.

‘Goed, het A-veld dus. Ik zal proberen niet al te technisch te worden. Herinner je je de lepel nog die je vanochtend hebt gebruikt? In de steel is een miniatuur krachtveldgenerator aangebracht. De vorm van dat veld wordt bepaald door geleiders van een speciale legering. Het veld is zo klein dat je het niet kunt zien, zelfs niet als het zichtbaar was, wat het niet is, met negen elektronmicroscopen in serie. De blauwe draad rond de rand is zo gemaakt dat elke atoom er in analoog is aan de subatomaire deeltjes van de geleiders. Om redenen van ruimtelijke spanning, waarmee ik nu geen tijd verdoen zal, verschijnt er een analogon van het veld binnen de lus. Begrepen? Dat is de uitvinding, de bouwsteen. Alles wordt hier gedaan door op elkaar stapelen. Het raam is een zelfde lus. En twee van die dingen houden dit gebouw op. Je dacht toch niet dat dit met bidden gebeurde, hè?’

‘Het gebouw? Maar de lepel had een lus, een oog. Ik kan me voorstellen dat het raam een zelfde constructie heeft, maar ik zie geen lussen buiten het gebouw en zij moeten toch buiten zijn, of niet?’

‘Natuurlijk. Je hebt ogen, maar je hebt geen ogen nodig om dat te zien. Dit ding wordt vanaf de buitenkant geschraagd. En de lussen zijn er wel degelijk. Maar ze bestaan uit staande golven. Als je niet weet wat een staande golf is, zal ik je daar niet mee vervelen. Zie je dat?’ Hij wees op de ruïnes en de lange vijgeboom ‘Dat is een van de stutten, of althans het uiteinde ervan. Nu moet je je een model van dit gebouw proberen voor te stellen, dat wordt opgehouden door twee driehoeken van doorzichtig plastic en je hebt een idee van de vorm en omvang van het veld.’

‘Wat gebeurt er wanneer iemand er een voet op zet?’

‘Dat doet geen sterveling. Snij een boog in de grondlijn van je stuk plastic en je zult begrijpen waarom niet. Soms komt er een vogel op, arm diertje, maar meestal niet. Het blijft onzichtbaar omdat het oppervlak geen werkelijk oppervlak is, maar een vibrerende matrijs van krachten waar zelfs geen stof op blijft zitten. Het is volkomen doorzichtig.’

‘Geeft het dan niet mee? Het eetvlak van mijn lepel boog door onder het gewicht van het voedsel. Dat heb ik gezien. En die ramen...’

‘Jij hebt ogen in je hoofd!’ riep Seace. ‘Weet je wat het verschil tussen bijvoorbeeld hout, steen en staal is? Wat er in zit en hoe dat aan elkaar vast zit. Je kunt van het A-veld alles maken wat je wilt; dik, dun, ondoordringbaar, noem maar op. Ook stijf en strak, zo strak als nog nooit iets is geweest.’

Charlie dacht: dat is prachtig zolang je de elektriciteitsrekening betaalt, zodat het gebouw overeind blijft; maar hij sprak het niet uit, omdat de taal geen woord kende voor ‘elektriciteitsrekening’, of zelfs maar voor ‘betalen’.

Hij keek naar de vijgeboom, kneep zijn ogen halfdicht en probeerde te zien wat het gebouw overeind hield. ‘Ik wed dat je het kan zien als het regent,’ zei hij.

‘Nee,’ antwoordde Seace opgewekt. ‘Het regent niet.’

Charlie keek naar de bedekte lucht. ‘Wat?’

‘Je kijkt nu naar de onderkant van een A-veld,’ verklaarde Seace.

‘Bedoel je -’

‘Heel Ledom ligt onder een dak. Temperatuur en vochtigheid worden geregeld. De wind blaast als we dat nodig vinden.’

‘En geen nacht...’

‘Wij slapen niet, dus dat geeft niet.’

Charlie had wel eens gehoord dat slaap mogelijk de erfenis was van de holenmens die zich tijdens de duisternis in zijn hol moest terugtrekken om zich te beschermen tegen nachtelijke vleeseters. Slaap was toen een overlevingsfactor.

Weer keek hij naar de lucht. ‘Wat is daar achter, Seace?’

‘Dat kun je beter aan Philos vragen.’

Charlie begon te grinniken maar hield abrupt op. Telkens wanneer het eind van de mensheid aan de orde kwam werd hij van de ene expert naar de andere gestuurd.

‘Vertel me eens, Seace,’ zei hij. ‘Als er licht door het A-veld schijnt, is het toch voor alle straling doorzichtig?’

‘Nee. Ik zei je toch dat we er alles mee kunnen doen?’

Charlie zuchtte en wendde zijn blik van de hemel af.

‘Tot zover de statische effecten,’ vervolgde Seace. ‘Nu over de dynamische. Ik heb je al verteld dat dit veld alles kan doen dat de elektrische motor en elektriciteit kunnen doen. Wil je een kuil graven? Maak een analoogveld, zo dun dat het tussen molekulen door kan glippen en drijf het in een heuvelrug. Breid het een paar millimeter uit en er komt een schep vol aarde uit... maar je kunt die schep zo groot maken als je wilt en je analoog gaat waar je hem hebben wilt. Alles kan op deze manier gedaan worden. Eén man kan veldmallen maken en in stand houden om funderingen en muren te gieten, en ze weer wegnemen door te zorgen dat ze ophouden te bestaan. Hij gebruikt ook geen zand en cement, want het A-veld kan praktisch alles homogeniseren en richten.’ Hij bonsde op de betonachtige gebogen pilaar opzij van het raam.

Charlie, die eertijds op een bulldozer had gezeten, begon zichzelf geluk te wensen met het feit dat hij toen had besloten zich nooit over technische zaken te verbazen.

‘Nog iets anders,’ vertelde Seace. ‘Een goed A-veld heeft dezelfde werking als bijvoorbeeld röntgenstralen. Wij kunnen kanker bestrijden zónder nadelige gevolgen. Heb je al die nieuwe planten gezien?’

Al die nieuwe mensen ook, zei Charlie tegen zichzelf, maar niet hardop.

‘Neem nu het gras. Het wordt door niemand gemaaid, het staat daar maar. Met het A-veld kunnen we letterlijk alles transporteren; voedsel conserveren, stoffen fabriceren — werkelijk alles — en het kost praktisch geen energie.’

‘Wat voor energie gebruiken jullie?’

Seace trok aan zijn paardeneus: ‘Heb je wel eens van antimaterie gehoord?’

‘Is dat hetzelfde als contraterrene materie — waar het elektron een positieve lading heeft en de kern een negatieve?’

‘Je verbaast me! Ik wist niet dat jullie al zo ver waren!’

‘Sommige jongens die science fiction schrijven, waren zo ver.’

‘Goed. Weet je wat er gebeurt als anti-materie in contact komt met normale materie?’

‘Boem! En van het ergste soort.’

‘Inderdaad. De hele zaak wordt één brok energie. Het A-veld kan een analoog van alles construeren, zelfs een kleine massa anti-materie. Je kunt normale materie transformeren en er komt energie vrij — zoveel je maar wilt. Je construeert dus een analoogveld met een elektrische opvoerder. Wanneer het begint te werken, is er genoeg energie over om het op eigen kracht verder te laten werken.’

‘Ik wil niet beweren dat ik het begrijp,’ zei Charlie. ‘Maar ik geloof het.’

Seace glimlachte en zei met gespeelde ernst: ‘Je komt hier anders om over wetenschap te praten, en niet over godsdienst.’ Daarna vervolgde hij wat nuchterder: ‘Ik wilde je eigenlijk alleen laten zien hoe eenvoudig het allemaal is en dat we er bijna alles mee kunnen doen. Ik heb geloof ik al gezegd dat Ledom op twee pilaren steunt, en dit is er een van. De andere hebben we de naam cerebrostilus gegeven.’

‘Heeft dat iets met hersens en schrijven te maken?’ vroeg Charlie na enig nadenken.

‘Inderdaad,’ zei Seace. ‘Zijn eerste functie is om zich door hersens te laten beschrijven. En ten tweede kan het worden gebruikt om op hersens te schrijven, om iets op die hersens over te brengen.’

‘En wat is het dan wel?’ vroeg Charlie verward.

‘Een beetje colloïdaal spul in een doosje. Dat is natuurlijk te simpel gesteld. Als het met een brein in contact staat maakt het een opname van de gedachtengang die dat brein op dat moment volgt. Je weet waarschijnlijk genoeg over het leerproces om te weten dat een loutere conclusie niet genoeg is om iets te leren. Mijn bewering dat alcohol en water elkaar op het moleculaire niveau doordringen kan je op mijn gezag als waar aannemen, maar verder niet. Maar als ik het demonstreer door twee bekende hoeveelheden van elk te mengen, en dan toon dat het resultaat minder is dan de som van de oorspronkelijke twee hoeveelheden, dan begint het pas iets te betekenen. En om nog verder terug te gaan: ik moet er zeker van zijn dat de leerling de begrippen alcohol, water, volume, en mengen begrijpt, en verder moet hij weten dat dit resultaat niet overeenstemt met het gezonde verstand, dat zegt dat twee gelijke hoeveelheden vloeistof samen een twee maal zo groot volume moeten vormen als elk afzonderlijk. Met andere woorden: aan elke conclusie gaat een reeks gegevens vooraf, die allemaal zijn gebaseerd op vroegere observaties en bewijzen.

‘En de cerebrostilus absorbeert bepaalde dingen uit laten we zeggen mijn hersens en plant die bijvoorbeeld over in de jouwe. Maar niet alleen een conclusie: ook de hele voorafgaande serie. Het gebeurt bijna ogenblikkelijk, en alles dat de ontvangende geest moet doen is dit nieuwe correleren met de al aanwezige kennis. En dat laatste is een heel werk.’

‘Ik weet niet zeker of ik -’

Seace ging verder. ‘Ik bedoel dit: als de geest (naast een hoop bewezen feiten) een logisch beredeneerde bewering bevatte — en denk er aan dat logica en waarheid twee totaal verschillende dingen zijn — volgens welke water en alcohol onmengbaar zijn, dan zou die bewering tenslotte in conflict komen met andere beweringen. Welke gaat winnen is afhankelijk van het aantal ware en aantoonbare feiten die er achter staan. Tenslotte (in feite erg vlug) bepaald de geest dat een van de stellingen fout is. Deze situatie duurt net zo lang tot de geest tenslotte heeft uitgevonden waarom die bewering fout is.’

‘Dat is wel een handige manier van lesgeven,’ merkte Charlie op.

‘Het is het enige dat de ervaring kan vervangen,’ glimlachte Seace, ‘en het gaat heel wat vlugger. Ik wil er overigens de nadruk op leggen dat het niets met indoctrinatie te maken heeft. Met de cerebrostilus kun je iemand geen onwaarheid inplanten, hoe logisch die ook lijkt, want vroeg of laat zou hij tot een conclusie komen die strijdig is met de geobserveerde feiten, en dan houdt alles natuurlijk op. Evenmin is de cerebrostilus een soort ‘hersensonde’ waarmee je iemands diepste geheimen naar boven kunt halen. We hebben namelijk onderscheid kunnen maken tussen de dynamische series in de geest en de statische, de opslagplaatsen, dus de herinnering. Als een leraar de alcohol-en-water-cyclus overdraagt, ontvangt de leerling niet tegelijkertijd de hele levensgeschiedenis van de leraar en wat hij het lekkerst vindt om te eten.

‘Ik wil dat je dit begrijpt, want binnenkort zul je onder de mensen gaan, en dan vraag je je waarschijnlijk af hoe zij aan hun ontwikkeling komen. Die krijgen ze dus door de cerebrostilus, iedere achtentwintig dagen een half uur. En je kunt van mij aannemen dat ze de helft van al die dagen aan het werk zijn met correleren — ongeacht wat ze verder ook mogen doen.’

‘Ik zou dat apparaat wel eens willen zien.’

‘Ik heb er hier geen, maar je hebt er al kennis mee gemaakt. Hoe denk je anders dat je een hele taal in, laten we zeggen twaalf minuten, hebt kunnen leren?’

‘Dat ding met die helm in die operatiekamer!’

‘Inderdaad.’

Charlie dacht even na en zei: ‘Als jullie dit allemaal kunnen, Seace, waarom dan die onzin met mij? Waarom moet ik alles over Ledom te weten zien te komen voor ik word teruggestuurd? Waarom zetten jullie dat ding niet nog eens twaalf minuten op mijn kop?’

Seace schudde met een ernstig gezicht zijn hoofd: ‘We willen jouw mening horen, Charlie. Jouw mening. De cerebrostilus geeft je alleen de waarheid en als je die eenmaal hebt, weet je dat het ook de waarheid is. Maar wij willen informatie via het instrument Charlie Johns en wij willen zijn conclusie horen.’

‘Je bedoelt dat ik sommige dingen die ik met mijn eigen ogen zie niet geloven zal?’

‘Inderdaad. De cerebrostilus zou deze reacties uitsluiten.’

‘Waarom vinden jullie dat allemaal zo belangrijk?’

Seace spreidde zijn koele handen: ‘Wij willen ons oriënteren.’ Voor Charlie hem met vragen in de rede kon vallen, vervolgde hij: ‘Je ziet dus dat wij geen tovenaars zijn. We kunnen een heleboel doen, maar uitsluitend met ons A-veld en onze cerebrostilus. Daarmee kunnen we energie als probleem elimineren, zowel van machines als mensen. We hebben meer dan we ooit zullen gebruiken. Het onderwijs kost vrijwel niets. Evenmin hebben wij gebrek aan huizen, voedsel of kleding. Daardoor zijn de mensen vrij voor andere dingen.’

‘Wat voor andere dingen?’ vroeg Charlie nieuwsgierig.

Seace lachte en zei: ‘Dat zul je wel zien...’


* * *

‘Mam?’ vraagt de drie jaar oude Karen als ze wordt gewassen.

‘Ja, liefje?’

‘Kom ik nou heus uit jouw buik?’

‘Ja, liefje.’

‘Niet waar.’

‘Wie zegt dat?’

‘Davy zegt dat hij uit jouw buik komt.’

‘Dat is ook zo. Doe je ogen dicht, anders komt er zeep in.’

‘Als Davy uit jouw buik komt, waarom kom ik dan niet uit pappies buik?’

Jeanette bijt op haar lip. Ze probeert in zulke situaties altijd om niet het eerst te lachen. Ze wrijft Karens haar in met shampoo.

‘Waarom niet, mam?’

‘Omdat alleen mammies kinderen in hun buik krijgen.’

‘Pappies nooit?’

‘Nee, nooit.’

Jeanette spoelt het schuim weg tot Karen haar blauwe ogen weer open kan doen. ‘Ik wil bellen!’

‘En je haar is net schoon!’ Maar ze bezwijkt voor Karens smekende blik. ‘Vooruit dan. Maar zorg dat er geen zeep in je haar komt.’

‘Ja.’ Karen kijkt hoe Jeanette een pakje bellen-voor-het-bad in het water leeggooit en de warme kraan opendraait. Jeanette blijft er bij staan, deels om op Karens haar te letten, deels omdat ze het leuk vindt. ‘Maar dan hebben we ook geen pappies meer nodig,’ zegt Karen opeens.

‘Wat bedoel je nou? Wie zou er anders naar kantoor gaan en lolly’s en maaimachines en zo meebrengen?’

‘Nee, niet daarvoor. Voor baby’s, bedoel ik. Pappies kunnen geen baby’s maken.’

‘Ze helpen, liefje.’

‘Hoe?’

‘Zo zijn er wel genoeg bellen. Het water wordt te warm.’ Ze draait de kraan dicht.

Hoe dan, mammie?’

‘Dat is nog een beetje moeilijk voor je, liefje. Daar ben je nog te jong voor. Een pappie heeft een speciale manier om van je te houden. Dat is erg mooi en als hij erg, erg veel van een mammie houdt, krijgt ze een baby.’

Onder het praten heeft Karen een stukje zeep in het water gevonden en kijkt of het past. Jeanette haalt Karens hand uit het water en geeft er een tik op: ‘Karen! Daar mag je jezelf niet aanraken. Dat is niet netjes!’


* * *

‘Begin je er iets van te snappen?’

Charlie wierp een bedachtzame blik op Philos, die aan de voet van de onzichtbare lift op hem stond te wachten. ‘Als je wat aan Seace vraagt,’ zei hij langzaam. ‘Heb je aldoor het gevoel of hij iets verbergt.’

Philos lachte hartelijk en zei: ‘Ik denk dat je nu wel klaar bent voor de Kinder-afdeling.’

Charlie keek naar Wetenschap en Geneeskunde: ‘Die gebouwen zijn enorm groot.’

‘Dat lijkt maar zo. Dat van de Kinderen is veel groter.’

‘Dat zal dan wel ver weg zijn.’

‘Waarom?’

‘Als het nog groter is dan deze gebouwen...’

‘Dan zou je het van hieruit moeten kunnen zien? Kijk, daar staat het!’

Philos wees op een klein huisje, dat tussen twee heuvelruggen in lag. Het huis was omringd door smetteloze grasvelden en tegen de lage, witte muren groeiden bloeiende wingerdranken. Het huis had een gevelspits en een schuin dak. Aan de ramen hingen bloembakken en aan een zijde van de witte muur stond een natuurstenen schoorsteen, waaruit blauwe rook opsteeg.

‘Zullen we wandelen?’

Ze liepen door de zoele lucht, door vriendelijk golvende velden.

‘Heb je ooit kinderen gehad?’ vroeg Philos.

‘Nee,’ antwoordde Charlie en dacht aan Laura.

‘Zou je van je kinderen houden?’

‘Ik geloof het wel!’

‘Waarom?’ vroeg Philos. Hij bleef staan en keek Charlie ernstig aan. ‘Geef maar geen antwoord. Denk er eens over na hoe je tegenover je eigen kinderen zou staan.’

Ze liepen weer verder. Charlie had een toenemend gevoel van verwachting. Dat kwam natuurlijk door de stralende Philos. Charlie moest ineens denken aan een film die hij eens had gezien, een soort geïllustreerd reisverhaal. Er werd gefilmd vanuit een laagvliegend vliegtuig en je zag weiden, huizen en velden. De muziek op de achtergrond was even verwachtingsvol als deze wandeling.

‘Kijk eens,’ zei Philos.

Charlie zag een jonge Ledomiet in een geelzijden tuniek, die een eind verder tegen een uitstekende rotswand leunde. Charlie verwachtte alles behalve wat er gebeurde: wanneer je iemand ontmoet, of je nu een gewoon mens of een Ledomiet bent, komt er een reactie. Maar in dit geval kwam er niets, helemaal niets. De gele Ledomiet stond met zijn rug tegen de rots geleund, een voet tegen een knie geleund en beide handen om zijn opgeheven dijbeen geslagen. Het fijn getekende gezicht was afgewend, de ogen waren half gesloten.

‘Wat is er?’ fluisterde Charlie verbaasd.

‘Ssst!’ siste Philos.

Ze passeerden de figuur ongehaast en Philos gaf Charlie een teken om stil te zijn. Daarna ging Philos even terug en ging met zijn hand langs de half gesloten ogen, maar er kwam geen reactie.

Ze liepen verder. Charlie draaide zich telkens om, maar de jonge Ledomiet bleef staan zoals hij stond. Alleen zijn zijden tuniek bewoog in de zachte bries. Toen ze eindelijk een hoek omgingen, zei Charlie: ‘Ik dacht dat Ledomieten nooit sliepen.’

‘Hij slaapt ook niet.’

‘Is hij ziek?’

‘Welnee. Ik ben blij dat je dit gezien hebt, want je zult het nog wel eens zien. Hij is alleen... gestopt.’

‘Wat is er met hem aan de hand?’

‘Niets. Hij houdt een soort... pauze. In jouw tijd was dat niet ongebruikelijk, jullie Indianen konden het vroeger. Het is geen slaap, maar het is iets wat je doet als je slaapt. Heb je het slapen ooit bestudeerd?’

‘Niet wat je studeren noemt.’

‘Wanneer je slaapt, droom je. Dromen zijn eigenlijk hallucinaties. Als je geregeld slaapt, cultiveer je je hallucinaties. Maar slaap betekent alleen een gemak. Zelfs jij kunt zonder slaap.’

‘Wij hebben iets dat wij dagdromen noemen.’

‘Noem het wat je wilt. Als je slaapt zonder hallucinaties breekt de geest.’

‘Bedoel je,’ vroeg Charlie verbaasd, ‘dat die jongen krankzinnig zou zijn geworden als je hem had wakker gemaakt?’

Philos begon te lachen: ‘Welnee, natuurlijk niet! Dat gaat niet in één keer. Ik kan je de verzekering geven dat hij ons zag, dat hij bewust was. Maar zijn geest koos om verder te gaan waarmee hij bezig was, maar als ik hem wakker had gemaakt of hij was wakker geworden door jouw stem -’ het drong opeens tot Charlie door dat zijn stem hier klonk als een hoorn tussen fluiten — ‘zou hij ons gewoon gegroet hebben.’

‘Maar waarom doet hij het?’

‘Waarom? Het schijnt dat de geest zich op die manier kan losmaken van de werkelijkheid, om gegevens te verwerken en te vergelijken die hij in wakende toestand niet kan associëren. Jullie literatuur zit vol van hallucinatoire beelden van deze soort — varkens met vleugels, menselijke vrijheid, vuurspuwende draken, de wijsheid van de meerderheid, de golem en gelijkheid van de seksen.’

‘Luister eens!’ riep Charlie driftig, en zweeg toen. Mensen als Philos kon je niet bereiken door drift. Dat voelde hij wel. ‘Je speelt een spelletje met me,’ zei hij bot. ‘Maar ik ken de spelregels niet.’

Philos zweeg ontwapenend. Zijn scherpe ogen werden zachter en hij maakte oprecht zijn verontschuldigingen. ‘Mijn beurt komt als je de rest van Ledom gezien hebt.’

‘Jouw beurt?’

‘Ja, de geschiedenis. Wat jij van Ledom denkt is één ding, maar wat je van Ledom en zijn geschiedenis zult denken is een ander ding.’ Hij zweeg even. ‘Wat je van... ach dat doet er ook niet toe.’

‘Wat wilde je zeggen?’

‘Wat je van Ledom plus zijn geschiedenis plus jullie geschiedenis zult denken, is weer een heel andere zaak. Ik wilde dit niet zeggen, omdat ik me dan weer zou moeten verontschuldigen.’

Ondanks zichzelf moest ook Charlie lachen en ze gingen verder.

Een paar honderd meter voor de villa beklommen ze een steile helling. Op de heuveltop gekomen, wees Philos in de richting van de villa en zei: ‘Kijk maar eens.’

Charlie zag dat ze aan de rand van een brede vallei stonden met vele bossen of boomgaarden en bewerkte velden. Rondom en tussen de velden en bossen lag een parkachtig landschap — zoals hij reeds bij de grote gebouwen had gezien. Hier en daar stonden witgepleisterde villa’s. Vanaf zijn hoogte zag hij er zeker twintig of meer. De kleurige kleren van de mensen waren net bloembladeren die langs de oevers van de twee smalle, door de vallei stromende beekjes lagen. Dit alles werd overkoepeld door de zilverkleurige lucht.

‘Dit is de Kinder-Afdeling,’ zei Philos.

Charlie keek naar de villa. Hij zag het erf en de vijver die er voor lagen. Hij luisterde en hoorde gezang. Daarna zag hij de kinderen.


* * *

Meneer en mevrouw Herbert Raile zijn naar de supermarkt gegaan om kleren voor de kinderen te kopen. De kinderen zitten buiten in de auto te wachten. Het is buiten vreselijk warm en daarom haasten ze zich. Herb duwt een karretje voor zich uit. Jeanette graait in de kleren die op de toonbanken liggen.

‘Kijk eens! Kleine T-shirts! Precies wat ik zoek!’ Ze pakt er drie voor Davy, maat vijf, en drie voor Karen, maat drie en gooit ze in het wagentje. ‘Nu broeken.’

Ze loopt meteen, zonder waarschuwing, verder. Herb komt met zijn karretje een eindje achter haar aan. Automatisch volgt hij de internationale verkeersregels: een van rechts komend karretje heeft voorrang, een karretje dat wil draaien moet wachten. Daardoor moet hij enkele malen wachten en tenslotte achter Jeanette aanrennen. Een van de wielen piept. Als hij rent, krijst het. Jeanette loopt door en slaat linksaf, staat abrupt stil. Een beetje buiten adem haalt Herb haar met een piepend wiel in.

‘Waar zijn de broeken nou?’ vraagt ze.

‘Daar, waar het bordje PANTALONS hangt.’ Ze zijn er voorbij gelopen. Jeanette geeft geen antwoord en keert haastig terug. Herbert komt piepend en wel achter haar aan.

‘Corduroy is te warm. De jongens van Graham dragen allemaal denim. Weet je dat Louie Graham geen promotie heeft gekregen?’ fluistert Jeanette alsof ze een gebed doet. ‘Kaki. Hier moeten we zijn. Maat vijf.’ Ze pakt twee broeken van de stapel. ‘Maat drie.’ Ze pakt er twee en gooit ze in de kar. Daarna rent ze weer verder. Herb piept, stopt, piept, krijst en piept achter haar aan. Ze gaat tweemaal linksaf, loopt twee zijgangen voorbij en blijft staan. ‘Ik moet sandalen hebben.’

‘Daar,’ wijst Herb, ‘waar KINDERSANDALEN staat.’

Jeanette geeft geen antwoord en rent op de sandalen af. Wanneer Herb haar heeft ingehaald heeft ze twee paar rode sandalen met geel-witte rubberzolen uitgezocht. Ze gooit de schoenen in de kar.

‘Stop!’ roept Herb, half lachend.

‘Wat is er aan de hand?’

‘Wat moet je nu hebben?’

‘Badpakken.’

‘Kijk dan eerst naar het bordje BADPAKKEN.’

‘Doe niet zo leuk,’ zegt ze en loopt door.

Hij blijft vlak achter haar lopen zodat ze hem boven het piepen van het wiel kan horen. ‘Het verschil tussen mannen en vrouwen is...’

‘Eenvijfenzeventig,’ zegt ze, langs een toonbank lopend.

‘...dat mannen opletten en vrouwen niet. Ik denk dat dit toch iets met de trots van het geslacht te maken heeft...’

‘Badpakken,’ zegt Jeanette. ‘Wat zei je liefje?’

‘Niks, liefje.’

Razendsnel begint ze de inhoud van de bak ‘Maat Vijf ’ te doorzoeken. ‘Dat moet ik hebben.’ Ze houdt een marineblauwe zwembroek met rode biesjes omhoog.

‘Het lijkt wel een luier.’

‘Het rekt nog,’ zegt ze.

Herb begint tussen de maten drie te zoeken en haalt een badbroekje te voorschijn dat niet groter is dan zijn handpalm. ‘Kijk eens! Laten we dat maar nemen. Als we nog langer zoeken, zijn de kinderen gesmolten.’

‘O, Herb, dommerd, dat is een jongensbroekje!

‘Het zal Karen uitstekend staan, denk ik!’

‘Ze kan toch niet alleen in een broekje lopen!’ gilt ze bijna.

‘Waarom niet?’ vraagt hij verbaasd. ‘Ze is toch pas drie?’

‘Dit is beter. Kijk! Hetzelfde badpak wat Dolly Graham heeft!’

‘Niemand in de buurt zal zich geschokt voelen als hij de tietjes van een drie jaar oud kind ziet.’

‘Herb! Hou op met die vuile praat!’

‘Ik hou niet van dit soort bijgedachten.’

‘Nee... dit is het!’ Verrukt houdt ze haar vondst omhoog en giechelt. ‘Wat een schatje!’ Ze legt het in het wagentje en ze piepen snel naar de kassa met hun zes T-shirts, vier kakishorts, twee paar rode sandalen met geel-witte rubberzolen, een zwembroek maat vijf en een perfecte maat drie miniatuurbikini.


* * *

De kinderen — een stuk of tien — waren in en om de vijver aan het spelen en zingen.

Charlie had een dergelijk gezang nooit eerder gehoord. Hij had beter of slechter horen zingen, maar nog nooit zulk soort zingen. Het klonk als orgelmuziek. De kinderen, oudere en jongere, zongen soms met vier of vijf maar nooit met meer tegelijk. De muziek hing boven de groep, plooide zich over een troepje kleine bruine lichamen en bewoog zich voort over de vijver naar de andere kant, zich zo verspreidend dat de alttonen links en de sopraantonen van rechts kwamen. Je kon duidelijk horen hoe de toon zich verdichtte, bleef hangen, ijler werd, zich verspreidde, opsprong en hoe de kleurschakeringen veranderden in opeenvolgende reeksen en hoe de muziek zwol tot de grondtoon door twee stemmen werd opgenomen en langzaam weer op de voorgrond kwam.

De meeste kinderen waren naakt. Voor Charlies ogen zagen zij er allemaal uit als meisjes. Zij schenen zich niet op de muziek te concentreren, want zij speelden, renden, plasten rond in de vijver en waren aan het bouwen met modder, stokken en gekleurde bakstenen. Drie kinderen speelden met een bal. Zij spraken in hun duifachtige taal en schreeuwden en riepen terwijl ze rondrenden. Een kind struikelde en viel en huilde... als een kind. Drie anderen schoten toe om het op te rapen en troostten het met kussen en een stuk speelgoed. En boven al dit lawaai hing de muziek in de lucht als een waas, een onafgebroken, wonderlijk gezang.

‘Waarom zingen ze zo?’ vroeg Charlie.

‘Zij doen alles samen,’ antwoordde Philos met stralende ogen. ‘Als ze bij elkaar zijn en allemaal verschillende dingen doen, zingen ze samen. Dat kunnen ze nu eenmaal niet laten. Als de een begint, gaat de ander als het ware automatisch verder. Luister maar!’ Zachtjes maar toch duidelijk liet hij drie tonen horen: do, sol, mi...

Ze werden door de kinderen opgevangen alsof het balletjes waren. Ieder kind zong een andere toon en samen vormden ze een akkoord. Charlie zag een van deze drie kinderen, dat tot aan zijn borst in het water stond, maar verder zong, de noot veranderend in do, fa, mi... en onmiddellijk daarna re, fa, mi... en plotseling weer fa, do, la... en zo ging het maar verder; Charlie had nog nooit muziek gehoord die zo uit het hart scheen te komen.

‘Het is prachtig,’ stamelde hij. ‘Prachtig...’

Philos knikte blij en zei: ‘Daar heb je Grocid!’

Grocid had alleen een rode das om zijn hals, waarvan het eind in de wind wapperde. Hij kwam uit de villa, wuifde en zong de drie tonen die Philos had gezongen. Opnieuw werden ze door de kinderen opgepakt en uitgewerkt. Grocid keek lachend naar boven.

‘Hij zegt dat hij aan de tonen kon horen dat ik er was,’ zei Philos tegen Charlie. ‘Grocid!’ riep hij. ‘Mogen we komen?’

Grocid wuifde instemmend en Philos en Charlie daalden zo vlug mogelijk de steile helling af. Grocid pakte een kind op en kwam hun tegemoet. Het kind zat schrijlings op zijn schouder en trok uitgelaten aan zijn das.

‘Je hebt Charlie Johns meegebracht!’ zei Grocid. ‘Kom verder! Ik ben blij dat jullie er zijn!’ Tot Charlies verbazing gaven Philos en Grocid elkaar een kus. Toen Grocid zich tot hem wendde, stak Charlie een beetje stijfjes zijn hand uit, hetgeen onmiddellijk begrepen werd. Grocid drukte zijn hand en zei: ‘Dit is Anaw.’ Hij drukte het kind tegen zijn hoofd. Het begon blij te lachen en tegelijkertijd keek het nieuwsgierig naar Charlie. Charlie lachte terug. Ze gingen naar binnen. Charlie vroeg zich af wat hij verwachten kon: zich automatisch openende muren, verborgen verlichting, anti-zwaartekracht theebladen? Een zelfvriezend ontbijt? Automatische vloeren?

Nee.

De kamer was bijna rechthoekig en had een lage zoldering. Het was er koel. Niet de antiseptische en machinale kus van airconditioning, maar de koelheid van met wijnranken omlijste ramen, lage plafonds en dikke muren. Het was een koelheid die uit de aarde zelf scheen op te stijgen. Er stonden stoelen — een van handgeschuurd hout, drie van boomstammetjes. Er lagen flagstones op de vloer en handgeknoopte tapijten. Op een lage tafel stond een gigantische houten schaal uit één stuk en een sierlijk maar zeer ruw drankstel, een soort kruik en zeven of acht mokken van aardewerk. In de schaal lag een schitterende, stervormig opgemaakte salade van vruchten, noten en groenten.

Er hingen schilderijen aan de muur in aardechte kleuren — groenen, bruinen, oranje, en het geelachtig rood en roodachtig blauw van bloemen en rijpe vruchten. Sommige waren figuratief, andere abstract en enkele impressionistisch. Ze waren in het algemeen prettig om naar te kijken. Eén trok er in het bijzonder zijn aandacht: twee Ledomieten, vanuit een zo vreemde hoogte geschilderd, dat je schuin langs de schouder van de staande figuur op de liggende keek. De laatste scheen gebroken door ziekte en pijn. Er lag een merkwaardige nevel over het schilderij, alsof je het door een waas van hete tranen zag.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zei het andere hoofd van de Kinder Afdeling, Nasive, die lachend op hem toekwam. Charlie wendde zich van het schilderij af en zag dat hij precies dezelfde mantel als Grocid aan had. Ze gaven elkaar een hand en Charlie zei: ‘Ik ook. Ik vind het erg prettig hier.’

‘Dat veronderstelden wij al,’ antwoordde Nasive. ‘Het maakt niet veel verschil met wat je gewend bent, denk ik.’

Charlie had natuurlijk beleefd kunnen knikken, maar met deze mensen wilde hij eerlijk zijn. ‘Het maakt maar al te veel verschil,’ zei hij. ‘Wij hadden er wel iets van, maar niet genoeg.’

‘Ga zitten. We gaan wat eten, maar laat een beetje ruimte over want je krijgt nog een heel feestmaal.’ Grocid vulde de stenen borden en deelde ze rond, terwijl Nasive een goudkleurige vloeistof in de mokken schonk. De drank had een scherpe, honingachtige smaak, waarschijnlijk was het een soort mede, koel maar niet koud, met een kruidachtige nasmaak en een opwekkende uitwerking. De sla, die hij at met een glanzende houten vork met twee smalle, korte, en een brede, lange tand met een voortreffelijk snijvlak, was verrukkelijk en het kostte hem veel moeite om a) niet te schrokken en b) niet om meer te vragen.

Zij praatten en hij luisterde. Weet je dat Fredon torren in het koren heeft? Heb je het nieuwe inlegprocedé van Dregg al gezien? Hout in keramiek. Je zou zweren dat ze samen geglazuurd waren. De jongen van Eriu heeft zijn been gebroken... En al die tijd liepen de kinderen in en uit en op de een of andere wonderlijke manier stoorden ze nooit. Ze kregen een noot of een vrucht, vroegen om raad, een gunst of een feit: ‘Illew zegt dat een waterjuffer een spin is. Is dat zo?’ (Nee. Spinnen hebben geen vleugels.) Een flits van purper licht en geel tuniek en het kind was verdwenen en werd onmiddellijk opgevolgd door een zeer klein en naakt wezentje dat zei: ‘Jij hebt een grappig gezicht, Grocid.’ (Jij ook.) Gelach en het kind was verdwenen.

Charlie, die zijn best deed langzaam te eten, keek naar Nasive die een splinter uit zijn hand probeerde te halen. Die hand, hoewel sierlijk, was sterk en groot. Charlie zag hoe Nasive met een naaldachtig instrument onder zijn middelvinger prikte en hij was verbaasd over de vele eeltknobbels die hij zag. Het vlees van de palm en de binnenkant van de vingers leek keihard. Charlie had de neiging om dit in verband te brengen met meubelmaken en hij vroeg: ‘Zijn die stoelen hier gemaakt?’

‘Ja,’ antwoordde Nasive vriendelijk. ‘Door mij. Grocid en ik hebben alles hier zelf gemaakt. Met de jongens natuurlijk Grocid maakte de borden en mokken. Vind je ze mooi?’

‘Ja,’ antwoordde Charlie. Ze waren goudbruin. ‘Is het gevernist aardewerk of werkt dat A-veld van jullie als oven?’

‘Noch het een, noch het ander,’ zei Nasive. ‘Zou je willen zien hoe we het doen?’ Hij keek naar Charlies lege bord. ‘Of wil je nog wat...’

‘Nee, dank je,’ zei Charlie, zijn bord niet zonder spijt opzij schuivend. ‘Ik wil het graag zien.’

Ze stonden op en liepen naar een deur achter in de kamer. Een kind, dat zich verstopt had achter de draperieën aan het eind van de kamer, sprong op Nasive af die het zonder pardon oppakte, ronddraaide en weer op zijn benen zette. Lachend wees hij Charlie op de deur.

‘Jij bent dol op kinderen, hè?’ zei Charlie.

‘Mijn God,’ zei Nasive.

Ook nu leverde een vertaling weer moeilijkheden op. Charlie wist dat dit geen losse opmerking was en hij vroeg zich af wat hij bedoelde. Was dit kind zijn God? Of... was het het begrip Kind?

Deze kamer was wat hoger en groter dan de vorige, maar volkomen verschillend van de harmonieuze, ruime en gezellige leefruimte. Dit was een werkruimte, een echt atelier. De vloer was van baksteen. Langs de muren hingen planken en houten pinnen met gereedschap: voorhamers en wiggen, hamers, dissel, stokschaaf, els, trekmes, kleine en grote bijlen, tekenhaken, ijkmaat en waterpassen, boren en een stel schaven. Tegen de muur en hier en daar op de grond machinale gereedschappen, die kennelijk met de hand gemaakt waren, soms helemaal van hout.

Maar zij waren gekomen voor de oven, die in de hoek stond. Een stenen constructie met een schoorsteen en een zware metalen deur op pilaren van baksteen. Daaronder was de vuurpot en Nasive zei: ‘Dit is tegelijkertijd onze smederij.’ Hij legde uit hoe je hem met een sterke kabel naar voren en naar achteren kon rollen en aan de zijkant boven zat een blaasbalg die met trappers werd bediend. De uitlaat van deze blaasbalg voerde naar een groot en slap voorwerp dat er uitzag als een leeggelopen ballon — wat het in feite ook was. Nasive begon krachtig op de pedalen te trappen en de ballon stroomde langzaam vol en begon te zwellen.

‘Ik kwam op het idee toen een van de kinderen doedelzak leerde spelen.’ Hij hield op met pompen en trok een hefboom naar zich toe. Charlie hoorde de lucht door het rooster sissen. Nasive trok de hefboom nog wat verder naar zich toe en de lucht begon te brullen. ‘Je hebt alle controle die ie maar nodig hebt. Een kind kan het doen. Trouwens,’ voegde hij er met een lachje aan toe: ‘Ze zijn er gek op.’

‘Het is geweldig,’ zei Charlie, ‘maar ik geloof dat er toch een makkelijker manier is.’

‘Vast en zeker,’ zei Nasive toegevend — zonder zich nader te verklaren.

Charlie keek bewonderend om zich heen, naar de ijzersterke houten machines, een vliegwiel van keramiek. ‘Hoe kun je iets van deze afmeting nu bakken?’ vroeg hij verbaasd.

Nasive wees op de oven: ‘Het ging er net in. Het duurde natuurlijk wel even en we moesten de rest van de ruimte leegmaken om een feest te kunnen geven. We hebben gedanst en gefeest tot het klaar was.’

‘Iedereen danste natuurlijk op de trapper?’ lachte Charlie.

‘Overal. Het was echt een feest.’ Ook Nasive lachte. ‘Maar je wilt natuurlijk weten waarom we het vliegwiel van keramiek hebben gemaakt? Nou, het is massief en draait nauwkeuriger dan een van steen.’

‘Ik twijfel er niet aan,’ zei Charlie terwijl hij naar het vliegwiel keek, maar aan onzichtbare liften en tijdmachines dacht. Ze konden immers zonder enige moeite ontzaglijke energie produceren. Hoe zat dat? Misschien wisten ze hier niet wat er in de Grote Gebouwen allemaal mogelijk was? Maar opeens herinnerde hij zich dat hij Grocid en Nasive voor het eerst in het Gebouw Geneeskunde had ontmoet. De gedachte kwam in hem op dat zij opzettelijk al deze mogelijkheden niet gebruikten, en van de villa’s naar het veld gingen en zwoegen moesten tot zij eelt op hun handen hadden, terwijl Seace en Mielwis ijskoude vruchten voor het ontbijt uit openingen in de muur toverden. ‘Ik heb in ieder geval nog nooit zo’n groot stuk keramiek gezien,’ zei hij.

‘Kom dan maar eens mee,’ zei Nasive.

Ze gingen naar buiten, een tuin in. Vier of vijf kinderen waren in het gras aan het stoeien en er zat er een in een boom. Zodra ze Nasive zagen begonnen ze te roepen en om hem heen te rennen.

Charlie Johns zag het standbeeld.

Zou dit Madonna en Kind heten? dacht hij. De volwassen figuur, met een of ander materiaal dat als fijngeweven linnen om haar heen viel, zat geknield en keek omhoog naar het kind, dat voor haar stond met een bovenzinnelijke, zelfs extatische uitdrukking op zijn gezicht. Het kind was naakt en zijn lichaamskleur was levensecht, evenals bij de volwassene wier kleren waren doorschoten met alle mogelijke kleuren van een houtvuur.

Het meest opmerkelijke was dat het kind bijna viermaal zo groot was als de volwassene! En het groepje was één enkel, monsterlijk stuk van perfect geglazuurd, onberispelijk gebakken terracotta.

Toch was Charlie het meest getroffen door de symboliek van het beeld. De kleine volwassene die het reusachtige kind aanbad.

‘De oven hier van kan ik je niet laten zien,’ zei Nasive.

Charlie vroeg zich af of het beeld in gedeelten was gebakken, maar dat kon niet. Het glazuur was één geheel, van boven naar beneden. Zelfs de van gekleurde bloemen gemaakte sokkel — een regelmatige berg van bloembladeren, was geglazuurd!

Zij hadden waarschijnlijk dan toch wél plezier van een A-veld, dacht Charlie.

‘Het werd gemaakt op de plaats waar het staat,’ vertelde Nasive, ‘en daar ook gebakken. Grocid en ik hebben er het meest aan gedaan, met uitzondering van de sokkel. De bloemen zijn namelijk door de kinderen gemaakt. Meer dan tweehonderd kinderen hebben de klei beschermd, zodat die niet door de hitte zou barsten.’

‘Je hebt er een oven omheen gebouwd?’

‘We hebben er drie omheen gebouwd. Een om de klei te drogen, die we weer hebben afgebroken om de beelden te kunnen beschilderen, een om het glazuur aan te brengen, die we hebben weggehaald om een beschermend laagje aan te brengen, en een voor het laatste glazuur.’

‘Die je afbrak en weggooide.’

‘Nee, nee. De stenen daarvan hebben we gebruikt voor de vloer van het atelier. Maar zelfs als we ze hadden moeten weggooien, was het het waard geweest.’

‘Waard geweest,’ herhaalde Charlie nadenkend. ‘Nasive... wat is het? Wat betekent het?’

‘Het heet De Maker,’ antwoordde Nasive. (In het Ledoms wilde dit zeggen schepper en ook degene die volbrengt. De man van de daad.)

De volwassene die het kind aanbidt. Het kind in aanbidding van iets... anders. ‘De Maker?’

‘De ouder maakt het kind. Het kind maakt de ouder.’

‘Wat?’

Nasive begon te lachen: ‘Wie is er ooit een ouder geweest zonder dat het kind hem dat maakt?’

Charlie lachte mee, doch toen ze weer naar binnen gingen, keek hij over zijn schouder nog even naar het beeld en wist dat Nasive misschien meer had kunnen zeggen. Nasive scheen hem te begrijpen, want hij raakte Charlies elleboog aan en zei zachtjes: ‘Ik denk dat je het later wel beter zult begrijpen.’

Charlie draaide zich om, maar zijn ogen waren vol van dat toegewijde paar in de tuin. In het atelier vroeg Charlie zich af: waarom is het kind groter dan de volwassene? Het leek of Nasive zijn gedachten kon lezen, want toen ze weer naar de leefruimte gingen en hetzelfde kind weer van achter de draperieën tevoorschijn kwam en door Nasive werd opgetild en weer op zijn benen gezet, zei hij met een lachje: ‘Maar — kinderen zijn groter, weet je wel.’

In zijn taal kon groter ook grootser betekenen. Later zou Charlie er nog wel eens over nadenken. Met schitterende ogen keek hij naar de gezichten in de kamer en voelde opeens een soort spijt. Als je zoiets gezien hebt, wil je het ook anderen laten zien.

Philos begreep het en zei: ‘Hij heeft jouw beeld gezien, Grocid.’

‘Dank je wel, Charlie Johns.’

Charlie, die niet wist hoe zijn ogen straalden, wist niet waar hij nu precies voor werd bedankt.


* * *

De Bruut komt met zijn hoge schouders en sluipende voeten naar het bed waarin Zij, in negligé, rechtop gaat zitten.

‘Raak me niet aan!’ gilt ze met een Italiaans accent, waarop de camera een plotselinge beweging van de bruut laat zien waardoor hij werkelijk De Bruut wordt en alle insecten van vlees en bloed in de chroom-en-staal kevers in rijen voor het gigantische filmdoek van het drive-in-theater gaan knipogen en hun bloed sneller voelen gaan stromen. De neon-bevlekte lucht rondom de popcorn-automaten is er gezwollen van, de dode koplampen, in rijen achter elkaar, schijnen er van te zwellen.

De camera brengt nu de Hand van de Bruut in beeld (en de muziek wordt gespannener en indringender) en glijdt naar de onderkant van het scherm, waarop het scheuren van zijde weerklinkt. Haar gezicht, nog steeds in beeld, wordt door de camera of De Bruut meegevoerd en achterover gedrukt op het satijnen kussen, waarna de donkere schaduw van Zijn Hoofd haar gezicht begint te bedekken.

‘Raak me niet aan! Raak me niet aan!’

Herb Raile, achter het stuurwiel, wordt zich tenslotte bewust van een soort geworstel naast hem. Karen is op de achterbank in slaap gevallen, maar Davy, die op dit uur meestal nergens meer van weet, wordt door Jeanette in een halve nelson gehouden (waarbij haar andere hand zijn ogen probeert te bedekken) en probeert zich wanhopig los te worstelen.

‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Herb, die zijn ogen niet van het doek kan afhouden.

‘Dat is toch geen kinderfilm!’ sist ze, buiten adem.

‘Raak me niet aan!’ gilt de Zij op het filmdoek. Haar gezicht begint te trekken en ze doet haar ogen dicht. ‘Aaa...’ kreunt ze. ‘Ja... ja...’

Davy rukt Jeanettes hand weg: ‘Ik wil het zien!’

‘Doe wat je gezegd wordt!’ snauwt Herb, terwijl hij het beeld geen seconde uit het oog verliest. Davy bijt zijn moeder in haar arm. Ze geeft een gilletje: ‘Au!... Aaaa...’

In minder dan geen tijd wordt er op het doek nu uitgelegd dat Zij en De Bruut door een misverstand allang met elkaar getrouwd waren en als Zij, uitgeput door hartstocht, De Bruut keurig uitlegt dat de bron van hun uitspattingen de wettigheid van hun liefde is, komt er een stralend wit licht op het scherm en klinkt triomfantelijk trompetgeschal.

‘Je had hem niet moeten laten kijken,’ zegt Herb beschuldigend.

‘Ik wou hem ook niet laten kijken. Hij beet me.’

Het schijnt nu tot Davy door te dringen dat hij iets verkeerds gedaan heeft, maar wat precies weet hij niet en dat hoeft hij ook niet te weten. Hij barst in tranen uit en wordt dan gauw getroost met een ijslolly. Maar ook deze troost duurt niet lang, want, of het zo moet zijn, het ijs begint te lekken en er vallen een paar druppels op de vouw van zijn broek. Herb denkt het probleem op te lossen door het ijs in zijn geheel in zijn mond te stoppen, waardoor zijn neus pijn gaat doen. Davy voelt zich bestolen. Het wordt geen crisis, want enkele ogenblikken later doven de lichten en op het scherm verschijnt het begin van de volgende film.

‘Toch nog iets voor Davy,’ zegt Herb na een paar minuten.

‘Waarom draaien ze de Wild West film niet eerst en besparen ze onze kinderen die je-weet-wel films niet?’

‘Kom op mijn schoot zitten, lieverd,’ zegt Jeanette. ‘Kun je het goed zien?’

Davy kan het gevecht op de rand van de afgrond heel goed zien. Hij kijkt naar het vallende lichaam, ziet de oude man gebroken aan de voet van de rotsen liggen, terwijl het bloed uit zijn mond stroomt. ‘Ik ben... ik ben Chuck Fritch... Help me!’ Zijn vijand, een gewone cowboy, zegt lachend: ‘Zo. Dus jij bent Chuck Fritch. Meer hoef ik niet te weten.’ Daarna de daverende schoten, de schok van het oude-mannen-lichaam als het door de kogels wordt opengereten, zijn doodsgerochel, het duivelse lachje van de cowboy als hij zijn slachtoffer nog een trap in het gezicht geeft... De camera brengt nu de omgeving in beeld... de vallei en de helling van de heuvel waar het lijk langzaam en vlugger en vlugger afrolt.

Flashback van een ongeplaveide straat met houten stoepen. Herb zegt nadenkend: ‘Ja, ik zal ze morgen opbellen waarom ze die Wild West niet eerst draaien.’


* * *

Ze gingen naar het huis van Wombew. Het voorerf was omringd door een soort netwerk dat van paal tot paal was bevestigd. Wombew, een man met een haviksneus, toonde Charlie dat dit geen schutting was maar een geheel vormde met het huis, want ook de muren waren er van opgetrokken en daarna gepleisterd met een kleiachtige massa uit de omgeving. Deze muren waren tenslotte gekalkt, niet wit maar violet. Het rieten dak was bedekt met hetzelfde gras dat je overal in Ledom vond. Het was een lieflijk huis, vooral van binnen. Met deze muren konden ze namelijk doen wat ze wilden en hoe gebogener ze waren des te steviger ze stonden — net als een gebogen stuk papier rechtop blijft staan. Grocid en Nasive kwamen met hun kinderen om Charlie alle schatten van Wombew te laten zien.

Ze gingen naar het huis van Aborp dat van aangestampte aarde was gebouwd. Eerst waren de houten vormen opgezet met vochtige aarde er tussen, die werd aangestampt met een zware balk, gehanteerd door vier sterke Ledomieten die boven op de vormen stonden. Wanneer de aarde eenmaal droog was, konden de vormen worden verwijderd. Zoals bij het huis van Wombew, kon je ook met deze methode alle kanten uit.

Ze zagen ook het huis van Obtre. Het was van steen gebouwd in vierkante modellen, die allemaal een koepeldak hadden, bijzonder eenvoudig gemaakt. De ruimte tussen de vier muren wordt vol aarde gestort en daarop komt een dikke laag pleister. Wanneer het huis eenmaal staat, wordt de aarde weggehaald. Men zegt dat een dergelijk huis met zo’n dak het minstens duizend jaar zal uithouden. Ook de kinderen van Obtre en hijzelf sloten zich aan bij de stoet.

Edec had een soort van mos opgetrokken blokhut. Viomor woonde in een grot in de heuvelwand, die gedeeltelijk betimmerd was met houten panelen. Piante had een stenen huis met een dak van zoden en alle muren waren bedekt met schitterende wandtapijten. In een hoek zag Charlie het zelf gemaakte weefgetouw staan waarop al deze tapijten waren vervaardigd. Piante en zijn kinderen sloten zich ook weer aan en terwijl zij door het parkachtige landschap liepen, kwamen allerlei kinderen en mensen in felgekleurde kleren uit de velden en boomgaarden en liepen mee. De stoet werd groter en groter en de muziek eveneens. Je kon niet zeggen dat die muziek luider werd, wel groter.

Het duurde niet lang of de menigte kwam op de plaats van bestemming.


* * *

Het is middag en Jeanette gooit zich op het keurig opgemaakte bed. Ze voelt zich ongelukkig.

Waarom ben ik zo?

Ze heeft zojuist een huis-aan-huis-verkoper weggestuurd. Daar is op zich zelf niets tegen. Niemand vraagt deze ijverige lieden om aan te bellen en zij moeten nemen wat er komt. Niemand die goed bij zijn hoofd is koopt wat hij niet hebben wil en vandaag de dag moet je precies in je hoofd hebben wat je niet hebben wil en je daaraan houden, want anders nemen ze je te grazen.

Maar daar ging het niet om. Het ging om de manier waarop ze de man had weggestuurd. Ze had dat wel meer gedaan en ze zou het ongetwijfeld vaker doen en daardoor voelt ze zich zo ellendig.

Móest ze werkelijk zo cru zijn?

Móest ze die man zo ijskoud aankijken, hem zo koel antwoorden en de deur praktisch voor zijn neus dichtslaan? Dat past toch niet bij haar! Ze reageert niet als Jeanette, maar of ze meespeelt in een film over het zware leven van een huis-aan-huis-verkoper.

Natuurlijk kan ze anders.

Ze gaat zitten. Misschien kan ze er nu achter komen, zodat ze er nooit meer last van zal hebben.

Ze heeft zich vroeger ook wel van ongewenste verkopers afgemaakt en zich uit dergelijke situaties gered, vele, vele malen door Jeanette te zijn. Een lachje, een leugentje — ik geloof dat ik de baby hoor, ik geloof dat de telefoon gaat — gemakkelijk genoeg en er is niets aan de hand. Mijn man heeft dit gisteren net gekocht. Wat jammer dat u niet vorige week bent langsgekomen. Ik heb er juist een gewonnen. Wie zal haar een leugenaarster noemen? Ze gaan weg en er is niemand gekwetst.

Maar af en toe, zoals nu, laat ze haar tanden zien en werpt een verkillende blik. En, zoals nu, gaat ze dan achter de net niet dicht geslagen voordeur staan en bijt op haar lange, koraalrode duimnagel. Daarna loopt ze naar het raam en gaat achter de gordijnen staan en, ongezien, kijkt ze hoe de man het pad afloopt, gekwetst. Zij is gekwetst en hij is gekwetst en wie koopt er wat voor?

Ze voelt zich ellendig.

Waarom nou juist met hem? Hij was niet opdringerig. Verre van dat. Een knappe jongen met een open lach, mooie sterke tanden, keurige kleren en het kwam niet in zijn hoofd op om zijn voet tussen de deur te zetten. Hij behandelde haar als een dame die misschien geholpen kon zijn met het artikel dat hij verkocht. Hij verkocht dat en niet zichzelf.

Als hij een vies mannetje was geweest, denkt ze, dat haar op een obscene manier had aangekeken en een zoengeluid had gemaakt, zou ze hem op een resolute maar vriendelijke manier hebben weggestuurd.

Dan is dit het antwoord, denkt ze ontzet: je vond hem aardig en daarom deed je zo ijskoud.

Ze zit er op de rand van haar bed over na te denken. Ze doet haar ogen dicht en begint te fantaseren, hoe gek het ook lijkt, dat hij haar slaapkamer in komt en haar aanraakt. Dat doet haar niets. Werkelijk niets. Haar sympathie heeft niets met deze dingen te maken. Niets.

‘Hoe kun je een man aardig vinden zonder hem te willen?’ vraagt ze zichzelf hardop af.

Er komt geen antwoord. En toch heeft ze dat altijd gedacht. Als je een man aardig vindt, is het omdat je hem wil hebben. Wie heeft ooit iets anders gehoord?

Daarom vinden mensen mensen aardig. Als ze niet kan voelen dat ze naar hem verlangt, moet er onbewust iets aan de hand zijn. Wil ze het zichzelf niet laten weten.

Ze wil geen andere man naast Herb, maar ze moet. Dus is ze verdorven.

Ze laat zich weer op haar bed vallen en vindt dat ze hiervoor gestraft moest worden. Ze is door en door rot.


* * *

Op een berg, of althans de hoogste heuvel die Charlie tot nu toe gezien had, werd een waar feest aangericht. Bijna honderd Ledomieten stonden hen op te wachten. Op een volmaakt grasveld in een bos van donkergroen gebladerde bomen, stonden van frisse bladeren gevlochten borden met voedsel. Deze begaafde mensen zouden met de beroemdste Japanse bloemenschikster kunnen wedijveren, want elk bord en elke mand was een waar kunststuk van opmaak.

‘Ga je gang,’ lachte Philos.

Charlie keek verbijsterd om zich heen. Van alle kanten kwamen nu Ledomieten toestromen, elkaar met kreten van blijdschap begroetend. Ze omhelsden, kusten elkaar.

‘Waar?’

‘Waar je maar wilt. Alles is van iedereen.’ Ze gingen onder een boom zitten. Charlie keek naar het schitterend opgemaakte voedsel en durfde pas te beginnen toen Philos zijn hand uitstak en de symmetrie verstoorde.

Er kwam een kind aan met een blad op het hoofd waarop een stuk of zes afgeknotte kegels met een brede onderkant stonden. Philos pakte twee mokken en gaf het kind een kus, dat lachte en, bijna dansend, verder liep. Charlie kreeg een mok en nam een slok. De vloeistof smaakte naar appelsap met perziken. Hij begon hongerig te eten. Het voedsel smaakte zoals het er uitzag, verrukkelijk.

En aldoor was er muziek, zachte, bijna fluisterende muziek. Het viel Charlie op dat de meeste mensen liever anderen dan zichzelf te eten gaven. Hij vroeg of dit waar was en Philos antwoordde: ‘Ze delen met elkaar. Als je iets heel goeds ondervindt, wil je het toch dolgraag met een ander delen?’ Charlie knikte en keek Philos opeens ernstig aan: ‘Maar laat mij je niet... van je vrienden afhouden. Als je wilt...’

Er kwam een vreemde uitdrukking op Philos’ gezicht. ‘Dat is erg vriendelijk van je,’ zei hij hartelijk. ‘Maar dat wil ik niet. Zeker nu niet.’

(Kreeg hij plotseling een kleur? En waarom? Uit boosheid?)

‘Er zijn een boel mensen,’ zei hij een tijdje later.

‘Iedereen is er.’

‘Wat is de aanleiding?’

‘Als je het niet erg vindt, zou ik het prettig vinden als jij me na afloop zou willen vertellen wat je denkt.’

‘Goed,’ zei Charlie verbaasd.

Ze zwegen, luisterden. De veelvoudige muziek werd zachter en zachter. De aanwezigen neurieden een serie nauw verwante tonen, die uitliep in een vreemdsoortig staccato. Charlie zag dat sommigen zichzelf of anderen op de onderkant van de keel tikten. Het gaf een merkwaardig getokkel dat tenslotte een definitief ritme kreeg, snel en duidelijk. Iedere maat leek acht tellen te duren, waarbij de nadruk op de eerste en vierde tel viel. Hierbij kwam een lage viertoons melodie, die draaide, draaide... iedereen scheen zich te bukken, enigszins voorover te leunen, zich te spannen...

Plotseling klonk er een krachtige sopraan, die een stralend vuurwerk van warrelende tonen zong. De melodie werd ver in het bos, of door een kleine stem vlakbij herhaald, het was niet uit te maken. Twee tenoren herhaalden het vuurwerk van noten in volmaakte harmonie en toen de stemmen langzaam wegstierven, nam een Ledomiet in blauwe mantel, die naast Charlie zat, het lied weer op en liet zes pure, glasheldere noten horen. Er klonk een goedkeurend geruis en zes verspreide stemmen zongen samen het zestonige thema, maar bij de tweede noot voelde iemand zich blijkbaar gedwongen het thema opnieuw te beginnen en er ontstond een fuga. Stem na stem nam het thema weer op, het barstte los en verstierf, barstte los en verstierf, een ingewikkeld vlechtwerk van hemelse muziek.

Plotseling kwam een naakte figuur met grote draaiende sprongen tussen de bomen vandaan. Hij draaide zo snel tussen de anderen door dat zijn lichaamstrekken wazig werden. Toch waren zijn voeten zo zeker dat ze elk obstakel vermeden. Bij Philos kwam hij met een hoge sprong tot stilstand en knielde, waarna hij met gespreide armen en het gezicht in het gras ging liggen. Er kwam weer een draaiende figuur en nog een en al gauw was het donkere bos vol beweging. Charlie zag Philos opspringen en tot zijn verbazing stond hij zelf ook op en begon, aangespoord door de stijgende stroom van geluid en beweging, heen en weer te bewegen. Het kostte moeite om zich er niet als in een zee in te storten. Tenslotte trok hij zich terug en drukte zich buiten adem tegen een boomstam, want hij voelde een alles overheersende angst dat zijn ongeoefende voeten in deze maalstroom onder hem weggemaaid zouden worden, dat zijn zintuigen niet voldoende waren om het gebeuren geheel te kunnen volgen.

Voor hem werd het een onderbroken serie scherp afgebeelde fragmenten; het snelle draaien van een romp; het gespannen, extatische heffen van een koortsig blind hoofd; de schrille kreten van een kind in vervoering, dat met uitgestrekte armen en gesloten ogen dwars door het patroon van de dans rende, terwijl de bezeten uitvoerenden schijnbaar zonder te denken ruimte voor hem maakten als hij passeerde, tot tenslotte een danser zich omdraaide en het kind ving, het opgooide, en het uit de lucht werd geplukt door een ander, en nogmaals, om tenslotte zacht te worden neergezet aan de rand van het gebeuren.

Het donkere basgeluid werd opgevoerd tot een gebrul en het subtiele tikken op de keelholte werd een woest ritme van woedende vuisten op borstkassen en buiken.

Charlie schreeuwde...

Philos was weg.

Er voer een golf van iets door het bos, even tastbaar als de uitstraling van een geopende ovendeur, maar het was geen hitte. Hij had iets dergelijks nog nooit gevoeld of ondervonden — behalve misschien in zijn eentje. Nee, niet alleen, maar met Laura. Het was geen seks, het was iets waarvoor seks een uitdrukking is. Op het hoogtepunt veranderde er iets. De Ledomieten maakten plotseling, als bij afspraak, een kring om de kinderen die in een groep bij elkaar stonden, trots, zelfs het kleinste kind, trots en wetend en diep gelukkig, terwijl zij door de zingende Ledomieten vereerd, aanbeden, werden.

Zij zongen niet over de kinderen. Zij zongen de kinderen evenmin toe. Het kan maar op een manier worden gezegd: zij zongen de kinderen.


* * *

Smitty loopt naar de schutting — een lage stenen muur -achterin de tuin om een praatje te maken met Herb. Toevallig is hij, om een kleinigheid, zo woedend op Tillie dat hij er bijna misselijk van wordt. Herb heeft op een tuinstoel onder de roodwitte parasol gezeten en is ook woedend, maar hij is niet zo misselijk als Smitty. De oorzaak van zijn woede is ook minder persoonlijk. Het Congres heeft niet alleen een buitengewoon idioot wetsontwerp goedgekeurd, maar zijn domheid nog eens onderstreept door een presidentieel veto te vernietigen. Als hij Smitty ziet gooit hij de krant op de grond en loopt naar de lage muur.

‘Hoe komt het toch,’ zegt hij als inleidende opmerking, ‘dat de wereld vol vuile hoerenzonen zit?’

‘Begrijp je dat niet,’ is onmiddellijk het zure antwoord. ‘Ze komen immers allemaal uit het smerigste deel van een vrouw.’


* * *

Ofschoon het in Ledom nooit donker werd, leek het, nu de meeste mensen weg waren, veel donkerder. Charlie zat op het koele groene mos met zijn handen op zijn knieën en zijn rug tegen een olijfboom. Hij boog zich voorover en drukte zijn wangen tegen de rug van zijn handen. Zijn wangen voelden aan als leer, want er waren ontelbare tranen op gedroogd. Op het laatst keek hij op en zag Philos, die geduldig stond te wachten. Hij zei geen woord alsof hij bang was iets voor zijn gast te zullen bederven en er kwam alleen een lachje om zijn mond.

‘Is het voorbij?’ vroeg Charlie.

Philos leunde tegen de boom en knikte in de richting van een groepje Ledomieten, drie volwassenen en een stuk of vijf kinderen, dat de rommel opruimde. Boven hun, als een onzichtbare zwerm van magische bijen, hing een wolk van muziek en Philos zei: ‘Het is nooit voorbij.’

Charlie dacht er over na. Ook over het standbeeld dat De Maker heette en, voor zover hij durfde, over alles wat zich in het bos had afgespeeld en over het geluid dat deze mensen overal scheen te begeleiden.

‘Wil je me nog eens vragen wat hier aan de hand is?’

‘Ik geloof dat ik het wel weet,’ antwoordde Charlie.

‘Kom dan,’ zei Philos.

Door de velden liepen zij naar de gebouwen.

‘Waarom aanbidden jullie de kinderen?’ vroeg Charlie onderweg.

‘In de eerste plaats om religieuze redenen, maar onder religie versta ik een supra-rationele of mystieke ervaring. Mensen schijnen religie nu eenmaal broodnodig te hebben, maar een ervaring zonder object is nu eenmaal niet mogelijk. Niets is tragischer dan een mens of een cultuur die iets wil aanbidden en geen object heeft.’

‘Maar waarom kinderen?’

‘Wij aanbidden de toekomst en niet het verleden. Wij aanbidden wat nog komen moet en niet wat geweest is. We hebben een beeld van hetgeen kneedbaar is en groeit, dat we kunnen verbeteren. Wij aanbidden die kracht in onszelf en het verantwoordelijkheidsgevoel dat daarmee gepaard gaat. Een kind is de som van al deze dingen. Vandaar. Wij aanbidden het kind omdat het ondenkbaar is dat wij er ooit één zouden gehoorzamen.’

Ze liepen een tijdje zwijgend verder.

‘Wat ia er tegen om een God te gehoorzamen die je aanbidt?’

‘In theorie niets, denk ik, speciaal wanneer die gehoorzaamheid samengaat met het geloof in een levende, wetende God. Maar in de praktijk is de hand van God in menselijke zaken een dode hand...’ Hij wachtte even en vroeg toen: ‘Heb je niet opgemerkt dat de essentie van Ledom voortgang is? Beweging, groei, verandering? Kan muziek bestaan zonder voortgang, zonder progressie of poëzie? Kun je een woord uitspreken en het ritme noemen wanneer er geen woorden op volgen? Kan het leven bestaan... Voortgang is eigenlijk de definitie van leven! Een levend ding verandert ieder moment en als het niet meer verandert is het... dood.

De architectuur van een cultuur moet die innerlijke beweging uitdrukken. Waar zouden anders de vormen van Geneeskunde en Wetenschap voor dienen? Heb je wel eens een film van een rennende of zelfs lopende man gezien? Als de film tot stilstand zou komen, zou je zien dat hij uit zijn evenwicht is. Toch zou hij niet kunnen rennen of lopen als hij niet uit zijn evenwicht was. Zo ga je nu van de ene plek naar de andere. Door telkens bijna te vallen.’

‘En dan blijkt het dat ze op onzichtbare krukken lopen.’

‘Zoals alle symbolen, Charlie.’

‘Er is maar één Philos,’ lachte Charlie. Weer zag hij hoe Philos een kleur kreeg. Boosheid, zelfs irritatie was hier zo zeldzaam dat het schokkender was dan een vloek. ‘Wat is er? Zei ik iets...’

‘Dat heeft Mielwis natuurlijk gezegd!’ Philos keek hem scherp aan en las het antwoord van Charlies gezicht. Daarna probeerde hij zich te beheersen en zei smekend: ‘Je hebt niets verkeerds gezegd, Charlie. Het gaat niet om jou. Mielwis...’ Hij haalde diep adem en vervolgde: ‘Het is een pri-vé-grapje van Mielwis.’ Toen wilde hij kennelijk van onderwerp veranderen en vroeg: ‘Maar over architectuur gesproken... lig je niet overhoop met het begrip van dynamische onevenwichtigheid als je dit ziet?’ Hij wees met een wijds gebaar op al de verschillende villa’s.

‘Nee hoor,’ antwoordde Charlie, terwijl hij naar de Italiaanse villa met de koepeldaken boven elk vierkant keek.

‘Zij zijn ook niet symbolisch, in de zin van de grote Gebouwen. Zij zijn alleen het bewijs van onze overtuiging dat de Ledomieten nooit het contact met het land zullen verliezen. En dat meen ik in de breedste zin van het woord. Mensen worden geboren, leven en sterven en hebben nog nooit een spade in de aarde gezet... Is dat bij jullie niet net zo gegaan?’

Charlie knikte nadenkend. Hij had dat al eens gedacht toen hij vroeger, toen hij geld nodig had, een baantje als bonenplukker aannam. Hij had het afschuwelijk gevonden om met een stelletje mislukkelingen van de ergste soort in een schuur te moeten slapen en van ’s morgens vroeg tot ’s avonds in gebukte houding op het land bezig te zijn. Hij was het niet gewend en het duurde niet lang of hij voelde overal pijn. Maar later, toen hij toevallig eens bonen at, was het opeens tot hem doorgedrongen dat hij deze met zijn eigen handen geplukt kon hebben en het was of de aarde hem op dat moment iets voor al zijn moeite en zwoegen had teruggegeven.

‘Zulke mensen hebben bijzonder weinig kans om te overleven,’ vervolgde Philos. ‘Zij hebben zich aangepast aan hun omgeving, maar die omgeving is een grote machine. Van vruchten plukken en dergelijke gewone dingen weten ze niets meer af. Wanneer hun machine niet meer werkt, zelfs als er maar een klein onderdeeltje kapot is, weten ze niet meer wat ze moeten beginnen. Alle Ledomieten weten wat landbouw is, bouwen, weven, koken, noem maar op. Ze weten hoe ze vuur moeten maken en water vinden. Bekwaam of niet — en niemand is in àlles bekwaam — iemand die weet wat nodig is heeft meer overlevingskansen dan iemand die, laten we zeggen, beter dan wie ook een automatische staalwals kan controleren en niet weet wat zaaikoren is of hoe je een boom moet omhakken.’

‘Aha!’ zei Charlie opgelucht.

‘Wat is er?’

‘Ik begin er iets van te begrijpen. Ik kon al die drukknoppen in het gebouw Geneeskunde met al dat handgemaakte aardewerk niet rijmen. Ik dacht dat het een kwestie van voorrechten was!’

‘Die in de Gebouwen werken mogen hier als een voorrecht komen eten! De Gebouwen zijn in de eerste plaats werkplaatsen, waar het werk af en toe met zo’n nauwkeurigheid gedaan moet worden dat het efficiënt is om tijd te sparen. Hier is het weer efficiënt om tijd te gebruiken, we hebben er genoeg van. Wij slapen niet en hoe zorgvuldig je ook bouwt of de grond bewerkt, eens komt het werk klaar.’

‘Hoeveel tijd brengen de kinderen op school door?’

‘School... eh, ja. Ik begrijp wat je bedoelt. Wij hebben geen scholen.’

‘Geen scholen? Je bedoelt dat die niet nodig zijn voor mensen die alleen willen weten hoe je planten moet en hoe je een doe-het-zelf-huis kunt bouwen? Maar al die technici? Jullie leven toch niet eeuwig? Wat gebeurt er als er een vervangen moet worden? En hoe zit het met boeken en bijvoorbeeld muziekschrift? Om díe te kunnen lezen moet je toch eerst naar school?’

‘We hebben die dingen niet nodig. Wij hebben onze cerebrostilus.’

‘Seace heeft er me wat over verteld. Ik kan niet zeggen dat ik het precies heb begrepen.’

‘Ik evenmin,’ zei Philos. ‘Maar ik kan je verzekeren dat het werkt.’

‘Het neemt dus de plaats van scholen in?’

‘Nee. Ja.’

Charlie lachte en Philos lachte van de weeromstuit mee.

‘Op school moet je leren,’ zei hij, ‘maar wij onderwijzen onze kinderen niet. Wat ze moeten weten wordt ze met de cerebrostilus ingeprent. Het werkt snel: alleen een kwestie van het juiste informatieblok vinden en een hendel overhalen. De (en hier gebruikte hij een technische term voor ‘ongebruikte en beschikbare herinneringscellen’) en de synaptische paden er heen worden gelokaliseerd en de inlichtingen in ongeveer anderhalve seconde ingeprent. Dan kan het blok voor de volgende gebruikt worden. Maar lesgeven, nee... lesgegeven wordt er niet. Dat moet je zelf doen door bewust te denken, als je buiten werkt bijvoorbeeld, of tijdens een ‘pauze’. Herinner je je die jongen nog die we zagen staan voor we naar Grocid gingen? Maar zelfs dat procédé kun je geen lesgeven noemen. Lesgeven is iets dat je kunt leren. Iedereen die het probeert — en dat doen we allemaal — kan een zekere vaardigheid in lesgeven krijgen. Maar het ware lesgeven is een gave. Zo beschouwen wij een leraar als een kunstenaar. Wij slaan leraren zeer hoog aan, want onderwijzen is liefhebben.’

Charlie dacht aan de koude, weerzinwekkende, stervende juffrouw Moran en in een flits begreep hij het. Hij dacht aan Laura.

‘We gebruiken de cerebrostilus als het A-veld,’ vertelde Philos. ‘We zijn er niet afhankelijk van. Daarom hebben we ze ook niet nodig. Wij leren lezen en schrijven en we hebben veel boeken. Iedere Ledomiet die wil, mag ze lezen, ofschoon we hem bij voorkeur de cerebrostilus opzetten terwijl hij leest, om een nieuw blok te maken.’

‘Kunnen die blokken dan een heel boek bevatten?’

‘Ze zijn maar heel klein. Wij weten hoe we papier moeten fabriceren en boeken kunnen maken en als het moest, zouden we het doen. Je moet begrijpen dat wij nooit de slaaf van onze gemakken zullen worden.’

‘Dat is mooi,’ zei Charlie en hij dacht aan vele, vele dingen uit het verleden die niet zo mooi waren: hele industrieën die lamgelegd werden doordat de liftbedienden in staking gingen, de gevolgen van een storing in het elektrische net, zodat de mensen zonder water zaten, zonder koelkast, licht, radio, televisie en niet bij machte waren om te koken, te wassen of geamuseerd te worden. Maar... ‘Toch is er iets dat me niet bevalt. Met deze mogelijkheden kun je op een blok een hele reeks geloven en overtuigingen inprenten. Je kunt de mensen alles laten denken wat je wilt.’

‘Dat kan niet! riep Philos. ‘Om nog maar te zwijgen over het feit dat we zoiets niet willen. Je kunt geen liefde geven of winnen door gevangenschap, dwang, verraad of leugens.’

‘Waarom niet?’

‘De delen van de geest zijn nu duidelijk afgebakend. De enige manier om valse informaties of kwalijke doctrines in te prenten, is om tegelijkertijd alle herinneringen en zinnen uit te schakelen. Ik verzeker je dat alle informatie van de cerebrostilus wel degelijk door de hersenen, door de reeds opgedane ervaringen van het slachtoffer gecontroleerd worden. Wij zouden geen inconsequenties kunnen inbrengen, al wilden we het.’

‘Houden jullie wel eens inlichtingen achter?’

‘Spijkers op laag water, hè?’ grinnikte Philos.

‘Nou ja,’ zei Charlie. ‘Houden jullie ooit inlichtingen achter?’

Philos zei ernstig: ‘Natuurlijk doen we dat. We zullen een kind niet leren hoe je salpeterzuur moet maken. We zullen een Ledomiet niet vertellen hoe zijn gezel onder een rotsverschuiving lag te schreeuwen.’

‘O.’ Zij liepen enige tijd zwijgend verder. ‘Trouwen jullie eigenlijk?’

‘O ja. Het is heerlijk om verliefd te zijn. Maar trouwen... dat is geluk op een totaal ander niveau. Het is iets waardigs dat wij heel ernstig nemen. Je kent Grocid en Nasive.’

Opeens ging Charlie een licht op: ‘Zij hadden dezelfde kleren aan.’

‘Ja, zij doen alles gelijk en, indien niet gelijk, dan toch samen. Zij zijn getrouwd.’

‘En doen ze... Zijn de mensen... eh...’

Philos klopte hem op de schouder. ‘Ik weet dat jullie altijd met seks bezig zijn,’ zei hij. ‘Vraag maar wat je wilt. Je bent onder vrienden.’

‘Ik ben er helemaal niet altijd mee bezig!’

Ze liepen verder, Charlie een beetje gemelijk, Philos een lied meeneuriënd dat in de verte door enkele kinderen werd gezongen. Al luisterend voelde Charlie zijn ergernis verdwijnen. Hij moest eerlijk toegeven dat de Ledomieten zich, in vergelijking, minder met seks bezig hielden dan hij, en Philos had gelijk: tenslotte was hij onder vrienden.

‘Hoe zit het met kinderen?’ vroeg hij luchtig.

‘Hoe bedoel je?’

‘Als er een kind wordt geboren waarvan de ouders niet getrouwd zijn?’

‘Dat gebeurt bijna altijd!’

‘En het maakt geen verschil?’

‘Niet voor het kind. Ook niet voor de ouders eigenlijk.’

‘En je zei dat het huwelijk...’

‘Het geheel is belangrijker dan de som van de onderdelen.’

‘O.’

‘Je wilt natuurlijk zeggen dat een wederzijds orgasme de hoogste vorm van seksuele expressie is?’

‘Ja,’ antwoordde Charlie, zo klinisch als hij maar kon.

‘En voortplanting de hoogste expressie van liefde?’

‘Inderdaad.’

‘Als twee Ledomieten wederzijds paren en beiden tweelingen baren, is dat dan niet een overweldigende ervaring?’

‘Uhuh,’ mompelde Charlie, die dit allemaal even verwerken moest. Eindelijk vroeg hij: ‘En het... andere soort seks?’

‘Andere seks?’ vroeg Philos terwijl hij verbaasd zijn wenkbrauwen optrok en er kennelijk over moest nadenken wat Charlie bedoelde. ‘Bedoel je gewone, expressieve seks?’

‘Ik geloof dat ik dat bedoel, ja.’

‘Die komt voor. Alles wat met liefde heeft te maken kan hier gebeuren: seks, iemand met een dak helpen of zingen.’ Hij wachtte even, keek Charlie van terzijde aan en vervolgde: ‘Ik weet geloof ik wel wat jou verbaast. Jij komt ergens vandaan waar bepaalde handelingen en denkwijzen in een slecht licht stonden. Dingen die zelfs bestraft werden. Klopt dat?’

‘Ik geloof het wel.’

‘Je wilt kennelijk weten of dit hier ook het geval is. Het is in geen enkel opzicht geregeld. Het kan alleen gebeuren als uiting van wederzijdse genegenheid. Als die genegenheid er niet is, gebeurt het ook niet.’

‘En de jongeren?’

‘Wat bedoel je?’

‘De jongens... Het geëxperimenteer en zo...’

‘De vraag is eigenlijk,’ lachte Philos, ‘wanneer zijn ze er oud genoeg voor? Het antwoord: als ze er oud genoeg voor zijn. En waarom zouden ze experimenteren met iets dat net zo zichtbaar is als een begroetingskus?’

Charlie slikte. Bijna klagelijk vroeg hij even later: ‘Maar hoe zit het met ongewenste kinderen?’

Philos bleef stokstijf staan, draaide zich om en keek hem aan. Zijn gezicht liet een bijna komische opeenvolging van uitdrukkingen zien: geschoktheid, verbazing, ongeloof, vragend (Maak je nu een grapje? Meen je dat werkelijk?) en tenslotte verontschuldiging. ‘Neem me niet kwalijk, Charlie. Ik dacht niet dat je me zou kunnen schokken, maar het is je gelukt. Ik meende dat ik er na alle research die ik heb gedaan wel tegen bestand zou zijn, maar ik had niet verwacht dat ik mij midden in Ledom nog eens zou moeten verdiepen in het begrip ongewenste kinderen.’

‘Neem me niet kwalijk, Philos.’

Vanuit een boomgaard klonk de stem van Grocid die hen riep en Philos vroeg: ‘Heb je dorst?’ Ze liepen in de richting van de witte villa. Het was goed dat hun gedachten even werden afgeleid. Het was goed om nog eens het beeld van De Maker te kunnen zien.


* * *

Herb staat in de maanverlichte duisternis en kijkt neer op zijn dochter. Hij is uit bed gegleden en naar Karens kamer gegaan. Hij heeft al eerder gemerkt, dat dit een goede plek is om zijn verwarde, gekwetste en geschokte geest tot rust te laten komen. Het is niet gemakkelijk om opstandig en rusteloos te blijven als je naar een slapend kind kijkt.

De ellende is drie dagen geleden begonnen toen Smith over de lage stenen muur een opmerking maakte. Hij had gedacht die te zullen vergeten als een kwalijke geur, maar het was of Smith hem geïnjecteerd had.

Hij kan die opmerking maar niet vergeten.

We komen immers allemaal uit het smerigste deel van een vrouw.

Herb rekent Smith de opmerking niet aan. Zijn buurman heeft zijn zorgen en zijn speciale achtergrond, waarvoor hij niet aansprakelijk is. Wat Herb ongerust maakt is heel iets anders. Hij vraagt zich af wat er met de mensheid aan de hand is, dat iemand een dergelijke vuiligheid kan poneren. Was het meer dan een smerig grapje, was het waar, bijna waar?

Is dat nu wat wij Erfzonde noemen? Walgt de man zo van de vrouw dat hij haar daarom zo minachtend behandelt? Is het daarom zo gemakkelijk om te zeggen dat Don Juans in het algemeen proberen zoveel mogelijk vrouwen te straffen? Is dit de reden waarom een man, die als een goed Freudiaans kind een moederbinding heeft gekend, zijn moeder begint te haten?

Wanneer begonnen mannen de vrouw te verachten? Wanneer maakten zij uit dat zij tijdens de menstruatie onrein waren?

Ik heb dat niet, denkt hij vroom. Ik hou van Jeanette omdat zij een vrouw is, en ik hou van haar helemaal.

Karen zucht tevreden in haar slaap. Zijn boosheid en afgrijzen verdwijnen en hij kijkt met een glimlach naar zijn kind. Niemand heeft ooit iets over vaderliefde geschreven, denkt hij. Moederliefde wordt verondersteld en magische expressie van de hand van God of zoiets te zijn. Vaderliefde daarentegen is een merkwaardig iets. Hij heeft vriendelijke geciviliseerde mannen in woestelingen zien veranderen omdat hun kind iets was aangedaan. Uit eigen ervaring weet hij dat deze vaderliefde als het ware groter wordt, zodat je iets voor alle kinderen begint te voelen. Waar komt dat vandaan? De vader is niet zo lichamelijk met zijn kind verbonden als de moeder die het voedt nadat het in haar buik gegroeid is zoals de neus op haar gezicht. Maar de vader? Er zijn wel heel speciale omstandigheden voor nodig om een vader aan die twee of drie seconden te herinneren waarin hij zijn kind heeft gemaakt.

Waarom komt het in niemands hoofd op om te zeggen dat wij allemaal hoerenzonen zijn omdat wij uit het smerigste deel van de man zijn gekomen? Dat zal nooit, nooit gebeuren. De man is immers superieur! De man heeft het nodig om zich superieur te voelen. Dit hoeft de kleine groep die werkelijk superieur is zich niet aan te trekken, maar de heersende meerderheid van inferieuren wel. De enige manier om je superioriteit te bewijzen is een ander inferieur te maken. Dit is al sinds mensenheugenis de reden waarom een man zijn buurman bestrijdt, het ene land het andere probeert te onderdrukken, het ene ras het andere ras als inferieur beschouwt. Het is ook de oorzaak van wat mannen vrouwen aandoen.

Is de man begonnen met de vrouw als inferieur te beschouwen en heeft hij daaruit geleerd zich superieur tegenover andere rassen, godsdiensten en nationaliteiten te voelen? Of was het andersom: maakte de man de vrouw inferieur zoals hij alles aan zichzelf inferieur wil maken? Wat is de oorzaak, wat het gevolg? Zelfbescherming? Zouden de vrouwen de man overheersen als ze de kans kregen? Proberen zij het? Hebben ze het al gedaan, hier in de voorstad?

Hij kijkt naar Karens hand in het maanlicht. Hij zag die hand voor het eerst toen zij een uur oud was en hij was onder de indruk van de volmaaktheid van die kleine vingertjes, die nageltjes! Zo klein, zo volmaakt! Zal deze kleine hand leiden of lijden, Karen? Ben jij op een wereld gekomen waar je in het geheim geminacht wordt?

Zijn vaderliefde overweldigde hem en, ofschoon hij roerloos blijft staan, werpt hij zichzelf als een strijder tussen de smerige hoerenzonen en zijn kind.


* * *

‘Nasive...’ De Ledomiet stond met een stralend gezicht met Charlie voor het terracotta beeld en vroeg met een glimlach: ‘Ja?’

‘Mag ik je iets vragen?’

‘Natuurlijk!’

‘Het is erg vertrouwelijk. Ik ben bang dat je het verkeerd zult opnemen.’

‘Vraag maar.’

‘Het gaat over Philos.’

‘O.’

‘Waarom is iedereen zo wreed voor hem? Nee,’ voegde hij er haastig aan toe, ‘dat is te sterk uitgedrukt. Het is net of iedereen hem afkeurt.’

‘O,’ zei Nasive. ‘Dat heeft niet veel te betekenen, denk ik.’

‘Je wilt het me dus niet vertellen.’ Er viel een pijnlijke stilte. Even later vervolgde Charlie: ‘Ik moet zoveel mogelijk over Ledom te weten zien te komen. Zou ik niet meer inzicht krijgen als ik ook de verkeerde dingen wist? Of mag ik alleen oordelen,’ hij knikte in de richting van het beeld, ‘over hetgeen jullie als het beste beschouwen?’

Zoals hij ook bij Philos eens had gezien, werd Nasive door die woorden volkomen ontwapend. De waarheid werd bij dit volk klaarblijkelijk enorm hoog aangeslagen.

‘Je hebt gelijk, Charlie Johns. Ik zou ook niet geaarzeld hebben, maar — om fair tegenover Philos te blijven — moet ik jouw vertrouwen vragen. Tenslotte gaan Philos’ zaken mij, noch jou iets aan.’

‘Ik zal er met geen woord over spreken.’

‘Goed dan. Philos staat een beetje... buiten ons. Hij heeft iets geslotens over zich, waardoor hij toegang krijgt tot vele dingen waar de anderen beter buiten kunnen blijven. Hij geeft hier de voorkeur aan, maar de normale Ledomiet niet. En dan is er nog iets... iets dat hier misschien mee te maken heeft: hij wil niet trouwen.’

‘Maar iemand hóeft toch niet te trouwen!’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Nasive bevochtigde zijn lippen en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar Philos doet of hij nog steeds getrouwd is.’

Nog getrouwd?’

‘Hij was met Froure getrouwd. Zij stonden op het punt om kinderen te krijgen. Op een dag gingen ze naar de rand van de hemel...’ (Charlie begreep precies wat er met deze merkwaardige uitdrukking bedoeld werd) ‘en toen gebeurde er een ongeluk. Een rotsverschuiving. Zij lagen dagenlang onder de rotsen. Froure was gestorven en Philos verloor de ongeboren kinderen.’

Charlie herinnerde zich opeens dat Philos het over een rotsverschuiving had gehad.

‘Philos had verdriet. Dat begrepen we allemaal. Wij hebben lief op vele manieren. We houden van onze gezellin en daarom begrijpen we wat verdriet is. Maar de basis van liefde is dat je van de levenden moet houden en niet van de doden. Wij vinden het... vreemd, dat we iemand in ons midden hebben die een dode liefheeft. Het is pathologisch.’

‘Misschien komt hij er overheen?’

‘Het is al zoveel jaren geleden gebeurd,’ zei Nasive hoofdschuddend.

‘Als het pathologisch is, waarom wordt hij dan niet behandeld?’

‘Dat kan alleen met zijn toestemming.’

‘Nu begrijp ik ook dat grapje van Mielwis.’

‘Wat was dat?’

‘Hij zei: wij hebben maar een Philos, maar het klonk als een grapje.’

‘Dat had hij nooit mogen zeggen,’ zei Nasive streng. ‘Heb je nu het gevoel dat je ons beter kent?’

‘Nog niet. Maar dat komt nog wel. Ik voel het.’

Zij lachten elkaar toe en gingen naar het huis waar de anderen waren. Philos zat druk te redeneren, met Grocid, en Charlie was er zeker van dat ze het over hem hadden. Grocid bevestigde dit trouwens door te zeggen: ‘Philos zegt dat je bijna zover bent om een oordeel over ons te kunnen uitspreken.’

‘Dat heb ik niet gezegd,’ lachte Philos. ‘Ik heb hem vrijwel alles gegeven wat ik heb. Hoelang het je kost om daaruit conclusies te trekken, is jouw zaak.’

‘Ik hoop dat het lang zal duren,’ zei Grocid. ‘We vinden het prettig dat je er bent. Nasive is erg op je gesteld.’

Charlie wierp een snelle blik op Nasive, die knikte. ‘Dat is waar,’ zei hij hartelijk.

‘Dank je,’ zei Charlie: ‘Ik ben hier erg graag.’


* * *

‘Smith is een zwijn.’

Herb Raile, die bezig is, hoort deze woorden terwijl Jeanette door de achterdeur binnenkomt en hij schrikt. Hij heeft niemand iets verteld over zijn reacties op die opmerking van Smith, al brandt hij ook van verlangen om er met iemand over te praten. Hij heeft alle mogelijkheden van zijn spanningen nagegaan: een van de meisjes misschien die tijdens de vergadering van de Vrouwen Vereniging nog wat bleef hangen, sommige lieden op de bijeenkomsten van de oudervereniging, ofschoon hij daar als vader van een vijf jaar oud zoontje nog maar zijdelings bij betrokken is. Maar hij is bang. Een zwijn of niet, Smitty’s raad was gezond: een nieuwe klant — dat is serieus. De rest is ontspanning.

Maar dit ontspant hem helemaal niet. Zijn problemen zijn te groot en nog niet uitgekristalliseerd. Hij staat verbaasd over zijn reactie op Jeanettes opmerking, maar hij weet zelf nog niet of hij Smith nu een zwijn vindt of niet. Een varken onder de mensen is een varken, denkt hij, maar een varken onder varkens is een mens.

‘Wat heeft hij gedaan?’

‘Ga maar eens kijken. Tillie is razend.’

‘Waar heb je het over, liefje?’

‘O ja, natuurlijk. Het gaat over een bord in de feestkamer.’

‘Wat? Smerige etiketten voor drankflessen bijvoorbeeld?’

‘O nee, veel erger. Je zult het wel zien.’


* * *

‘Wat nu, Philos?’

‘Een scherpe, onderzoekende blik op jezelf,’ lachte Philos. ‘Dat jezelf is natuurlijk categorisch bedoeld. Het heeft geen zin Ledom in een soort vacuum te bekijken. Je moet het kunnen zien tegen de achtergrond van je eigen cultuur.’

‘Dat kan ik al.’ Philos keek hem zo verbaasd aan dat hij zweeg.

Ze liepen de laatste kilometers die hen nog scheidden van het Gebouw Wetenschap.

‘Ik geloof dat ik genoeg van mijn eigen cultuur afweet,’ begon Charlie, maar Philos onderbrak hem met zo’n sarcastisch ‘Werkelijk?’ dat hij er wederom het zwijgen toe deed.

‘Als je er aan twijfelt,’ zei Charlie tenslotte een beetje nijdig. ‘Ga je gang dan!’

‘Hoe?’

‘Verbeter me dan.’

‘Dat zal ik doen,’ antwoordde Philos rustig. ‘Maar met de cerebrostilus. ‘Dat is sneller, gemakkelijker, gedetailleerder en,’ grinnikte hij, ‘je kunt niet argumenteren en onderbreken.’

‘Dat was ik ook niet van plan.’

‘Dat was je natuurlijk wel. In de geschiedenis van de mensheid is nooit een onderwerp aangesneden dat zo moeilijk objectief te behandelen bleek als seks. Er zijn talloze boeken geschreven over geschiedenis en geschiedkundige analyses, waarbij het woord seks eenvoudig niet werd genoemd. Generaties lang hebben studenten ze als waarheid aangenomen en sommigen onderwezen naderhand dezelfde dingen op dezelfde manier — zelfs toen duidelijk werd van hoeveel betekenis seks in het ontwikkelingspatroon van de mens is. Voor de meeste mensen is geschiedenis niet meer dan een reeks anekdotes over enkele vreemdelingen die dingen gedaan en wensen vervuld hebben die blijkbaar niets met het seksuele gedragspatroon van hun tijd te maken hadden — terwijl dat gedragspatroon tegelijkertijd het resultaat en de oorzaak van die handelingen was. Een gedragspatroon dat zowel geschiedenis als blinde geschiedkundigen opleverde en... vermoedelijk zijn blindheid ook. Maar ik denk dat ik die dingen beter na de cursus kan zeggen.’

‘Ik denk,’ zei Charlie een beetje stijfjes, ‘dat we beter kunnen beginnen.’

Ze liepen om het gebouw Wetenschap heen en namen de ondergrondse naar Geneeskunde. Philos voerde Charlie door de nu welbekende horizontale catacomben en door de duizelingwekkende hoogten van het reusachtige gebouw. Ze kwamen door een grote hal die er uit zag als een stationswachtkamer, waar het zachte gezang van wachtende Ledomieten klonk. Charlie werd in het bijzonder getroffen door twee hetzelfde geklede Ledomieten, die elk een slapend kind op hun schoot hadden, en een tweede de borst gaven. ‘Waar wachten zij op?’ vroeg hij.

‘Heb ik je niet verteld dat iedereen hier eens in de achtentwintig dagen voor een onderzoek komt?’

‘Waarom?’

‘Waarom niet? Ledom is erg klein en wij hebben nog niet eens achthonderd inwoners. Niemand woont hier meer dan twee uur lopen vandaan. Wij hebben alle mogelijkheden, dus — waarom niet?’

‘Is zo’n onderzoek erg grondig?’

‘Bijzonder.’

Bij de bovenste verdieping van het gebouw stopten ze voor een deurspleet. ‘Palm hem maar open.’

Charlie deed het maar er gebeurde niets. Daarna legde Philos zijn handpalm tegen de deur en hij ging open. ‘Mijn privé-kantoor,’ zei hij.

‘Waarom is het afgesloten?’ vroeg Charlie, die, vooral in de Kinderafdeling, nergens sloten had gezien.

Philos trok hem naar binnen en de deur viel dicht. ‘Wij hebben heel weinig taboes in Ledom,’ vertelde hij. ‘Maar je mag geen besmettelijk materiaal laten slingeren.’ Hij zei het of het een grapje was. ‘Maar weinig Ledomieten zouden zich hier druk over maken.’ Hij wees op enkele tot het plafond reikende boekenkasten en een wandrek met op elkaar gestapelde, transparante kubusjes. ‘Wij zijn sterk betrokken met de toekomst, en al deze zaken doen er niet veel meer toe. Toch... ‘Mens ken uzelf’... Maar het zou een heleboel mensen doodongelukkig maken als ze zichzelf goed kenden.’

Hij liep naar het rek met kubussen, raadpleegde een index en haalde er een kubus uit. Er stond een rijtje rode cijfers op, die hij controleerde aan de hand van de index. Daarna ging hij op een lage bank zitten en haalde uit een van de als met een toverformule verschijnende nissen in de muur een apparaat. Het was een komvormige helm op een flexibele arm. ‘De cerebrostilus,’ zei hij. Daarna liet hij Charlie de binnenkant van de kom zien, waarin een stuk of zes rubberen knoppen stonden. ‘Het zijn geen elektroden, en je voelt er niets van.’

Hij pakte de genummerde kubus, stopte die in een kastje aan de bovenkant van de helm en sloot het deurtje. Daarna ging hij liggen en drukte de helm tegen zijn hoofd. Het instrument schoof even heen en weer, alsof het zich oriënteerde. Eindelijk stond het stil en Philos ontspande zich. Hij lachte tegen Charlie en zei: ‘Nu moet je me enkele seconden verontschuldigen.’ Hij sloot zijn ogen en raakte een knopje op de rand van de helm aan. Het knopje werd ingedrukt en zijn hand viel krachteloos weg.

Een diepe stilte.

Het knopje klikte en op hetzelfde moment deed Philos zijn ogen weer open. Hij liet de helm zakken en ging rechtop zitten. Op zijn gezicht was geen spoor van vermoeidheid of inspanning te zien. ‘Dat heeft niet lang geduurd, hè?’

‘Wat heb je gedaan?’

‘In dat blokje zit een verhandeling over bepaalde aspecten van homo sap. Ik heb hem wat bijgewerkt, want er zijn dingen waarvan jij zegt dat je ze liever niet wilt weten, en bovendien dacht ik dat je het beter door mij ingeprent kon krijgen dan uit een onpersoonlijk leerboek.’

‘Je bedoelt dat je die aantekeningen zomaar kunt veranderen?’

‘Met een beetje ervaring en concentratie wel ja. Laten we beginnen.’ Charlie keek naar de helm en aarzelde. ‘Kom,’ lachte Philos. ‘Het doet geen pijn en het zal je dichter bij huis brengen.’

Moedig ging Charles liggen. Philos zette de helm op zijn hoofd en Charlie voelde hoe de rubber knopjes zijn schedel aanraakten. De helm bewoog en kwam tot rust. Philos pakte zijn hand en bracht die naar het knopje. ‘Druk het in als je gereed bent. Eerder zal er niets gebeuren.’ Hij deed een stap achteruit. ‘Ontspan je.’

Charlie keek naar hem. Er was verlegenheid noch medelijden in die vreemde donkere ogen, alleen een hartelijke, bemoedigende blik.

Hij drukte op het knopje.


* * *

Herb loopt door de tuin en vraagt zich af hoe hij die plaat bij Smith ter sprake kan brengen zonder te zeggen dat Jeanette boos is.

Smitty is in een bed met goudsbloemen bezig. Hij komt zodra hij Herb ziet overeind en lost het probleem op met de woorden: ‘Kom eens! Ik moet je wat laten zien.’

Naast elkaar lopen Herb en Smitty naar binnen. Ze gaan de trap af en komen in de kamer. Het is een mooie kamer. De kachel lijkt op een grammofoon en de grammofoon op een radiator. De wasmachine lijkt op een televisietoestel en de TV op een theetafel. De bar lijkt op een bar en de hele hap is gemaakt van knoestige boomstammen.

Boven de bar hangt een mooi ingelijste tekst in gothische letters, die moeilijk te lezen zijn en onderaan, in kleine lettertjes, is vaag vermeld dat dit het werk is van een Middeleeuwse filosoof:

Een Goede Vrouw (volgens een oude Philosoof) is als een Aal in een emmer met 500 Slangen, en als een man het geluk heeft die ene Aal uit al die Slangen te vissen, heeft hij toch niet meer dan een natte Aal bij de Staart.


Herb was er op voorbereid Jeanettes verontwaardiging te delen, maar de tekst overrompelt hem zodat hij begint te brullen, terwijl Smith op de achtergrond staat te grinniken. Dan vraag Herb wat Tilly er van vindt.

‘Vrouwen,’ zegt Smitty waardig, ‘zijn allemaal even bekrompen.’


* * *

Nadat Charlie de knop had ingedrukt, leek de tijd even stil te staan. Hij kon niet zeggen of er uren, minuten of seconden voorbij waren toen het knopje weer klikte. Philos stond over hem heen gebogen en glimlachte. Hij voelde zich of hij lange tijd verdiept was geweest in een interessante brief van een vriend.

‘Wel, allemachtig!’ zei hij verbaasd.

Charlie Johns, begon ‘de brief’, je kunt in deze zaak niet objectief zijn, maar, alsjeblieft, probeer het.

Je kunt niet objectief zijn omdat je vanaf je kindertijd geïndoctrineerd, bepreekt, beïnvloed en vastgelegd bent. Je komt uit een tijd en een plaats waarin de mannelijkheid van de man en de vrouwelijkheid van de vrouw — en hun verschil — de belangrijkste zaken waren.

Maar in de grond zijn er meer overeenkomsten dan verschillen tussen man en vrouw.

Een long is een long en een nier is een nier, zowel bij een man als bij een vrouw. Je kunt misschien aanvoeren dat het beenderstelsel van de vrouw lichter is en haar hoofd kleiner enz., maar het is niet onmogelijk dat dit in al die duizenden jaren juist zo door de man gefokt is. Het komt trouwens veelvuldig voor dat vrouwen langer, sterker en zwaarder zijn dan mannen. Vele mannen hebben bovendien een breder bekken dan vrouwen.

Wat de secundaire seksuele karakteristieken betreft, staat het alleen statistisch vast dat er veelbetekende verschillen voorkomen: vrouwen hebben soms meer lichaamshaar dan mannen en vele mannen hebben een hogere stem dan vrouwen. Het zal je niet onbekend zijn dat er zelfs bij de geslachtsorganen afwijkingen van de norm voorkomen. Het is niet mijn bedoeling om je aan te praten dat deze dingen normaal zijn — niet na de vierde maand voor de geboorte tenminste — maar wel, dat deze verschijnselen al sinds de prehistorie in de natuur voorkomen. De endocrinologie kent een aantal zeer interessante feiten. Zowel mannen als vrouwen kunnen mannelijke en vrouwelijke hormonen produceren, maar zodra deze productie uit zijn evenwicht wordt gebracht krijg je drastische veranderingen. In enkele maanden tijds heeft een dame dan een baard en geen borsten en een man kan een volle boezem krijgen. Deze grove, extreme voorbeelden dienen natuurlijk alleen ter illustratie. Er zijn vrouwelijke atleten geweest die sterker en sneller waren dan het gros van de mannen en die niettemin toch ‘echte’ vrouwen waren. En mannen die vrouwenkleren ontwierpen — over het algemeen beter dan die vrouwen zelf — en toch ‘echte’ mannen waren. Men zegt: vrouwen moeten lang haar hebben. Maar de achttiende-eeuwse ridders hadden ook lang haar en droegen bovendien brokaat en kant. Vrouwen moeten rokken dragen. Maar dat doen de Schotten, de Griekse evzone, Chinezen en Polynesiërs ook en toch hebben deze mannen niets vrouwelijks. Overal zie je steeds weer verschuivingen. Voor jullie Eerste Wereldoorlog, bijvoorbeeld, werden sigaretten en polshorloges als typisch vrouwelijk bestempeld, maar twintig jaar later gebruikte de man ze ook. Vooral in Midden Europa, waar men geschokt en geamuseerd was omdat de Amerikaanse boeren koeien melkten en kippen voerden, iets dat in Europa uitsluitend door vrouwen werd gedaan. In alle landen en in alle culturen is altijd de nadruk gelegd op het verschil tussen mannen en vrouwen, soms zelfs op walgelijke wijze.

Waarom?

In een primitieve jacht-en-vis-maatschappij kon een zich langzamer voortbewegende sekse, vaak in verwachting en gedwongen de kinderen te verzorgen, niet zo gemakkelijk jagen en vechten als de daarin getrainde man. Het kan echter best zijn dat de primitieve vrouw helemaal niet kleiner, langzamer en zwakker was. Misschien was de vrouw een uitstekend jager geworden wanneer ze niet gedwongen was het huishouden te doen. Er zijn trouwens voorbeelden te over van kleinere, tragere en zwakkere mannen, die thuis de zwangere en kinder-verzorgende vrouwen hielpen.

Er is natuurlijk verschil, maar het werd uitgebuit. Dit verschil was er nog toen er allang niet meer gejaagd hoefde te worden.

Waarom?

Het ziet er naar uit dat dit verschil opzettelijk werd uitgebuit. Want de man wil zich nu eenmaal superieur voelen. In iedere groep zijn er enkelen die inderdaad superieur zijn, maar de grote massa... nee. Iedereen wil zich superieur voelen aan de ander, en iedere groep, ieder onderdeel van de grote massa, zal daar ook in slagen. Deze verschrikkelijke drijfveer is de oorzaak van slavernij, broedermoord, snobisme, racisme en seks-onderscheid. Een man die zich niet superieur voelt, wordt een duivelse gek die een zwakkere figuur inferieur zal maken. En wie komt daarvoor eerder in aanmerking dan zijn vrouw? Maar iemand van wie hij hield, zou hij dit niet kunnen aandoen. Alleen iemand zonder liefde kan zijn andere, zo weinig van hem verschillende helft zo kwetsen, zo vernederen, kan oorlog voeren, anderen vervolgen, treiteren, moorden en stelen. De behoefte aan superioriteit mag iemand dan hoge posities bezorgen, maar het is niet ondenkbaar dat als hij diezelfde kracht had aangewend om zijn omgeving te winnen en om zichzelf te leren kennen, hij het leven zou hebben gewonnen, in plaats van uitroeiing.

En, vreemd genoeg wilde de mens toch altijd liefhebben. Hij ‘hield van’ muziek, bepaalde kleuren, wiskunde, eten... Ook seksuele liefde is liefde. Maar het is misschien juister om te zeggen dat deze liefde liefhebben is, zoals we ook zouden kunnen zeggen dat rechtvaardigheid, genade, vergevensgezindheid en generositeit liefhebben is.

Het Christendom was in eerste instantie ook liefde. Tijdens de onderdrukking van het Christendom kwamen de mensen uit hun velden, winkels en zelfs hun paleizen bij elkaar op een geheime plek — een grot, een catacombe — waar zij ongestoord bij elkaar konden zijn. Het is veelbetekenend dat op die bijeenkomsten arm en rijk bij elkaar kwamen: vrouwen en mannen. En met een afscheidskus gingen zij uit elkaar en keerden terug tot de wereld... tot hun volgende samenkomst.

De primitieve Christen heeft de godzoekende godsdienst niet uitgevonden en die is evenmin met hem verdwenen, want in de geschiedenis is deze in vele andere godsdienstige vormen opgetreden en zij hebben een ding met elkaar gemeen: een subjectieve, gezamenlijke, extatische ervaring, waarbij de vrouwen niets minder dan de mannen zijn. In feite waren al deze godsdiensten op liefde gebaseerd. En zonder uitzondering werden zij allemaal barbaars vervolgd.

Waarom?

Een objectief onderzoek (ik weet dat je niet objectief kunt zijn, Charlie, maar, alsjeblieft, probeer het!) onthult de verschrikkelijke reden. De twee belangrijkste dingen in het onderbewuste zijn de seks en religie. Vóór Christus was het gebruikelijk om die samen te binden. Het Joods-Christelijke systeem maakte daar een eind aan en dat was begrijpelijk. Bij een godzoekende godsdienst immers staat er niets tussen de aanbidder en zijn Godheid. Iemand die zich lichamelijk en geestelijk overgeeft in godsdienstige extase klieft geen doctrinaire haren, roept geen tussenkomst van tijdelijke autoriteiten in. Hij wil zijn godsdienstige extase herhalen en wanneer dit niet mogelijk is betekent dit een straf voor hem.

Hij is schuldeloos.

De godsdienstige mens moet schuldig worden en wat kwam daar beter voor in aanmerking dan seks? De mens is dan ook uniek geworden in zijn onderdrukking van seks. Seks kent maar drie mogelijkheden: bevrediging, onderdrukking of sublimering. Het laatste werd in de geschiedenis vaak een ideaal en dikwijls een succes, maar het is altijd instabiel. Normale bevrediging zoals de Grieken die kenden met hun drie soorten vrouwen, echtgenoten, hetaerae, en prostituées en tegelijkertijd volkomen aanvaarde homoseksualiteit, mag voor velen barbaars en immoreel lijken, maar blijkt een verbazingwekkende mate van geestelijke gezondheid in te houden. Een voorzichtige blik op de Middeleeuwen doet je echter schrikken: het is of je een kijkje neemt in een reusachtig gekkenhuis, zo wijd als de wereld, en duizend jaar lang. Hier zie je de gevolgen van onderdrukking. Duizenden mensen die zichzelf en elkaar van stad tot stad ranselden, op zoek naar boete voor hun extreem schuldgevoel. De mysticus Suso, in de veertiende eeuw, droeg een soort kuisheidsgordel met honderdvijftig scherpe spijkers er in, een leren harnas om zijn polsen tegen zijn hals gedrukt te houden en leren handschoenen met spijkers beslagen. Hij liet zich kwellen door luizen en vliegen en wanneer zijn wonden genazen, rukte hij ze onmiddellijk weer open. Hij lag op een houten deur met een kruis van spijkers er in en hij waste zich in geen veertig jaar. Hier zijn heiligen die de wonden van melaatsen likken — hier is de Inquisitie.

En dit alles uit liefde.

Hoe kan iets zo veranderen?

Dat is gemakkelijk aantoonbaar. Neem de onderdrukking van de Agape, het ‘liefdesfeest’ dat onvervreemdbaar eigendom van de primitieve Christenen scheen. Het werd ontluisterd door allerlei opeenvolgende verboden en het is veelbetekenend dat het afdanken van een zo belangrijke rite drie- of vierhonderd jaar heeft gekost.

Eerst werd de Eucharistie, symbool van Christus’ vlees en bloed, in de Agape geïntroduceerd. Daarna werd deze Agape beter georganiseerd. Er kwam een bisschop bij, zonder wie de Agape niet mocht plaatsvinden, want hij moest het voedsel zegenen. Wat later bleef de bisschop tijdens de maaltijd staan, afzijdig en boven de anderen natuurlijk. Daarna werd de vredeskus veranderd. De gelovigen mochten elkaar niet meer kussen, maar moesten de celebrerende priester kussen en nog wat later een stuk hout dat rondging en tenslotte bij de priester kwam. Op het laatst verviel ook de kus. In 363 werd de Eucharistieviering voldoende geacht en de Agape in de kerk verboden. Jarenlang werd de Agape buiten de kerk gehouden tot het in 692, op straffe van excommunicatie, helemaal verboden werd.

De Renaissance heeft vele vormen van de waanzin genezen, maar niet de waanzin zelf. Geestelijken bepaalden de seksuele moraal en schuld stond als een zeef tussen de mens en zijn God. Liefde stond nog steeds gelijk aan hartstocht en hartstocht aan zonde. Het was zondig wanneer een man zijn vrouw hartstochtelijk liefhad. Rome en het Protestantisme beschouwden seksuele lust als pure zonde. Zelfs in landen die geen staatsgodsdienst hadden, bleef dezelfde onderdrukking, dezelfde schuld bestaan. Seks en religie, de bedoeling van het menselijke bestaan, verloren hun betekenis en werden middelen tot een doel. De onoverbrugbare vijandschap tussen de laatste strijders was het bewijs van de identiteit van hun doel — totale overheersing, totale superioriteit.


* * *

Herb Raile gaat de kinderen welterusten zeggen. Hij knielt voor Karens bed. Davy kijkt toe. Herb kietelt haar zij, kietelt haar buik tot ze begint te gillen en bijt in haar oorlelletje. Davy kijkt toe, met grote ogen. Herb bedekt Karens hoofd met de deken en duikt weg, zodat ze hem niet meer kan zien wanneer ze de deken van haar hoofd trekt. Ze zoekt, ziet hem en giechelt opgewonden. Hij kust haar nog eens, stopt haar zachtjes in en fluistert: ‘Pappa houdt van je.’ Daarna gaat hij naar Davy, die waardig toekijkt.

Herb steekt zijn rechterhand uit en Davy legt de zijne er in. Herb schudt hem. ‘Welterusten, jongen.’ Hij laat zijn hand los. ‘Welterusten, pappa,’ zegt Davy die niet naar Herb kijkt. Herb doet het licht uit en gaat weg. Davy komt zijn bed uit, pakt zijn kussen en smijt dat zo hard mogelijk op Karens gezicht.

‘Ik begrijp niet,’ zegt Herb later wanneer alle tranen gedroogd zijn, ‘waarom hij dat nou deed.’


* * *

Wij Ledomieten zeggen het verleden vaarwel, vervolgde de cerebrostilus. Het enige wat wij uit het verleden willen overhouden is naakte en essentiële menselijkheid.

De speciale omstandigheden waarin wij geboren werden, maakt dat mogelijk. Wij komen van een naamloze berg en wij zijn, evenals alle andere soorten, uniek en vergankelijk. Onze vergankelijkheid is onze voornaamste toewijding. Vergankelijkheid is beweging, dynamiek, verandering, evolutie, mutatie, is leven.

De speciale omstandigheden van onze geboorte omvatten het gezegende feit dat in onze kiem geen indoctrinatie aanwezig is. Had de homo sap. het verstand gehad (hij had de macht) dan zou hij al zijn vergiften en gevaren in één generatie hebben uitgebannen. Had homo sap. het verlangen gehad (hij had verstand en macht genoeg) om een godzoekende godsdienst en een daarmee harmoniërende cultuur te vestigen, dan zou hij tezijnertijd zijn schone generaties gehad hebben.

Homo sap. beweerde een formule te zoeken die een eind aan al zijn rampen zou maken. Dit is de formule: een godzoekende godsdienst en een overeenstemmende cultuur. De Apostelen van Jezus hebben die gevonden. Vóór hen de Grieken en daarvoor de oude Kretenzers. Daarna de Catharen, de Quakers en de Angel Dancers. Zowel in de Oriënt als in Afrika werd deze formule herhaaldelijk gevonden — en telkens weer raakte het alleen die mensen die er direct door bewogen werden. Mensen — of althans degenen die anderen leidden — merkten altijd weer dat deze godsdienst geen doctrines verdraagt. Maar zonder doctrines zijn mensen machteloos — dat wil zeggen niet superieur. Aan het onafhankelijk zoeken naar God valt niets te verdienen.

Behalve, natuurlijk, kennis van de ziel en eeuwigdurend leven. Een patriarchaal volk met een patriarchale cultuur heeft een patriarchale godsdienst: een mannelijke godheid, een autoritaire schrift, een sterk centraal gezag, een onderdrukt seksueel gedragspatroon, een sterk conservatisme (want men mag niet veranderen wat Vader heeft opgebouwd), een scherpe scheiding tussen de seksen in gedrag en kleding en een diepe afkeer van homoseksualiteit. Matriarchale volkeren met matriarchale culturen hebben matriarchale godsdiensten: een vrouwelijke god, door priesteressen gediend, een vrij bestuur, grote tolerantie inzake experimenteel denken, een toegevende houding inzake seks, een vaag onderscheid tussen de seksen en een afkeer van incest.

Een patriarchale cultuur probeert altijd anderen te domineren. De andere niet. Soms komt deze in opstand, en meestal wordt zij gedood. De patriarchalen vergiftigen zichzelf. De andere neigt naar verval, een andere vorm van vergif. Soms ontmoet je iemand die gelijkelijk door zijn vader en door zijn moeder is beïnvloed en waarin het beste van deze twee wedijveren. Maar meestal zijn mensen of het een of het ander, en dat is een gevaarlijke zaak.

In Ledom komt dit niet voor.

Wij zijn vrij in kunsten en wetenschap. In sommige dingen zijn wij onwrikbaar conservatief: in onze overtuiging nooit de bedrevenheid van hand en land te mogen vergeten. Wij voeden onze kinderen op zonder moeder- of vaderbeeld maar met het beeld van de ouders en onze godheid is het Kind. Wij doen afstand van het verleden. Wij hebben alleen onszelf. Toch weten we dat er veel schoons was, maar dat is de prijs die wij betalen voor quarantaine en gezondheid, de muur tussen ons en de dode hand. Dit is het enige taboe dat wij kennen.

Want, evenals de homo sap. werden wij uit de aarde en uit de wezens op aarde geboren. Wij werden geboren uit half-beesten, half-wilden — homo sap. baarde ons. Zoals homo sap. weten wij niet uit wie we voortkwamen, hoewel wij de bewijzen van vele mogelijkheden hebben. Onze voorouders bouwden een nest voor ons en zorgden voor ons tot wij konden uitvliegen, maar wij mochten hen niet kennen, want, in tegenstelling tot de meeste mensen, kenden zij zichzelf wel en daarom wilden zij niet vereerd en aanbeden worden. En niemand, behalve zij en de moeders, kenden ons, wisten dat wij hier waren, iets nieuws op aarde. Zij wilden ons niet aan homo sap. verraden, want wij waren anders en diep in zijn hart gelooft homo sap. dat alles wat anders is gevaarlijk is en daarom vernietigd moet worden.

Vooral ook wanneer een ras in menselijk en technisch opzicht verder blijkt te zijn. (Denk aan de Sputnik, Charlie. Je reactie?) maar zeker wanneer de seksuele activiteiten buiten de gewone normen vallen. Want dit is de sleutel tot alle onredelijkheid, van jaloezie tot woede. In een kannibalistische maatschappij is het immoreel om geen mensenvlees te eten.


Het knopje zei klik! en Charlie keek in Philos’ sardonisch lachende ogen. ‘Wel, allemachtig!’ zei hij ontzet.


* * *

‘Wordt er niet gekegeld vanavond, liefje?’

‘Nee, liefje. Ik heb Tillie afgezegd. Zij was blij en ik was blij.’

‘Hebben de meisjes ruzie?’

‘Natuurlijk niet, liefje! Maar... Tillie is op het ogenblik erg overgevoelig. Zij weet het en ze weet dat ik het weet. Ze gaat liever niet kegelen dan met mij woorden te krijgen en ze weet dat dat onvermijdelijk is.’

‘Het klinkt of die prostaatgeschiedenis weer aan de orde is.’

‘Je kletst. Ze heeft bovendien geen prostaat.’

‘Ze heeft Smitty’s prostaat niet. Dat is de ellende.’

‘Misschien. Je zoekt weer schandaaltjes.’

‘Seks... Net broeken.’

‘Wat? O, liefje! Nu word je weer filosofisch! Vooruit, zeg het maar!’

‘Helemaal niet filosofisch. Meer... het heeft iets met fabels te maken.’

‘Fabuleus.’

‘Ik ben dus fabuleus. Seks is net een broek. Goed. Ik loop de straat uit en ga sigaretten kopen. Ik kom terug, zie een heleboel mensen, maar niemand ziet mij.’

‘Iedereen ziet je, jij grote, mooie...’

‘Wacht even! Niemand ziet me werkelijk. Ik kom terug en vraag al die mensen die ik ben tegengekomen of ze me gezien hebben. De een zegt nee, de ander ja. Vraag nou eens wat voor broek ik aan had. Een grijze, een blauwe, een gestreepte.’

‘Wat heeft dat nou met seks te maken!’

‘Wacht nou even! Nu ga ik zonder broek sigaretten halen.’

‘Zonder...’

‘Wie zou het merken?’

‘Je zou niet verder dan de hoek komen. Probeer het niet, liefje!’

‘Iedereen ziet het. Inderdaad. En dat is seks! Je kunt aantrekken wat je wilt, maar als je niks aan hebt... jonge, jonge... Ze kunnen nergens anders over denken. Tillie evenmin.’

‘Hoe kom je daar nou bij?’

‘Ik bedoel: ze wil niet gaan kegelen omdat ze te onrustig is.’

‘Ik denk dat je gelijk hebt. Maar zeg dat nou niet over die broek, anders denkt iedereen dat Tillie geen broek aan heeft.’ Jeanette laat een schriklachje horen. ‘Wat een idee!’


* * *

In de hal kwamen ze Mielwis tegen: ‘Hoe gaat het, Charlie Johns?’

‘Uitstekend,’ antwoordde Charlie. ‘Ledom is het mooiste dat ik ooit gezien heb...’

‘Ben je het met onze ideeën eens?’

‘Als je ze eenmaal begrijpt... ja! Het is jammer dat jullie je ideeën niet verder uitdragen.’

Mielwis en Philos wisselden een blik. ‘Nee,’ zei Philos, ‘Zover is het nog niet.’

‘Zou het lang duren?’

‘Ik geloof dat we eens naar de Rand gaan,’ zei Philos. ‘Alleen Charlie en ik.’

‘Waarom?’ vroeg Mielwis.

Philos lachte. Zijn donkere ogen schitterden: ‘Het kost een tijd, om terug te komen.’

Mielwis lachte ook en knikte. ‘Ik ben blij dat onze ideeën je aanstaan, Charlie,’ zei hij. ‘Ik hoop dat dit zo blijft.’

‘Wat krijgen we nu?’ vroeg Charlie, toen Philos en hij de gang uit liepen. Zij daalden af door een koker en kwamen op de binnenplaats.

‘Er is iets dat je nog niet weet,’ zei Philos, een kind begroetend.

‘Op de Rand?’

‘Wat ik tegen Mielwis zei,’ vervolgde Philos, die deze vraag kennelijk niet wilde beantwoorden, ‘is, dat je, als ik je de rest heb verteld, wel een lange wandeling nodig hebt om het te verwerken.’

‘Is het dan zo moeilijk?’

‘Misschien wel,’ antwoordde Philos ernstig. Zij verlieten het Gebouw Geneeskunde en gingen door het open land in een Charlie nog onbekende richting.

‘Ik mis de duisternis,’ zei Charlie, terwijl hij naar de zilveren lucht keek. ‘En de sterren... Hoe staat het hier met astronomie, Philos? En zulke dingen als geofysica, die iets meer vergen dan olijfbomen en akkers?’

‘Als het belangrijk wordt, hebben we er genoeg over in onze cerebrostilus-blokjes. Voorlopig moet het wachten.’

‘Waarop?’

‘Op een leefbare wereld.’

‘Hoelang zal dat duren?’

Philos haalde zijn schouders op: ‘Niemand kan je dat vertellen. Seace vindt dat we elke honderd jaar een satelliet zouden moeten uitsturen om dat te controleren.’

‘Iedere honderd jaar? Maar Philos... Hoelang willen jullie hier dan ingemetseld blijven?’

‘Zolang het nodig is, Charlie. De mensheid heeft enige duizenden jaren lang de buitenkant bekeken. In onze archieven ligt veel meer materiaal over witte dwergsterren dan over de structuur van de aarde onder onze voeten. Wij moeten de dingen in evenwicht zien te brengen door een tijd naar de binnenkant inplaats van naar de buitenkant te kijken. Zoals een van jullie schrijvers zegt — Wylie, geloof ik — we weten genoeg over het object en te weinig over het subject.’

‘En al die tijd is er stilstand?’ vroeg Charlie. ‘Misschien wel tienduizend jaar!’

‘Wat betekenen tienduizend jaar in de geschiedenis van een ras?

Ze liepen een tijdje zwijgend verder door het glooiende land, tot Charlie een zacht, bijna verlegen lachje liet horen: ‘Ik ben niet gewend om zo groot te denken, vrees ik. Ik weet nog steeds niet hoe de Ledomieten begonnen.’

‘Dat weet ik,’ zei Philos nadenkend. ‘Met de eerste twee werd de waarheid doorgegeven aan een aantal zeer intelligente, ruim denkende mensen. Zoals ik je in de stilus al heb verteld, wilden zij hun identiteit verborgen houden en ik kan je de verzekering geven dat zij met de rest van de wereld nog tienmaal zo voorzichtig waren. Homo sap. zou het geen prettig idee vinden om verdrongen te worden. Waar of niet?’

‘Ik vrees dat je gelijk hebt.’

‘Zelfs als die nieuwe soort geen direkte concurrentie zou vormen,’ knikte Philos. ‘Ofschoon wij niet veel van die eerste mensen afweten, is het wel duidelijk dat zij in vele opzichten erg ontwikkeld waren. Zij ontwikkelden de eerste cerebrostilus en legden de grondslag voor het A-veld, hoewel dat waarschijnlijk pas werd aangeschakeld toen wij op onszelf waren aangewezen. Of zij tot hun dood voor ons werkten en daarna terugkeerden naar waar zij vandaan kwamen, kan ik niet zeggen. Ik weet alleen dat er een kleine kolonie van jonge Ledomieten was, die in een grote grot woonde, die op een verder ontoegankelijke vallei uitkwam. De Ledomieten hebben geen voet in die vallei gezet tot het A-veld was ontwikkeld en er een dak over de vallei kon komen.’

‘De lucht was niet radioactief ?’

‘Nee.’

‘De Ledomieten hebben dus een tijd naast homo sap. geleefd?’

‘Inderdaad. Zij konden alleen vanuit de lucht ontdekt worden. Toen het A-veld klaar was, was dat natuurlijk geen probleem meer.’

‘Hoe ziet het er uit vanuit de lucht?’

‘Als bergen, heb ik me laten vertellen.’

‘Philos... jullie lijken eigenlijk allemaal op elkaar. Zijn... waren jullie een grote familie?’

‘Ja en nee. De eerste twee Ledomieten waren geen familie van elkaar. De anderen stammen van hun af.’

Charlie dacht even na en tenslotte besloot hij de vraag die hij in zijn hoofd had niet te stellen. Inplaats daarvan vroeg hij: ‘Kun je hier weg?’

‘Niemand zou willen!’

‘Maar... kàn het?’

‘Vermoedelijk wel,’ antwoordde Philos lichtelijk geïrriteerd.

‘Hoelang zijn jullie hier al?’

‘Dat zal ik je nog wel eens vertellen.’

‘Zijn er nog meer Ledomietische nederzettingen?’ vroeg Charlie een tijdje later.

‘Nee.’

‘Is homo sap. werkelijk uitgeroeid?’

‘Onontkoombaar.’

Zij waren nu aan het eind van de vallei gekomen en beklommen de voet van een heuvel. Charlie had de indruk dat Philos opeens haast had gekregen. Hij keek onderzoekend naar de rotsen om zich heen, of hij iets zocht.

‘Waar kijk je naar?’

‘Ik zoek een plaatsje om te zitten,’ antwoordde Philos. Zij liepen tussen grote stukken gesteente door en kwamen tenslotte bij een steile helling, die gedeeltelijk uit rotsen en gedeeltelijk uit aarde bestond. Philos keek in de richting van de Gebouwen — van hieruit waren zij niet te zien — en zei op een vreemde, gespannen toon: ‘Ga zitten.’

Charlie voelde dat Philos hem iets belangrijks had te zeggen en voldeed zwijgend aan het verzoek.

‘Hier... hier heb ik mijn gezel, Froure verloren,’ zei Philos.

Charlie, die Nasive had beloofd niets te zullen laten blijken, zweeg.

‘Het is lang geleden,’ vertelde Philos. ‘Ik had juist de geschiedenisopdracht gekregen. Het ging er om te zien of het inderdaad zo’n vergiftigende uitwerking zou hebben als sommigen vreesden. Vooral degenen die met ons in de Eerste Grot werkten. Zij waren er van overtuigd dat wij alle banden met homo sap. moesten verbreken, al zou ons dit hun cultuur kosten. Ik was al zover met mijn onderzoek gekomen als jij nu met dat van Ledom, al was mijn kennis ook gedetailleerder. Froure en ik waren pas kort getrouwd en mijn werk kostte mij zeer veel tijd. Ik dacht dan ook dat het prettig zou zijn als Froure en ik eens een lange wandeling konden maken om een beetje te praten, om samen te kunnen zijn. Wij waren allebei in verwachting. Wij zaten hier op deze plek en plotseling...’ Philos slikte en vervolgde, ‘plotseling opende de grond zich. Anders kan ik het niet uitdrukken. Froure viel naar beneden en ik sprong hem na... Vier dagen later werd ik uitgegraven. Froure werd nooit teruggevonden. Ik verloor allebei mijn babies... de enige die ik ooit zal hebben, vrees ik.’

‘Maar je kunt toch...’

‘Maar ik kan toch niet,’ viel Philos in de rede. Hij keek Charlie ernstig aan en zei: ‘Ik ben erg op je gesteld, Charlie Johns. Ik vertrouw je. En daarom wil ik je laten zien waarom ik onmogelijk kan trouwen. Maar je mag er met geen woord over spreken. Tegen niemand.’

‘Ik beloof het je.’

Philos keek hem aan en bracht zijn handen bij elkaar. De spiegel sprong op. Hij legde de ring op de grond, ging achteruit en gaf een ruk aan de rand van een plat rotsblok. De steen verschoof en Charlie zag een gat. De spiegel bood een uitstekende camouflage voor het geval er iemand uit de Gebouwen zou komen. Philos liet zich in het gat zakken, wenkte Charlie en verdween uit het gezicht.

Charlie volgde met stomheid geslagen.


* * *

Dertig mensen in de kamer is een beetje veel, maar niemand maakt zich daar druk over. De predikant is een goed mens. Ja, een goed mens, denkt Herb. En in de oude zin van het woord. Toen Bill Flester nog legerpredikant was, waren ook de ongelovigen het daar mee eens. Hij heeft heldere ogen, witte tanden, en ijzergrijs, kortgeknipt haar en een jong, blozend gezicht. Zijn kleren zijn sober, maar zien er niet uit of hij naar een begrafenis moet. Zijn smalle das en smalle revers spreken voor zichzelf. Hij heeft net een zin uitgesproken, die klinkt als een tekst voor een preek, maar het is geen Bijbeltekst: ‘Er is altijd een weg, als je er maar op kan komen.’ De buren luisteren aandachtig. Jeanette kijkt naar zijn tanden en Tillie naar zijn brede schouders. Smitty zit op een theetafel en trekt zijn onderlip naar beneden en bij hem wil dat zeggen: ‘Die knaap heeft iets.’

‘Onze Joodse vrienden hebben hun mooie kleine tempel aan de Forsythia Drive gebouwd en aan de overkant hebben onze katholieke vrienden die aardige kapel van baksteen gebouwd,’ vervolgt Flester. ‘Ik heb een klein onderzoek ingesteld en ben tot de ontdekking gekomen, dat hier in de omgeving tweeëntwintig verschillende Protestantse kerken staan. En wat doen de kruideniers: zij centraliseren! Ik geloof dat we iets van hun kunnen leren. Ook een kerk moet efficiënt zijn en op de kleintjes letten. In een nieuwe situatie, moet je een nieuwe manier van zaken doen zien te vinden. Net als het winkelen per TV, waar in de krant op het ogenblik zoveel over gesproken wordt. Wij zijn allemaal Protestant en wij hebben hier vlakbij een grote, mooie kerk nodig. Het enige wat ons hierbij misschien in de weg staat, is een kwestie van doctrine. Ik weet dat er velen zijn die dit zeer ernstig nemen en, laten we eerlijk zijn, daar zijn al vele misverstanden over ontstaan.

Wanneer wij onze kerken verenigen geef jij wat, geef ik wat en we komen samen. Vele mensen zullen het zo voelen: een compromis betekent dat iedereen iets verliest. Maar dat willen we niet! Er moet een manier zijn om te centraliseren, waarbij niemand iets verliest en iedereen iets wint. Er is altijd een weg, als je er maar op kan komen.

Ik denk nu aan een kleine groep afgevaardigden van alle kerken, die zich inspannen voor het idee: een kerk voor allen. Dan gaan wij als het ware naar Gods supermarkt en nemen wij wat we nodig hebben. Ik wil u een voorbeeld geven: als een van de dames hier levenslang het merk Del Monte is trouw gebleven, hoeft zij daar geen geheim van te maken. Ik wil geen jongen huren om de merken te verwijderen. Ik wil dat u koopt wat u gewend bent en dat u daar tevreden mee bent. Geen ruzie dus met de markt of andere klanten. Men koopt wat men wil: het staat in de winkel.

Niemand hoeft thuis te komen zonder hetgeen hij werkelijk nodig heeft. Als u uw kinderen door onderdompeling wilt laten dopen, zal ons doopvont groot genoeg zijn. U kunt zelfs een altaar met kaarsen krijgen. De zondag is lang genoeg voor diensten met en diensten zonder kaarsen. De kandelaars kunnen telescopisch zijn. Schilderijen en versieringen? Breng ze zo aan dat ze veranderd of verwijderd kunnen worden.

Ik wil niet in bijzonderheden treden. Het is ùw kerk, die wij op ùw manier zullen bouwen. Zolang wij maar geleid worden door een dienende gedachte — en dat betekent, dat wij niemand kwetsen. Er zijn meer gelijke wegen om uw god lief te hebben dan verschillende wegen. En het wordt hoog tijd dat wij ons verenigen in een zelfbedieningssysteem met voldoende parkeerruimte en een prettige speelruimte voor de kinderen.’

Iedereen applaudisseert.


* * *

Philos drukte zijn schouder tegen de steen, zodat hij omhoog ging en de opening afsloot. Een ogenblik was het aardedonker. Er werd een soort geschuifel hoorbaar en Philos groef een stuk materiaal op dat een koude weerschijn had en zette het in een kloof. ‘Er is nog een belangrijk ding in Ledom dat je leren moet,’ zei Philos. ‘Maar op een lelijke manier. Toch is er geen betere. Trek dit aan.’ Uit een verborgen hol trok hij een jas die hij aan Charlie gaf. Hijzelf trok er ook een aan. ‘Froure viel dus naar beneden,’ vervolgde hij. ‘En ik sprong hem achterna en toen Froure mij uitgroef — hij had een gebroken voet en vier gebroken ribben — zaten we hier. Dit is wat de geologen een schoorsteen noemen. Hij was toen niet zo schoon als nu. Uitgraven was onmogelijk. We gingen naar binnen.’

Hij passeerde Charlie en verdween in de zwarte schaduw van een hoek. Charlie volgde hem en ontdekte dat die zwarte plek een gat was, een tunnelingang. Philos nam zijn hand. Charlie vervloekte de jas die veel te warm was, maar Philos zei dat hij hem moest aanhouden. Charlie kwam glijdend en struikelend achter hem aan. ‘Eerst,’ vertelde Philos en Charlie merkte dat het ophalen van deze herinneringen hem pijn deed, ‘kwamen we in een gewelf onder de grond. Froure had kans gezien om wat licht te maken en ik voelde dat het mis ging. Ik raakte mijn beide kinderen kwijt. Het duurde meer dan drie uur. Ze waren ongeveer zes en een halve maand oud. Het waren gezonde baby’s. Er ontbrak niets aan, alleen... mijn kinderen waren van jouw soort: homo sap. kinderen.’

Wat!

Philos bleef staan en weer hoorde Charlie in de duisternis een soort geschuifel. Opnieuw haalde Philos uit het puin een blok weerschijnend materiaal zodat ze enig licht hadden. Zij waren in een enigszins gewelfde grot en Philos zei: ‘Hier gebeurde het. Froure probeerde ze voor mij te verbergen. Ik word... opgewonden als iemand iets voor me verborgen wil houden. We zochten de omgeving af. De heuvel was bezaaid met dit soort schoorstenen. Nu niet meer, overigens. We vonden een uitweg — maar het was een weg die dwars door de heuvel liep en aan de andere kant van de ‘hemel’ uitkwam. Ik voelde me gekwetst, verdrietig, en ook een beetje boos. Froure eveneens. We kregen een krankzinnig idee. Froures voet en ribben waren pijnlijk maar niet gevaarlijk. In Ledom betekent pijn niet veel. Mijn ‘verwondingen’ waren erger en tenslotte kwamen we overeen dat ik zou teruggaan en Froure voor een tijdje zou... verdwijnen.’

‘Waarom?’

‘Het was een probleem voor me. Ik had twee baby’s verloren en zij bleken homo sap. te zijn. Lag dat aan mij? Ik was bang voor het antwoord. Het liefst was ik met Froure weggegaan om er, ver buiten Ledom, over na te denken. Ik zou dus teruggaan en Froure zou blijven. Ik klom door een van de schoorstenen naar buiten en we arrangeerden een andere rotsverschuiving waarbij ik werd gevonden maar Froure natuurlijk niet. We hadden die tweede rotsverschuiving alleen wat al te goed gedaan, want ik werd opnieuw gewond en het duurde lange tijd voor ik weer op de been was. Toen ik eindelijk weer naar Froure kon, was het natuurlijk al te laat: Froure had in zijn eentje twee babies ter wereld gebracht waarvan er een was gestorven. Maar... ook zijn baby’s waren homo saps. Wij begonnen te begrijpen dat een kind in Geneeskunde geboren moest worden om een Ledomiet te worden. Klinkt jou dat als een mutatie in de oren?’

‘Dat doet het bepaald niet!’

‘Er is helemaal geen mutatie, Charlie, en dat is wat Mielwis je wilde laten weten. En Froure leeft nog en woont hier, evenals mijn homo sap. kind, en dat is wat ik je wilde laten weten.’

Het was teveel — veel te veel — voor Charlie Johns om in een keer te verwerken. ‘Mielwis weet niet dat jou dit is overkomen.’

‘Dat klopt.’

‘Froure... is hier, in leven?’ (Maar Nasive had gezegd dat de rotsverschuiving jaren geleden was geweest!)

‘Hoe lang geleden, Philos?’

‘Jaren. Soutin — het kind — hij is bijna even groot als jij.’

‘Maar... waarom snijden jullie je van alles af?’ vroeg Charlie, overdonderd door dit verhaal.

‘Zo gauw ik kon begon ik mij in alles en iedereen in Ledom te verdiepen. Ik begon mij dingen af te vragen die nog nooit in mijn hoofd waren opgekomen. De Ledomieten zijn open en eerlijk — dat weet je — maar ze zijn menselijk en hebben behoefte aan privacy. Misschien dat dit de manier is om die te krijgen — zij beantwoorden vragen, maar praten niet uit zichzelf. Er zijn geheimen zowel in Geneeskunde als in Wetenschap. Niet in die dwaze politieke zin, zoals bij jullie. Maar er zijn dingen waar men zich eenvoudig niet in verdiept. Zo zal niemand zich afvragen waarom onze baby’s een maand in afzondering blijven voor iemand ze te zien krijgt. Het was ook maar per ongeluk dat ik de Controlepersoon heb ontdekt.’

‘Wat is de Controlepersoon?’

‘Een in de Geneeskunde verstopt kind. Een homo sap., die kunstmatig in slaap wordt gehouden. Een soort controle om hun werk aan te toetsen. Je ziet dus dat onze drie dode baby’s en Soutin niet de enige homo saps. zijn die hier geboren werden. Toen ik de Controlepersoon ontdekte, besloten wij Soutin te verbergen, hetgeen natuurlijk impliceerde dat Froure bij hem moest blijven. Soutin zag er nogal gek uit toen hij werd geboren. Neem me niet kwalijk Charlie, maar voor ons zag hij er gek uit. Maar we hielden van hem. En we zijn steeds meer van hem gaan houden. Mielwis zal hem nooit krijgen.’

‘Maar wat gebeurt er dan met hem?’

‘Dat hangt van jou af, Charlie!’

‘Van mij?’

‘Wil je hem mee terug nemen?’

Charlie staarde naar het levendige, gevoelige gezicht in het zilverige licht. Hij dacht aan de tragische situatie van deze twee gelieven, aan de liefde die zij voor hun kind hadden. Hij dacht ook aan het kind zelf, begraven als een mol. Hoe kon hij het mee terugnemen naar zijn eigen tijd? Een kind dat de taal niet sprak, de gebruiken niet kende! Dat was erger dan alles wat Mielwis kon ondernemen. Hij wilde zijn hoofd al schudden, maar opeens zag hij het gespannen gezicht van Philos. Seace en Mielwis zouden iets dergelijks nooit toestaan. (Maar herinner, herinner je? Hij kende de werking van de machine, herinner je?) ‘Kun je ons in de tijdmachine krijgen zonder dat iemand het merkt, Philos?’

‘Als het moet wel, ja.’

‘Dan neem ik hem mee terug.’

Wat Philos zei was misschien niets bijzonders. Maar de manier waarop hij het zei was de grootste beloning die Charlie Johns ooit had gekregen. Met stralende ogen fluisterde Philos: ‘Laten we het Froure en Soutin gaan vertellen.’

Philos deed zijn jas dicht en gaf Charlie een teken hetzelfde te doen. Daarna legde hij beide handen, boven elkaar, op de muur aan de overkant. Zijn vingers zonken weg in verborgen steunen en hij trok. Een deel van de rots, manshoog, draaide de kamer in. Charlie voelde de koude lucht langs zijn gezicht strijken. ‘Een soort luchtsluis. We zijn nu al aan de andere kant van de hemel,’ verklaarde Philos. ‘Ik moet deze tunnel sluiten, want een constant luchtverlies zou op het drukstation argwaan kunnen wekken.’ Voor het eerst begreep Charlie dat de warme frisse lucht in Ledom door een drukstation geregeld werd.

‘Is het winter?’

‘Nee, maar we zitten erg hoog. Ik ga eerst en wacht op je.’

Hij stapte in het wigvormige kamertje en drukte tegen de binnenmuur. Het kamertje draaide rond en kwam even later leeg terug. Ook Charlie stapte in en drukte. Het leek of hij bijna tegelijkertijd, onder de sterren, op een heuveltop stond. Het was zo koud dat hij naar adem snakte. In het heldere licht van de sterren renden zij de heuvel af. Voor een rotswand, beneden, bleven ze staan. Philos deed een deur open en zij voelden een warme wind. Zij gingen naar binnen en de wind sloot de deur. Daarna opende Philos een tweede deur en in een lange ruime kamer met een echt houtvuur, kwam Froure blij en gelukkig op hun toe rennen. Soutin rende achter hem aan. Charlie Johns had het gevoel of de grond zich onder hem opende en hij stamelde een woord: ‘Laura.’


* * *

‘Als je soms om je heen kijkt, word je gewoon bang,’ zegt Herb.

Jeanette zit popcorn te verven, zodat Davy er een Indianenketting van kan maken. Davy is pas vijf, maar hij kan goed met naald en draad overweg. ‘Kijk dan niet. Waar kijk je naar?’

‘Naar de radio. Luister nou eens.’ Een klagende stem jammert een lied. ‘Wie is dat?’

‘Weet ik veel,’ antwoordt Jeanette licht geïrriteerd. ‘Ik kan me niet druk maken over al die groepjes. Ze klinken allemaal hetzelfde.’

‘Luister nou eens! Wie is dat?’

Ze gaat verder met het paars verven van de popcorn en raadt: ‘Die jongen met dat uitgemergelde gezicht die we gisteren op de televisie gezien hebben.’

‘Nee!’ zegt hij triomfantelijk. ‘Luister nou eens goed. Dat was een man, type jongen. Dit is een vrouw, type meisje.’

‘Welnee.’ Ze luistert een tijdje, geeft dan toe: ‘Je hebt gelijk, ja.’

‘Ik weet dat ik gelijk heb en dat benauwt me.’ Herb slaat op het tijdschrift dat hij heeft zitten lezen. ‘Weet je wat de cartoonist Al Capp zegt? Dat je binnenkort op tijdschriftfoto’s niet meer kunt zien of iemand een vrouw of een man is. De knapste is de man. En terwijl ik dat zit te lezen, hoor ik op de radio een meisje met een jongensstem zingen.’

‘En dat benauwt je?’

‘Je moet toegeven dat het verwarrend is. Als we zo doorgaan komt er een mutatie, en dan zie je binnenkort helemaal geen verschil meer.’

‘Dat kan toch niet!’

‘Ik weet het zeker. We krijgen nog eens een tweevoudig type, een dubbel-seks-mens.’

‘Je overdrijft weer, Herb.’

‘Heb jij dan niet het gevoel dat er een soort kracht is die vrouwen in mannen probeert te veranderen en andersom? Het zijn niet alleen die zangers. Kijk eens naar Rusland. En naar Rood China! De vrouwen dragen daar overalls en werken als paarden. Het is de andere kant van die plaat die we net gehoord hebben.’

‘O nee,’ zegt Jeanette, terwijl ze verder gaat met popcorn verven. ‘De andere kant is Stardust.’


* * *

‘Je zei Laura en...’

Charlie keek naar de balkenzoldering. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij zwakjes. ‘Ik denk dat ik wat slaap te kort ben gekomen.’

‘Wat is een Laura?’

Charlie keek naar de Ledomiet met zijn donkerblonde haren, zijn grijze ogen en fijn gevormde lippen. ‘Laura was mijn geliefde,’ zei hij vermoeid. ‘Jij moet Froure zijn.’ Ze keken elkaar aan.

Naast, net niet achter, de pilaar stond Soutin. Een gezicht, een mooi gezicht, dat jongensachtig noch te knap was. Nee, het was Laura niet. Zij had alleen Laura’s haar.

Zij.

‘Dit is Soutin,’ zei Philos. Hij..’

‘Hij?’ herhaalde Charlie perplex.

‘Ja, natuurlijk. Wat moet ik anders zeggen?’

Ja, dacht Charlie. Hij had gelijk. In hun taal bestond het onderscheid tussen vrouwelijk en mannelijk niet. Iedereen was ‘het’, maar dit was door Charlie automatisch vertaald in ‘hij’.

‘Je hebt net zulk haar als Laura,’ zei hij tegen het meisje.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zei ze verlegen.

Er was geen tijd voor Charlie om te slapen. Zij lieten hem wat rusten en gaven hem te eten. Philos en Froure liepen door het huis. De onderkant was ondergronds en de bovenkant stond op de rand voor een plateau, ontoegankelijk voor alles dat geen vleugels had. Achter het huis waren bossen en weilanden waar Soutin met pijl en boog herten had geschoten. Philos en Froure huilden. Zij wisten dat zij dit huis nooit zouden terugzien. Charlie vroeg zich af wat er gebeuren zou als hij Soutin eenmaal had meegenomen. Wat stond er op verraad? Hij kon het niet vragen. In hun taal bestonden geen begrippen als straf en wraak.

Zij verlieten het huis, beklommen de heuvel en gingen de luchtsluis in. Zij begroeven het lichtblok. Nadat zij via de tunnel boven in de schoorsteen waren gekomen, begroeven ze het andere blok. Ze trokken hun jassen uit en verborgen ze. Daarna kwamen ze in het groene Ledomietische land onder de zilveren lucht. Langzaam liepen ze naar de gebouwen, twee aan twee, als geliefden.

Bij het Gebouw Geneeskunde voegde Froure zich bij hun en liep Philos voorop. Ze durfden niet het risico te nemen samen gezien te worden.

‘Wees maar niet bang,’ fluisterde Charlie tegen Soutin toen ze bij de ondergrondse kwamen. Hij sloeg zijn arm om haar heen en zij drukte haar hoofd tegen zijn schouder. Doodsbleek en met op elkaar geklemde lippen wachtte ze af. Ze knelde haar vingers angstig om Charlies hand. Maar op het moment dat ze de beweging van de onzichtbare lift voelde, ontspande ze zich en begon te lachen. Ze waren in het Gebouw. Charlie had nog steeds zijn hand om haar heen geslagen en ze liepen het doodstille laboratorium in. Seace kon hier op dit moment niet zijn, hield Charlie zich angstig voor.

Maar hij was er wel. Plotseling zagen zij hem van achter enkele hoge instrumenten tevoorschijn komen. Hij keek hen strak, ernstig aan.

‘Wat doe je hier op dit vreemde uur, Philos?’

Philos, doodsbleek, deed zijn mond open, maar op hetzelfde moment gilde Froure: ‘Seace!’

Seace had Froure niet gezien of de reeds lang dood gewaande Ledomiet niet willen zien. Hij draaide zich om alsof hij deze interruptie ongedaan wilde maken, maar opeens keek hij in Froures vriendelijk lachend gezicht. Froure bracht zijn handen bij elkaar en de spiegel sprong op. Seace keek in zijn eigen minachtende blik.

‘Haal die spiegel weg, Froure,’ zei hij razend. ‘Jij bent Froure toch?’

Hijgend liep hij op de spiegel toe. Philos trok Froure terzijde en pakte de ring. Hij bleef Seace de spiegel voorhouden alsof hij hem hypnotiseren wilde, liep er de kamer mee door.

En al die tijd was Charlie Johns met de wijzers van de tijdmachine bezig. Hij duwde Soutin door de deuropening en vloog haar achterna. Het laatst wat hij zag was hoe Seace Froure opzij duwde en op de tijdmachine af vloog. Toen sloeg de deur dicht.

Charlie en Soutin konden zich niet verroeren van schrik.

Toen knielde Charlie bij het bevende meisje en legde zijn arm om haar heen.

‘Ik wilde nog afscheid nemen,’ fluisterde ze.

‘Ja,’ zei hij zachtjes. ‘Ja... Alles komt goed... alles...’ Hij streelde haar haar. Plotseling — misschien was het een reactie — begon hij te lachen: ‘Kijk eens naar ons!’

Ze deed het. Ze keek naar hem, naar zichzelf, bang, doodsbang. ‘Ik dacht hoe krankzinnig het is als we in deze Superman-kleren straks op de trap zitten.’

‘Ik weet niet wat ik doen moet. Ik...’ Ze trok aan haar zijden sporran. ‘Dit,’ bekende ze met de moed der wanhoop. ‘Dit is niet echt... Denk je, dat ze, waar we heen gaan, zullen weten...’

Hij hield op met lachen: ‘Nee, ze weten van niets.’

‘Ik ben zo bang,’ fluisterde ze.

‘Je hoeft nooit meer bang te zijn,’ verzekerde hij haar. En ik ook niet, dacht hij. Philos zou haar nooit hebben teruggestuurd als de mensheid de lont ging aansteken. Of... wel? Zou hij het voor haar belangrijk vinden om een jaar tussen haar eigen soort te leven, ook al moest ze dat met de dood bekopen?

Hij wou dat hij het Philos kon vragen.

‘Hoelang duurt het?’

Hij keek naar de deur. ‘Ik weet het niet. Seace zei dat het ogenblikkelijk ging. Ik denk dat de deur niet opengaat zolang de machine...’ Hij wilde ‘werkt’ zeggen en daarna ‘reist’ en daarna ‘beweegt’, maar al deze woorden leken verkeerd. ‘Ik denk dat we er zijn als de deur opengaat.’

‘Probeer het eens.’

‘Goed,’ zei hij, maar hij verroerde zich niet.

‘Niet bang zijn,’ zei ze.

Charlie Johns stak zijn hand uit en deed de deur open.


* * *

‘God zegen mamma en pappa en oma Sal en oma Felix en Davy en,’ zegt Karen.

‘Ga verder, liefje. Wie nog meer?’

‘En God zegen God. Amen.’

‘Dat is erg lief van je, schat. Maar waarom?’

‘Ik laat iedereen zegenen die lief voor me is,’ antwoordt Karen met slaperige oogjes. ‘Daarom.’


* * *

Een vlam van licht, een zilveren vlam, een zilver vlammend licht dat reikte tot het Gebouw Geneeskunde.

‘Je hebt iets vergeten,’ zei een stem. Mielwis.

Charlie hoorde een geluid achter zich. ‘Blijf waar je bent!’ riep hij, maar Soutin kwam al uit de machine en rende langs Mielwis, Grocid, Nasive en Seace naar Philos en Froure die roerloos naast elkaar op de grond lagen. Een ogenblik was alleen Soutins hijgende ademhaling te horen.

‘Als je ze vermoord hebt,’ zei Charlie tenslotte en zijn stem was verwrongen van haat, ‘heb je hun kind ook gedood.’

Er kwam geen commentaar. Mielwis zei zachtjes: ‘En?’ Charlie begreep dat hij op zijn eerste opmerking doelde.

‘Ik heb niets vergeten. Ik heb met Philos afgesproken dat hij je rapport zou uitbrengen.’

‘Daar is hij niet toe in staat.’

‘Dat is jouw schuld. Hoe staat het met jullie deel van de afspraak?’

‘Wij houden ons aan de afspraak.’

‘Kom die dan na!’

‘Eerst willen wij je indrukken over Ledom weten.’

‘Jullie zijn de grootste smeerlappen die ik ooit ontmoet heb!’

Er klonk een soort geritsel, geen geluid maar beweging.

‘Je bent wel van mening veranderd, Charlie Johns! Hoe komt dat?’

‘Door de waarheid.’

‘Welke waarheid?’

‘Dat er geen mutatie is.’

‘Maakt het zo’n verschil dat wij er zelf de hand in hebben? Waarom is wat wij hebben gedaan voor jou erger dan een genetisch ongelukje?’

‘Het erge is dat jullie het zelf veroorzaken.’ Charlie haalde diep adem, en spoog bijna toen hij zei: ‘Philos heeft me verteld dat jullie volk oud is. Waarom het slecht is wat jullie doen? Mannen die met mannen trouwen. Incest, perversiteiten, er is geen rottigheid die jullie niet bedrijven.’

‘Denk je,’ zei Mielwis hoffelijk, ‘dat jouw houding een uitzondering is, of zou de meerderheid van de mensen zo denken?’

‘Ongeveer tweehonderd procent zou dezelfde mening hebben,’ gromde Charlie.

‘Maar als het een mutatie was geweest gingen we vrijuit.’

‘Een mutatie zou natuurlijk zijn geweest. Dat kan je van jullie niet zeggen.’

‘Jawel! Net zo goed als homo sap! Zijn er graden van natuurlijkheid? Wat is er natuurlijker aan een of ander kosmisch deeltje dat de genen verandert dan aan de macht van de menselijke geest?’

‘De kosmische stralen gehoorzamen aan de natuurwetten. Jullie schaffen ze af.’

‘Dat heeft homo sap. gedaan,’ antwoordde Mielwis rustig. ‘Wat zou homo sap. doen, denk je, wanneer wij de wereld met hem zouden delen en hij onze geheimen kende?’

‘Jullie tot de laatste perverseling uitroeien, en die op de kermis zetten,’ antwoordde Charlie ijskoud. ‘Verder zeg ik er geen woord meer over. Laat me er uit.’

Mielwis zuchtte en Nasive zei opeens: ‘Je hebt gelijk gehad, Mielwis.’

‘Nasive ging er van uit dat wij onszelf, ons A-veld en de cerebrostilus met homo sap. zouden kunnen delen. Maar ik geloof dat je gelijk hebt en dat jullie ons veld als wapen zouden gebruiken en de ‘stilus om de menselijke geest ondergeschikt te maken.’

‘Dat zouden we misschien doen, om jullie van de aarde te vagen. Zet nu die tijdmachine aan.’

‘Er is helemaal geen tijdmachine.’

Charlie voelde zijn knieën knikken. Hij draaide zich om en keek naar de zilveren lucht.

‘Jij beweerde dat het een tijdmachine was. Wij niet. Jij zei het tegen Philos en... hij geloofde je.’

‘Seace-’

‘Seace heeft het in scène gezet. Een horloge met omgekeerde wijzers. Een boekje lucifers. Maar jij was het die geloofde wat je wilde geloven. Dat doen jullie homo saps allemaal.’

‘Je zei dat je me terug zou sturen!’

‘We zouden je terugbrengen naar je oorspronkelijke staat, en dat gaan we doen.’

‘Jullie... jullie hebben me gebruikt!’

Mielwis knikte, bijna vrolijk.

‘Laat me eruit!’ schreeuwde Charlie. ‘Ik wil Soutin meenemen. Jullie hebben het al die tijd zonder haar gedaan en...’

‘Dat lijkt me eerlijk,’ zei Grocid rustig. ‘Wanneer wil je...’

‘Nu! Nu! Nu!’

‘Uitstekend.’ Mielwis stak een hand op. Iedereen hield zijn adem in. Mielwis sprak een tweelettergrepig woord: ‘Quesbu.’

Charlie Johns sidderde van top tot teen. Langzaam bracht hij zijn handen omhoog en bedekte zijn ogen.

Even later zei Mielwis zachtjes: ‘Wie ben je?’

Charlie liet zijn handen zakken: ‘Quesbu.’

‘Schrik niet, Quesbu. Je bent jezelf weer. Wees niet bang meer.’

‘Ik dacht niet dat het mogelijk was,’ hijgde Grocid.

Seace zei zachtjes en snel: ‘Zijn eigen naam — een post-hypnotisch gebod — Hij is... Mielwis zal het uitleggen.’

‘Quesbu,’ vroeg Mielwis, ‘kun je je de gedachten van Charlie Johns nog herinneren?’

‘Vaag... heel vaag,’ zei de man die Charlie Johns geweest was. ‘Het is net een droom... een verhaal dat iemand heeft verteld...’

‘Kom hier, Quesbu.’

Vol vertrouwen, als een kind, liep Quesbu op hem toe. Mielwis pakte zijn hand en drukte een witte bol tegen zijn biceps. De bol liep leeg als een ballon. Zonder een geluid zakte Quesbu in elkaar. Mielwis ving hem op en legde hem naast Philos en Froure. Soutin keek hem angstig aan.

‘Er is niets aan de hand, kleintje,’ fluisterde Mielwis. ‘Ze rusten alleen maar. Jullie zullen gauw weer bij elkaar zijn.’

Met langzame gebaren, om haar niet af te schrikken, maar met grote zekerheid, legde hij een andere bol tegen haar bovenarm.


* * *

Jeanette vertelt Herb wat Karen heeft gezegd: Ze laat iedereen zegenen die lief voor haar is.

‘Dat doet God ook,’ zegt Herb spottend, maar zijn woorden klinken helemaal niet spottend.

‘Ik houd van je,’ zegt Jeanette.


* * *

...Eindelijk kunnen de hoofden van Ledom kalm onder elkaar overleggen.

‘Bestond Charlie Johns echt?’ vroeg Nasive.

‘Ja zeker.’

‘Het... is geen prettige zaak,’ zegt Nasive. ‘Toen ik besloot om alles met homo sap. te delen, waren dat eigenlijk allemaal woorden... woorden.’

Hij zuchtte. ‘Ik mocht hem graag. Hij begreep alles zo goed. De Maker en... en het feest...’

‘Het is nog maar de vraag,’ zei Seace sarcastisch, ‘of hij alles ook zo goed begrepen zou hebben als we hem eerst de waarheid hadden verteld, voor hij het beeld zag en het feest meemaakte.’

‘Wie was hij dan, Mielwis?’

Mielwis wisselde een blik met Seace, haalde zijn schouders op en zei: ‘Ik kan het je wel vertellen. Hij was een homo sap. die hier in de bergen in een vliegtuig neerstortte. Het ontplofte in de lucht. Het grootste deel van het toestel verbrandde en viel, ver weg, aan de andere kant naar beneden. Een deel kwam op onze ‘hemel’ neer. Charlie Johns was zwaar gewond en de andere inzittende, ook een homo sap., was dood. Jullie weten dat de ‘hemel’ er van bovenaf uit ziet als de bergen er om heen, maar toch zou het niet zo’n goed idee zijn als er reddingsploegen op rond begonnen te scharrelen.

‘Seace ontdekte de wrakstukken met zijn instrumenten en zorgde dat ze onmiddellijk door A-veld-kracht werden verwijderd. Ik probeerde zijn leven te redden, maar hij was te zwaar gewond. Hij kwam niet meer tot bewustzijn en ik maakte een volledige cerebrostilus-opname van zijn geest.’

‘We hebben nog nooit zo’n complete opname gehad,’ zei Seace.

‘Toen kwam het in ons hoofd op dat we het blokje konden gebruiken om te kijken wat een homo sap. van ons zou denken als hij van ons bestaan wist. Daarvoor moesten we iemands id door hypnose onderdrukken of uitschakelen en er Charlie Johns’ cerebrostilus-opname voor in de plaats brengen. Met Quesbu voor handen, was dat een eenvoudige zaak.’

‘Wij wisten niet eens dat Quesbu bestond,’ zei Grocid.

‘De Controlepersoon. Hij behoorde aan de research-afdeling van Geneeskunde. Er was geen enkele reden om over Quesbu’s bestaan te praten. Wij hebben hem goed behandeld. Hij was zelfs gelukkig, ofschoon hij nooit verder dan Geneeskunde is gekomen.’

‘Maar nu wel,’ merkte Nasive op.

‘Wat gebeurt er nu met Quesbu en die ander?’

‘Als het niet om die ongelooflijke Philos en zijn verborgen Froure en hun kind ging — ik heb er al die tijd niets van geweten! — zou ik die vraag nu moeilijk kunnen beantwoorden. Na zijn ervaring als Charlie Johns kunnen we Quesbu moeilijk meer opsluiten. Zelfs niet als hij alles als een droom beschouwt. Een deel van zijn ervaringen waren namelijk helemaal geen dromen — tenslotte heeft hij werkelijk de Gebouwen bezocht. Hij is nu te oud om Ledomiet te worden. Dat wil ik hem niet aandoen.’ Hij wachtte even en zei: ‘Maar Soutin geeft ons een nieuwe mogelijkheid. Weet je welke?’

Grocid en Nasive keken elkaar aan: ‘Wij zouden een huis voor ze kunnen bouwen?’

‘Maar niet in de Kinder Afdeling,’ zei Mielwis, het hoofd schuddend. ‘De kinderen zijn zo... anders. Dit zou te veel van hun en misschien zelfs van ons gevraagd zijn. Laten we nooit vergeten, Grocid, wie we zijn, wat we zijn en waarvoor we bestaan. De mensheid heeft nooit zijn top van redelijkheid en objectiviteit bereikt, omdat hij zichzelf altijd heeft geplaagd met zijn gespletenheid. In ons zijn alle verschillen behalve individuele verschillen geëlimineerd. Maar Quesbu en Soutin zijn niet verschillend in individuele zin, zij zijn een andere soort. Wij Ledomieten kunnen misschien beter met hun overweg dan zij met ons, maar wij zijn nog jong en onervaren, pas vier generaties oud...’

‘Werkelijk?’ zei Nasive. ‘Ik dacht... Nee, dat wist ik niet.’

‘Bijna niemand weet dat, want het doet er ook niet toe. Wij zijn geconditioneerd om vooruit en niet achterom te kijken. Maar omdat het iets te maken heeft met onze beslissing over Quesbu en Soutin, zal ik je in het kort vertellen hoe Ledom ontstaan is.

‘Er was eens een homo sap. Hij was een groot mens, hoewel ik niet weet of hij als zodanig bij zijn eigen soort bekend stond. Waarschijnlijk wel. Hij was physioloog of chirurg.

Vermoedelijk allebei en nog een heleboel meer. Hij was ziek van de mensheid. Niet om het kwaad dat men bedreef, maar omdat men zichzelf vernietigde. Hij was er van overtuigd dat het met de mens afgelopen zou zijn, tenzij er een nieuwe maatschappij ontstond. Lange tijd heeft hij hier alleen aan gewerkt, tot hij op het laatst door een aantal gelijkdenkenden werd geholpen. Zijn naam en hun namen zijn onbekend, maar wij weten dat hij zo min mogelijk van de mens wilde kopiëren. Hij en zijn vrienden maakten ons, wezen ons de weg, gaven ons onze religie en cerebrostilus en de eerste beginselen van het A-veld en brachten de eerste generatie tot wasdom.’

‘Er zijn dus Ledomieten die ze gekend moeten hebben!’ zei Nasive.

Mielwis haalde zijn schouders op. ‘Misschien. Maar wat wisten zij? Ze kleedden, handelden en spraken als Ledomieten en de een na de ander stierf of verdween. Zij waren leraren zoals wij. Zij vroegen ons niet meer dan het mensdom levend te houden. Niet hun kunst, muziek, literatuur of architectuur. Het gaat om de kern in de breedste zin van het woord: de kern van menselijkheid. Wij zijn een biologische constructie. Je zou kunnen zeggen: een machine met een functie. En die functie betekent dat wij het mensdom levend moeten houden terwijl het wordt vermoord, om het na zijn dood terug te geven!

Dat is een aspect van Ledom dat wij Charlie Johns nooit verteld hebben, omdat hij het nooit zou geloven. Geen enkele homo sap. zou dat willen of kunnen. In de geschiedenis heeft bijna niemand ooit de kracht en de wijsheid gehad om afstand te doen, iets op te geven, behalve onder dwang. Wij moeten blijven zoals we zijn en de twee wegen naar ons innerlijk — religie en liefde — open houden. Af en toe moeten wij kijken of homo sap. al in staat is tot leven, liefhebben en aanbidden, zonder de steun van ingeprente biseksualiteit. Als hij zo ver is — en dat duurt misschien wel tien- tot vijftigduizend jaar — zullen de Ledomieten ophouden te bestaan. Wij zijn geen Utopia. Een Utopia is klaar, volmaakt, volgroeid. Wij zijn conservatoren, een overgang, een brug, zo je wilt.

Het ongeluk van Charlie Johns gaf ons de kans om te zien hoe homo sap. op Ledom zou reageren. Je zag wat er gebeurde. Maar Soutin geeft ons misschien een kans om te zien of de homo sap. werkelijk volwassen kan worden.’

‘Je bedoelt dat zij een nieuwe...’

‘Geen nieuwe homo sap. De oude, met een kans om zonder haat te leven. Met een hand die hen zal leiden.’

Grocid en Nasive glimlachten: ‘Dat is onze specialiteit.’

Maar Mielwis schudde het hoofd: ‘Die van Philos en Froure, denk ik. Zij moeten bij elkaar blijven, want dat hebben ze verdiend. Laat ze aan de rand van Ledom wonen, dat zijn ze gewend. De jonge mensen moeten alleen hèn kennen, en een herinnering aan ons hebben. Zij moeten zorgen dat wij een mythe worden voor hun kinderen en kleinkinderen. En op een dag zullen wij opnieuw met het mensdom beginnen — misschien het mensdom ontmoeten. Dan kan Ledom verdwijnen en het mensdom eindelijk beginnen...’


Op een nacht vol sterren stonden Philos en Froure enkele minuten buiten de Rand in de ijle, koude lucht. Na een echt familiediner waren Quesbu en Soutin een uur tevoren naar hun huis op de rand van het plateau gegaan.

‘Froure...’

‘Ja?’

‘De kinderen...’

‘Ja,’ zei Philos. ‘Ik weet het. Je kunt er moeilijk de vinger op leggen maar er is iets verkeerd.’

‘Misschien... zwangerschap?’

‘Misschien...’

Plotseling klonk er uit de sterrenzilveren lucht: ‘Philos!’

‘Quesbu! Wat is er? Ben je iets vergeten?’ Met het hoofd naar beneden dook hij op uit de duistere schaduwen. ‘Ik... ik... Philos! Soutin is ongelukkig!’

‘Waarom dan?’

‘Ik...’ Opeens hief hij zijn hoofd op en in het zilveren licht van de sterren zagen zij zijn tranen glinsteren. ‘Soutin is zo lief, maar aldoor houd ik van iemand die Laura heet en ik kan er niets aan doen!’ barstte hij uit.

Philos sloeg zijn arm om zijn schouders en lachte. Maar hij lachte zo zacht en begrijpend dat het een troost was. ‘Dat is niet jouw maar Charlies Laura,’ zei hij. ‘En Charlie is dood, Quesbu.’

‘Denk alleen aan het liefhebben, maar vergeet Laura,’ zei Froure.

‘Maar hij hield zoveel van haar,’ zei Quesbu.

‘Froure heeft gelijk. Hij hield van haar. Gebruik die liefde. Die is groter dan Charlie. Charlie is dood, maar zijn liefde leeft nog. Neem het en geef het aan Soutin.’

Plotseling werd de lucht zilver en de sterren waren verdwenen. Froure gaf een schreeuw. Hun vertrouwd plateau was opeens iets vreemds onder de zilveren hemel zoals van Le-dom.

‘Het komt dus, eindelijk komt het,’ zei Philos. ‘Ik vraag me af wanneer Seace dat veld weer kan wegnemen. Ga gauw naar Soutin, jongen. Zeg haar dat er niets aan de hand is, dat de zilveren lucht ons beschermt.’

Quesbu rende weg en Froure riep hem na: ‘Zeg haar dat je van haar houdt!’

Quesbu wuifde als Charlie Johns en verdween tussen de bomen.

Froure zuchtte, en lachte ook, een beetje.

‘Ik denk niet dat ik het hem vertellen zal,’ zei Philos. ‘Liefde is te groot om te bederven. Arme Charlie. Zijn Laura trouwde met iemand anders, weet je.’

‘Dat wist ik niet.’

‘Ja. Je weet dat je de cerebrostilus op ieder gewenst moment kunt afzetten. Seace en Mielwis zetten hem af op het moment dat Charlie een en al liefde was: misschien zou hij Ledom dan een beetje beter begrijpen. Maar in werkelijkheid ging zijn herinnering verder.’

‘Hij zat in dat vliegtuig omdat hij weg wilde van...’

‘Ik ben bang van niet. Hij had genoeg van haar en daarom trouwde ze iemand anders. Maar dat zal ik Quesbu niet zeggen.’

‘Alsjeblieft niet,’ zei Froure.

‘Amateurs in de liefde,’ grinnikte Philos. ‘Charlie ging in dat vliegtuig naar een plaats hier in de buurt. Er was een aardbeving en...’ Hij keek op en gaf een schreeuw.

De lucht begon te glinsteren, en toen te schitteren.

‘O,’ riep Froure. ‘Wat mooi!’

‘Fallout,’ zei Philos. ‘Ze zijn weer bezig. De idioten.’

Zij begonnen te wachten.

Загрузка...