2

Anno Domini Twaalfhonderdtachtig: Koeblai Khan heerste over een gebied dat vele lengte- en breedtegraden besloeg. Hij droomde zich een wereldrijk, en aan zijn hof stond iedere gast die nieuwe kennis of een nieuwe filosofie bracht, in hoge ere. Vooral een jonge Venetiaanse koopman, Marco Polo genaamd, werd bijzonder gewaardeerd. Maar niet alle volkeren wensten zich een Mongools heerser. Allerwegen ontstonden geheime revolutionaire genootschappen. Verschillende veroverde gebieden verbonden zich tot het latere China. Japan, waar de machtige Hojo familie veel invloed op de troon uitoefende, had reeds een inval afgeslagen. Daarbij vormden de Mongolen slechts in theorie een eenheid. De Russische prinsen inden de belastingen voor de ‘Gouden Horde’. De Il-Khan Abaka zetelde in Bagdad.

Elders had een schimmig Abbasidisch Kalifaat een onderkomen gevonden in Bagdad. In Delhi heerste de Slavische dynastie, Nicolaas III was paus, Italië werd verscheurd door de strijd der Welfen en der Ghibellijnen, Rudolf van Habs-burg was keizer van, Philips de Stoute koning van Frankrijk, Edward de langbenige heerste in Engeland. Enkele tijdgenoten waren Dante Alighieri, Joannes Duns Scotus, Roger Bacon en Thomas de Rhymer. En in Noord Amerika hielden Manse Everard en John Sandoval hun paarden in om vanaf een heuvelhelling naar beneden te kijken.

‘Vorige week zag ik ze voor het laatst,’ zei de Navajo. ‘Sinds dat moment zijn ze een flink eind verder gekomen. In dit tempo zijn ze over een paar maanden in Mexico. Zelfs als we er rekening mee houden dat er verderop nog wat ruw terrein komt.’

‘Naar Mongoolse opvattingen nemen ze er hun gemak van,’ verzekerde Everard hem.

Hij hief zijn kijker op. Om hem heen lag het land in voorjaarstooi. Zelfs de hoogste en oudste beuken droegen vrolijk lichtgroen lover. Pijnbomen ruisten in de koude, harde wind die uit de bergen woei en naar smeltende sneeuw rook, onder een hemel waarin vogels in zulke grote zwermen naar hun zomerverblijf terugvlogen, dat ze de zon konden verduisteren. De toppen van het Cascadengebergte in het westen schenen te zweven, blauwachtig-wit, ver verwijderd en geheiligd. De met bossen en weiden bedekte heuvels aan de voet van het gebergte tuimelden over elkaar naar een vallei en eindigden ten slotte achter de horizon in de prairies waarover kudden buffels met donderend hoefgestamp hun weg zochten.

Everard richtte zijn kijker op de expeditie. Zij bewoog zich kronkelend door het open land, daarbij min of meer de loop van een riviertje volgend. Ze bestond uit ongeveer zeventig mannen, die op ruigharige, vale Aziatische paarden, met korte benen en langgerekte hoofden, reden. Zij leidden lastdieren en reservepaarden met zich mee. Hij ontdekte enkele inheemse gidsen die zich zowel door de lelijke manier waarop zij in het zadel zaten als door hun gelaatsvorm en hun kleding verraadden. Maar de nieuwkomers trokken het meest zijn belangstelling.

‘Heel wat drachtige merries die als lastdier worden gebruikt,’ merkte hij half tot zichzelf op. ‘Ik vermoed dat ze zoveel mogelijk paarden in hun schepen hebben meegenomen en die overal waar ze halt hielden, loslieten om te grazen en wat beweging te nemen. Nu fokken ze erbij terwijl ze verder trekken. Dit soort pony is taai genoeg om een dergelijke behandeling te kunnen doorstaan.’

‘Ik heb gezien dat het detachement bij het schip ook paarden aan het fokken is,’ deelde Sandoval hem mee. ‘Wat weet je nog meer van die troep?’

‘Niet meer dan ik je al verteld heb, wat weinig meer is dan je al gezien hebt. En dan is er nog het verslag dat enige tijd in de archieven van Koeblai heeft gelegen. Maar zoals je je zal herinneren, staat daar niet meer in dan dat vier schepen onder bevel van de Noyon Toktai en de geleerde Li Tai-Tsoeng uitgezonden werden om de eilanden voorbij Japan te verkennen.’

Everard knikte afwezig. Het had geen zin hier te blijven zitten en weer alles te herkauwen wat ze nu al zo’n honderd maal hadden doorgenomen. Het was hen toch alleen maar om uitstel begonnen.

Sandoval schraapte zijn keel. ‘Ik vraag me nog steeds af of het wel goed is samen naar beneden te gaan,’ zei hij. ‘Waarom blijf jij niet hier om in actie te komen wanneer ze vervelend gaan doen?’

‘Last van een heldencomplex, hè?’ zei Everard. ‘Nee, het is beter als we samen gaan. Trouwens, ik verwacht geen moeilijkheden; nog niet. Deze jongens zijn veel te intelligent om iedereen ongemotiveerd tegen zich in het harnas te jagen. Ze hebben een goede verstandhouding met de indianen bewaard, is het niet? En wij zullen in nog meerdere mate een onbekende grootheid voor hen zijn… Toch zou ik er geen bezwaar tegen hebben eerst iets te drinken.’

‘Ja, en na afloop weer.’

Ieder nam een duik in zijn zadeltas, haalde er een tweeliter-kruik uit en hief hem op. De Schotse whisky brandde in Everards keel en deed zijn bloed sneller stromen. Hij klakte met de tong naar zijn paarden en beide Patrouilleleden reden de helling af.

Er weerklonk een fluittoon. Ze waren ontdekt. Hij reed in een kalm gangetje door naar de voorhoede van de Mongoolse karavaan. Een paar voorrijders sloten hen aan beide kanten in, de pijlen gereed op de korte, krachtige bogen, maar zij kwamen niet tussenbeide.

‘Ik denk dat we een ongevaarlijke indruk maken,’ dacht Everard. Evenals Sandoval droeg hij twintigste-eeuwse overkleding: een jekker om zich tegen de wind en een hoed om zich tegen de regen te beschermen. Zijn eigen uitrusting was heel wat minder fraai dan de door Abercrombie en Fitch geleverde spullen van de Navajo. Beiden droegen dolken als versiering, Mauser machinepistolen en dertigste-eeuwse stralingswapens, voor het geval er zich iets ernstigs voordeed. De troep hield de teugels in, wat zo gedisciplineerd ging dat ze als één man stilhielden. Terwijl hij naderbij kwam, nam Everard hen nauwkeurig op. Vóór zijn vertrek had hij in enkele uren, met behulp van elektronische apparaten, een tamelijk nauwkeurig kennisbeeld omtrent taal, geschiedenis, technologie, omgangsvormen en morele opvattingen van de Mongolen, Chinezen en zelfs van de lokale indianenstammen, opgedaan. Maar hij had deze mensen nooit tevoren van nabij gezien. Allen bezaten ze een goede uitrusting, ze droegen laarzen en lange broeken, met metalen platen bezette leren kurassen met lakversieringen, en kegelvormige helmen waarop een pen of een pluim bevestigd kon worden. Hun bewapening bestond uit een gebogen zwaard, een mes, een lans, en een boog met dubbele buiging. Aan het hoofd van de stoet reed een man die een standaard torste, die van Yakstaarten gemaakt was en doorvlochten met gouddraad. Met hun donkere spleetogen sloegen zij de nadering van de Patrouilleagenten onaangedaan gade. De aanvoerder was gemakkelijk te herkennen. Hij reed in de voorhoede en van zijn schouders wapperde een gerafelde zijden mantel. Hij was een stuk groter dan de meeste mannen van zijn troep en zag er met zijn rode baard en de bijna Romeinse neus heel wat wreder uit. De indiaanse gids aan zijn zijde trok een angstig gezicht en ging haastig wat achteruit; maar Toktai Noyon bleef waar hij was, terwijl hij Everard met zijn roofdierogen scherp opnam. ‘Gegroet,’ riep hij, toen de nieuw aangekomenen binnen gehoorsafstand waren gekomen. ‘Welke boodschap brengt gij?’ Hij sprak het dialect van de Loetoeami’s, dat later de taal van de Klamaths zou worden, met een gruwelijk accent. Everard antwoordde in vloeiend, blaffend Mongools: ‘Gegroet Toktai, zoon van Batoe. Wanneer de Tengri dat willen, komen wij in vrede.’

Het was een goede zet. Everard zag uit zijn ooghoeken Mongolen naar hun amuletten grijpen of bezweringstekens maken tegen het boze oog. Maar de man die links van Toktai reed, nam al gauw weer een houding van rustig zelfvertrouwen aan. ‘Aha,’ zei hij, ‘de bewoners van de Westelijke landen zijn ook tot dit land doorgedrongen. Dat wisten wij niet.’

Everard keek naar hem. Hij was langer dan de meeste Mongolen en bezat een bijna witte huidskleur, fijnbesneden gelaatstrekken en slanke handen. Hoewel hij over het geheel net zo gekleed was als de anderen, was hij ongewapend. Hij leek ouder dan de Noyon, misschien vijftig. Everard boog in het zadel en ging op het Noordchinees over: ‘Geëerde Li Tai-Tsoeng, het doet mij, nietswaardige, leed uwe eminentie te moeten tegenspreken, maar wij komen van het grote rijk dat verder naar het zuiden ligt.’

‘Daarover zijn ons geruchten ter ore gekomen,’ zei de geleerde. Hij kon zijn opwinding niet geheel onderdrukken. ‘Zelfs hier, ver in het noorden, gaan er verhalen over een rijk en schitterend land. Wij zijn ernaar op zoek, om uw Khan te kunnen groeten, uit naam van onze Kha Khan Koeblai, de zoon van Toeli, de zoon van Dzjengis Khan; de aarde ligt aan zijn voeten.’

‘Wij hebben van de Kha Khan gehoord,’ zei Everard, ‘zoals we ook gehoord hebben van de kalief, de paus, de keizer en alle minder machtige heersers.’ Hij moest zijn woorden met zorg kiezen om de heerser over China niet openlijk te beledigen, maar hem toch op zijn plaats te zetten. ‘Daarentegen is er over ons weinig bekend, daar onze vorst geen contact zoekt met de buitenwereld, noch anderen aanmoedigt hem te zoeken. Sta toe dat ik, nietswaardige, mij aan u voorstel. Men noemt mij Everard en ik ben, zoals mijn uiterlijk doet veronderstellen, geen Rus of Westerling. Ik ben grensbewaker.’

Ze moesten zelf maar uitzoeken wat dat betekende. ‘U hebt niet veel begeleiders meegenomen,’ beet Toktai hem toe.

‘Meer waren er niet nodig,’ zei Everard op zijn vriendelijkste toon.

‘En u bent ver van huis,’ bracht Li te berde. ‘Niet verder dan u zou zijn, wanneer u zich in de moerassen der Kirgiezen bevond, geachte heren.’ Toktai sloeg een hand aan het gevest van zijn zwaard. Zijn ogen hadden een koude, behoedzame glans. ‘Kom,’ zei hij. ‘Wees welkom dan, als ambassadeur. We zullen ons kamp opslaan en luisteren naar het woord van uw koning.’

Загрузка...