5

De tijdmachine was twee dagen de toekomst ingesprongen en zweefde nu op grote hoogte, onzichtbaar voor het blote oog. De lucht rondom hen was ijl en bijtend koud. Terwijl hij de elektronische telescoop instelde, huiverde Everard. Zelfs bij de sterkst mogelijke vergroting was de karavaan niet meer dan een handvol vlekjes die moeizaam door een groene oneindigheid trok. Maar op het westelijk halfrond reed niemand anders op paarden.

Hij draaide zich in het zadel naar zijn metgezel om. Wat nu?’

Sandovals gezicht had een ondoorgrondelijke uitdrukking. ‘Nou, als onze voorstelling geen effect heeft gehad…’

‘Geloof dat maar niet.’ Ik zou durven zweren dat ze tweemaal zo snel naar het zuiden trekken als tevoren. Waarom?’

‘Ik zou ze allen persoonlijk heel wat beter moeten kennen voor ik je daarop een bevredigend antwoord zou kunnen geven, Manse. Maar ik denk dat wij ze getart hebben. Kijk, het gaat hier om een beschaving waarin hardheid en moed de enige absolute waarden zijn… wat konden zulke mensen anders doen dan verdergaan. Als ze er enkel voor een dreigement al vandoor gingen, zouden ze nooit meer met zichzelf kunnen leven.’

‘Maar Mongolen zijn geen idioten! Dat ze zoveel volken onderwerpen is niet alleen maar een gevolg van het feit dat ze zo machtig zijn, maar omdat ze veel meer verstand hebben van oorlogvoeren. Toktai behoort terug te keren om verslag van zijn bevindingen uit te brengen bij zijn keizer en daarna een grotere onderneming op touw te zetten.’

‘Dat kunnen de mannen op de schepen wel doen,’ herinnerde Sandoval hem. ‘Nu ik erover nadenk, begrijp ik hoezeer wij Toktai onderschat hebben. Hij moet een tijdstip hebben vastgesteld, waarschijnlijk volgend jaar, waarop de schepen moeten trachten naar huis terug te keren, indien hij nog niet terug is. Als hij onderweg iets tegenkomt dat zijn belangstelling opwekt, ons bijvoorbeeld, kan hij een indiaan met een brief naar het basiskamp sturen.’ Everard knikte. Het kwam plotseling in hem op dat hij zich in dit werk gestort had en van alles en nog wat gedaan had, zonder ook maar een moment de tijd te nemen om een goed plan op te stellen, zoals hij dat had behoren te doen. Vandaar dit knoeiwerk. Maar in welke mate was de tegenzin in John Sandovals onderbewustzijn schuldig aan het geval? Na een tijdje zei Everard: ‘Mogelijk vonden ze ook dat er een luchtje aan ons was. De Mongolen hebben altijd al uitgeblonken op het gebied van psychologische oorlogvoering.’

‘Dat kan best. Maar wat doen we nu verder?’ Everard dacht: ‘Het beste kunnen we omlaag duiken, een paar schoten afvuren uit het eenenveertigste-eeuwse energiekanon dat ze op deze tijdfiets hebben gemonteerd, en dat is dan dat… nee, bij God, eerder laat ik me naar de verbanningsplaneet sturen dan dat ik zoiets zou doen. Er zijn grenzen.’

‘We zullen een wat indrukwekkender demonstratie geven,’ zei hij.

‘En als ook dat een waardeloze mislukking wordt?’

‘Schei uit! Misschien lukt het wel!’

‘Ik overweeg de mogelijkheid alleen maar.’ De wind maakte wat Sandoval zei, bijna onverstaanbaar. ‘Waarom gelasten we de expeditie niet af? Laten we een paar jaar terug gaan en Koeblai Khan ervan overtuigen dat het niet de moeite waard is ontdekkingsreizigers naar het oosten te zenden. Dan zou dit hier allemaal nooit gebeurd zijn.’

‘Je weet dat de voorschriften van de Patrouille ons verbieden om veranderingen aan te brengen in de geschiedenis!’

‘Wat zijn we dan nu aan het doen?’

‘Dit is een uitzonderlijk geval, waarvoor we van de allerhoogste instanties opdracht hebben ontvangen. Mogelijk om een correctie aan te brengen op de gevolgen van een ingreep ergens anders of op een ander moment. Hoe moet ik dat weten? Ik sta maar op de onderste sport van de evolutieladder. Een paar miljoen jaar verder zijn ze in het bezit van vermogens, waarvan ik me geen voorstelling kan vormen.’

‘Vader weet het beter,’ mompelde Sandoval. Everard klemde zijn kaken op elkaar. ‘Het feit blijft bestaan,’ zei hij, ‘dat het hof van Koeblai, de machtigste man ter wereld, belangrijker en van meer centrale betekenis is dan wat dan ook hier in Amerika. Nee, bij dit vervelende baantje ben ik je meerdere in rang en als het moet zal ik dat laten blijken. Onze opdracht zegt dat we ervoor moeten zorgen dat deze mensen hun ontdekkingstocht beëindigen. Wat daarna gebeurt, is onze zaak niet. Ze spelen het niet klaar om thuis te komen. Daarvan zullen wij niet de onmiddellijke oorzaak zijn, evenmin als je moordenaar bent, wanneer je iemand te eten vraagt en hij een dodelijk ongeluk krijgt terwijl hij naar je onderweg is.’

‘Hou op met dat gekwek en laten we aan het werk gaan,’ bitste Sandoval. Everard bracht de machine in een glijvlucht. ‘Zie je die heuvel?’ zei hij na enige tijd. ‘Die ligt in de marsroute van Toktai, maar ik denk dat hij een paar kilometer ervoor, bij dat grasveldje naast de rivier, zijn kamp zal opslaan. Maar hij heeft dan wel een vrij uitzicht op die heuvel. Laten we daar onze spullen klaarzetten.’

‘En een vuurwerk afsteken? Dat zal dan iets heel bijzonders moeten worden. Die Chinezen weten van kruit alles af.’

‘Dat weet ik. Maar toen ik mijn spullen voor deze tocht bij elkaar zocht, heb ik een paar bijzonder handige apparaten ingepakt, voor het geval mijn eerste poging zou mislukken.’ Verspreid op de heuveltop stonden enkele sparren. Everard zette de machine tussen de bomen aan de grond en begon dozen uit de omvangrijke bagageruimte te laden. Sandoval hielp hem zwijgend. De door de Patrouille afgerichte paarden stapten rustig uit de boxen waarin zij vervoerd waren en begonnen de helling af te grazen.

Na een tijdje verbrak de indiaan zijn stilzwijgen. ‘Ik snap er niets van. Wat zet je daar in elkaar?’ Everard tikte op het apparaatje dat hij al half gereed had. ‘Het is ontwikkeld uit een weercontrolesysteem dat ze in het koude tijdperk, verderop, gebruiken. Een potentieelverdeler. Het is in staat de ergste bliksemstralen te produceren die je ooit gezien hebt, en donderslagen die daar niet voor onder doen.’

‘Mmm… het zwakke punt van de Mongolen.’ Sandoval grinnikte plotseling. ‘Knap idee van je. We kunnen er beter op ons gemak bij gaan zitten en ervan genieten.’

‘Maak wat eten klaar, wil je. Intussen zet ik dit ding in elkaar. Geen vuur natuurlijk. We moeten doodgewone rook vermijden… O ja, ik heb ook nog een luchtspiegelingsprojector. Als je wat andere kleding aan wilt doen en op het juiste moment een motorhelm of zo opzet, zodat ze je niet herkennen, zal ik een plaatje van een paar kilometer hoogte van je maken, bijna net zo afstotend als het origineel.’

‘Wat zou je zeggen van een uitzending met geluid. Navajoliederen willen wel eens tamelijk afschrikwekkend zijn, zeker als je niet weet dat het gewoon maar een Yeibichai of zoiets is.’

‘Uitstekend!’

De dag liep ten einde. Het werd donker onder de bomen. De wind was koud en doordringend. Everard werkte een sandwich naar binnen en keek door zijn verrekijker naar de Mongoolse voorhoede, die de kampplaats uitzocht die hij al had voorspeld. Anderen kwamen binnenrijden met hun jachtbuit van die dag en zetten zich aan het koken. De hoofdgroep verscheen tegen zonsondergang. Vakkundig werden de legers ingericht, waarna men ging eten. Toktai zette er inderdaad haast achter, profiterend van ieder moment dat het licht was. Toen de duisternis inviel, zag Everard bereden wachtposten met gespannen bogen. Hij kon niet voorkomen dat hij zich onzeker voelde, hoezeer hij zich daartegen ook verzette. Hij wilde het opnemen tegen mannen die de aarde op haar grondvesten hadden doen schudden. De eerste sterren schitterden boven de besneeuwde bergtoppen. Het was tijd met het werk te beginnen. ‘Heb je onze paarden vastgebonden, John? Ze zouden op hol kunnen slaan. Ik ben er aardig zeker van dat die van de Mongolen niet te houden zullen zijn. Goed, daar gaat-ie dan.’ Everard draaide de hoofdknop om en hurkte neer bij het vaag verlichte controlepaneel van zijn apparaat. Eerst werd een vage lichtblauwe schittering zichtbaar tegen de hemel. Toen kwam de bliksem. De ene gevorkte straal na de andere flitste omlaag, bomen werden vernietigd door een inslag, terwijl de berghellingen schudden onder het geweld. Everard deed bolbliksems ontstaan, bollen van vuur, die snel ronddraaiden en cirkels beschreven, vonken sproeiend over het kamp schoten en erboven explodeerden zodat het leek of de hemel witgloeiend vuur was. Verdoofd en half verblind slaagde hij erin een fluorescerend gordijn van geïoniseerde lucht te projecteren. De grote vanen tuimelden over elkaar als het noorderlicht; bloedrood en sneeuwwit, sissend onder de herhaalde donderslagen. Sandoval schreed tevoorschijn. Hij had zich tot op zijn lange broek ontkleed en zijn lichaam met klei beschilderd op de wijze van zijn voorouders. Hij had ten slotte zijn gezicht niet gemaskerd, maar het met klei ingesmeerd en het veranderd tot iets dat Everard niet herkend zou hebben. Het apparaat tastte zijn gestalte af en zond daarvan een vertekend beeld uit. Datgene dat zich tegen het noorderlicht aftekende, was groter dan een berg. Het danste in cirkels rond, van horizon tot horizon en weer terug naar de hemel, en het jammerde en blafte met een falsetgeluid dat luider klonk dan het gerommel van de donder.

Everard zat ineengedoken voor het dreigend schouwspel. Zijn vingers krampten zich samen op het controlebord. Primitieve gevoelens van vrees maakten zich meester van hem; de dans riep iets in hem op dat hij sinds lang vergeten was. ‘Alle mensen! Als dit hen niet tegenhoudt…’ Hij kwam weer tot zichzelf. Keek zelfs op zijn horloge. Een half uur… hij zou nog maar een kwartier doorgaan, waarin hij het schouwspel langzaam in hevigheid zou laten afnemen… Ze zouden beslist tot de morgen in het kamp blijven. Liever dan in wanorde het donker in te vluchten. Zo gedisciplineerd waren ze wel. Het zou dus het beste zijn als hij zich nu een paar uur rustig hield en daarna hun zenuwen de genadeslag gaf door met een enkele blikseminslag vlak bij hen een boom te versplinteren… Everard gebaarde naar Sandoval, dat hij weg moest gaan. De indiaan ging zitten, moeizamer ademhalend dan te verklaren viel door de inspanning van de dans.

Toen het laatste geluid verklonken was, zei Everard: ‘Aardige voorstelling, John.’ Zijn stem klonk hem ijl en vreemd in de oren.

‘Zoiets had ik in jaren niet meer gedaan,’ bracht Sandoval eruit. Hij stak een lucifer aan, wat in de stilte een schrikwekkend geluid gaf. Gedurende de korte tijd dat het vlammetje brandde, kon je zien hoe het bloed uit zijn lippen was weggetrokken. Daarna deed hij de lucifer uit en zag je nog slechts het gloeipuntje van zijn sigaret. ‘Niemand in het reservaat die ik kende, nam dat gedoe ernstig op,’ ging hij na een ogenblik verder. ‘Een paar van de oudere mannen wilden dat de jongens het leerden om de oude gewoonte in stand te houden, om ons er aan te herinneren dat we nog steeds een apart volk waren. Maar waar wij voornamelijk aan dachten, was dat er wat kleingeld te verdienen was, door voor de toeristen te dansen.’ Er volgde een lange stilte. Everard draaide de projector verder dicht. In de duisternis die daar op volgde, gloeide Sandovals sigaret aan en uit. Een kleine rode Algol. ‘Toeristen!’ zei hij ten slotte.

Na enige minuten: ‘Vannacht had mijn dansen een doel. Ik heb dat nooit eerder zo gevoeld.’ Everard zweeg.

Toen een van de paarden die gedurende de voorstelling aan zijn halster gerukt had en nog steeds nerveus was, hinnikte, keek Everard op. Om hem heen het nachtelijk duister. ‘Heb jij iets gehoord, John?’

Het licht van een zaklantaarn scheen hem recht in het gezicht.

Een ogenblik keek hij er met verblinde ogen in. Toen sprong hij met een verwensing overeind, naar zijn straalpistool grijpend. Vanachter een van de bomen rende een schaduw op hem af. Hij kreeg een stoot in zijn ribben. Hij struikelde achteruit. Het stralingswapen gleed in zijn hand. Hij schoot in het wilde weg.

De lichtbundel schoot nogmaals tevoorschijn. Uit zijn ooghoeken zag Everard Sandoval. De Navajo had zijn wapens nog niet bij zich gestoken. Ongewapend dook hij weg voor een houw van een Mongools zwaard. De krijger rende hem achterna. Sandoval zocht zijn heil in het Judo dat hij bij de Patrouille geleerd had. Hij liet zich op een knie zakken. De Mongool, te voet geen handig vechter, hakte naar hem, miste, en maakte kennis met een schouderworp. Tijdens de worp kwam Sandoval overeind. Zijn handpalm schoot omhoog naar de kin van de Mongool. Het gehelmde hoofd sloeg met een ruk achterover. Sandoval tikte met een hand tegen de adamsappel, rukte het zwaard uit de greep van de eigenaar, wendde zich om en weerde een slag af die van achteren kwam. Een stem krijste boven het geschreeuw van de Mongolen uit, enkele bevelen. Everard ging achteruit. Hij had een aanvaller buiten gevecht gesteld met een ontlading van zijn pistool. Er waren er nog meer tussen hem en zijn voertuig. Hij liep in een cirkel rond om hen voor te komen. Een lasso kronkelde zich om zijn schouders, en werd met een vakkundige ruk strakgetrokken. Hij verloor zijn evenwicht. Vier mannen stortten zich op hem. Hij zag hoe een half dozijn speren krakend op Sandoval’s hoofd terechtkwamen. Toen had hij voor niets anders tijd meer, dan voor vechten. Tweemaal kwam hij overeind, maar zijn straalpistool was zoek en de Mauser was uit de holster gerukt — die mannetjes waren zelf ook tamelijk goede yawara-vechters. Ze sleurden hem op de grond en sloegen hem met hun vuisten, laarzen en degenknoppen. Hij raakte niet geheel bewusteloos, maar was op de duur te versuft om nog iets te kunnen beginnen.

Загрузка...