6

Londen, 1944. De vroege winteravond was al ingevallen, en door de donkere straten blies een scherpe koude wind. Ergens klonk het gedreun van een explosie, een brand werd zichtbaar. Grote, rode vlammen laaiden boven de daken uit. Everard liet zijn machine op het trottoir achter — terwijl de V-ééns neerkwamen, was er toch niemand op straat — en zocht zich tastend een weg door het duister. Zeventien november; zijn geoefend geheugen had zich de datum herinnerd. Op die dag was Mary Nelson om het leven gekomen. Op de hoek ging hij een publieke telefooncel binnen en zocht in het register. Er waren nogal wat Nelsons, maar er woonde maar één Mary Nelson in het district Streatham. Dat was natuurlijk haar moeder. Hij moest maar aannemen dat de dochter dezelfde voornaam droeg. Hij wist ook niet nauwkeurig hoe laat de bom zou vallen, maar er bestond een mogelijkheid om dat aan de weet te komen. Toen hij weer naar buiten stapte, bevond hij zich plotseling midden tussen de vlammen en de explosies. Hij wierp zich voorover op de grond terwijl het glas versplinterde op de plaats waar hij zojuist gestaan had. Zeventien november 1944. De jonge Manse Everard, luitenant bij de genie van het U.S. Army, bevond zich ergens aan de overzijde van Het Kanaal, in de nabijheid van de Duitse kanonnen. Hij kon zich op dat moment niet herinneren, waar dat precies geweest was en hij bleef niet wachten tot hij er achter zou komen. Het deed er niet toe. Hij was er zeker van dat hij aan dat gevaar zou ontkomen.

De volgende ontploffing miste hem op een haar, terwijl hij naar zijn machine rende. Hij sprong erop en vloog weg. Hoog boven Londen kon hij weinig meer onderscheiden, dan een uitgestrekte donkere vlakte waarin hier en daar vlammen oplaaiden. ‘Walpurgisnacht.’ Op aarde was de hel losgebarsten.

Hij kon zich Streatham goed herinneren: een sombere aaneenschakeling van bakstenen gebouwen, bewoond door kantoorklerkjes, groentehandelaren en fabrieksarbeiders; het minst welvarende deel van de burgerij, dat was opgestaan om de macht die geheel Europa aan zich onderwierp, een halt toe te roepen. Vroeger, in 1943, woonde hier een meisje… Misschien zou ze ten slotte toch nog wel met een ander getrouwd zijn.

Laag overvliegend trachtte hij het adres te vinden. Niet ver bij hem vandaan barstte een vulkaan open. Zijn machine, werd heftig heen en weer geslingerd; bijna verloor hij zijn houvast. Zich erheen haastend zag hij een ingestort, verwoest en brandend huis. Het was maar drie huizenblokken van de woning van de Nelsons verwijderd. Hij was te laat.

Nee! Hij controleerde het tijdstip — precies half elf — en sprong twee uur terug. Het was nog steeds nacht, maar het vernietigde huis tekende zich nog massief tegen de hemel af. Eén ogenblik kwam het verlangen in hem op, de bewoners te waarschuwen. Maar nee. Over de hele wereld stierven op dat ogenblik mensen. Hij was geen Schtein die de wereldgeschiedenis wilde veranderen. Hij glimlachte bitter, steeg af en wandelde het tuinhek binnen. Hij was evenmin zo’n vervloekte Danelliaan. Hij klopte op een deur. Er werd opengedaan.

In het donker staarde een vrouw van middelbare leeftijd hem aan, en hij realiseerde zich wat een vreemde indruk een Amerikaan in burgerkleding hier moest maken. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Kent u mejuffrouw Mary Nelson?’

‘Hoezo, jazeker.’ Ze aarzelde. ‘Ze woont hier in de buurt. Ze komt straks hierheen. Bent u een vriend van haar?’ Everard knikte. ‘Ze vroeg me, u een boodschap over te brengen, mevrouw… eh…’

‘Enderby.’

‘O, ja, mevrouw Enderby. Ik ben verschrikkelijk vergeetachtig. Kijk eens, juffrouw Nelson vroeg me u te zeggen, dat ze tot haar spijt niet kan komen. Maar ze zou wel graag zien dat u met het hele gezin om half elf bij haar bent!’

‘Wij allemaal, meneer? En de kinderen dan…’

‘De kinderen in ieder geval ook. Het hele gezin. Ze heeft een heel bijzondere verrassing voor u, maar dan is het wel nodig dat u er op tijd bent. U moet allen komen.’

‘Nou… goed meneer, als zij dat zegt.’

‘U bent er dus om precies half elf met de hele familie. Tot dan, mevrouw Enderby.’ Everard knikte en liep terug naar de straat.

Hij had gedaan wat hij kon. Nu naar de woning van de Nelsons. Hij vloog drie blokken verder, parkeerde zijn machine in de schaduw van een steegje en liep naar het huis. Hij had nu ook een overtreding begaan en was even schuldig als Schtein. Hij vroeg zich af hoe het zou zijn op de verbanningsplaneet.

Er was geen spoor van de Ing-capsule te bekennen, en zij was te groot om te verbergen. Charlie was er dus nog niet. Tot diens aankomst zou hij moeten improviseren. Terwijl hij op de deur klopte, vroeg hij zich af, wat de gevolgen zouden zijn van de redding van het gezin Enderby. De kinderen zouden volwassen worden en zelf weer kinderen krijgen. Ongetwijfeld zouden ze opgroeien tot weinig invloedrijke leden van de Engelse middenstand, maar op een of andere dag, ver in de toekomst, zou een belangrijk man geboren worden, of juist niet geboren worden. Natuurlijk was de geschiedenis niet zó onveranderlijk. Op enkele uitzonderlijke gevallen na, deed de juiste afstamming er niet zoveel toe; wat telde, was de gezamenlijke som van de erfelijke eigenschappen der mensheid. Toch zou dit een van die uitzonderlijke gevallen kunnen zijn.

Een jonge vrouw opende de deur. Het was een aantrekkelijk meisje, geen opzienbarende verschijning weliswaar, maar in het keurige uniform zag ze er leuk uit. ‘Juffrouw Nelson?’

‘Ja?’

‘Mijn naam is Everard. Ik ben bevriend met Charlie Whitcomb. Mag ik binnenkomen? Ik heb nogal verrassend nieuws voor u.’

‘Ik stond op het punt uit te gaan,’ zei ze afwerend. ‘O nee, u gaat niet.’ Dat had hij niet moeten zeggen; ze was kennelijk verontwaardigd.

‘Neem me niet kwalijk. Mag ik het alstublieft uitleggen?’ Ze liet hem binnen in een saaie, rommelige zitkamer. ‘Wilt u niet gaan zitten, meneer Everard? Praat alstublieft niet te hard. De hele familie slaapt al. Ze moeten weer vroeg op.’ Everard maakte het zich gemakkelijk. Mary zat rechtop op een hoekje van de sofa, hem met grote ogen aankijkend. Hij vroeg zich af of Edgar en Wulfnoth tot haar voorouders behoorden. Ja… ongetwijfeld, na zoveel eeuwen. Misschien zelfs Schtein wel.

‘Dient u bij de luchtmacht?’ vroeg ze. ‘Hebt u Charlie daar leren kennen?’

‘Nee, ik ben bij de inlichtingendienst, daarom ben ik ook in burger. Mag ik weten wanneer u hem het laatst gezien hebt?’

‘O, weken geleden. Momenteel is hij in Frankrijk gelegerd. Ik hoop dat deze oorlog gauw voorbij zal zijn. Dom van hen om door te gaan terwijl ze kunnen weten dat het met hen gedaan is, vindt u niet?’ Ze hield haar hoofd een beetje schuin, op een manier die hij wel leuk vond. ‘Maar wat voor nieuws heeft u?’

‘Ik zal het u zo vertellen.’ Hij begon een wijdlopig verhaal af te steken, over de situatie aan de overzijde van het Kanaal. Het was vreemd om met een geest te zitten praten. En zijn opleiding weerhield hem de waarheid te vertellen. Hij deed een poging, maar het leek wel of zijn tong verlamd raakte, ‘…en de moeite die je moet doen om een flesje doodgewone rode inkt te pakken te krijgen…’

‘Alstublieft,’ ze viel hem ongeduldig in de rede. ‘Zoudt u terzake willen komen? Ik heb een afspraak voor vanavond.’

‘O, neem me niet kwalijk. Het spijt me erg. Ik ben er zeker van dat, kijk eens, het zit zo…’ Hij werd gered doordat er op de deur werd geklopt. ‘Een ogenblik,’ mompelde zij, en verdween achter de verduisteringsgordijnen om open te doen. Everard liep haar na. Met een kreet deed ze een pas achteruit. ‘Charlie!’ Whitcomb knelde haar in zijn armen, zonder acht te slaan op het nog vochtige bloed dat aan zijn Jutlandse kleding kleefde. Everard kwam de hal binnen. De Engelsman staarde hem ontzet aan. ‘Jij!…’

Hij greep naar zijn wapen, maar Everard had het zijne al in de hand. ‘Doe niet zo stom,’ zei de Amerikaan, ‘ik ben je vriend. Ik wil je helpen. Wat voor krankzinnig plan heb je eigenlijk uitgedacht?’

‘Ik… zorg dat ze hier blijft… zal voorkomen dat ze weggaat…’

‘En je gelooft dat zïj geen middelen hebben om je op te sporen?’ Everard sprak Universeel, de enige taal die hij in Mary’s aanwezigheid kon gebruiken. ‘Toen ik bij Mainwethering vandaan ging, was hij al verdraaid achterdochtig. Tenzij we heel verstandig te werk gaan, zal iedere eenheid in de Patrouille gewaarschuwd worden. Men zal de fout herstellen, misschien zelfs door haar te doden. Jij wordt verbannen.’

‘Ik…’ Whitcomb slikte nerveus. Zijn gezicht verwrongen van angst. ‘Zou jij haar laten gaan, zodat ze zal sterven?’

‘Nee, maar we moeten veel voorzichtiger te werk gaan.’

‘We kunnen ontsnappen… we gaan naar een tijdperk waar niemand ons zoekt… desnoods naar de periode van de dinosaurus.’

Mary maakte zich van hem los. Ze stond op het punt te gaan gillen, haar mond al half open. ‘Wees stil!’ zei Everard. ‘Je leven loopt gevaar, en wij proberen je te redden. Als je mij niet vertrouwt, vertrouw Charlie dan.’ Zich weer tot hem wendend, ging hij in het Universeel verder: ‘Kijk eens hier, kerel, er is geen plaats of tijd waar je je zou kunnen verbergen. Mary Nelson is vannacht gestorven. Zo is de geschiedenis. Ze bestond in 1947 niet. Dat staat ook vast. Ik heb mezelf er ook al ingewerkt; het gezin waarbij ze op bezoek wilde gaan, zal het huis verlaten hebben, als de bommen het raken. Als je met haar tracht te vluchten, zullen ze je vinden. Het is puur geluk dat er op het moment nog geen eenheid van de Patrouille is opgedoken.’ Whitcomb trachtte zijn zelfbeheersing te herwinnen. ‘Veronderstel dat ik samen met haar naar 1948 spring. Hoe weet je dat ze in 1948 niet onverwacht weer is teruggekomen? Misschien is dat ook wel historisch vastgelegd.’

‘Man, dat lukt je niet. Probeer het maar. Ga je gang, vertel haar dat je haar vier jaar de toekomst in gaat brengen.’ Whitcomb kreunde. ‘Onmogelijk… en ik ben geconditioneerd…’

‘Juist, je hebt nauwelijks de vrijheid om je op deze manier aan haar te vertonen, maar als je haar iets wilt vertellen, zul je leugens moeten vertellen, omdat je niet in staat bent de waarheid te spreken. Trouwens hoe zou je haar aanwezigheid duidelijk willen verklaren? Als ze Mary Nelson blijft, is ze een desertrice. Als ze een andere naam aanneemt, waar moet ze dan haar geboortebewijs, haar diploma’s, haar bonkaarten, kortom, al die papiertjes waar de twintigste-eeuwse regeringen zo’n heilig ontzag voor hebben, vandaan halen? Het is een hopeloze zaak, jongen.’

‘Maar wat moeten we dan?’

‘Wacht op de Patrouille en vecht het met ze uit. Wacht hier even.’

Everard was heel kalm geworden, hij had geen tijd om bang te zijn of zich over zijn eigen gedrag te verbazen. Hij ging naar buiten, zocht zijn tijdmachine op en stelde de wijzers zo af, dat het ding over vijf jaar, ’s middags om twaalf uur op Piccadilly Circus zou verschijnen. Hij drukte de hoofdschakelaar omlaag, keek toe hoe de machine verdween, en ging weer naar binnen. Mary lag huilend en trillend in Whitcombs armen. Die verdraaide, hulpeloze kinderen! ‘In orde.’ Everard leidde hen terug naar de zitkamer en ging zitten met zijn wapen schietklaar. ‘Nu nog maar even wachten.’

Het duurde niet lang. Er verscheen een tijdmachine met twee mannen, gekleed in het uniform van de Patrouille. Ze hielden hun wapens gereed. Everard legde ze, met een zwakke straal uit zijn wapen, neer. ‘Help me, ze vast te binden, Charlie,’ zei hij.

Mary stond sprakeloos weggedoken in een hoekje. Toen de mannen weer bijkwamen, boog Everard zich met een kil glimlachje over hen heen. ‘Waar worden we van beschuldigd, jongens?’ vroeg hij in het Universeel. ‘Waarschijnlijk weet je dat zelf wel,’ zei een van de gevangenen rustig. ‘Het hoofdkantoor gaf ons opdracht jullie op te sporen. Toen we een onderzoek instelden in de volgende week, ontdekten we, dat je een gezin dat bij een bombardement om zou komen, uit hun huis gehaald had. Uit Whitcombs staat van dienst konden we opmaken dat je daarna hierheen was gegaan, om hem te helpen deze vrouw, die anders vannacht omgekomen zou zijn, te redden. Je kunt ons beter onze gang laten gaan, anders maak je het alleen maar erger voor jezelf.’

‘Ik heb geen veranderingen in de geschiedenis veroorzaakt,’ zei Everard. ‘De Danellianen zijn er toch nog steeds, nietwaar?’

‘Ja, natuurlijk, maar…’

‘Hoe wist je dat het gezin Enderby zou moeten omkomen?’

‘Hun huis werd getroffen, en ze zeiden dat ze het alleen maar verlaten hadden, omdat…’

‘Aha, maar het staat vast dat ze het verlieten. Dat valt niet te weerleggen. Nu bent u het, die het verleden wilt veranderen.’

‘Maar die vrouw hier…’

‘Bent u er zeker van dat er nooit een Mary Nelson geleefd heeft, die zich in, laten we zeggen 1850, in Londen vestigde en in 1900 van ouderdom stierf?’

Er vertoonde zich een glimlach op het magere gelaat. ‘Je doet verschrikkelijk je best hè? Het zal je niet helpen. Je kunt je niet tegen de hele Patrouille verzetten.’

‘Zo, kan ik dat niet? Ik kan je hier achterlaten, zodat je door de Enderby’s wordt gevonden. Ik heb mijn tijdmachine zó afgesteld, dat zij in het openbaar weer te voorschijn zal komen, op een tijdstip dat alleen mijzelf bekend is. Wat zullen de gevolgen voor de geschiedenis zijn?’

‘De Patrouille zal maatregelen treffen om de zaak weer in het reine te brengen… zoals jij dat in de vijfde eeuw hebt gedaan.’

‘Mogelijk! Maar ik kan het ze een stuk makkelijker maken, als ze bereid zijn mijn verzoek in overweging te nemen. Ik wil een Danelliaan spreken.’

‘Wat!’

‘Je hebt me gehoord,’ zei Everard. ‘Desnoods klim ik op die tijdmachine van je, en reis een miljoen jaar verder. Ik zal ze persoonlijk uitleggen hoeveel eenvoudiger alles wordt, wanneer ze ons een kans geven.’

‘Dat zal niet nodig zijn.’

Naar adem snakkend draaide Everard zich om. Zijn wapen viel uit zijn hand.

Hij was niet in staat zijn blik op de stralende gestalte voor hem gericht te houden. Met een brok in de keel deinsde hij terug.

‘Wij hebben uw verzoek in overweging genomen,’ zei de geluidloze stem. ‘Eeuwen voor u geboren werd, hadden we onze beslissing al genomen. Desondanks was u een noodzakelijke schakel in de keten van de tijd. Wanneer u vannacht gefaald had, zouden we niet van genade hebben willen horen.

Het was ons bekend dat een zekere Charles en Mary Whitcomb in het Engeland van Victoria leefden. Het stond tevens vast dat Mary Nelson tegelijkertijd met het gezin waar zij in 1944 op bezoek was, om het leven kwam, en dat Charles Whitcomb zijn leven verder als vrijgezel sleet en ten slotte bij zijn werk voor de Patrouille gedood werd. Er werd van deze tegenstrijdigheid nota genomen, en daar zelfs de onopvallendste paradox een gevaarlijke zwakke plek in de tijdruimte vormt, moesten er correcties worden aangebracht door óf de ene, óf de andere gebeurtenis te niet te doen. U hebt beslist welke gebeurtenis dat zal zijn.’ Op de een of andere manier zagen Everards geschokte zintuigen nog kans, waar te nemen hoe de leden van de Patrouille plotseling vrij waren. Hij wist dat de tijdmachine onzichtbaar verwijderd werd… was… zou worden, juist op het moment dat zij zichtbaar werd. Hij wist dat het volgende nu historisch was vastgelegd: vermist: Mary Nelson, lid van de W.A.A.F., vermoedelijk tijdens een bombardement omgekomen in de omgeving van de woning van de familie Enderby, die allen in haar huis waren op het moment dat hun eigen woning verwoest werd; Charles Whitcomb verdween in 1947, waarschijnlijk verdronken. Hij wist dat men Mary op de hoogte bracht, terwijl men het haar door een hypnotische behandeling tegelijkertijd onmogelijk maakte, haar kennis ooit aan iemand anders mede te delen; en dat zij vervolgens samen met Charlie naar 1850 werd gebracht. Hij wist dat zij verder als leden van de burgerij door het leven zouden gaan, dat ze zich in het Victoriaanse Engeland nooit geheel zouden thuis voelen en dat Charlie vaak naar de tijd bij de Patrouille zou terug verlangen… maar dan weer naar zijn vrouw en kinderen zou kijken, en tot de slotsom komen dat het, alles bijeen genomen, niet zo’n groot offer geweest was. Dat alles werd hem duidelijk; toen was de Danelliaan weer verdwenen. Nadat de zwarte mist die over zijn denken lag, weer wat was opgetrokken, en hij met helderder blik naar de twee agenten van de Patrouille keek, wist hij nog niet wat zijn eigen lot zou zijn.

‘Kom op,’ zei de eerste. ‘Laten we maken dat we hier weg komen, voor er iemand wakker wordt. We zullen je een lift naar je eigen tijd geven, 1954, is het niet?’

‘En wat gebeurt er daarna?’ vroeg Everard. De Patrouille-agent schraapte zijn keel. Achter zijn onverschillige houding trachtte hij te verbergen, hoezeer de ontmoeting met de Danelliaan hem geschokt had. ‘Breng rapport uit bij de commandant van uw sector. U hebt duidelijk getoond, ongeschikt te zijn voor het routinewerk.’

‘Zo… ik word eruit gegooid, nietwaar?’

‘U hoeft niet zo dramatisch te doen. Denkt u dat er nooit eerder zoiets heeft plaatsgevonden in de miljoenen jaren dat de Patrouille bestaat? Er is een vaste procedure voor dit soort gevallen.’

‘Natuurlijk hebt u een uitgebreider opleiding nodig. Een persoonlijkheid als de uwe is het meest geschikt voor werk in bijzondere dienst — werk in iedere periode en overal waar of wanneer men u nodig zal hebben. Ik vermoed dat u het wel plezierig zult vinden.’

Vermoeid klom Everard op de tijdmachine. En toen hij er weer afstapte, waren tien jaren voorbijgegaan.

Загрузка...