10

De Cock en Vledder liepen vanaf de Warmoesstraat door de drie stegen naar de Geldersekade. Het was opvallend stil in de nauwe sloppen van de binnenstad. Alleen op de hoek van de Zeedijk en de Waterpoortsteeg stonden, op enige afstand van elkaar, kleine groepjes heroïnehandelaren. Ze kwetterden met elkaar in een snel takkie-takkie. Toen de beide rechercheurs hen voorbij gingen, viel er even een stilte. Achter hun rug leefde het gekwetter weer op. In de pandjes aan de smalle Geldersekade kwam de prostitutie langzaam op gang.

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. Het was kwart over elf. Hij hoopte dat Freekie van Wezel al aan het ontbijt zat. Hij kende het wereldje van de gokpenoze. Ze gingen diep in de nacht naar bed en stonden in de regel niet voor het middaguur op.

Bij de Schreierstoren bleef de grijze speurder staan en keek door de spijlen van het hoge ijzeren hek naar het houten vlondertje. Het was nu al bijna drie dagen geleden dat daar boven het drabbige grachtenwater het lijk van Pierrot lag. Sindsdien was hij met zijn onderzoek niet veel verder gekomen. De moordenaar en zijn motief lagen nog achter mistige sluiers.

Hij tuurde de omgeving af en bedacht langs welke waterwegen de Geldersekade was te bereiken. In verband met de werkzaamheden aan de metrolijn, was dat lange tijd erg beperkt geweest. Nu lag alles weer open. Voor hij doorliep, wierp hij nog een laatste blik op het vlondertje. Aan de zijkant dobberden een paar gebruikte condooms. Een slordig hoertje had in de gracht het emmertje van haar peeskamer geleegd.

Ze slenterden om de Schreierstoren naar de Prins Hendrikkade en vandaar naar de brede zijde van de Geldersekade. Bij een zware eiken deur met een getralied luik op ooghoogte bleef De Cock staan en belde, lang en dringend. Het duurde ruim een minuut. Toen werd het luik geopend en verscheen achter de tralies een nors mannengezicht. De Cock herkende een van de portiers van het gokhuis en grijnsde vriendelijk. ‘Ken je mij?’ De man bromde. ‘De Cock… van de Warmoesstraat.’ De ogen van de grijze speurder lichtten op. ‘Heel goed. Doe de deur open. Ik wil Freekie spreken.’

De man maakte een hoofdbeweging. ‘Freekie slaapt nog.’ ‘Dan maak je hem wakker.’

De man aarzelde.

‘Waar gaat het over?’

De Cock liet de grijns van zijn gezicht vallen.

‘Moord,’ zei hij strak.

De man achter de tralies trok een vies gezicht.

‘Moord?’ herhaalde hij verrast.

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Zeg dat maar tegen Freekie. En zeg hem ook dat ik niet van plan ben om voor deze deur weg te gaan, voor ik hem heb gesproken.’ De man deed het luik zorgvuldig dicht en De Cock keek op zijn horloge. Na ruim vijf minuten werd de deur geopend. Dezelfde man, die de grijze speurder te woord had gestaan, ging de beide rechercheurs voor door een lange, brede, met wit marmer beklede gang. Aan het einde van de gang liep een houten trap met fraai bewerkte spijlen in een halve draai omhoog naar de eerste verdieping. Naast een met donker leer gecapitonneerde deur zonder kruk, drukte de man op een klein paneel. De deur sprong klikkend open. De man keek De Cock van terzijde glimlachend aan. ‘We hebben sinds kort de tent hier totaal beveiligd. Als ik beneden een schakelaar omzet, komt er geen hond meer in of uit.’ De Cock keek hem aan.

‘Was het nodig?’ vroeg hij onnozel. Hij wist, dat er tussen de gokbazen van de binnenstad een concurrentiestrijd was losgebarsten en dat men over en weer knokploegen vormde om het interieur van elkaars speelpaleizen wat bij te schaven. Van dergelijke kapitale vernielingen werd bij de politie nooit aangifte gedaan. Men zinde eenvoudig op wraak.

Zonder op de vraag van De Cock te reageren, bracht de man de beide rechercheurs naar een ruim hoog vertrek met een tiental diepe leren fauteuils.

‘Als u hier even wilt plaatsnemen… Freekie is bezig zich te wassen.’

Het duurde niet lang. Toen kwam vanuit een zijdeur een bonkig gebouwde man. Hij had een grof, breed gezicht met een platte boksersneus. Op zijn reeds kalende schedel glansde dun vlasblond haar. Hij droeg een paarszijden ochtendjas. Een sjaal bolde onder zijn forse kin.

Met grote stappen liep hij op de grijze speurder toe en drukte hem de hand. De aanwezigheid van Vledder negeerde hij volkomen. Met een ruk trok hij een fauteuil bij, stak een sigaret op en ging tegenover de rechercheur zitten. Nadat hij met zichtbaar genoegen een wolk rook naar de zoldering had geblazen, sprak hij met spot in zijn stem: ‘Moord, De Cock?’

De Cock grijnsde.

‘Hoe noem je het, als je heel doelbewust iemand geniepig zeventien centimeter staal tussen zijn ribben duwt?’

Freekie van Wezel tikte met zijn middelvinger op zijn brede borst. ‘En… eh, dat moet ik gedaan hebben?’

De Cock strekte zijn hand naar de hoge ramen. ‘Hier dichtbij. Aan de overkant van het water, op het houten vlondertje van de Schreierstoren, lag een dode Pierrot. Omdat iemand mij heeft ingefluisterd dat hij bij jou nogal wat speelschulden had…’ Hij glimlachte een tikkeltje vals, ‘…en ik weet op welk een… eh, indringende manier jij de mensen tot betalen maant…’ Hij maakte zijn zin niet af, maar boog zich iets naar voren.

‘Freekie… had Pierrot bij jou speelschulden?’

‘Speelschuld is ereschuld.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat is geen antwoord op mijn vraag. Had Pierrot bij jou speelschulden?’

‘Ja.’

‘Veel?’

‘Daar laat ik mij niet over uit.’

De Cock glimlachte.

‘In ieder geval genoeg om hem onder druk te zetten.’ Het klonk te vriendelijk.

Freekie van Wezel gebaarde wrevelig.

‘Als ze winnen, betaal ik ook uit.’

De Cock negeerde de opmerking.

‘Jij hebt Pierrot bedreigd?’

Freekie van Wezel antwoordde niet direct. Hij inhaleerde diep en liet de rook weer uit zijn longen ontsnappen.

‘Kijk, De Cock,’ sprak hij geduldig, ‘dat woord be-drei-gen wil ik niet meer horen. Ik zei al: speelschuld is ereschuld. Dat weet iedere gokker. De mensen die hier regelmatig komen… en Pierrot kwam hier regelmatig… krijgen van mij krediet… zoveel ze willen.’ Hij klapte met zijn vlakke hand op de leuning van zijn fauteuil. ‘Maar als iemand niet op tijd over de brug komt… dan bedel ik niet… maar ik ga hem toch wel even aan zijn verplichtingen herinneren.’

‘Zoals bij Pierrot?’

Freekie van Wezel knikte om te overtuigen.

‘Zoals bij Pierrot,’ herhaalde hij kalm.

‘En daarvoor ben je bij hem thuis geweest?’

‘Ja. Hij was met zijn betaling al meer dan een week over tijd en liet zich niet meer zien. Dat is een slecht teken voor een gokbaas. Ik heb hem toen opgezocht in zijn woonboot aan de Binnenkant.’

‘Jij… alleen?’

Freekie van Wezel grinnikte.

‘Wat moet ik met getuigen?’

‘Wanneer was je op die woonboot?’

De gokbaas kneep zijn ogen even dicht.

‘Drie dagen… drie dagen voor zijn dood.’

De Cock keek de man voor hem schuins aan.

‘Wanneer liep definitief zijn termijn af?’

‘Je bedoelt… wanneer hij uiterlijk moest betalen?’

‘Precies.’

Freekie van Wezel toonde voor het eerst enige verwarring. ‘Op de avond,’ sprak hij hees, ‘dat hij daar op het vlondertje lag.’ De Cock trok zijn gezicht strak.

‘Merkwaardig… vind je niet?’

Freekie van Wezel kwam wat wild en nerveus uit zijn fauteuil overeind. ‘Wat nou… merkwaardig.’ Hij schreeuwde onbeheerst. ‘Niks merkwaardig. Ik heb met de dood van die gekke clown geen moer te maken.’ Hij tikte met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. ‘Ik ben niet gek. Je denkt toch zeker niet dat ik een vent die ik zelf om zeep heb geholpen, bij mij voor op de stoep leg?’

De Cock ging op de vraag niet in.

‘Was het Pierrots eerste termijn?’

Freekie van Wezel schudde geërgerd zijn hoofd en ging weer in zijn fauteuil zitten. ‘Het ging niet goed met Pierrot de laatste tijd. Hij gokte te zwaar, vroeg steeds grotere kredieten en zijn betalingen kwamen onregelmatig. In het begin heb ik mij soepel opgesteld. Ik heb hem een paar maal vriendelijk gewaarschuwd. Ik heb hem voorgesteld om een tijdje niet te spelen en eerst zijn schulden te voldoen. Je begint niet direct met zwaar geschut.’

‘Daar kwam je uiteindelijk wel mee? Dat… eh, dat zware geschut, bedoel ik.’

Freekie van Wezel zuchtte.

‘Ik moest wel. Het gaat mij uiteindelijk om de centen. Ik heb hem de laatste maal duidelijk aan zijn verstand gebracht dat hij eindelijk over de brug moest komen.’

Hij zweeg even. ‘In contanten.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. Hij had in de woorden van de gokbaas een toon beluisterd, die hem waakzaam maakte. ‘Wat bedoel je… in-con-tan-ten?’

Freekie van Wezel drukte zijn sigaret in een asbak uit. ‘Hij bood mij een partijtje juwelen.’

De Cock wipte in zijn fauteuil naar voren.

‘Juwelen?’ riep hij onthutst.

Freekie van Wezel knikte rustig.

‘Daar wilde hij zijn speelschulden mee betalen.’

Aan de brede zijde van de Geldersekade sjokten ze zwijgend over het trottoir. leder bezig met zijn eigen gedachten. De uitspraken van de gokbaas hadden de moord op de clown plotseling een nieuwe dimensie gegeven. Het was Vledder, die het zwijgen verbrak.

‘Geloof jij werkelijk dat Freekie van Wezel niet geïnteresseerd was in de juwelen?’

De Cock knikte traag.

‘Voor zover ik Freekie ken… geloof ik dat. Freekie van Wezel is geen man die onnodige risico’s neemt. Als hij de juwelen, waarvan hij zelf zegt, dat hij begreep dat ze van diefstal afkomstig waren, als betaling van Pierrots speelschulden had aangenomen, dan had hij er toch een keer mee op de markt moeten komen… met alle risico’s daaraan verbonden. Het voorstel dat hij de clown deed… verkoop jij de juwelen maar en geef mij de poen… ligt volkomen in de lijn van Freekies denken.’ Vledder zuchtte diep.

‘We weten niet eens om welke juwelen het gaat. Freekie zegt dat hij ze niet heeft gezien.’ Hij keek De Cock van terzijde aan. ‘We zijn er nog nooit gaan kijken… zouden ze in die woonboot liggen?’

De grijze speurder trok zijn schouders op.

‘Het zou uiterst dom zijn geweest van Pierrot om dat te doen. Zeker nadat hij Freekie van Wezel had geopenbaard dat hij over een partijtje juwelen beschikte.’ Hij grinnikte. ‘Ik zie er Freekie wel voor aan om een bevriende penozerelatie te tippen om eens in die woonboot te gaan snuffelen… uiteraard nadat Freekie van Wezel zijn eigen belangen had veilig gesteld.’

‘Je bedoelt… nadat Pierrot hem zijn speelschulden had betaald?’ De Cock vervolgde zijn verhaal. ‘Maar zover is het volgens Freekie van Wezel niet gekomen. Pierrot werd vermoord enkele uren voordat zijn definitieve betalingstermijn afliep.’ Hij zweeg even. Zijn gezicht versomberde en peinzend kauwde hij op zijn onderlip. ‘Ik weet zo ongeveer wat Freekie met zwaar geschut bedoelt. We kunnen gerust aannemen dat Pierrot de laatste uren van zijn leven in wanhoop alles heeft gedaan om aan geld te komen.’

Ze sloegen vanaf de Geldersekade linksaf en liepen de Binnen Bantammerstraat in. Ook in het aloude domein van de Amsterdamse Chinezen was het rustig. De vele eethuisjes waren nog niet geopend. Aan het einde van de Binnen Bantammerstraat namen ze links de brug en slenterden over de Binnenkant. ‘Welke schuit is het?’

Vledder wees voor zich uit.

‘Verderop, ongeveer bij de Schippersstraat.’ Hij blikte opzij. ‘Hoe wil je die boot binnenkomen? Ik heb in de kleding van de dode Pierrot geen enkele huissleutel gevonden.’

De Cock glimlachte. De accolades rond zijn mond dansten vrolijk. Hij tastte in zijn broekzak naar het apparaatje dat hij eens, langgeleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen. Een koperen houdertje met daarin, uitschuifbaar, een keur van stalen sleutelbaarden.

Vledder zag de beweging.

‘Je gaat toch niet weer inbreken?’ In zijn stem klonk bezorgdheid. ‘Waarom? Als we naar de commissaris stappen, krijgen we zonder meer een bevel tot huiszoeking mee.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Daar begin ik niet aan,’ sprak hij resoluut. ‘De commissaris zal ongetwijfeld om tekst en uitleg vragen. En dat wil ik hem niet geven… nog niet. Daarvoor weten we te weinig. Bovendien moet ik hem dan vertellen dat ik mij, ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, toch met de moord op Pierrot bezighoud.’ Hij keek naar zijn jonge collega. ‘Hoe konden we anders weten dat de clown juwelen had aangeboden ter betaling?’

Vledder zuchtte van vertwijfeling.

‘Het is toch mogelijk dat juist die huiszoeking de juwelen boven tafel brengt.’

De Cock reageerde niet. Als het maar enigszins mogelijk was, hield hij de commissaris buiten zijn onderzoek. Bij de Schippersstraat liep hij over de loopplank naar de toegangsdeur van de woonboot. Voorzichtig voelde hij aan de deurknop. De deur was op slot. Hij draaide zich om naar Vledder. ‘Ga dicht achter mij staan. Ik wil niet dat iemand op mijn vingers kijkt.’ De jonge rechercheur bromde, maar stelde zich toch breed achter de grijze speurder op.

De Cock diepte het apparaatje uit zijn broekzak op, koos met kennersblik de juiste sleutelbaard en morrelde in het sleutelgat. Na luttele seconden gleed de deur piepend open.

Omzichtig stapten ze naar binnen. De Cock deed de toegangsdeur weer achter zich in het slot. Daarna liepen de beide rechercheurs verder de hal in. Rechts stond een deur op een kier. De Cock duwde hem verder open.

Verrast bleef hij in de deuropening staan en nam de situatie in zich op. In de kamer voor hem heerste een onbeschrijfelijke wanorde. In het midden lag een tafel met vier poten omhoog. De stoelen waren omver geworpen en laden en kasten overhoop gehaald. De inhoud lag her en der over de vloer verspreid. Vledder hijgde in zijn nek.

‘Ze zijn ons voor geweest.’

De Cock liep verder de kamer in. Vledder volgde.

Aan het einde van het vertrek leidde een open deur naar de slaapkamer. Ook hier een beeld van wanorde. Leeggehaalde kasten, een omgetrokken bed.

Vledder stootte De Cock aan en wees naar een blauw overgordijn, dat tot aan de vloer reikte. Het bolde alsof het door de wind werd gedragen. De Cock sloop er heen en trok het met een ruk opzij. De deuren naar een kleine veranda stonden open. De Cock bleef peinzend staan. Het beeld intrigeerde hem. De kruk van de spanjoletsluiting stond omhoog. Hij onderzocht de deuren zorgvuldig. Er waren geen sporen van braak of verbreking. Hij wees om zich heen.

‘Ik wil hier de tohd.[2] Ik heb mij steeds al afgevraagd waar de clown…’ Plotseling stokte hij. Zijn scherp gehoor had een piepend geluidje waargenomen. Hij wenkte Vledder naar zich toe. ‘Er is iemand aan de deur,’ fluisterde hij.

De beide rechercheurs wachtten ruim een halve minuut. Toen traden ze uit de slaapkamer naar voren.

Midden in het ruime vertrek, bij een omgeworpen stoel, stond een jonge vrouw. De Cock liep op haar toe.

‘Wie bent u?’ vroeg hij vriendelijk. De vrouw keek hem verbijsterd aan.

‘Charlotte,’ stamelde ze, ‘Charlotte… de vrouw van Fantinelli.’

Загрузка...