De Cock wreef met een hand over zijn gezicht. Tussen zijn gespreide vingers door keek hij naar Vledder. ‘Vraag aan de wachtcommandant of hij hem even in de hal op de bank wil laten plaatsnemen. Zeg maar dat we hem over een paar minuten komen halen.’ Hij stak waarschuwend zijn wijsvinger omhoog. ‘Hij mag niet weg. Onder geen beding.’
Dick Vledder gaf het bericht door en legde de hoorn op het toestel terug. ‘Wat zou hij komen doen?’ vroeg hij gespannen. De Cock strekte zijn hand naar het werpmes op het bureau van Vledder.
‘Geef dat maar hier.’
Vledder schoof het hem toe.
‘Kan hij het weten?’
‘Wat?’
‘Dat de clown met een werpmes werd vermoord?’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd en vroeg: ‘Wat stond er in de kranten?’
‘Niets over een werpmes. Ik heb twee ochtendbladen bekeken. In beide stond een kort bericht van nog geen kwart kolom ergens op een binnenpagina… over een clown die onder aan de Schreierstoren dood op een vlondertje werd gevonden. Meer niet. Geen naam of verdere aanduidingen. Geen bijzonderheden.’
‘Het is langgeleden dat een moord nog voorpaginanieuws was.’ Het klonk bitter en cynisch. De Cock trok de wrange plooien rond zijn mond glad. Zijn gezicht kreeg een ernstige expressie. Bedachtzaam gleed zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Als… eh,’ begon hij aarzelend, ‘als Fantinelli dit weet.’ Hij pakte het zware werpmes op en legde het in een lade van zijn bureau. ‘Dan bestaan er twee mogelijkheden: óf Peter van Dongen heeft hem daarover ingelicht óf hij is de moordenaar.’
Vledder haalde de man uit de hal en begeleidde hem naar de recherchekamer. Daar liet hij hem op de stoel naast het bureau van De Cock plaatsnemen.
De grijze speurder glimlachte innemend.
‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij wuifde in de richting van de jonge rechercheur. ‘Met Vledder, mijn onvolprezen hulp, hebt u al kennisgemaakt.’
De man knikte. Hij keek even naar de assistent en wendde zich daarna tot De Cock.
‘Ik heb vanmorgen in de krant gelezen dat onder aan de Schreierstoren een dode clown is gevonden.’
‘Dat is juist.’
‘Ik wil hem zien.’
De Cock trok quasi verbaasd zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom?’ De man verschoof iets op zijn stoel en stak daarna zijn kin strijdlustig naar voren. ‘Ik wil weten wie hij is,’ sprak hij kort en vinnig. ‘Je kunt alles en iedereen in een clownspak stoppen.’ Hij gebaarde heftig. ‘Wat is een clown? Een clown is niets… absoluut niets… een gek pak, te grote schoenen en een bek vol schmink.’ De Cock beluisterde de intonatie. De woorden van de man hadden een ondertoon van haat, jaloezie en afgunst. Hij leunde iets achterover en nam hem nauwkeurig op. De oude rechercheur schatte hem achter in de dertig. Hij had een bolrond gezicht en een zwarte, iets terugwijkende haardos. De bruine ogen, onder borstelige wenkbrauwen, schitterden kwaadaardig.
De Cock boog zich weer naar voren.
‘Ik herinner mij niet,’ sprak hij, ‘dat u zich aan mij hebt voorgesteld.’
De man wees met een kromme vinger naar de vloer. ‘Beneden… aan de balie… heb ik gezegd wie ik was… Fantinelli.’ De Cock knikte.
‘Fantinelli,’ herhaalde hij traag. ‘Het klinkt Italiaans. Is dat uw familienaam?’
De man schudde zijn hoofd. ‘Mijn artiestennaam. Ik heet in werkelijkheid Kees Uilenbroek.’ Om zijn mond gleed een droeve grijns. ‘Begrijpt u… geen naam voor een affiche.’ De Cock glimlachte beleefd.
‘U bent artiest?’ vroeg hij overbodig.
‘Ja… variété… messenwerper.’
De Cock schonk Fantinelli blikken van bewondering. ‘Ik ben al vanaf mijn kinderjaren een groot liefhebber van het variété,’ loog hij pertinent en met groot enthousiasme. ‘Het is een liefde die ik van mijn vader heb geërfd. Vooral messenwerpers… de moed, de kracht en de precisie, dat bewonder ik. Geweldig.’ Hij zweeg even en hield zijn hoofd wat schuin. ‘U werkt ook met zo’n beeldschone partner op een draaiend rad?’
‘Ja… mijn vrouw.’
‘Hebt u nooit angst om mis te gooien?’
Fantinelli schudde zijn hoofd.
‘Maar misschien doe ik het nog wel eens.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Ik begrijp u niet.’
De messenwerper verschoof weer op zijn stoel. Zijn gezicht kleurde en zijn handen balden zich tot vuisten.
‘Dat eeuwige geflirt van dat wijf. Ik word er doodziek van. Ze heeft steeds een ander. Twee jaar geleden was het een goochelaar. Vorig jaar een acrobaat. Ze fladdert wat af. Ik denk wel eens dat ze nymfomaan is. Nu heeft ze weer met een clown aangepapt.’ De Cock vroeg verrast: ‘Een clown?’
‘Ja.’
De Cock strekte zijn wijsvinger naar de messenwerper uit. ‘Wil je daarom zo graag die dode clown zien?’
Fantinelli knikte heftig.
‘Als hij dood is ben ik voorlopig weer van een hoop ellende af.’ De Cock boog zich met een ruk naar voren.
‘Als wie dood is?’
De messenwerper antwoordde niet.
‘Als wie dood is?’ herhaalde De Cock dwingender.
Fantinelli liet zijn hoofd zakken.
‘Pierrot.’
Vledder keek zijn oude collega ontzet aan.
‘Je liet hem gaan.’ Zijn stem trilde van verbijstering en woede. ‘Je liet hem gaan.’ Hij wees met beide armen naar de deur van de recherchekamer. ‘Zomaar… de moordenaar. Loopt gewoon het bureau uit.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hij is de moordenaar niet.’
Vledder grinnikte ongelovig.
‘Hij had een motief… een duidelijk motief.’ Hij wuifde naar het werpmes op het bureau van De Cock. ‘En dat ding in de rug van Pierrot was zijn mes.’
De Cock schoof het wapen weer in de lade van zijn bureau. ‘Dat gaf hij toe,’ sprak hij bedaard. ‘Maar een hele set van twaalf werpmessen is vorige maand in Apeldoorn uit zijn auto gestolen. Dat heeft het personeel bij de politie ter plaatse gecontroleerd en het klopt.’
Vledder grijnsde met een scheef gezicht.
‘Wat zegt dat?’ riep hij ontdaan. ‘Die Fantinelli lijkt mij slim genoeg om eerst aangifte te doen van diefstal van zijn messen om daarna een ervan als moordwapen te gebruiken.’ De Cock zuchtte diep.
‘Hij deed het niet.’
Vledder zwaaide met zijn armen. Nog nooit was hij het zo oneens geweest met zijn leermeester.
‘Wie zegt dat?’ schreeuwde hij.
‘Mijn gevoel.’
De jonge rechercheur sloot even zijn ogen.
‘Gevoel,’ herhaalde hij dof. Het was alsof hij een vies woord uitsprak. ‘Wat is gevoel? Het gaat om bewijzen.’ Hij pakte een stoel en ging er achterstevoren op zitten. ‘Zie je dat dan niet, De Cock?’
‘Wat?’
‘Fantinelli is niet alleen slim. Hij is ook brutaal. Hij komt na de moord heel rustig naar het politiebureau en draagt het motief aan.’
‘Ja. En?’
Vledder snoof over zoveel onbegrip.
‘Wij waren er bij ons onderzoek toch wel achtergekomen dat zijn vrouw een verhouding had met Pierrot. Nu hij dat schijnbaar argeloos komt vertellen, neemt hij ons de wind uit de zeilen.’ De Cock wreef een paar maal met duim en wijsvinger in zijn ooghoeken. Het was een loom gebaar van vermoeidheid. Hij draaide zich iets om en legde vertrouwelijk zijn rechterhand op de schouder van Vledder.
‘Luister eens, Dick,’ sprak hij geduldig, ‘wat blijft er over van het motief van Fantinelli? Niets. Zijn blijkbaar nymfomane vrouw heeft in de loop der jaren een verhouding met talloze mannen gehad… verhoudingen, die de messenwerper niet zijn ontgaan. En? De acrobaat maakt op het toneel nog kwiek en gezond zijn hoogstandjes en de trapezewerker zweeft nog avond aan avond heel opgewekt door de nok van het circus.’ Vledder kneep zijn lippen op elkaar.
‘De clown is dood.’ Het klonk strak en verbeten.
De Cock schonk zijn jonge collega een moede glimlach. ‘Inderdaad,’ reageerde hij mat, ‘de clown is dood. Vermoord. Maar niet door de messenwerper… zo het lijkt… met zijn eigen mes.’ Hij stond van zijn stoel op. ‘Fantinelli houdt van zijn vrouw. Ondanks alles. Hij wil haar niet blijvend verliezen. Menig slippertje van haar heeft hij al met de mantel der liefde bedekt. En zou hij nu…’ De Cock maakte zijn zin niet af. Traag slenterde hij naar de kapstok.
Vledder liep hem na. Zijn oude mentor had hem niet geheel kunnen overtuigen.
‘Waar ga je heen?’
De Cock grijnsde.
‘Naar Smalle Lowietje… mijn droge keel dorst naar een cognackie.’
Lowietje, ter aanduiding van zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, trok zijn levendig muizensmoeltje in een vriendelijke plooi, staakte het glazen spoelen, veegde zijn vingers langs zijn morsig vest en stak rechercheur De Cock spontaan zijn hand toe. Vledder kreeg een genadig knikje. ‘Welkom,’ kirde hij, ‘in mijn etablissement.’
De Cock hees zijn zware lijf op een barkruk.
‘Ook goedemiddag,’ reageerde hij laconiek.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fles pure Franse cognac Napoléon, die hij met een haast devoot gebaar voor de rechercheurs neerzette. ‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. ‘Ik ben er nog zuiniger op dan op mijn vrouw.’ Hij pakte drie bolle glazen en schonk in, statig en plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.
De Cock keek vriendelijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de smalle caféhouder een dief was en een heler — een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn almachtige wijsheid had verboden — hield hij van Lowietje.
‘Proost.’
Hij nam het glas op, schommelde het in zijn hand en snoof de prikkelende geur van de cognac op. Voorzichtig nam hij een slokje. Zacht gleed het fluwelen vocht langs zijn dorstige keel. Hij keek even peinzend naar het glas en zette het toen met een teder gebaar op de tapkast terug.
‘Er zijn ogenblikken,’ sprak hij filosofisch, ‘dat ik mij volledig verzoen met het leven.’
Smalle Lowietje knikte instemmend. Bewonderend keek hij naar De Cock.
‘Soms zeg je van die mooie dingen.’
Vledder snoof. ‘Jij maakt hem niet alle dagen mee.’ De tengere caféhouder keurde de jongeman geen blik waardig. Hij had er nog steeds moeite mee om Vledder volledig te accepteren. Verstoord wendde hij zich tot De Cock. ‘Druk aan de Kit?’ De grijze rechercheur glimlachte.
‘Ik denk niet dat ik ooit werkloos word. Misdaad kent geen malaise.’ Hij blikte even om zich heen en boog zich toen iets naar voren. ‘Ik zoek antieke juwelen,’ fluisterde hij.
‘Veel?’
‘Voor een miljoen.’
Lowietje floot tussen zijn tanden.
‘Dat is niet gering.’ Hij hield zijn hoofd iets scheef. ‘Mooi spul?’ ‘Dacht ik wel. Als je eens wat aangeboden krijgt… je weet waar de Kit staat.’
De caféhouder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Ik verwacht niet dat ze bij mij komen. Ze weten in het penozewereldje dat ik niet zo kapot ben van juwelen. Ze zijn door de eigenaar vrijwel altijd te herkennen en als foks[1] brengt het bijna niets op.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Ken je ene Clarisse?’ veranderde hij van onderwerp. ‘Een hoertje dat voor een uitzendbureau werkt.’
Smalle Lowietje knipoogde.
‘Klaartje Paardestaart.’
‘Heet ze zo?’
De caféhouder gniffelde.
‘Ik weet dat ze zich tegenwoordig Clarisse laat noemen, maar ze heet gewoon Klaartje en van kinds af aan draagt ze het rode haar in een staart. Begrijp je? Maffe Kee weet wel waar ze woont.’ De Cock knikte hem dankbaar toe, pakte zijn glas op en dronk het genietend leeg.
‘Schenk nog eens in.’
Lowietje reageerde met de snelheid van een kastelein. ‘Is die dode clown ook van jou?’ vroeg hij.
De Cock glimlachte.
‘Je bedoelt… of ik die moord behandel?’
De caféhouder knikte.
‘Ze hebben jou bij de Schreierstoren zien staan.’
‘Dat klopt. Iets gehoord?’
Smalle Lowietje trok een grijns.
‘Er gaan altijd geruchten.’
‘Wat voor geruchten?’
‘Dat ze failliet waren.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Wie waren failliet?’
‘Dat variétégroepje.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Die… eh, die clown van de Schreierstoren behoorde bij een variétégroepje?’
‘Ja.’
‘Hoe groot was die groep?’
‘Een man of tien, twaalf.’
‘Geen vrouwen?’
Lowietje lachte.
‘Natuurlijk waren er vrouwen. Variété zonder vrouwen is ondenkbaar. En het waren mooie vrouwen. Als ze in Amsterdam optraden, kwamen ze hier wel eens een afzakkertje nemen. Vooral Vlindertje was een schoonheid.’
De Cock verslikte zich bijna in zijn cognac.
‘Vlindertje?’
Lowietje knikte nadrukkelijk.
‘Ze had een soort dansnummer met plastic vleugeltjes op haar rug. Daarbij zat ze vast aan een kabel met een katrol en dan lieten ze haar over de bühne zweven.’
De Cock zette zijn glas neer.
‘Vlindertje,’ lispelde hij verbijsterd. ‘Vlindertje.’ In een opwelling nam hij het muizensmoeltje van de caféhouder tussen zijn beide handen. ‘Soms, Lowie,’ sprak hij teder, ‘soms zeg je van die mooie dingen.’