15

‘Hoe kan dat?’

Vledder keek De Cock verbaasd aan.

‘Wat?’

‘Dat Ben Kreuger kon zeggen dat de vingerafdrukken die hij in de woning van Vlindertje had gevonden, van Maurice van Vlaanderen waren? Was hij al eens met de politie in aanraking geweest?’

Vledder knikte. ‘Maurice van Vlaanderen werd op achttienjarige leeftijd betrapt bij een diefstal. De zaak werd met een reclasseringsrapport afgedaan, maar zijn vingertjes bleven bij ons in de collectie bewaard.’

‘Wat voor een diefstal?’

‘Juwelen.’

De Cock liet zich verslagen in de stoel achter zijn bureau zakken. ‘Allemachtig… ook dat nog.’ Het klonk als een noodkreet. Vledder boog zich naar hem toe. ‘Veranderen we onze plannen? Ik bedoel, gaat het door… laat ik morgen aan de oude Van Vlaanderen in het mortuarium het lijk van Vlindertje zien?’ De Cock knikte traag.

‘Dat lijkt mij nog steeds zinvol. Maar houd je mond. Vertel de oude niets over de vingerafdrukken van zijn zoon Maurice.’ Vledder schudde zijn hoofd. ‘Ik beloof je dat ik dat niet zal doen.’ Hij keek zijn mentor onderzoekend aan. ‘En wanneer arresteren we Maurice?’

Met een doldraaiend raderwerk in zijn hersenen probeerde De Cock de zoon van de makelaar te plaatsen in het totaalbeeld van de gebeurtenissen. Het lukte niet. ‘Ik… eh,’ begon hij aarzelend, ‘ik wil eerst de reactie afwachten van Van Vlaanderen op het zien van het lijk van Vlindertje. Ik blijf morgenochtend hier aan het bureau om dat na de sectie van je te horen.’

‘Waarom ga je niet mee? Jij hebt meer ervaring in het peilen van reacties dan ik.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Denk om het mes in de rug van Vlindertje. Ik wil het hebben.’ Hij trok de lade van zijn bureau open, nam daaruit het werpmes waarmee de clown was vermoord en bekeek het aandachtig. ‘Ik ga morgen een paar telefoontjes plegen. Onder andere met de rijkspolitie te water.’ ‘Waarover?’

‘Of ze een speedboot hebben gevonden.’

‘Een speedboot?’ vroeg Vledder verrast. De Cock keek op zijn horloge. Moeizaam kwam hij uit zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok. ‘Ik ga naar huis. Het is bijna elf uur. Ik vind het weer mooi voor vandaag.’

Vledder liep hem na. ‘Wat wil je met een speedboot?’ De Cock draaide zich half om. ‘Vledder… hoe denk je dat het lijk van Pierrot op dat vlondertje aan de Schreierstoren is gekomen, op waterskies?’

Adjudant Kamphuis hield de deur met zijn voet tegen en stapte de recherchekamer binnen. Voor zijn buik droeg hij een enorme stapel dossiers. Bij het bureau van De Cock bleef hij staan en liet de berg papieren met een plof op het bureau vallen. De Cock keek nijdig op. ‘Wat moet ik daarmee?’

De adjudant trok zijn schouders op. ‘Persoonlijke opdracht van de commissaris. Ik moest ze op jouw bureau leggen. Ze komen uit Den Haag. Het gaat over diefstal van juwelen.’

De Cock schudde bedroefd zijn hoofd.

‘Kon hij ze zelf niet aan mij geven?’

Kamphuis grinnikte. ‘Buitendam zei dat hij dat had gedaan, maar dat je vergeten was om ze mee te nemen.’ Vrolijk fluitend liep hij weg.

De rechercheur schoof de stapel naar het uiterste puntje van zijn bureau. Zijn gezicht leek een donderwolk kort voor de ontlading. ‘En toch,’ siste hij weerspannig, ‘lees ik er geen letter van.’ Hij pakte zijn telefoon en drukte een nummer. Met een gebaar van ingehouden woede smeet hij de hoorn op het toestel terug. Het was al voor de zesde keer dat hij het in-gesprek-toontje hoorde. Hij probeerde het opnieuw, maar keek op toen Vledder wat wild de recherchekamer binnenstormde.

Het gezicht van de jonge rechercheur zag grauw. Hij liep op De Cock toe en gooide een dichtgeknoopte doorschijnende plastic zak, waarin een bebloed werpmes, op zijn bureau.

‘Hier… je souvenir.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Voel je je niet goed?’ Vledder zakte in zijn stoel. ‘Dit is de ellendigste sectie die ik ooit heb meegemaakt. Vlindertje… Vlindertje was een mooie vrouw, echt een mooie vrouw, zelfs op de snijtafel.’ De Cock negeerde de opmerking. ‘Heeft de oude Van Vlaanderen haar herkend?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Hij bleef een tijdje onbewogen naar haar kijken. Ik kon niets aan hem zien. Toen zei hij dat het vrouwtje hem volkomen onbekend was.’ Hij zuchtte. ‘En dan nog iets.’

‘Wat?’

‘Ik vroeg aan Van Vlaanderen of Maurice vanmiddag toevallig thuis was. Begrijp je, dat was makkelijk om te weten als we hem gingen arresteren.’

‘En?’

Vledder slikte.

‘Maurice is vannacht van huis weggebleven. De vogel is gevlogen.’

De Cock slenterde naar de kapstok en wurmde zich in zijn oude regenjas. Vledder kwam bij hem staan. ‘Zullen we, voor we weggaan, eerst een telexbericht uitsturen?’

‘Wat voor een telexbericht?’

‘Een verzoek tot opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Maurice van Vlaanderen.’

De Cock schudde langzaam zijn hoofd. ‘Wacht daar maar mee tot ik terug ben.’

Vledder keek hem wat vreemd aan. ‘Je gaat alleen weg?’ vroeg hij in een mengeling van verbazing en teleurstelling. ‘Ja.’

‘Waarheen?’

‘Naar de begrafenis van Pierrot. Ik ben benieuwd wie er na zijn dood nog belangstelling voor hem heeft.’

‘En… eh, wat doe ik in de tussentijd?’

De Cock wees naar zijn bureau. ‘Ik heb vanmorgen met de rijkspolitie te water gebeld. Ze hebben inderdaad een speedboot gevonden die ze niet kunnen thuisbrengen. Ze hebben het ding uit het Westelijk Havengebied naar de Westerdokskade[3] gesleept. Bekijk die boot eens goed. Ik denk dat daarmee het lijk van Pierrot is vervoerd.’

‘Van zijn woonboot aan de Binnenkant.’

‘Vanwaar?"

Denk je dat hij daar is vermoord?’ vroeg Vledder verrast. De Cock knikte traag. ‘Dat denk ik, ja. Ik neem niet aan dat er na de uitgebreide zoekactie van het snuitertje nog bruikbare sporen te vinden waren, maar vraag voor alle zekerheid nog even aan de TOHD of hun onderzoek nog iets heeft opgeleverd.’ ‘Dat zal ik doen. Wanneer kom je terug?’

Met een droeve grijns zei De Cock: ‘Na mijn laatste saluut aan de clown.’

Een ragfijne, kille, miezerige regen gleed onhoorbaar uit een laag, grauw wolkendek. Het leek alsof de hemel zich voorgoed van Amsterdam had afgewend en uit pure weerzin tegen haar aanblik de stad met een dikke, natte deken had afgedekt. De Cock trok de kraag van zijn regenjas met beide handen omhoog en duwde zijn hoedje verder naar voren. In zijn typische slenterpas schuifelde hij over het grind van de oude begraafplaats. Het water droop van zijn gezicht. Hij vroeg zich af of er iemand zou zijn. Toen hij scheef en onhandig de politiewagen tussen een parkeerafbakening tot stilstand bracht, had hij geen andere wagens gezien. Het verbaasde hem en in stilte hoopte hij dat er ook anderen waren om Pierrot naar zijn laatste rustplaats te begeleiden. Hij had de clown in leven niet gekend. De enige herinnering die hij aan hem had, was een in de dood verstard gezicht. De begraafplaats zag er triest en verlaten uit. De bloemen kleurden niet en zelfs de vogels hielden zich schuil. Gebogen slenterde De Cock verder. Toen hij opkeek, zag hij in de verte een vrouw. Ze stond eenzaam en alleen onder een afdakje vande aula. Het beeld kaatste in zijn herinnering. Het was niet de eerste keer dat hij zich in een dergelijk decor bewoog. Toen hij naderbij kwam, gleed er een glimlach van herkenning om zijn lippen. ‘Charlotte… ik ben blij dat ik je zie.’ Het klonk oprecht. Ze wees om zich heen en glimlachte triest. ‘Ik had ook meer opkomst verwacht. Het is zijn laatste optreden.’

Een grote lijkwagen reed met oneerbiedige snelheid de begraafplaats op. Bij de aula remde de wagen. De wielen knarsten in het grind. Er stapte een man uit in een zwart uniform en liep op een holletje naar hen toe. ‘Komt u voor de heer Eickelenbosch?’ Ze knikten beiden.

‘Oh,’ zei de man. Hij was zichtbaar teleurgesteld. ‘U kunt ons volgen.’ Hij rende door de regen naar de wagen terug. Stapvoets reed hij de auto verder de begraafplaats op. Charlotte en De Cock volgden. Ze liepen zwijgend naast elkaar. De zwartglanzende wagen zoemde voor hen uit.

Charlotte blikte opzij. ‘Is het gebruikelijk dat een rechercheur de begrafenis van het slachtoffer bijwoont?’

De Cock schudde mistroostig zijn hoofd. ‘Het was een idee van mijzelf.’

‘Waarom?’

De grijze speurder trok achteloos zijn schouders op. ‘Ik had zo’n vaag vermoeden,’ sprak hij wat afwezig, ‘dat er weinig mensen zouden komen. Een clown en een begrafenis zijn twee dingen die in onze gedachtewereld niet zo goed bij elkaar passen. Een clown gaat niet echt dood en wordt begraven. Een clown verdwijnt, na het applaus, uit de piste… van het toneel. Dat is zijn einde.’ Hij likte langs zijn lippen en zuchtte. ‘Clowns maken op mij altijd een treurige indruk. Het is net alsof ze, ondanks hun grappen en grollen, een groot leed bij zich dragen.’

Charlotte hield haar pas iets in. De dampende uitlaat van de lijkwagen stonk. ‘Kent u zijn moordenaar al?’

‘Nee… jij?’

Charlotte antwoordde niet. Ze staarde naar beneden, naar het grind voor haar voeten.

‘Hebt u wel eens een optreden van Pierrot gezien?’

De Cock keek haar verontschuldigend aan. ‘Nooit.’ Ze ademde zwaar en duidelijk hoorbaar. ‘Dat is jammer. Dat is heel jammer. Dat had u niet mogen missen. Pieter was onnavolgbaar. Ik besefte dat voor het eerst, toen ik eens tussen het publiek in de zaal ging zitten, in plaats van zijn optreden vanachter het toneel te volgen. Het was haast magisch. Pieter hield de mensen volkomen in zijn ban.’

De Cock hield zijn hoofd voorover en liet het water uit de rand van zijn hoed lopen. ‘On-na-volg-baar.’

‘Beslist. Nederland krijgt nooit meer een Pierrot zoals hij.’ ‘U hield van hem?’

Rond haar lippen zweefde een moede glimlach. ‘Dat… eh, dat weet ik niet. Dat weet ik nooit. Fantinelli, de messenwerper, is mijn kind. Een groot hulpeloos kind. En een kind verlaat je niet. Misschien ben ik daarom wel steeds op zoek naar mannen.’ ‘Zoals de clown?’

Ze knikte nauwelijks waarneembaar. ‘Zoals de goochelaar, de acrobaat… zoals zovelen.’

Ze liepen een tijdje zwijgend verder. De regen werd intenser, feller. De Cock bekeek de grafstenen en las de data van geboorte en sterven. De meeste mensen, besefte hij schokkend, leefden maar kort.

Hij vestigde zijn blik weer op de lijkwagen voor hem en dacht na over de woorden van Charlotte.

‘Zou men hem echt niet kunnen vervangen?’

‘Wie?’

‘Pierrot.’

Charlotte schudde haar hoofd. ‘Onmogelijk.’

‘Toch gebeurde het. Op de avond dat wij de dode Pierrot met een werpmes in zijn rug op dat vlondertje aan de Geldersekade vonden, trad in Groningen een ander voor hem op.’

‘Is dat waar?’ vroeg ze verbaasd.

De Cock knikte. ‘En er was daar niemand… niet achter het toneel en niet in de zaal… die het doorzag.’

Charlotte bleef staan. De lijkwagen zoemde verder. Met de rug van haar hand veegde ze het water uit haar gezicht. In haar helgroene ogen lag een duistere blik.

‘Vlindertje… zij was de enige die Pierrots act volledig beheerste.’

Загрузка...