7

Klaartje Paardestaart zag er verrukkelijk uit. Trippelend op haar hoge hakjes wiegde ze door de recherchekamer op De Cock toe. Ze was uitdagend gekleed in een korte strakke rok, dofzwart, waarop een witzijden blouse met zwierige volanten en een geraffineerd decolleté.

De oude rechercheur zag haar met welgevallen naderen. Hij was niet ongevoelig voor vrouwelijk schoon. Vriendelijk glimlachend en met een buiging bood hij haar een stoel naast zijn bureau.

Ze nam bevallig plaats, trok haar rug recht en sloeg haar lange benen over elkaar. Tersluiks wierp ze een blik naar Vledder, pinkte een plukje helblond haar uit het gezicht en sprak met waarneembaar Amsterdams accent: ‘Moeder stuurt me.’ De Cock knikte begrijpend.

‘Ik wist niet dat je je tegenwoordig Clarisse laat noemen.’ Ze trok achteloos haar schouders op.

‘Klaartje klinkt zo burgerlijk.’

‘En dat ben je niet?’

‘Nauwelijks.’

‘Weet je waarover ik met je wil praten?’

Ze knikte traag.

‘De antieke juwelen.’ Ze veranderde plotseling van toon en trok haar hoofd iets op. Haar grote bruine ogen schitterden. ‘En je behoeft mij niet uit te kafferen… dat heeft moeder al gedaan.’ ‘Terecht?’

‘Hoe bedoel je?’

De Cock speelde met een pen in zijn hand. ‘Heb je met anderen over de juwelen van Van Vlaanderen gekletst?’

‘Alleen met Charlotte. Charlotte en ik hebben geen geheimen voor elkaar. Ze vertelt mij ook alles wat zij meemaakt.’ ‘Zoals?’

‘Haar affaire met die dode clown en hoe woest Fantinelli dit keer was. Hij trok haar toilettafel omver en schold haar uit voor loopse teef.’

‘Niet netjes.’

Klaartje schudde haar hoofd. ‘Maar hij heeft wel gelijk. Charlotte wil wel met iedere vent naar bed. Ik doe het voor de business en beleef er geen plezier aan… meestal niet.’

De Cock trok zijn gezicht in de plooi.

‘Charlotte heeft altijd plezier.’

Klaartje knikte glimlachend.

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

‘Hoe lang ken je Charlotte?’

‘Een jaar of twee.’

‘Je hebt dus al heel wat liefdesaffaires van haar meegemaakt.’ Klaartje gniffelde.

‘Charlotte doet altijd erg opgewonden over een nieuwe verovering. Ze geniet ervan dat ze mannen naar haar hand kan zetten.’ ‘Maar dit keer was Fantinelli echt woest over de nieuwe affaire van zijn vrouw,’ sprak De Cock bedachtzaam.

‘Ja.’

‘Toch treedt ze avond aan avond met hem op.’

Klaartje trok een denkrimpel in haar voorhoofd. ‘Je wilt zeggen: Is ze niet bang dat hij op het toneel een keer misgooit?’ ‘Precies.’

Een meewarig lachje zweefde om Klaartjes lippen.

‘Fantinelli kan niet zonder zijn Charlotte. En dat niet alleen vanwege hun variéténummer. Het ligt veel dieper, veel intenser. Fantinelli is aan haar verslaafd… als je begrijpt wat ik bedoel.’ ‘Ik meen het te begrijpen,’ reageerde De Cock voorzichtig. Vertrouwelijk boog hij zich wat naar voren. ‘Vertelt Charlotte ook alles aan haar man?’

Klaartje grinnikte vrolijk. ‘Ik denk het niet.’

De Cock keek haar strak aan. ‘Van de juwelen, bedoel ik.’ Nu verstarde het gezicht van Klaartje.

‘Jij denkt,’ sprak ze weifelend, ‘dat Fantinelli die juwelen heeft gestolen?’

De Cock gebaarde wat nonchalant.

‘Ik onderzoek de mogelijkheden.’

Klaartje schudde resoluut haar hoofd.

‘Fantinelli niet… daar is hij geen man voor.’ Ze spreidde haar handen. ‘Wat is Fantinelli… een onbeholpen groot kind, dat toevallig van zijn vader heeft geleerd hoe men met messen moet werpen.’ Ze zweeg even. ‘Het is dat hij Charlotte heeft, anders kwam zelfs daar niets van terecht.’

De Cock beluisterde de toon van minachting.

‘Is… eh, is die Charlotte zo sterk?’

Klaartje knikte heftig.

‘Ze heeft hem volkomen in haar macht.’

‘En jij?’

‘Wat?’

‘Heeft ze ook jou in haar macht?’

Klaartjes blikken dwaalden weg, ze zweeg. Kennelijk zocht ze bij zichzelf naar een antwoord.

‘Soms probeert ze het,’ sprak ze na een poosje. Het klonk wat afwezig. ‘Dan bemerk ik dat ze bezig is mij haar wil op te leggen.’ ‘En?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik denk niet,’ sprak ze ernstig, ‘dat haar dat ooit lukt. Zie je, ik… eh, ik ben een vrouw.’

‘Je bedoelt, dat alleen mannen voor haar… haar overwicht gevoelig zijn?’

Ze knikte een paar maal traag voor zich uit, leek nog steeds afwezig. ‘Ja, dat bedoel ik.’ Ineens trok ze haar kin omhoog. In haar grote bruine ogen lag een verschrikte blik. ‘Pierrot.’ ‘Wat is er met Pierrot?’

Klaartje slikte.

‘Aan hem… aan hem heeft ze van de juwelen verteld.’

De Cock keek zijn jonge collega meesmuilend aan.

‘Je hebt haar niet gearresteerd… jouw verdachte. Ze was hier… op een presenteerblaadje. Toen ik tegen Klaartje zei dat ze kon vertrekken, heb ik naar je gekeken. Maar je deed geen mond open. Je zat daar of je niet tot tien kon tellen.’ Hij zwaaide in de richting van de deur. ‘Zij was het toch… hoe zei je dat ook weer… de vrouw om wie alles draait?’

Vledder liet zijn hoofd hangen.

‘Ik durfde niet,’ sprak hij met een zucht. ‘Ik was al na een paar minuten overtuigd dat Klaartje er niet echt bij betrokken was.’ De Cock grijnsde.

‘Gevoelsmatig… of gebaseerd op feiten?’

Vledder draaide zijn hoofd weg. Hij voelde de priemende blikken van de oude rechercheur op zich gericht.

‘Gevoelsmatig.’ Hij had moeite om het woord te uiten. De Cock glimlachte.

‘Je wordt nog wel eens een goede rechercheur,’ sprak hij vertederd. Met een droeve trek op zijn gezicht schudde Vledder zijn hoofd. ‘Ik durfde haar niet eens te vragen of zij, op een of andere manier, achter de cijfercombinatie van de kluis van Van Vlaanderen was gekomen.’ Hij blikte naar De Cock. ‘Dat… eh, dat heb jij haar overigens ook niet gevraagd.’

‘Vond je het nodig?’

Vledder trok wrevelig zijn schouders op.

‘Tot voor een uurtje geleden vond ik Klaartje nog een bijna ideale verdachte. Als er iemand in staat was geweest de cijfercombinatie van de kluis te bemachtigen, was zij het.’ De jonge rechercheur gebaarde hulpeloos. ‘Wie moet je dan verdenken? Zoon Maurice?’ Hij snoof verachtelijk. ‘Of geloof je aan de pikgriezeltjes?’ ‘Wat zijn dat?’

‘Kleine onzichtbare wezentjes, die door naden en kieren dringen en alles pikken wat van hun gading is.’

‘Bestaan die?’ vroeg De Cock onnozel.

Vledder lachte. ‘Rechercheur Visser heeft ze uitgevonden. Telkens als hij met een onmogelijke en onverklaarbare diefstal wordt geconfronteerd, laat hij ze opdraven.’

De Cock schudde zijn hoofd. Zijn breed gezicht had een ernstige expressie. ‘Je moet één ding niet vergeten. De juwelendiefstal bij makelaar Van Vlaanderen staat niet op zichzelf. Het is er een uit een hele keten. Alle geraffineerd van opzet. Daar komen geen pikgriezeltjes aan te pas. Volgens mij steekt er een groot brein achter.’

‘Wie?’

De Cock schonk hem een moede glimlach.

‘Dat is een goede vraag,’ sprak hij hoofdknikkend. ‘Het is echter veel te vroeg om daar nu al een zinnig antwoord op te geven.’ Hij stak zijn kin iets vooruit. Zijn gezicht veranderde, werd een stalen masker, stug en onverzettelijk. ‘Ik tast nu nog volkomen in het duister.’ Het klonk grimmig. ‘Maar ik beloof je plechtig dat ik eens dat antwoord voor je klaar heb.’

Vledder keek hem fronsend aan.

‘Zou clown Pierrot in verband met de diefstallen zijn vermoord? Via Klaartje en Charlotte wist hij dat Van Vlaanderen een fraaie collectie antieke juwelen in zijn kluis op de Herengracht had.’ Hij zweeg even en dacht na. ‘Het zou wel eens kunnen blijken dat die wetenschap hem fataal is geworden.’

De Cock blikte naar zijn jonge collega op. In zijn ogen straalde bewondering. ‘Je hebt soms van die momenten, Dick, dat je verstandige dingen zegt.’

Vledder bloosde onder de lof.

‘Wat denk je van die Charlotte?’

De Cock grinnikte.

‘Blijkbaar een bijzonder wellustige vrouw, die heel gedreven van man tot man fladdert.’ Hij stokte plotseling en staarde verward voor zich uit. ‘Fladderen… fladderen… hoe noem je zo’n ding, dat van bloem naar bloem fladdert?’

De mond van Vledder viel open.

‘Vlindertje.’

De Cock knikte.

‘Vlindertje,’ herhaalde hij. ‘Vlindertje.’ Opmerkelijk kwiek kwam hij uit zijn stoel overeind en stapte naar de kapstok. Vledder beende hem na.

‘Waar ga je heen?’

De grijze speurder draaide zich half om.

‘Naar Peter van Dongen. Misschien weet hij waar ik vlindertje kan vinden.’

Peter van Dongen, de lange impresario, ontving de beide rechercheurs uiterst minzaam. Vriendelijk buigend ging hij hen voor naar zijn rommelige kantoor.

‘Hebt u de valse Pierrot al ontmaskerd?’ vroeg hij geïnteresseerd. ‘Ik heb de volgende morgen, na mijn… eh, toch wel gruwelijke ervaring in het mortuarium, nogmaals met het theater in Groningen gebeld. Er was echter niemand die enige opheldering kon geven. De performance van de valse Pierrot was zo indrukwekkend, dat niemand op de gedachte was gekomen dat het een vervalsing of een imitatie kon zijn.’

De Cock blikte verrast omhoog. Opnieuw viel het hem op hoe warm en diep het stemgeluid van de impresario klonk. ‘Ik moet u tot mijn spijt bekennen,’ sprak hij, ‘dat ik in die richting nog geen enkel onderzoek heb ingesteld.’

Peter van Dongen keek hem verbaasd aan.

‘Hebt u geen interesse in de valse Pierrot?’

De Cock knikte.

‘Dat facet heeft zeker mijn aandacht. Daarvan kan ik u overtuigen. De valse Pierrot is voor mij een belangrijk man.’ ‘Hoe belangrijk?’

De Cock glimlachte beleefd.

‘Hij wist dat de echte Pierrot niet zou komen. Met andere woorden… hij wist dat de echte Pierrot was vermoord en dat ver voor het tijdstip waarop de moord werd ontdekt.’ Hij wuifde met zijn rechterhand. ‘Dat brengt hem heel dicht bij de daad.’ Peter van Dongen gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen. ‘U denkt dat de valse Pierrot de moord heeft gepleegd?’ De Cock legde zijn hoedje naast zich op de vloer.

‘Dat… eh, dat kan,’ antwoordde hij voorzichtig. ‘Maar het behoeft niet zo te zijn. Hij kan van een ander hebben gehoord dat de echte Pierrot niet meer tot optreden in staat was. Toen wij Pierrot op de Geldersekade vonden, was hij al zeker zes uur dood. Dat betekent dat de moord ’s middags voor drie uur werd gepleegd. Hoe de valse Pierrot ook aan zijn wetenschap kwam… hij had in ieder geval ruimschoots de tijd om zich voor te bereiden.’ De Cock zuchtte en krabde zich achter in zijn nek. ‘Ik heb eerlijk gezegd nogal moeite met die valse Pierrot.’ ‘In welk opzicht?’

De Cock trok een grimas.

‘Waarom trad hij als valse Pierrot in Groningen op, terwijl hij, zo kunnen we aannemen, wist dat de echte Pierrot was vermoord?’ Peter van Dongen antwoordde niet direct. Hij sloeg zijn lange benen over elkaar, spreidde de vingers van zijn handen en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘Dat lijkt mij nogal duidelijk… om zichzelf of de dader een alibi te verschaffen.’

‘En deed hij dat?’

De impresario grinnikte.

‘Ik ben maar een leek… geen rechercheur. Dat alibi-idee ligt voor de hand. Begrijpt u… de clown is dood… de clown treedt op.’ De Cock keek de impresario onderzoekend aan.

‘Had de dode een alibi nodig?’

Peter van Dongen schudde zijn hoofd.

‘De dode natuurlijk niet… de moordenaar.’ De Cock knikte hem bemoedigend toe.

‘Heel goed… om zijn onschuld te bewijzen zou de moordenaar bij een alibi zijn gebaat… maar als zodanig had het optreden ’s avonds in Groningen geen enkel nut. Integendeel… het brengt ons op het spoor van een valse Pierrot en via hem… naar de moordenaar.’ ‘Als u hem vindt.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

‘Dat zal inderdaad niet gemakkelijk zijn. Iemand zei gisteren: Wat is een clown? Een clown is niets… absoluut niets… een gek pak, te grote schoenen… en een bek vol schmink.’

De impresario lachte.

‘Ik heb er nooit zo over gedacht… maar het is wel juist.’ De Cock stond op. ‘Ik had graag een lijstje van u met daarop de namen van de artiesten die op die bewuste avond in Groningen optraden.’ Hij zweeg even. ‘En dan wilde ik het adres van Vlindertje.’ Peter van Dongen keek hem verrast aan.

‘Vlindertje?’

De Cock knikte.

‘Een danseresje.’

De impresario lachte wat hinnikend.

‘U bent al de tweede die naar Vlindertje vraagt.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wie was de eerste?’

Peter van Dongen zocht tussen de papieren op zijn bureau. ‘Maurice… Maurice van Vlaanderen.’

Загрузка...