13

De Cock keek Bobette van Zon verbijsterd aan. ‘Uit het tuinhuisje van Agatha?’

De vrouw knikte heftig.

‘Agatha wilde niet dat ik er met u over sprak. Ze vindt dat vervelend. Maar toen we hoorden dat Zwarte Sophie met blauwzuurgas was vergiftigd, zijn we direct gaan kijken. We hadden van dat spul in de tuin.’

‘Welke tuin?’

Bobette van Zon gebaarde vaag achter zich.

‘Agatha en Martha hebben al meer dan dertig jaar een tuin op het complex Nut en Genoegen. De tuin is nog van hun ouders. Een flinke lap grond met een fijn huisje en een broeikas. In de zomer zijn we er soms weken achter elkaar. Je voelt je daar echt buiten.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Hoe kwamen jullie aan dat vergif?’

‘Via Ineke Peeters.’

‘De vrouw van de bioloog?’

Bobette van Zon zuchtte.

‘Martha was niet zo fanatiek. Ik ook niet. Ik hou meer van bollen en eenjarige planten. Maar Agatha kweekt orchideeën in de kas. Ze is daar erg goed in. Ze heeft wel eens hele nieuwe varieteiten opgekweekt. En daarmee prijzen gewonnen. Eind vorig jaar zijn er plotseling planten doodgegaan. Mooie orchideeën waarop Agatha erg was gesteld. Er waren beestjes in de kas gekomen… insecten, vliegjes, torretjes en luizen. Die maakten alles kapot. Toen heeft Agatha Ineke gevraagd of daar wat aan te doen was.’

‘En?’

‘Ineke heeft er met haar man over gesproken en op een keer bracht ze Asepta mee.’

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat is dat?’

‘Zo heet dat spul. Het is cyaangaspoeder. Dat staat op de verpakking met zo’n doodshoofd. Je moet er erg voorzichtig mee zijn. Dat was Agatha ook. Erg voorzichtig. Ze volgde de voorschriften nauwkeurig. Dat poeder is uiterst gevaarlijk. Het maakt blauwzuurgas en als je dat binnenkrijgt, ben je direct dood.’

De Cock bracht zijn handen voor zijn gezicht. Het verhaal van Bobette van Zon liet het raderwerk van zijn hersenen op volle toeren draaien. Koortsachtig zocht zijn brein naar verbanden en motieven.

‘Stond dat spul in het tuinhuisje open en bloot?’

Bobette van Zon schudde haar hoofd.

‘We hadden er een apart kastje voor. Boven het aanrecht. Daar stonden nog meer van die dingen in. Voor de tuin. Agatha had met een rood viltstift op het deurtje Vergif geschreven.’ ‘Er zat een slot op dat deurtje?’

Bobette van Zon trok wat aarzelend haar schouders op. ‘Ach nee,’ sprak ze ontwijkend, ‘geen slot. Waarom ook? Dat was niet nodig. Er kwamen bij ons nooit kinderen in de tuin. Alleen groten.’

‘Wie?’

Bobette van Zon spreidde haar handen.

‘Een paar oude buurtjes van Agatha… en alle dames van de kring.’

‘Ook Annette van Leeuwenhoek?’

Bobette van Zon likte aan haar droge lippen.

‘Ook Annette.’

De Cock grinnikte vals.

‘En ik dacht dat Agatha een hekel aan haar had.’

Bobette knikte bedachtzaam.

‘Dat is ook zo. Agatha mag haar niet. Maar als ze bijvoorbeeld in gezelschap van Mathilda van Lochem kwam, dan kon je haar slecht de deur wijzen.’

‘En dat is wel eens gebeurd?’

‘Wat?’

‘Dat ze samen met Mathilda van Lochem kwam?’

‘Ja.’

‘Wanneer voor het laatst?’

‘Een paar weken geleden. Toen leefde Martha nog.’ ‘En sindsdien is het vergif weg?’

Bobette van Zon wierp hem een hulpeloze blik toe. ‘Dat weten we niet. Misschien was het al eerder weg. We zijn pas gaan kijken toen Zwarte Sophie door blauwzuurgas stierf.’ ‘Toen was het weg?’

Bobette van Zon liet haar hoofd zakken.

‘Ja,’ antwoordde ze hees, ‘toen was het weg. Je kon door het stof nog wel het plekje zien waar de bus had gestaan.’

Ze zweeg en friemelde opnieuw met haar vingers aan de brede zoom van haar rok. Pas na een tijdje keek ze op.

‘Dit blijft onder ons. Ik bedoel, u mag niet tegen Agatha zeggen dat ik u dit allemaal heb verteld. Ik had haar beloofd te zwijgen.’

De Cock keek haar aan.

‘En als Agatha inmiddels wakker is geworden en merkt dat u er niet bent?’

Rond de mond van Bobette van Zon dartelde een glimlach. ‘Dan zeg ik gewoon dat ik even een ommetje heb gemaakt, omdat ik niet kon slapen.’ Ze stond op en knoopte haar mantel dicht. ‘Dat doe ik wel meer.’

De Cock kwam van zijn stoel overeind. ‘Is er wel eens ingebroken?’

‘Bij ons in het tuinhuisje?’

‘Ja.’

Bobette van Zon schudde haar hoofd. ‘Bij ons nog nooit. Wel verderop in een ander laantje van het tuincomplex.’ De Cock knikte begrijpend en begeleidde haar tot aan de deur. Daar reikte hij haar de hand. Onderwijl tastte hij haar gelaatstrekken af, scherp, observerend. Op zijn gezicht lag een vriendelijke grijns.

‘Hoe stierf Martha?’

Bobette van Zon werd plotseling furieus. Ze liet geschrokken zijn hand los. Haar wat kinderlijke houding verdween. Haar ogen schoten vuur en haar lippen vormden een smalle strakke lijn. Haar volle wangen kleurden bloedrood. Ze bracht haar gezicht dicht bij hem en snauwde bijterig: ‘Niet door vergif.’

De Cock was de volgende morgen al weer vrij vroeg aan het bureau Warmoesstraat. Zijn korte nachtrust had hem niet verkwikt. Integendeel, de slaap had alle spankracht uit zijn lichaam gezogen. Hij had vermoeide voeten en zijn knieën kraakten bij iedere beweging. Bovendien leek het alsof duizenden kleine duiveltjes met scherpe naalden geniepig in de ballen van zijn kuiten prikten. Het maakte hem wat timide. Hij wist wat die pijn betekende. Telkens als een onderzoek slecht verliep, als hij het verlammende gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, gaven zijn voeten acte de présence. Hij leunde wat achterover in zijn stoel en tilde zijn benen op zijn bureau. Vledder keek hem bezorgd aan. ‘Zere voeten?’

De Cock knikte met een pijnlijk gezicht.

‘Ik heb er vannacht, op weg naar huis, nog eens over nagedacht,’ sprak hij traag. ‘Misschien hadden we zo brutaal moeten zijn om alle dames van de kring reeds bij de moord op Zwarte Sophie te laten fouilleren.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik heb er ook bij de moord op Jennifer Jordan wel aan gedacht, maar de wet staat het niet toe.’

De Cock grijnsde.

‘Dat is de ellende met de wet… ze geeft ons opsporingsambtenaren vaak zo weinig mogelijkheden. Om het stel te kunnen fouilleren, hadden we hen inderdaad onmiddellijk na de moord op Jennifer Jordan alle acht moeten arresteren. Ik heb even met die gedachte gespeeld, maar ik durfde het eerlijk gezegd niet zo goed aan. Ik vond het ook niet redelijk ten opzichte van die vrouwen van de kring die onschuldig zijn.’ Hij gebaarde hulpeloos. ‘Misschien hadden we wel een bevel tot huiszoeking kunnen lospeuteren, maar met meester Van Lochem als officier van justitie twijfel ik zelfs daaraan.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘We zullen die beide gifmoorden toch moeten oplossen,’ merkte hij verlegen op.

De Cock keek naar hem op, een matte glimlach om zijn mond. ‘We zullen wel moeten. We zijn het aan onze reputatie verplicht.’ Ineens, in een flits, nam hij zijn benen van zijn bureau, stond op en stiefelde naar de kapstok.

Vledder kwam hem verwonderd na.

‘Waar ga je heen?’

De Cock draaide zich half om.

‘Naar Bussum.’

‘Wat is daar?’

De Cock trok grijnzend zijn jas aan.

‘Daar woont Annette van Leeuwenhoek. En vannacht kwam ik tot de ontdekking dat ik in mijn achterhoofd toch wel een paar vragen had.’

Vledder stopte in de Jan Toebacklaan in Bussum voor een statig herenhuis met een erker en een monumentale deur, met in het midden een koperen klopper onder een getralied venstertje. De beide rechercheurs stapten uit en liepen op het huis toe. Het was met klimop begroeid en bood een wat sombere aanblik. De Cock nam de omgeving in ogenschouw. Toen vatte hij de koperen klopper en bonsde tweemaal. De mahoniehouten deur vormde een prachtig klankbord. Zachtjes dreunde de klopper na.

Het duurde een paar minuten, toen ging het venstertje boven de klopper open. Achter de tralies verscheen het gezicht van Annette van Leeuwenhoek. In haar ogen glansde een blik van herkenning, vermengd met verbazing en achterdocht. Langzaam zwaaide de deur open.

Ze droeg een hooggesloten paarse blouse met een opstaand kraagje boven een zwarte, wijd geplooide, kamgaren rok. Om haar magere hals hing een gouden ketting met een klein medaillon.

De Cock lichtte zijn hoed.

‘De Cock,’ sprak hij minzaam en gebaarde opzij. ‘En dat is…’ Annette van Leeuwenhoek onderbrak hem.

‘U behoeft zich aan mij niet meer voor te stellen,’ sprak ze streng, verwijtend. ‘Zo slecht is het met mijn geheugen nu ook weer niet gesteld.’ Ze blikte hem onbevangen aan en kuchte. ‘Ik neem aan dat uw bezoek een ambtelijk karakter draagt?’ De Cock hield zijn hoed in de hand.

‘Dat draagt het,’ antwoordde hij vormelijk. ‘Wij zijn helemaal uit Amsterdam gekomen om u te bezoeken.’

In zijn stem klonk iets van spot door.

Annette van Leeuwenhoek trok haar neus iets op.

‘U weet toch al hoe ik mijn koffie drink.’

De Cock negeerde haar opmerking. Hij zette zijn hoed weer op en rilde.

‘Het is wat kil voor de tijd van het jaar… vindt u niet?’ Annette van Leeuwenhoek aarzelde even. Toen deed ze met de deur in haar hand een stap terug.

‘Komt u binnen.’

De heren liepen langs haar heen naar een imposante hal met een gestileerde eiken lambrizering in diffuus licht.

Annette van Leeuwenhoek sloot de deur zorgvuldig en ging de heren voor naar een ruim hoog vertrek met een indrukwekkende natuurstenen haard in het midden.

De Cock liet zijn blik langs de wanden glijden. Er waren een paar uitstekende imitaties van landschappen van John Constable in brede vergulde lijsten en fraaie reproducties van Breitner achter ontspiegeld glas. Bij een Amsterdams stadsgezicht bleef hij staan en tilde het glas iets van de wand.

Annette van Leeuwenhoek monsterde zijn bewegingen en kwam van opzij naar hem toe.

‘U houdt van Breitner?’ vroeg ze met een frons in haar voorhoofd. De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Ik vind die impressionistische schilderwijze van Breitner zo prachtig, zo kleurrijk, zo markant. Hoewel ik laatst heb gelezen dat hij bij zijn studies gebruik maakte van de toch meestal wat statische, fotografie, vind ik dat zijn objecten vrijwel altijd bruisen van leven.’

Hij draaide zich om en gebaarde naar de andere wand. ‘Het is nooit zo lieflijk en verstild als de landschappen van John Constable.’

Annette van Leeuwenhoek glimlachte beleefd.

‘Daarom heb ik ze ook juist als tegenstelling tegenover elkaar gehangen.’ Ze keek hem van terzijde aan, steels, met een spottend lachje om de mond. ‘Ik merk dat de opstelling educatieve waarde heeft.’

De Cock trok zijn gezicht in een grijns. De hautaine houding van de vrouw hinderde hem bovenmatig. Het kostte hem moeite om zijn ergernis te bedwingen.

‘De Franse impressionisten kan ik erg waarderen,’ reageerde hij wat mat.

Annette van Leeuwenhoek knikte nauwelijks waarneembaar. ‘Ik ook.’

Het onderwerp schilderkunst scheen haar matig te interesseren. Ze trok haar hoofd naar achteren en liep bij hem vandaan. Tegenover Vledder nam ze plaats in een leren fauteuil bij de haard en sloeg haar benen over elkaar. De Cock keek nog even rond en zocht naar kleurverschillen in het behang. Toen ging hij bij de anderen om de haard zitten.

Annette van Leeuwenhoek streek het lange grijze haar uit haar gezicht en blikte naar De Cock op.

‘U komt mij toch ook niet beschuldigen van de moord op Jennifer Jordan?’

De Cock antwoordde niet. Haar directe vraag had hem wat overrompeld. Hij trok diepe denkrimpels boven zijn neus. ‘Op het moment dat ik u beschuldig,’ sprak hij na enige tijd plechtig, ‘heb ik de bewijzen van uw schuld achter de hand.’ ‘Die hebt u dus niet.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Nóg niet,’ merkte hij fijntjes op, ‘maar als ik u was, zou ik niet wanhopen. Het is in mijn carrière meer gebeurd dat het lang duurde voor ik over deugdelijke bewijzen beschikte.’ Annette van Leeuwenhoek klemde haar lippen op elkaar. Er kwam een blos op haar bleke wangen.

‘Ik voel er weinig voor,’ sprak ze geagiteerd, ‘om met u een soort kat- en muisspel te spelen. Ik zeg u nog eens in alle duidelijkheid… ik heb mijn eerste man niet vermoord… ik heb mijn schoonzuster Sjaan niet van kant gemaakt… en ik ben niet verantwoordelijk voor de moord op Jennifer Jordan.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Hoe vaak was u op het tuincomplex Nut en Genoegen in het tuinhuisje van de zusters Van Keulen?’

Annette van Leeuwenhoek zuchtte diep. ‘Agatha van Keulen is een gemene intrigante. Ze is duivels en geslepen… veel duivelser en geslepener dan de faam die ik geniet. Gelooft u mij… haar hetze tegen mij is een handige zet… richt de schijnwerper op een ander en niemand heeft nog aandacht voor jou.’ Ze schudde traag haar hoofd. ‘Ik heb dat vergif niet uit dat kastje genomen.’

De Cock keek haar verrast aan.

‘Hoe weet u dat uit dat kastje vergif is verdwenen?’ Annette van Leeuwenhoek trok achteloos haar schouders op. ‘Wie weet? Misschien hebben wij wel dezelfde informatrice.’ De Cock klemde zijn lippen samen. In zijn gedachten sloop een vrouw met een omvangrijke boezem in een wijde slobbertrui. ‘Bobette van Zon.’

Annette van Leeuwenhoek grinnikte vreugdeloos.

‘Een dik dom leuterwijf… als u begrijpt wat ik bedoel. Ze kletst en roddelt over alles en iedereen. Ze zal ook tegen u wel hebben gezegd dat het geheim onder ons moest blijven.’

De Cock liet zijn hoofd zakken en deed zijn ogen even dicht. De klap die hij te incasseren kreeg, dreunde nog in zijn hersens na.

‘Dan weet u inmiddels ook,’ sprak hij onzeker, ‘dat wij Harry Donkervliet hebben vrijgelaten?’

Annette van Leeuwenhoek knikte voor zich uit.

‘Dat wist ik al voordat Bobette van Zon mij vanmorgen in alle vroegte belde.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Hoe?’

Annette van Leeuwenhoek leunde achterover in haar leren fauteuil. Om haar dunne lippen zweefde een hautain lachje. ‘Hij was gisteravond bij mij.’

‘Harry Donkervliet?’

‘Ja, de neef van Jennifer. De man, die door het onzalig gekonkel van Mathilda werd gearresteerd.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. ‘Waarom bezocht hij u?’

Annette van Leeuwenhoek antwoordde niet direct. Ze speelde met de ketting van haar medaillon. Een mysterieuze glimlach danste om haar mond. Ze genoot zichtbaar van de intense aandacht, die De Cock haar gaf.

‘Om met mij te praten,’ sprak ze hees. ‘Harry had duidelijk problemen.’

‘Waarmee?’

Ze gebaarde vaag. ‘Hij was tijdens zijn verblijf bij jullie in de Warmoesstraat niet erg openhartig geweest. Daar maakte hij zich zorgen over. Hij was bang dat hem dat later kwalijk zou worden genomen. Hij had dingen verzwegen.’

‘Zoals?’

‘De affaire van de ring.’

‘Wat voor een ring?’

Annette van Leeuwenhoek streek met haar pink een lok haar achter haar rechteroor. De geheimzinnige lach om haar mond was verdwenen.

‘Een gifring.’

De Cock keek haar gespannen aan.

‘Een gifring?’ herhaalde hij verrast.

Annette van Leeuwenhoek knikte. ‘Volgens Harry, een ring met een verborgen ruimte, die door een druk op een palletje kon worden geopend. Het moet een zeldzaam exemplaar zijn, heel oud, bezet met rode saffiertjes. Hij behoorde tot de vele sieraden die Jennifer van haar man had geërfd.’

De Cock kon zijn ongeduld niet helemaal bedwingen. ‘Wat is er met die ring?’ vroeg hij snauwerig.

Annette van Leeuwenhoek likte aan haar lippen.

‘Harry wist dat er zo’n ring was. Na de gifmoord op Zwarte Sophie is hij gaan kijken.’

‘En?’

‘Verdwenen.’

‘De gifring?’

Annette van Leeuwenhoek knikte even.

‘Uit de bijouteriekast van Jennifer.’

Загрузка...