De Cock keek de kunstenaar secondenlang aan. Hij scheen weinig verrast.
‘Annette van Leeuwenhoek?’
‘Inderdaad,’ antwoordde de schilder. ‘Annette van Leeuwenhoek. Deze fraaie Monet is van haar. Er is ook een certificaat van echtheid bij, maar die had ze niet meegenomen. Vergeten. Maar zodra je een koper voor het doek hebt, zei ze, kan je het certificaat bij mij komen halen.’
‘Je hebt haar adres?’
De kunstenaar knikte.
‘Bussum, Jan Toebacklaan.’
‘Waarom verkoopt ze het?’
Peter Karstens trok zijn schouders op.
‘Geldnood… ik weet het niet. Ze was wel erg gespannen toen ze het bracht… lang niet zo ad rem en zelfverzekerd als toen ze die kopieën bij mij bestelde. Ze maakte op mij de indruk onder grote spanning te staan.’
‘Heeft ze daar iets over gezegd?’
Peter Karstens schudde traag zijn hoofd.
‘Niets. Ze kwam gehaast binnen en is even gehaast weer vertrokken. We hebben nauwelijks een paar woorden met elkaar gewisseld.’
De Cock streek over zijn kin.
‘Heb je voor het doek een bewijs van ontvangst getekend?’ Peter Karstens trok een grimas.
‘Zelfs dat niet. Ze kan uiteraard met het certificaat van echtheid haar eigendomsrecht claimen. Bovendien ligt het allerminst in mijn bedoeling haar te belazeren. Als ik met de verkoop van die Monet een paar centjes kan verdienen, is het mij al goed genoeg. Ik ken wel een paar mensen die mogelijk interesse hebben.’ Hij grijnsde breed. ‘En als jij niet zo’n luizig ambtenarensalarisje had… verkocht ik hem aan jou.’
De Cock lachte vrolijk. Plotseling trok hij zijn gezicht weer in een ernstige plooi.
‘Ik wil hem even lenen.’
De schilder keek hem met verbaasde ogen aan.
‘Lenen?’
De Cock knikte.
‘Een uurtje… dan breng ik hem weer terug.’
Peter Karstens grinnikte vreugdeloos.
‘Die Monet?’ vroeg hij ongelovig. ‘Ik weet niet eens of het doek is verzekerd… en zo ja… tegen welk bedrag.’
Dat liet De Cock onverschillig.
‘Dat geeft toch niet. Ik sta ervoor garant dat het doek onbeschadigd bij je terugkomt.’
Peter Karstens snoof.
‘Wat is zo’n garantie waard?’
De Cock keek hem wat schuins aan, zijn gezicht in een beminnelijke plooi.
‘Onze vriendschap,’ was het simpele antwoord.
Peter Karstens wreef zich peinzend achter in de nek. Hij had duidelijk moeite met een besluit.
‘Oké,’ sprak hij na een poosje. ‘Maar als je binnen een uur niet met het doek hier in mijn atelier terug bent, doe ik aan de Warmoesstraat aangifte van verduistering en laat jouw opsporing verzoeken.’
De Cock lachte bevrijd.
‘Dat is fraai, Peter, heel fraai. En aan dat bevel tot opsporing werk ik dan zelf weer mee.’
De kunstschilder vatte hem bij de arm. Zijn anders zo jolige gezicht stond ernstig. Hij wees naar de Monet op de ezel in de hoek.
‘Zonder dollen, De Cock. Dit is een kostbaar werk. Onvervangbaar. Ik zou mij geen raad weten als…’
De Cock stak afwerend zijn hand op. De lach was van zijn gezicht verdwenen.
‘Ik weet hoe kostbaar het is, Peter. Het heeft al twee mensenlevens gekost.’
Ze reden van de Noordermarkt weg. Op de achterbank van de Volkswagen, in lappen gewikkeld, stond de Monet. De Cock keek op zijn horloge.
‘Het is al kwart voor drie. Het lijkt mij het beste dat je naar het sectielokaal aan de Overtoom rijdt. Je kunt dokter Rusteloos niet laten wachten.’
‘En dan?’
‘Dan neem ik de wagen van je over.’
Vledder duimde naar het schilderij op de achterbank. ‘Waar ga je daarmee naartoe?’
‘Aan iemand laten zien.’
‘Wie?’
De speurder antwoordde niet. Zijn gedachten speelden koortsachtig met de vraag waarom Annette van Leeuwenhoek zich zo plotseling van dat doek wilde ontdoen. Stond ze inderdaad onder druk? En van wie ging die dan uit… Harry Donkervliet?
‘Wie… aan wie ga je dat schilderij laten zien?’
In de stem van Vledder sloop ongeduld.
De Cock staarde voor zich uit.
‘Christine van der Waal,’ sprak hij mat. ‘Ik heb in het huis aan de gracht dezelfde Monet zien hangen.’
De Cock manoeuvreerde de Volkswagen zwetend en met een rood hoofd door het drukke stadsverkeer. Hij hield niet van autorijden. Hij bezat geen enkel gevoel voor techniek. Ook begreep hij niets van het gedrag van automobilisten, die hem zowel links als rechts voorbijstoven. Het maakte hem onrustig, nerveus. Inzake het voortbewegen was zijn ziel in het zwierige tijdperk van de trekschuit en de diligence blijven steken. Bij het huis aan de gracht vond hij met moeite een parkeerplaatsje aan de wallenkant tussen de bomen. Hij nam het doek onder zijn arm, sloot de wagen af en stak de rijbaan over. De deur werd op zijn bellen vrijwel onmiddellijk opengedaan. Hijgend, met het zweet nog in de handen, liep De Cock met het doek onder zijn arm, de trap op.
Op het portaal, boven aan de trap, stond Christine van der Waal. Het zwarte, reeds grijzende haar hing los op haar schouders. Ze trok een verbaasd gezicht.
‘Hebt u bericht over Harry?’
De Cock zette het schilderij aan zijn voeten.
‘Nee, geen bericht over Harry. We weten nog steeds niet waar hij is.’ Hij glimlachte vriendelijk. ‘Maar hij loopt niet in zeven sloten tegelijk.’
Christine van der Waal vouwde haar handen.
‘Ik maak mij toch zorgen. Harry is geen man om alleen te zijn. Daar kan hij niet tegen. Als Jennifer en ik wel eens een paar dagen weg waren…’
De Cock onderbrak haar.
‘Ik kom niet in verband met Harry.’
Ze keek hem wat wantrouwend aan.
‘Niet in verband met Harry?’
De Cock schudde zijn hoofd. Hij nam het schilderij op en liep langs haar heen de lange gang in. Achter zich hoorde hij haar driftige voetstappen. Aan het einde van de gang opende hij de deur naar de kamer van de seances. Met het doek in zijn hand bleef hij midden in de kamer staan en keek demonstratief om zich heen. Aan de wanden, links en rechts, hingen twee Renoirs, een Monet en een Toulouse-Lautrec. Er ontbrak er geen.
Van onder de grote ronde eiken tafel trok hij een stoel en zette het schilderij erop. Voorzichtig haalde hij de lappen eraf. Na een paar seconden straalde de Monet in volle glorie. De Cock keek schuin omhoog naar Christine van der Waal. Zijn scherpe blik tastte haar gelaatstrekken af. Ze zag bleek, vond hij, erg bleek en haar lippen trilden. Met een glimlach om zijn mond gebaarde hij naar de schilderijen aan de wanden.
‘Ik zie,’ riep hij opgewekt, bijna vrolijk, ‘ze zijn er nog allemaal. Gelukkig.’ Zijn tong gleed langs zijn lippen. ‘Ik eh…’ hakkelde hij verlegen, ‘ik was bang dat er een verdwenen was.’ Hij strekte zijn arm naar het schilderij op de stoel. ‘Ik zag vanmorgen toevallig dit doek bij een kunsthandel staan en ik meende mij te herinneren dat er ook zo’n schilderij hier in de kamer hing. Ik dacht… vrij impulsief, moet ik zeggen… dat doek is vast uit het huis aan de gracht gestolen. Ik ben toen domweg die kunsthandel binnengestapt en heb het schilderij in beslag genomen.’ Hij spreidde zijn handen en schudde triest zijn hoofd. ‘Ik heb mij vergist. Duidelijk.’ Hij wees opnieuw naar het doek. ‘Dit hier… dit moet een vervalsing zijn.’
Christine van der Waal knikte nauwelijks merkbaar. ‘Inderdaad,’ sprak ze toonloos, ‘dat moet een vervalsing zijn.’ De Cock pakte de Monet weer in en nam hem onder de arm. Hij keek op en lachte wat schaapachtig. ‘Het spijt mij dat ik u heb lastig gevallen.’ Hij trok zijn schouders op. ‘Dat komt ervan als een leek zich met kunst gaat bemoeien.’ Hij liep naar de deur. Daar bleef hij staan en draaide zich half om. Ze stond bij de stoel, waarop het schilderij had gestaan. Kaarsrecht. De armen gevouwen voor haar borst.
De Cock keek haar aan. Een moment leek hij besluiteloos. Toen opende hij de deur en liep de lange gang in.
‘Hoe was de sectie?’
Vledder trok een grimas.
‘Het leek wel of dokter Rusteloos op stukloon stond.’ De Cock lachte hartelijk.
‘Was hij zo op dreef?’
Vledder knikte.
‘Het is gewoon fascinerend om dokter Rusteloos tijdens zo’n sectie aan het werk te zien. Die man heeft zoveel vakkennis, zoveel routine, dat je vergeet waarmee hij feitelijk bezig is. Verschrikkelijk. Hij was in nog geen vijf kwartier klaar.’ ‘En?’
Vledder haalde zijn schouders op.
‘Geen bijzonderheden. Jennifer Jordan is net als Zwarte Sophie vrijwel zeker aan vergif gestorven. Ik heb dokter Rusteloos gevraagd of er nog verschillen waren tussen de beide sterfgevallen. Volgens de patholoog-anatoom was dit niet het geval. Indien Zwarte Sophie en Jennifer Jordan geen gif te drinken hadden gekregen, hadden ze allebei vermoedelijk nog lang en gelukkig geleefd.’
De Cock keek hem bestraffend aan.
‘Dat is een cynische opmerking.’
Vledder wierp hem een hulpeloze blik toe.
‘Is dit geen vak om cynisch te worden?’
De Cock gaf geen antwoord.
‘Wat wist de huismeester van het flatgebouw?’
Vledder lachte. ‘Viola Wijngaard moet inmiddels somber zijn gestemd. Vriend Harry heeft zich al enige dagen niet laten zien.’
De Cock keek hem scherp aan.
‘Viola is er wel?’
Vledder knikte vol overtuiging.
‘Zeker. De huismeester heeft vanmorgen nog met haar gesproken toen ze haar post uit het vak in de hal haalde. Een onschuldig babbeltje over het weer. Hij heeft niets bijzonders aan haar gemerkt.’ Er viel even een stilte. ‘Ik heb wel een verrassing voor je.’
De Cock grijnsde.
‘Een aangename?’
Vledder keek bedenkelijk.
‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik heb, zoals jij me vroeg, ook notaris Pool gebeld. Hij had van Christine van der Waal alle bescheiden gekregen.’
‘En?’
‘Harry kreeg nooit een cent.’
De Cock keek hem verbaasd aan.
‘Geen cent?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘De notaris vertelde mij dat Jennifer Jordan nooit andere inkomsten heeft gehad dan die voortvloeiende uit haar kapitaal.’ ‘Rente.’
‘Inderdaad… rente. Haar vermogen was zo groot dat ze geen kapitaalverlies leed. Integendeel, haar kapitaal groeide nog jaar op jaar. Van de genoten rente werd jaarlijks namelijk niet meer dan dertigduizend gulden opgenomen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Dertigduizend?’
Vledder boog zich naar hem toe.
‘En van die dertigduizend gulden werd de gehele huishouding van het huis aan de gracht gefinancierd.’
De Cock slikte.
‘Het onderhoud van haarzelf, Christine van der Waal en neef Harry.’
Vledder knikte heftig.
‘Begrijp je? In dat budget zit geen ruimte voor schenkingen aan Harry Donkervliet… zeker geen schenkingen die een flat in Purmerend en het rijden in een dure wagen kunnen verklaren.’ De Cock wreef peinzend over zijn kin.
‘Neef Harry heeft dus andere bronnen van inkomsten.’ Vledder snoof.
‘Duistere bronnen. Het is verrekte jammer dat we dat nu pas weten, anders had ik hem daarover aan de tand kunnen voelen.’ De Cock knikte traag.
‘Zijn verdwijning begint mij nu toch te intrigeren. Het lijkt mij het beste…’
De telefoon begon te rinkelen. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Ineens verstarde hij.
De Cock keek hem gespannen aan.
Vledder hield zijn hand voor het spreekgedeelte van de hoorn. ‘Annette van Leeuwenhoek,’ sprak hij hees, ‘vermoord.’