De Cock liet zich vanaf het donkere, onverlichte portaaltje van de derde etage voorzichtig langs de steile smalle trap zakken. De leuning was vies, klam en vettig en de uitgesleten houten treden kraakten onder zijn gewicht.
Op het kleine portaal van de tweede etage bleef de oude rechercheur staan en wachtte tot Vledder, die achter hem aan kwam, naast hem stond.
'De gammele houten trappen in die oude huizen,' sprak hij grommend, 'zijn voor een man van mijn postuur en gewicht een verschrikking. Ga jij maar voor. Als ik val kan je mij opvangen.' Vledder schoof hem in het pikkedonker grinnikend voorbij. 'Dan maken we samen een doodssmak.' De jonge rechercheur bleef even staan en draaide zich half om.
'Hoe gaat Rooie Betsy,' vroeg hij bezorgd, 'met die reuma in haar oude botten over deze trap op en neer?' De Cock trok zijn schouders op.
'De gemeente had deze oude pandjes al vijftig jaar geleden onbewoonbaar moeten verklaren.' Hij snoof verachtelijk. 'In plaats daarvan zijn ze nu nog onverklaarbaar bewoond.' Treetje voor treetje zakten de beide rechercheurs naar beneden en De Cock slaakte een zucht van verlichting toen hij het trottoir van de Bloedstraat had bereikt. Hij blikte langs het slanke geveltje omhoog. In het spionnetje aan een raam op de derde etage zag hij een glimp van het gerimpelde gelaat van Rooie Betsy. Vledder keek met hem mee.
'Snap jij, dat zo'n mens hier in zo'n gribus blijft wonen? Volgens Smalle Lowietje heeft Rooie Betsy wel een paar duiten. Ze kan toch best wel ergens iets behoorlijks kopen of huren?' De Cock liep in de richting van de Nieuwmarkt. 'Die oude prostituées,' antwoordde hij verklarend, 'zijn vaak verknocht aan deze buurt rond de Wallen en willen er niet weg. Ze proberen het weleens, maar komen na een paar jaar vol heimwee toch weer terug.' Vledder sjokte naast hem voort. 'Hoeveel geld zou Rooie Betsy bezitten?' De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
'Geen flauw idee.' 'Genoeg?'
De Cock blikte opzij. 'Waarvoor?'
'Een mannetje te betalen.' 'Wat voor een man-ne-tje?' Vledder gebaarde voor zich uit.
'Volgens mij riep zij in de volle tent van Smalle Lowietje niet voor niets: viezerik, vuile verkrachter… ze moesten jou je pik afsnijden.'
De Cock bleef geschrokken staan.
'Je bedoelt, dat Rooie Betsy dat riep in de hoop, dat iemand in het café bereid zou zijn om dat karweitje voor haar op te knappen… voor geld? Een… eh, een ordinaire killer… een huurmoordenaar?' Vledder keek hem verward aan. 'Is dat zo gek?'
De Cock antwoordde niet. Na een paar peinzende seconden liep hij verder. Zijn hoofd iets gebogen. De oude rechercheur was zich er terdege van bewust, dat de misdaad in de laatste jaren sterk was verhard, dat in de gehele samenleving… ook in de kringen van de penoze… de normen vervaagden… maar het fenomeen van een kille emotieloze huurmoordenaar… iemand, die voor een paar zilverlingen een medemens doodde… was hem toch wezensvreemd. Het idee drong slechts moeizaam tot zijn bewustzijn door. Vledder stootte hem met zijn elleboog aan. 'Is dat zo gek?' herhaalde hij iets dwingender. De Cock keek opzij en knikte.
'Het is gek,' antwoordde hij ernstig. 'Erger… dat iemand zo onmenselijk diep zinkt, dat hij voor geld een medemens ombrengt… is niet alleen gek… het grenst aan waanzin.' Vledder gebaarde heftig.
'Maar die waanzin bestaat,' riep hij fel. 'Daar kan en mag je je ogen niet voor sluiten. Als Rooie Betsy diep in haar buidel heeft willen tasten, dan heeft ze zo'n mannetje gevonden.' 'In ons Amsterdam?'
Vledder knikte nadrukkelijk. Op de wangen van de jonge rechercheur lagen blosjes van opwinding. 'Ja,' siste hij tussen zijn tanden, 'zelfs in ons eigen 'Heldhaftig, Vastberaden en Barmhartig Amsterdam.'
Van de Nieuwmarkt liepen de twee rechercheurs naar de Zeedijk en vandaar via de Stormsteeg, de Korte en Lange Niezel naar de Warmoesstraat.
In de hal van het oude politiebureau was het bijzonder rumoerig. Gehuld in een wolk van milde knoflook en ondersteund door wilde gebaren, discussieerde een tiental donker getinte mannen met elkaar.. fel en luidruchtig. Hun rauwe keelklanken overstemden het geratel van het telexapparaat.
Jan Kusters, de wachtcommandant, had het druk. Gesticulerend met armen en benen probeerde hij zich verstaanbaar te maken. Zijn werk aan de balie vergde van hem zoveel aandacht, dat hij het voorbijgaan van De Cock en Vledder niet opmerkte.
Ze liepen vanuit de ruime hal de stenen trappen op.
Boven, op de tweede etage, op de bank bij de deur naar de grote recherchekamer zaten enige mensen te wachten voor het doen van een aangifte.
Een jongeman in een ruim linnen jack en een strakke spijkerbroek kwam van de bank overeind en liep op hen toe. Voor de grijze speurder bleef hij staan. 'U bent De Cock… rechercheur De Cock?'
De grijze speurder antwoordde niet direct. Hij blikte in het open gezicht van de jongeman en ontmoette een paar staalblauwe ogen, die vrolijk oplichtten.
'Inderdaad,' bevestigde hij na een korte pauze. 'De Cock met… eh, ceeooceekaa.' De oude rechercheur duimde nonchalant opzij. 'En dat is mijn dierbare collega Vledder.' De jongeman glimlachte.
'Het klopt. Men had mij voorspeld dat u zo zou reageren.' De Cock keek hem vragend aan. 'Wie is 'men'?'
De jongeman stak zijn kin iets omhoog.
'Hans… Hans Boschgraed… u hebt al met hem gesproken op het Bartholinus… over het briefje, dat op het lijk van Minnertsga werd gevonden.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Boschgraed heeft u van dat briefje verteld… in vertrouwen?' De jongeman schudde zijn hoofd.
'Niet in vertrouwen. Ik bedoel, van dat briefje weten we allen… alle leerkrachten van het Bartholinus Gymnasium. Dat korte briefje met die twee taal- of spelfouten is bij ons bijna voortdurend onderwerp van gesprek.'
De Cock strekte zijn hand naar hem uit.
'U… eh, u bent ook leraar aan het Bartholinus?' vroeg hij met een zweem van ongeloof. De jongeman knikte opnieuw.
'Leraar Engels. Mijn naam is Koster… Gerard Koster.' Er gleed een glimlach om zijn lippen. 'Ze noemen mij ook weleens Gerard Sexton, een grapje… Sexton is het Engelse woord voor koster.'
De Cock negeerde de opmerking. 'U wilt met mij spreken?'
Het gezicht van Gerard Koster kreeg een ernstige uitdrukking. 'Inderdaad… vertrouwelijk.'
De Cock liep voor hem uit naar de grote recherchekamer en liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. Daarna zeilde hij zijn oude hoedje zwierig in de richting van de kapstok, bekommerde zich niet om de misser en ging met zijn regenjas aan tegenover de jongeman zitten.
Enkele ogenblikken keek hij hem schattend aan, bezag het kleine kuiltje in zijn kin, monsterde zijn atletische gestalte en concludeerde tot slot, dat de jonge leraar Engels een vriendelijke uitstraling had. De grijze speurder spreidde zijn beide handen. 'Ver-trou-we-lijk,' herhaalde hij traag. 'Vertrouwelijk is een veel misplaatst begrip. Ik moet u er in dit verband op wijzen, dat ik als rechercheur van politie ben gebonden aan mijn ambtseed. Wanneer u mij mededelingen doet… van vertrouwelijke aard… maar ze zijn voor uzelf in strafrechtelijke zin belastend, dan kan ik u geen garanties geven, dat ik ze niet tegen u gebruik.' Gerard Koster schudde zijn hoofd. 'Het gaat niet om mij.' 'Om wie dan wel?' Gerard Koster aarzelde even. 'Roeland… Roeland van Ieperen.' De Cock kneep zijn ogen half dicht.
'Wat is er met Roeland van Ieperen?' Gerard Koster antwoordde niet direct.
'Roeland,' sprak hij nadenkend, 'Roeland is een moeilijke jongen… wild, brutaal, agressief… doet en zegt in zijn onbevangenheid weleens dingen, waarvan hij later spijt heeft.' De leraar zweeg even. 'Maar naar mijn stellige overtuiging is hij geen slechte jongen… geen jongen met een verminkte geest… met ee.i gebarsten karakterstructuur. Wanneer men even de moeite neemt om aandacht aan hem te schenken, ontdekt men een hele andere Roeland van Ieperen.'
De Cock plukte aan zijn onderlip. Daarna strekte hij zijn rechterwijsvinger naar de jonge leraar uit.
'En… eh, en die andere… betere Roeland van Ieperen heeft u ontdekt?'
Gerard Koster knikte.
'Begrijpt u mij goed. Ik ben een normale leraar. Niets bijzonders. Ik bedoel, ik behoor niet tot het koor van geite-wollen-sokken-filosofen. Het is niet mijn taak om zieltjes te vervormen. Ik probeer tijdens mijn lessen mijn leerlingen oprecht te geven wat ze nodig hebben… aandacht en begrip.' De Cock leunde achterover in zijn stoel.
'Die aandacht en dat begrip kreeg Roeland van Ieperen van u?'
'Zoals iedere leerling.'
'En?'
Gerard Koster keek hem verward aan. 'Wat bedoelt u?'
De Cock stak zijn handen vooruit. 'Wat probeert u mij duidelijk te maken?' In zijn stem vibreerde enige wrevel. Gerard Koster likte aan zijn droge lippen.
'Roeland van Ieperen heeft wel meer getoond vertrouwen in mij te hebben. Gisteravond laat kwam hij bij mij thuis op bezoek… vroeg om raad. De jongen was totaal in de war… wist niet wat hij doen moest.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Roeland wist waar u woonde?' Gerard Koster knikte.
'Hij was weleens meer bij mij thuis geweest… met een werkstuk, dat ik hem had laten overmaken.'
De Cock wreef over zijn brede kin. 'Heeft hij aan u zijn schuiladres verteld?' Gerard Koster antwoordde niet direct.
'Dat… eh, dat heeft Roeland.' De jonge leraar slikte. 'Ik hoop alleen niet, dat u mij dwingt om dat adres te noemen.' De Cock schudde zijn hoofd.
'Ik dwing u tot niets. Het ligt aan uzelf of u dat geheim wilt prijsgeven. U zou ook Roeland kunnen adviseren om zich bij ons te melden.'
Gerard Koster keek hem schuins aan. 'Dan arresteert u hem?' De Cock trok zijn schouders op. 'Dat hangt van zijn verklaring af.' 'Roeland heeft het niet gedaan.' 'Dat zegt hij?'
Gerard Koster knikte nadrukkelijk. 'En ik ben bereid om hem te geloven.' De Cock glimlachte.
'Dat klinkt vriendelijk, maar die bereidheid zegt mij niet veel. Hebt u met Roeland ook over dat briefje gesproken?'
'Zeker.'
'En?'
Gerard Koster maakte een verontschuldigend gebaar.
'Roeland zegt, dat hij zo'n briefje nooit heeft geschreven.'
De Cock keek de jonge leraar gespannen aan.
'Hebt u hem de tekst voorgelegd?'
'Ja.'
'Hoe?'
Gerard Koster weifelde.
'Ik… eh, ik wilde uw… eh, uw onderzoek inzake de moord op de heer Minnertsga niet schaden… niet negatief beïnvloeden. Dat moet u beslist van mij geloven. Maar ik was nieuwsgierig. Ik wilde weten of Roeland van Ieperen de waarheid sprak.'
De Cock keek hem onderzoekend aan.
'Wat hebt u gedaan?'
Gerard Koster liet zijn hoofd iets zakken.
'Ik heb hem een stuk papier gegeven en een pen en heb hem de tekst gedicteerd.'
De Cock keek naar hem op.
'God zal je leren te discrimineren… vuile vieze meidengek.'
'Exact.'
'En?'
Gerard Koster legde in een gebaar van wanhoop zijn beide handen op zijn hoofd.
'Roeland,' verzuchtte hij, 'Roeland maakte dezelfde fouten.'
Een tijdlang zwegen beiden. De laatste woorden van de leraar Engels dreunden na… echoden tegen de kale wanden van de recherchekamer. Roeland-maakte-dezelfde-fouten. Roeland-maakte-dezelfde-fouten.
De Cock liet zijn blik op de jonge leraar rusten. Gerard Koster maakte een ontredderde indruk. Zijn gezicht zag bleek en zijn handen trilden. De oude rechercheur liet hem begaan… wachtte tot de leraar Engels zich weer enigszins had hervonden.
' Hebt u Roeland verteld welke taalfouten hij in de tekst had gemaakt?' Gerard Koster schudde zijn hoofd.
'Dat vond ik niet fair ten opzichte van u. Ik was naar mijn mening toch al te ver gegaan.' De Cock knikte.
'Dat is juist,' reageerde hij instemmend. 'U bent niet bevoegd om een deel van mijn taak over te nemen.' De oude rechercheur ademde diep.
'Maargedane zaken nemen geen keer,' sprak hij berustend. 'Ik ben al blij, dat u mij van het gebeurde verslag hebt gedaan.'
Hij zweeg enige tijd en dacht na. Daarna keek hij naar de leraar op.
'Ondanks het feit,' ging hij verder, 'dat Roeland van Ieperen in de door u gedicteerde tekst dezelfde taal- of spelfouten maakte, meent u nog steeds, dat u in zijn onschuld moet geloven?'
'Dat meen ik nog steeds.'
De Cock glimlachte.
'Hoe valt dat te rijmen?'
Om de mond van Gerard Koster gleed een trieste glimlach. Ik ben bang,' sprak hij spijtig, 'dat het in het geheel niet te rijmen valt. Het briefje lijkt inderdaad van hem afkomstig. Ik heb voor mijn geloof in de onschuld van Roeland van Ieperen dan ook geen tastbare bewijzen. Het is gevoelsmatig… puur gevoelsmatig. Meer niet. Ik heb voor mijzelf alleen de gedachte, dat achter de dood van Minnertsga meer steekt dan een onbezonnen daad van een jonge heethoofd.'
De Cock keek de leraar uitdagend aan.
'Suggesties?'
Gerard Koster zuchtte.
'Ranske… de echtgenote van wijlen heer Minnertsga, is niet alleen een vrouw van een imponerende schoonheid. Ze is ook nog bijzonder intelligent en uiterst lieftallig. Het is mijn absolute overtuiging, dat alle leraren op het Bartholinus haar heimelijk begeren… onder de indruk zijn van haar bekoorlijkheden.' De Cock schoof hoofdknikkend zijn onderlip vooruit. 'Heel poëtisch geformuleerd,' sprak hij met bewondering, waarbij hij met zijn hoofd iets schuin naar de atletisch gebouwde leraar opkeek. 'Woorden,' vroeg hij beminnelijk, 'gevloeid uit het warme hart van een verliefde jongeman?' Gerard Koster kleurde.
'Ik was als… eh, als collega begaan met het lot van Ranske. Ze heeft zich meerdere malen bij mij beklaagd over het gedrag van haar man… in mijn bijzijn gehuild van vernedering en verdriet.'
'Een vrouw in nood?'
Gerard Koster knikte nadrukkelijk.
'Dat was ze.'
De Cock keek de jonge leraar strak aan. 'En u werd haar redder?'
De ogen van Gerard Koster vernauwden zich. Het blauw was vrijwel niet meer zichtbaar. 'U bedoelt te vragen of ik Minnertsga vermoordde?' 'Dat bedoel ik.'
De jonge leraar stak zijn beide handen met gespreide vingers omhoog. 'Aan deze handen,' sprak hij theatraal, 'kleeft geen bloed.’