Toen De Cock de volgende morgen te laat, maar fris en monter de grote recherchekamer binnenstapte, vond hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine. De rappe vingers van de jonge rechercheur dansten over de toetsen.
De Cock wierp zijn hoedje naar de kapstok, miste, raapte zijn trouwe hoofddeksel van de vloer, deed zijn regenjas uit en slenterde naar zijn bureau.
'Waar ben je mee bezig?'
Vledder liet zijn vingers rusten en keek naar hem op. 'Een proces-verbaal van onze bevindingen in de zaak van een ontluisterende dood.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Noem je het zo?'
Vledder knikte nadrukkelijk.
'Wanneer men een man na zijn dood zijn penis afsnijdt, dan wordt men als man ontluisterd… gedegradeerd tot een geslachtloos wezen. Een ontluisterende dood leek mij de juiste benaming.' De Cock keek zijn jonge collega een tijdlang bewonderend aan. 'Dat is knap… heel knap… een goede gedachte,' sprak hij hoofdknikkend. 'Misschien wel de basis… de werkelijke grondgedachte bij de moord op de zo viriele leraar Bouke Anne Minnertsga.' Vledder kleurde om de hem toegezwaaide lof. 'Het lijkt waarachtig of bij jou gisteravond inderdaad de mistslierten uitje hoofd zijn gewaaid.' De Cock grinnikte.
'Er was geen wind,' sprak hij verongelijkt. 'Alleen regen… een loodrecht uit de hemel vallende regen.' 'Goed geslapen?'
De Cock liet zich in zijn stoel zakken en knikte.
'Na een beker gloeiend hete chocolademelk… uit de magnetron.'
Vledder lachte. 'Heb je toch zo'n ding gekocht?'
De Cock gebaarde verontschuldigend. 'Mijn vrouw. Toen ik haar het foldertje van Jan Kusters liet zien, wuifde ze het weg. Ze wilde er niet aan, maar toen de buurvrouw vertelde, dat ze al meer dan een jaar zo'n apparaat in huis had en er erg tevreden over was, heeft ze meteen een magnetron besteld.'
'Kon je ermee overweg?' De Cock plukte aan zijn neus. 'Ik vond gisteravond toen ik ver na middernacht thuiskwam, in de keuken op het aanrecht een briefje van mijn vrouw met daarop een duidelijk schema welke knoppen ik moest indrukken.'
'En?' '
De Cock trok een grijns.
'Ik volgde haar instructies en wachtte met mijn vingers in mijn oren op een explosie. Die kwam niet.' De oude rechercheur grinnikte. 'De chocolademelk werd heet.' Het gezicht van Vledder versomberde.
'Overeen explosie gesproken… commissaris Buitendam stond vanmorgen al duidelijk op springen. Hij was, nog met zijn hoed op en zijn jas aan, ruim voor negenen hier in de recherchekamer. Vreemd, nerveus, opgewonden. Ik moest jou onmiddellijk naar zijn kamer sturen zo gauw je kwam. Hij wilde je spreken.' 'Waarover?'
Vledder trok zijn schouders op.
'Dat weet ik niet. Dat heeft hij niet gezegd. Maar Buitendam was zichtbaar ontstemd.'
De Cock krabde zich achter in zijn nek.
'Ik begrijp niet goed,' sprak hij nadenkend, 'wat hem dwars kan zitten.'
Vledder snoof. 'Maak je borst maar nat. Zijn lange gezicht stond op zeven dagen storm.'
De Cock kwam met een ruk overeind en in de toppen van zijn vingers begonnen de uiteinden van zijn zenuwen van louter ergernis te prikkelen. Hij hield er niet van dat anderen zich met zijn werk bemoeiden… al was dat de commissaris zelf.
'Het wordt tijd,' bromde hij gemelijk, 'dat die man een andere barometer koopt.'
Nog voor de grijze speurder een stap in de richting van de deur had kunnen doen, kwam Vledder uit zijn stoel omhoog, liep op hem toe en legde kalmerend zijn rechterhand op diens schouder. 'Voor één keer… De Cock,' sprak hij bezwerend, 'maak hem niet kwaad. Je moet lief zijn voor je commissaris. Het staat in je ambtsinstructie.' De oude speurder keek zijn jonge collega even aan, nam na enkele seconden zijn hand weg en liep zonder iets te zeggen door.
De Vledder draaide zich om, oogde hem na en vreesde het ergste.
De Cock klopte bescheiden en wachtte tot naast de deur een groen lichtje ging branden. Daarna stapte hij naar binnen, deed de deur behoedzaam achter zich dicht en bleef met zijn hoofd 1 icht gebogen… in een houding van pure onderdanigheid staan. Commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van het politiebureau aan de Warmoesstraat, wenkte hem met een slanke hand naderbij en wees uitnodigend naar de stoel voor zijn bureau. Op zijn lang smal gezicht lag een sombere trek.
'Ga zitten, De Cock,' sprak hij geaffecteerd, 'ik vrees, dat ik jou over een aantal zaken toch eens ernstig moet onderhouden.' De oude rechercheur stapte wat loom naderbij en ging zitten. Om zijn mond dartelde een grijns. 'Dat mag,' sprak hij gelaten. 'U… eh, u mag vrezen.'
In zijn stem trilde een lichte spot. Buitendam negeerde de opmerking.
'Wij leven in Nederland ineen rechtsstaat,' declameerde hij, begeleid door een brede armzwaai, 'en jij en ik zijn er voor aangesteld om dat recht… vastgelegd in wetten, verordeningen en maatregelen van bestuur… te handhaven en te eerbiedigen.' De commissaris zweeg even voor het effect. 'Ben je het daarmee eens?' De Cock antwoordde niet direct. Hij overwoog een pittige discussie over de penibele vraag 'is Nederland wel een rechtsstaat?', maar indachtig de waarschuwing van Vledder hield hij zich in en knikte. 'Daar ben ik het mee eens.'
Over het bleke gezicht van commissaris Buitendam gleed een glimlach. 'Wat gebeurt er,' vroeg hij vriendelijk, 'met iemand, die als verdacht van een ernstig misdrijf wordt aangehouden?' De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. De grijze speurder begreep in een flits, waartoe de flemende vraagstelling van de commissaris moest leiden en speelde het spel mee. 'Die gaat in de cel.' Buitendam schudde zijn hoofd. 'Ik bedoel… wettelijk.'
'Die wordt ter beschikking van een hulp-officier van justitie gesteld.' De commissaris knikte blij.
'En wie is in dit bureau… buiten commissaris van politie, tevens hulp-officier van justitie?'
De Cock wees voor zich uit. 'U.'
Commissaris Buitendam trok zijn gezicht in een ernstige plooi. 'Gisteravond,' sprak hij gedragen, 'heeft brigadier Kusters… op dat moment wachtcommandant aan dit politiebureau… na een uiterst gedetailleerde bekentenis, een jonge vrouw… genaamd Caroline Hoogwoud… aangehouden als verdacht van moord op de leraar Minnertsga. Na die aanhouding heeft brigadier Kusters telefonisch zijn ambtsdaad aan mij medegedeeld en ik heb mij daarna onmiddellijk in verbinding gesteld met de heer Medhuizen, onze officier van justitie, en heb hem deelgenoot gemaakt van het blijde nieuws, dat de moord op de leraar klassieke talen was opgelost.' De Cock leunde ver in zijn stoel achterover en kon een uitbundige bulderlach niet onderdrukken.
'En vanmorgen,' gierde hij, 'was er plotseling geen verdachte meer… geen bekentenis, en bleek de moord op de leraar klassieke talen nog even onopgelost als tevoren.' Commissaris Buitendam keek hem strak aan. 'Ik kan je vreugde niet delen, De Cock,' sprak hij ernstig. 'Het eigenmachtig optreden van jou heeft mij ontstemd. Ik ben daar echt kwaad over. Jij had met haar vrijlating kunnen wachten tot vanmorgen… tot ik er in was gekend en na rijp beraad mijn toestemming tot vrijlating van de verdachte had kunnen geven.' De oude rechercheur boog zich naar voren. De uiteinden van zijn zenuwen begonnen weer te prikkelen. Om de trillende pijn te bedwingen, balde hij zijn vuisten en drukte zijn nagels in de palmen van zijn handen.
'Waarom?' vroeg hij kwaad snuivend. 'Wat had dat in godsnaam voor zin? Wie kon op dat moment beter dan ik beoordelen, dat de bekentenis van die jonge vrouw niet deugde, dat Caroline Hoogwoud onschuldig was en niet in een stinkende cel behoorde te worden opgesloten… en dat ze vooral niet de dupe mocht worden van ambtelijke of wettelijke onzin?' De Cock kwam geagiteerd uit zijn stoel overeind. 'Wees blij,' riep hij opgewonden, 'dat er bekwame ondergeschikten zijn, die een starre, puur formele commissaris van politie voor het maken van blunders en het daaraan gekoppelde onmenselijk handelen kunnen behoeden.' De oude rechercheur zweeg en zuchtte. De emotionele woordenstroom had hem opgelucht.
Buitendam stond op. Op zijn lang bleek gezicht lagen felrode blosjes van opwinding. Bevend van woede strekte hij zijn arm in de richting van de deur. 'Eruit,' brieste hij. De Cock ging.
Vledder keek hem schattend aan.
'Was het toch weer zover?' vroeg hij argwanend. 'Kon je het niet laten… voor één keer?'
De Cock liet zijn hoofd iets zakken.
'Ik ben grijs geworden in dit vak,' sprak hij dof. 'Het beroep van rechercheur van politie houdt in, dat men de wet handhaaft. Dat wordt van ons verwacht. Terecht, naar ik meen. Maar de wet is voor mij geen absoluut gegeven… geen 'Wet van Meden en Perzen', die geen enkele afwijking toelaat.' Vledder hield zijn hoofd iets schuin. 'Wat was er dan?' De Cock spreidde zijn handen.
'Na de aanhouding van Caroline Hoogwoud was zij als verdachte officieel ter beschikking gesteld van de commissaris van politie, tevens hulp-officier van justitie… formeel had ik niet het recht om haar na die valse bekentenis vrij te laten.' 'Sprak hij jou daarover aan?' De Cock knikte.
'Hij had na de bekentenis en de aanhouding van Caroline Hoogwoud de officier van justitie al opgebeld en hem opgewonden verteld, dat de moord op de leraar klassieke talen was opgelost.' Vledder gniffelde.
'Nu moet hij de officier terugbellen en zeggen, dat hij te voorbarig was geweest… dat het niet zo is… dat de bekentenis niet deugde. Dat was het. Daar zal hij ontstemd over zijn geweest.' De Cock snoof.
'Toen ik dat begreep, heb ik ook even hartelijk gelachen.' De oude rechercheur blikte omhoog naar de grote klok boven de deur van de recherchekamer. Daarna stond hij van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.
Vledder liep hem na. 'Waar ga je heen?' De Cock draaide zich half om. 'Ze zal nu wel uit bed zijn.' 'Wie?'
'Rooie Betsy.'
Toen ze op zijn kloppen de deur van haar woning op de derde etage in de Bloedstraat had opengedaan, keek ze met een blik vol verbazing naar De Cock op. 'Wat kom jij doen?' De grijze speurder keek haar glimlachend aan. 'Ik kom op de koffie.' Ze schudde haar hoofd. 'Die heb ik nog niet.'
De Cock nam zijn hoedje af en liep langs haar heen.
'Dan wordt het tijd, dat je vast water opzet,' sprak hij laconiek en liep verder haar woonkamer binnen.
De oude rechercheur trok een stoel onder de tafel vandaan, knoopte zijn regenjas los en ging zitten. 'Ik dacht… we gaan even naar Rooie Betsy. Die zet betere koffie. De koffie bij ons op het politiebureau is uilezeik… niet om te drinken.' Vledder nam naast hem plaats.
Rooie Betsy aarzelde even. Toen schuifelde ze in haar zwartglanzende kamerjas met vlammende drakekoppen in fel glimmend borduursel naar haar keukentje… moeizaam, gebogen, een trek van pijn op haar verlept gezicht vol scherpe rimpels. Al na een paar minuten was ze terug.
'Ik hoef geen water op te zetten,' sprak ze verklarend. 'Niet meer. Ik heb zo'n apparaat. Het duurt maar even. Moet je suiker en melk… of liever een scheutje room?' De Cock glimlachte.
'Alleen een beetje suiker.' De rechercheur duimde opzij naar Vledder. 'Hij ook.'
Rooie Betsy liep terug naar haar keukentje en kwam even later binnen met een klein dienblad waarop drie koppen dampende koffie stonden. Ze zette het blaadje licht trillend op het pluchen tafelkleed en ging tegenover De Cock zitten.
'Wachtje op je tweede kopje?' vroeg ze scherp. 'Of vertel je direct waarvoor je komt?'
De oude rechercheur pakte een kopje van het dienblaadje, zette het voor zich neer, roerde lang en aandachtig en nam een slok. 'Agneet.'
Rooie Betsy trok een grijns.
'Dacht ik al.' Met de grijns nog op haar gezicht keek ze op. 'Hij is dood.' Ze schudde meewarig haar hoofd. 'Het kind is er kapot van.' 'Agneet?'
Rooie Betsy knikte.
'Toen ik het gistermorgen in de krant las, ben ik naar haar toe gegaan. Agneet zag er ontredderd uit… het kind had de hele nacht liggen janken.'
De Cock verwerkte de mededeling bliksemsnel. 'Om de dood van leraar Minnertsga?' Rooie Betsy knikte opnieuw. Heftig.
'Die vuile viezerik. Die gore verkrachter. Doe je je best… beweeg je hemel en aarde om er voor te zorgen dat je kind op een goede school terechtkomt… betere kansen krijgt…' Ze maakte haar zin niet af. 'Je wilt toch voor alles voorkomen, dat je enigst kind in de goot belandt… zoals ik… een oude afgeleefde hoer met reumatiek in haar botten.'
De Cock schoof zijn kopje iets van zich af. 'Wie zonder zonde is… werpe de eerste steen,' sprak hij achteloos. Rooie Betsy schonk hem een meelijwekkend lachje. 'Dat weet ik. Gehoord bij het Leger. Jezus zou dat hebben gezegd, toen ze een hoer wilden stenigen.' Ze zweeg even; trok nonchalant haar schouders op. 'En… wat koop ik daarvoor?' Zonder op een antwoord te wachten, zwaaide ze met haar rechterarm breed voor zich uit. 'Ze hadden die viezerik moeten stenigen,' riep ze fel, 'stenigen nadat hij mijn kind had aangerand.' De Cock reageerde niet direct. Hij voelde weinig vooreen vruchteloze godsdienstige discussie. Hij omklemde zijn kopje met beide handen en dronk zijn koffie. Toen hij het kopje leeg op het schoteltje terugzette, rinkelde het lepeltje. De grijze speurder keek haar strak aan. 'Stenigen,' herhaalde hij langzaam. 'Stenigen… of zijn pik moeten afsnijden.'
Rooie Betsy trok haar hoofd in haar nek. In haar fletse ogen lag een waakzame blik.
'Is dat jouw idee, De Cock?' De grijze speurder schudde zijn hoofd.
'Het jouwe, Betsy… luid verkondigd in het café van Smalle Lowietje.'