Toen Gerard Koster met soepele tred uit de grote recherchekamer was vertrokken, kwam de jonge Vledder achter zijn eigen bureau vandaan, pakte de stoel naast het bureau van De Cock en ging daar achterstevoren op zitten.
'Waarom heb je er niet op aangedrongen,' vroeg hij niet-begrijpend, 'dat die Engelse leraar ons het schuiladres van Roeland van Ieperen gaf? Hadden we hem zo kunnen ophalen.' De Cock keek naar hem op.
'Ik wilde Gerard Koster niet in een gewetensconflict manoeuvreren. Ik zag er weinig heil in om hem tegen ons in het harnas te jagen. Misschien hebben we hem in de toekomst nog eens nodig.' Hij zweeg even; wreef nadenkend over zijn kin. 'Geloof jij nog in de schuld van die jongen?' 'Roeland van Ieperen?'
'Ja.'
Vledder knikte nadrukkelijk.
'Zeker,' riep hij heftig. 'Je hebt nu opnieuw een bevestiging, dat Roeland van Ieperen dezelfde fouten maakte.' 'En dat is voor jou voldoende?' Vledder reageerde verongelijkt.
'We hebben hier al eindeloos over gediscussieerd,' riep hij geprikkeld. 'Ook zijn vlucht is een bewijs van zijn schuld.' De Cock glimlachte fijntjes.
'Waarom heb ik dan van hem nog geen o.a.v. op de telex gezien… heb je nog steeds geen verzoek tot opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Roeland van Ieperen doen uitgaan?' Vledder klapte zijn vlakke rechterhand tegen zijn mond. 'Vergeten.' De jonge rechercheur kwam met een ruk overeind. 'Ik zal onmiddellijk…' De Cock hield hem tegen.
Laat maar. Het heeft weinig zin om een telex te verzenden die je kort daarna alweer moet laten vervallen.' Vledder keek hem verward aan. 'Vervallen?'
De Cock knikte. Hij kwam van zijn stoel omhoog en slenterde met zijn regenjas nog aan naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
'Waar ga jij heen?'
De Cock draaide zich half om.
'We gaan naar de Korte Marnixkade bij het Haarlemmerplein.' 'Wat is daar?'
'Daar woont Agneet van den Heuvel.' 'De dochter van Rooie Betsy?'
'Precies. En die meid zal toch met een zeer aannemelijke verklaring moeten komen, anders arresteer ik haar voor de moord op Minnertsga.' Vledder slikte. 'Agneet?'
De Cock knikte traag.
'Rooie Betsy gaf ons vanmorgen onbewust een belangrijke aanwijzing tegen haar.' 'Wat voor een aanwijzing?'
De Cock zette zijn oude hoedje op zijn stugge grijze haren, knoopte zijn regenjas dicht en sjokte naar de deur. 'Is je dat ontgaan?' vroeg hij gemelijk.
Vledder keek hem met een beteuterd gezicht aan.
'Blijkbaar,' antwoordde hij onzeker. 'Ik heb uit haar mond niets bijzonders gehoord.'
Met de deurknop in zijn linkerhand stak De Cock zijn rechterwijsvinger omhoog.
'Bene-audire-alterum-patrimonium-est,' declameerde hij in zijn stuntelig Latijn. 'Goed luisteren is een tweede erfgoed.' Het gezicht van Vledder betrok.
'Ik heb goed geluisterd,' reageerde hij nukkig. 'Ik heb het gesprek woordelijk gevolgd.'
De Cock gebaarde in zijn richting.
'Sprekende over de moord,' legde hij geduldig uit, 'zei Rooie Betsy letterlijk: toen ik het gistermorgen in de krant las, ben ik onmiddellijk naar haar toe gegaan. Agneet zag er ontredderd uit… het-kind- had-de-hele-nacht-liggen-janken… let wel… janken om de dood van Minnertsga.' De mond van Vledder viel open.
'Ik begrijp het,' riep hij zichtbaar geschrokken. 'Ze wist het… Agneet wist het al… ze wist het al de hele nacht… ze jankte omdat Minnertsga, die ze lief had, was vermoord.' De jonge rechercheur keek naar De Cock op. 'Experto-credite' hijgde hij, 'gelooft hem, die het uit ondervinding weet.' De grijze speurder lachte vrolijk. 'Dick Vledder… je leert snel.'
Vanuit de Planciusstraat reed Vledder de Golf onder het viaduct door naar het Haarlemmerplein en sloeg daar rechtsaf en bracht de wagen achter de fraai gerestaureerde Haarlemmerpoort tot stilstand. De beide rechercheurs stapten uit. De Cock keek uit over het water en wees.
'Al voorde oorlog, in 1939, vertrok van hier een veerbootje, dat de 'IJ-tunnel' heette. Het voer door het Wester Kanaal naar de overkant van het IJ.' De oude rechercheur grinnikte. 'De naam 'IJ-tunnel' getuigde van een ongebreideld optimisme. De echte IJ-tunnel werd eerst dertig jaar later, in 1969, geopend.' Vledder lachte. Typisch Amsterdams.'
De Cock lachte niet. Hij hield van de oude Amstelstad. Achter de Haarlemmerpoort staken ze de rijbaan van het Haarlemmerplein over en sjokten naar de Korte Marnixkade. Voor nummer 127 bleef De Cock staan en keek omhoog. Op de eerste etage brandde geen licht.
Vledder keek hem aan.
'Ze is niet thuis,' constateerde hij spijtig.
De Cock reageerde niet. Hij pakte uit de rechtersteekzak van zijn slonzige regenjas een koperen houdertje, waarin uitschuifbaar een reeks van blauwstalen sleutelbaarden. Het was een apparaatje dat hij eens van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen, toen die ernstig besloot om voortaan het smalle pad der deugd te bewandelen. Sindsdien had De Cock veelvuldig een 'gepast' gebruik van het apparaatje gemaakt.
Met kennersblik zocht de grijze speurder een passende sleutelbaard, opende daarmee de straatdeuren stapte in een klein portaal. Vandaar duwde hij zijn negentig kilo voorzichtig langs de houten trap omhoog. Vledder volgde.
Op het portaal van de eerste etage monsterde De Cock het slot van de woningdeur. Het was, zo zag hij, van een eenvoudige constructie. In slechts luttele seconden had hij het slot geopend en stapte de woning binnen.
Toen ook Vledder in de kleine hal stond, deed hij de woningdeur zorgvuldig achter hen dicht.
Vanuit het halletje kwamen ze in een kleine woonkamer. De Cock liet het ovaal van zijn zaklantaarn langs de meubels glijden. De inrichting was steriel en modern. Aan de witte wanden hingen enige surrealistische litho's in fel rood en korenblauw. Om een ronde tafel met een gewolkte glazen plaat op stalen poten, stonden vier diepe witlederen fauteuils op een witte vloer van glanzend balatum. De oude rechercheur stapte langs de fauteuils. In de deuropening naar de slaapkamer bleef hij staan en snoof enige malen… liet de lucht langs de trilharen van zijn neusgaten glijden. Daarna draaide hij zich om naar Vledder, die achter hem stond.
'Jasmijn,' fluisterde hij. 'Jasmijn en lavendel. De parfum ….. de parfumgeur in de wagen van de vermoorde Minnertsga.' Vledder grijnsde.
'Als we ook nog haar muiltje vinden… kunnen we Assepoester inrekenen.'
De beide rechercheurs hingen in het schemerdonker lui en verveeld achterover in de witlederen fauteuils. De tijd verstreek slechts langzaam. De geluiden die van buiten binnendrongen, werden steeds schaarser.
Vledder keek op zijn horloge en liet de wijzerplaat even oplichten. 'Het is al bijna middernacht,' bromde hij. 'Rooie Betsy had haar dochter moeten leren om op tijd thuis te komen.' De jonge rechercheur blikte opzij. 'Nemen we haar direct mee naar de Kit?' De Cock antwoordde niet direct. Hij hield er niet van om iemand te arresteren en pas later te bezien of hij of zij ook werkelijk schuldig was.
'Ik wil eerst even met haar babbelen.'
'Waarom? Zij was die avond bij Minnertsga in de wagen. Dat is duidelijk.'
De Cock knikte.
'Maar dat houdt niet onvoorwaardelijk in, dat zij hem ook heeft vermoord.'
Er klonken voetstappen op de trap. Op het portaal van de eerste etage stopte het geluid. Er was wat nerveus gemorrel aan het slot van de woningdeur, gevolgd door stappen in de hal. Even later floepte het licht aan. In de deuropening naar de woonkamer stond een knappe vrouw… een sterk verjongde replica van Rooie Betsy met lang rood kroezend haar, eindigend in een paardestaart. Ze keek met een blik vol verbijstering en verbazing van De Cock naar Vledder en terug. 'Wat… eh, wat moeten jullie hier?' vroeg ze stamelend. 'Wie… eh, wie zijn jullie? Hoe… eh, hoe komen jullie hier binnen?' De Cock kwam uit zijn fauteuil overeind, nam zijn hoedje af en maakte een hoffelijke buiging in haar richting. 'Mijn naam is De Cock,' sprak hij vriendelijk. 'De Cock met ceeooceekaa.' Hij wees naar zijn jonge collega, die nog lui in zijn fauteuil hing. 'En dat is Vledder, mijn onvolprezen hulp. Wij zijn rechercheurs van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.' 'Rechercheurs?' De Cock knikte.
'Wij bemerkten tot onze schrik,' loog hij charmant, 'dat de toegangsdeur tot uw woning niet slotvast was afgesloten. Om uw kostbare bezittingen tegen diefstal te beschermen zijn wij naar binnen gegaan en hebben gewacht op uw komst.'
Agneet van den Heuvel deed een stap dichterbij en keek de oude rechercheur argwanend aan. 'Dat geloof ik niet,' reageerde ze strak. De Cock schonk haar zijn beminnelijkste glimlach. 'U hebt gelijk,' sprak hij berustend. 'Het was een leugen. Wij kwamen niet om uw inboedel te beschermen… wij kwamen om u te arresteren.'
Agneet van den Heuvel plofte geschokt in de witlederen fauteuil tegenover hem.
'Arresteren?' herhaalde ze toonloos. De Cock knikte.
'Als verdacht van moord op de heer Minnertsga.'
Agneet van den Heuvel strekte haar rug. Uiterlijk onbewogen keek ze De Cock secondenlang aan.
'Ik was het niet.'
De grijze speurder glimlachte.
'Ik heb in mijn lange loopbaan als rechercheur zelden iemand direct spontaan horen bekennen.'
Agneet van den Heuvel trok haar lippen tot een strakke lijn. 'Ik was het niet,' herhaalde ze.
De Cock liet zich weer in zijn fauteuil zakken. U hebt de heer Minnertsga gekend?' opende hij voorzichtig.
Agneet van den Heuvel knikte.
'Ik had een verhouding met hem… al drie jaar… sinds ik als achttienjarig meisje op het Bartholinus bij hem in de klas kwam.' 'U was verliefd op hem?' 'Onmiddellijk.'
De Cock verborg een glimlach achter zijn hand. Hij ontdekte in de jonge vrouw iets van de spankracht en spontaniteit van Rooie Betsy. De oude rechercheur zuchtte diep. 'Het begin van een uitzichtloze liefde.' Agneet schudde haar hoofd.
'Niet uitzichtloos. Bouke heeft steeds beloofd met mij te trouwen.
Volgens hem was zijn eigen vrouw niet bereid en in staat om aan de eisen van zijn Fries temperament te voldoen.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Fries temperament?'
Agneet van den Heuvel knikte.
'Bouke beweerde altijd met klem, dat de Friese mannen temperamentvoller zijn dan de mannen uit de rest van het land.' De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
'Jij was wel bereid en in staat om aan de eisen van zijn Fries temperament te voldoen?'
Agneet van den Heuvel knikte nadrukkelijk. 'Ik was erg gelukkig met hem.' De jonge vrouw liet haar hoofd iets zakken. 'Ik wilde dat geluk vasthouden,' ging ze zacht, bijna fluisterend verder. 'Vasthouden… met beide handen. Daarom drong ik er steeds bij hem op aan om te scheiden… en eindelijk met mij te trouwen. Ik wilde gelukkig zijn… gelukkig in de beslotenheid van een huwelijk… geen losvaste verbintenissen, waaraan mijn lieve moeder uiteindelijk ten gronde is gegaan.' Ze keek meteen betraand gezicht naar hem op. 'Is… eh, is dat zo mal?' De Cock schudde zijn hoofd.
'Dat is niet mal,' antwoordde hij vriendelijk. 'Echt niet. Ieder mens vecht voor zijn geluk. En ieder mens heeft ook recht op die strijd voor zijn geluk… maar niet met alle middelen.' Agneet van den Heuvel wreef met de rug van haar hand de tranen uit haar ogen.
'U denkt, dat ik Bouke heb vermoord?' De Cock negeerde haar vraag. 'Je zat bij hem in de wagen…?'
Agneet van den Heuvel knikte.
'Ik was wat geprikkeld. Bouke was weer eens naar de parkeerplaats
gereden, maar ik had geen zin in dat geknoei in een auto.'
De Cock keek haar verrast aan.
'Waarom nam je hem niet mee hier naar je woning.'
Agneet van den Heuvel zuchtte.
'Dat heb ik een paar maal gedaan, maar de buren briefden dat over aan mijn moeder. En die kon zijn bloed wel drinken. Ze vond het verschrikkelijk dat ik met Bouke omging, en ze eiste voortdurend van mij dat ik de verhouding met hem verbrak. Wil jij ook in de goot? krijste ze dan.' De jonge vrouw spreidde haar beide handen in een hulpeloos gebaar. 'Ik wilde mijn moeder geen pijn doen.' De Cock schonk haar een trieste glimlach. 'Dus in de auto.' Agneet van den Heuvel knikte.
'We kregen ruzie… we kregen de laatste tijd toch steeds vaker ruzie. Ik wilde niet wat hij wilde en eiste opnieuw van hem, dat hij op korte termijn zou scheiden. Toen begon hij te lachen en zei: schat eens, hoeveel meisjes in mijn klas zouden er verliefd op mij zijn?' Agneet van den Heuvel sloot haar ogen. 'Dat was het… dat was het moment dat ik besefte, dat Bouke niet echt van mij hield… nooit werkelijk van mij had gehouden. Dat hij mij al die jaren had belogen en misbruikt. Bouke probeerde mij nog tegen te houden, maar ik vluchtte de wagen uiten rende weg… zo snel ik kon… bang, dat hij achter mij aan zou komen. Toen ik al buiten de parkeerplaats stond, bemerkte ik, dat ik slechts één schoen aan had, dat de andere in de wagen was achtergebleven. Ik was buiten adem. Hoelang ik daar op de Prins Hendrikkade heb gestaan… jankend, grienend in de plenzende regen… weet ik niet meer. Toen ik wat rustiger werd, ben ik teruggegaan… op mijn kousen… die ene schoen in mijn hand. Bouke was er niet… niet meer. Het linkerportier van zijn wagen stond helemaal open. Dat heb ik dichtgeklapt en ben op zoek gegaan. Hij moest toch ergens zijn?'
Agneet van den Heuvel zweeg… bleek en vermoeid. Haar kroezend rode haar vlamde niet meer. Angstig en ineengedoken zat ze in haar fauteuil… een grote, diepe witlederen fauteuil van plotseling immense afmetingen. Al haar weerbaarheid… haar vechtlust… was weggeëbd. Wat bleef was een lief schichtig vogeltje… klein, fragiel… een kind nog.
De Cock liet haar even begaan. Het liefst was hij opgestapt, de trap af, de straat op… zonder verder vragen… weg uit de benauwende sfeer rond dat kind van Rooie Betsy.
De oude rechercheur keek haar peinzend aan… wreef over zijn brede kin… schatte haar weerstand. "Vond je hem?'
Agneet van den Heuvel knikte traag.
'Tussen een paar autobussen… dood… met grote wijdopen ogen… in de regen. En een of andere gek… een of andere gek had zijn pik afgesneden.'