12

Zwijgend en met strakke gezichten reden de beide rechercheurs van het landhuis aan de Amstel weg. Na enkele kilometers klapte Vledder met zijn vuist op het stuur van de oude Volkswagen. ‘Een denkfout,’ siste hij met toegeknepen mond. ‘Jij en die Richard Bernard maken een grove denkfout. Het feit, dat iemand een slome en slungelige indruk maakt, betekent niet dat hij bij voorbaat onschuldig is… dat hij niet tot een moord in staat is. Het is toch te gek dat Richard Bernard aan de rechercheurs die destijds de moord op zijn dochter behandelden, nooit de naam van Peet de Boer heeft genoemd. Logisch, dat zijn naam niet in het dossier voorkomt.’ De jonge rechercheur ademde diep.

‘Hij was de man die conducteur De Jonghe in de trein vergiftigde koffie aanreikte. Hij was in de mogelijkheid om Suzette de Tournes in haar coupé te wurgen en ongezien haar kleren te laten verdwijnen en… zoals nu blijkt… kende hij Stella Bernard… zijn eerste slachtoffer.’

De Cock keek hem van terzijde aan.

‘En hoe,’ vroeg De Cock voorzichtig, ‘past in jouw theorie een gedistingeerde oudere dame met zilvergrijs haar in een keurig donkerbruin mantelpakje van grove tweed, waaronder een beige blouse met volanten… de dame die op de bewuste morgen bij Suzette de Tournes in de eersteklascoupé zat?’

Vledder reed de Volkswagen abrupt naar een korte vluchtstrook links van de weg en stopte. Hij schakelde de motor uit en draaide zich met een wilde ruk naar de grijze speurder toe. ‘Hoe kennen we het bestaan van die oudere dame?’ vroeg hij opgewonden.

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Door de getuigenis van Peet de Boer.’

Vledder grijnsde.

‘En als die slome, slungelige Peet de Boer die oudere dame uit zijn hoge hoed tovert… ik bedoel, als dat een puur bedenksel is?’ De Cock knikte.

‘Dan worden wij door hem,’ sprak hij gelaten, ‘aardig om de tuin geleid.’

Vledder snoof.

‘Precies,’ reageerde hij strak. ‘Geen oudere dame… ook geen oudere dame aan wie hij koffie serveerde. En dat is tevens een verklaring voor het feit dat in de prullenbak van die coupé geen plastic bekertje is aangetroffen.’ De jonge rechercheur klemde zijn lippen op elkaar en stak de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog. ‘Ik had die Peet de Boer al eerder willen arresteren… inzake de wurgmoord op Suzette… en dat nog voor ik wist dat Peet de Boer ook Stella Bernard had gekend.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Dat kan toeval zijn,’ sprak hij achteloos. ‘Stella Bernard hield van Enkhuizen. Terecht. Ik ken het. Het is een stadje om van te houden. Stella was ook een enthousiast zeiler met een voorliefde voor het grillige water van het IJsselmeer. In de haven van Enkhuizen had ze een zeewaardig jacht. Een geschenk van haar rijke vader. Wel, op een zomerse dag stapt ze in Enkhuizen in de Westerstraat een boetiek binnen en ontmoet Peet de Boer, een slome, slungelige jongen, die zij wel aardig vindt en…’ Vledder onderbrak hem fel.

‘… die haar moordenaar wordt.’

De Cock reageerde niet direct. Hij keek naar zijn jonge collega op, monsterde de expressie op zijn gelaat, de iets vooruitgestoken kin, de harde trek om zijn mond, en zuchtte.

‘Jij bent ervan overtuigd,’ sprak hij gedragen, ‘dat Peet de Boer verantwoordelijk is voor de dood van zowel Suzette de Tournes als Stella Bernard?’

‘Absoluut.’

‘Jij meent dat er voldoende aanwijzingen zijn om tot zijn arrestatie over te gaan?’

‘Zeker.’

De Cock knikte traag voor zich uit. Hij streek met zijn hand over zijn grijze haren. ‘Oké,’ sprak hij berustend. ‘Om eventuele verwijten van Buitendam te ontgaan, neem je straks op het bureau eerst de zaak met de commissaris door. Dan vraag je hem of hij contact wil opnemen met onze nieuwe officier van justitie, meester Medhuizen, en als die het groene licht geeft…’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Bel ook even met Jan Westerneng en vraag of hij je het dienstrooster van Peet de Boer kan bezorgen. Dan weet je op welke momenten je hem thuis kunt verwachten.’ Vledder keek hem wantrouwend aan.

‘En jij… doe jij niets meer?’

De Cock strekte zijn hand naar hem uit.

‘Van nu af… is het jouw zaak.’

Peet de Boer keek van Vledder naar De Cock en terug. Op zijn gezicht lag een uitdrukking van verbijstering en ongeloof. Zijn lange slanke handen, steunend op zijn knieën, trilden. ‘Dat… dat… dat kunnen jullie niet doen,’ stamelde hij. ‘Jullie kunnen mij niet zomaar vasthouden. Dat is niet goed… dat is helemaal niet goed. Ik ben onschuldig.’ Hij grinnikte vreugdeloos. ‘Ik moet in dienst. Ik moet morgenvroeg weer op de trein.’ Hij wees naar De Cock. ‘Ik heb die meneer al alles verteld… alles wat ik weet.’ Vledder boog zich naar hem toe.

‘Wij geloven niet dat het alles was,’ sprak hij kalm. ‘Wij hebben de overtuiging dat u veel voor ons verborgen hebt gehouden.’ Peet de Boer schudde zijn hoofd.

‘Ik heb niets verborgen gehouden,’ reageerde hij fel. ‘Ik heb ook niets te verbergen.’ Zijn blik gleed schichtig langs de kale wanden van de grote recherchekamer. ‘Wat moet ik hier doen? Hoelang denken jullie mij hier vast te houden?’

Vledder gebaarde in zijn richting.

‘Tot u ons de gehele waarheid hebt verteld.’

Peet de Boer zwaaide wanhopig.

‘En wie zorgt er intussen thuis voor mijn parkiet?’

Vledder knikte geruststellend.

‘Daar vinden we wel een oplossing voor… al zal ik hem persoonlijk elke dag water en voer moeten geven.’

Peet de Boer snoof.

‘Dat beest moet van jou geen voer,’ sprak hij verachtelijk. ‘Het dier schrikt zich dood als hij jouw gezicht bij zijn kooi ziet.’ Het gezicht van de jonge rechercheur verstarde en op zijn wangen kwamen roze blosjes.

‘Als ik goed ben geïnformeerd,’ sprak hij, zich beheersend, ‘dan bent u door de politie van Enkhuizen eens verhoord terzake verkrachting.’

‘Ja.’

‘Wat moet ik mij daarbij voorstellen?’

‘Niets.’

Vledder klemde zijn lippen op elkaar.

‘Iemand zal toch een aangifte of een klacht tegen u hebben ingediend.’

Peet de Boer knikte.

‘Dat klopt.’ Hij zuchtte diep. ‘Ik werkte in de Westerstraat in de boetiek van mijn moeder. Daar kwamen veel meiden. Ik ben een kledingfreak. Ik wil graag dat een vrouw goed gekleed gaat… zelfs in vrijetijdskleding. Ik gaf altijd welgemeende adviezen. Ik vind het verschrikkelijk als vrouwen iets dragen wat niet bij hen past. In de trein zie je soms…’

Hij maakte zijn zin niet af en zuchtte opnieuw.

‘Op een dag kwam er een meid met grote brede hangborsten de boetiek binnen en paste een nauwsluitend truitje. Ik tikte met mijn vingertoppen tegen de onderkant van haar borsten en zei dat ze met zo’n buste beter een goede bustehouder kon dragen… dat zo’n truitje dan beter tot zijn recht kwam.’

Peet de Boer schudde zijn hoofd en maakte een verontschuldigend gebaartje.

‘Het was achteraf gezien niet zo tactisch van mij en misschien was mijn gebaar voor dat meisje wel vernederend. Dat is moeilijk in te schatten. Ze liep in ieder geval huilend van woede de boetiek uit en de volgende morgen kreeg ik een oproep om bij de recherche te verschijnen. Haar moeder had namens haar dochter tegen mij aangifte gedaan van poging tot aanranding.’ Vledder keek hem grijnzend aan.

‘Hebt u ook met uw vingertoppen tegen de onderkant van de buste van Stella Bernard getikt?’ vroeg hij met een zweem van sarcasme.

Peet de Boer kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn ogen flikkerden kwaadaardig.

‘Dat is een gemene vraag,’ siste hij. ‘Een intens gemene vraag. Stella en ik hielden van elkaar. Dat is heel iets anders. Bovendien wist Stella zich te kleden. Ze had stijl. Ik hoefde haar niet te corrigeren.’

Vledder ging onverstoord verder.

‘Stella kwam in Enkhuizen bij u in de boetiek?’

Peet de Boer liet zich in zijn stoel terugzakken.

‘Stella-kwam-bij-mij-in-Enkhuizen-in-de-boetiek,’ herhaalde hij afgemeten. ‘Zo hebben we elkaar leren kennen. Ze zocht iets uit en wij babbelden samen over mode. Het klikte direct. Stella was de enige dochter van een rijke vent hier uit Amsterdam. Ik ben wel eens bij hen thuis geweest… een landhuis ergens aan de Amstel. Stella had in de haven van Enkhuizen een prachtig jacht liggen. Ik ben diverse keren met haar het IJsselmeer op geweest. Ze kon zeilen als de beste. Vooral bij stormachtig weer. Ik kneep hem dan wel eens, maar zij genoot. Haar vader deed in textiel. Veel import. Meest inferieur spul, waarvoor Stella en ik weinig belangstelling hadden. Wij hadden onze eigen grote dromen voor de toekomst: een modehuis, waarin wij onze ideeën over het gekleed-zijn konden uitdragen.’ Peet de Boer liet zijn hoofd zakken.

‘Mijn droom… en ook die van haar… werd wreed verstoord. Een of andere gek kneep haar in de trein haar keel dicht. Ik ben er tijden kapot van geweest. Dat is ook de reden dat ik uit Enkhuizen ben weggegaan. Ik kon het niet meer uithouden in die boetiek. Daar zaten zoveel herinneringen aan haar.’ Vledder leunde in zijn stoel achterover.

‘Kent u Suzette de Tournes?’

Peet de Boer keek de jonge rechercheur verward aan. ‘Hoe zeg je?’

‘Suzette de Tournes.’

‘Nooit van gehoord.’

‘Ze was een vriendin van Stella.’

‘Ik heb nooit vriendinnen van Stella ontmoet.’

Vledder hield zijn blik strak op hem gericht.

‘Suzette de Tournes,’ sprak hij scherp, ‘was de jonge vrouw die op dezelfde wijze als Stella gewurgd werd gevonden in die eersteklascoupé van de trein uit Nijmegen, waarop jij met je karretje als steward ronddoolde.’

Peet de Boer keek hem uitdagend aan.

‘En? Waar ben je op uit?’

Vledder grijnsde.

‘Waar ik op uit ben?’ sprak hij nadrukkelijk. ‘Te bewijzen dat jij verantwoordelijk bent voor de moorden op de beide jonge vrouwen, Stella Bernard en Suzette de Tournes.’

Peet de Boer stootte een holle lach uit. ‘Je bent gek.’ Vledder schudde bedaard zijn hoofd.

‘Er is geen enkele reden om aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen,’ sprak hij zacht. Hij stak de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog. ‘Luister… jij zult beslist vooraf geweten hebben met welke trein Stella naar Enkhuizen kwam. Misschien was het zelfs wel jouw gewoonte om reeds in Amsterdam in diezelfde trein te zitten. Ik ken jouw motief niet, Peet de Boer, nog niet, maar misschien droeg Stella Bernard die dag iets wat bij jou als kledingfreak gevoelens van afschuw en woede opriep. Zoals dat fluwelen broekpak met een nauwsluitend jasje waaronder een witzijden blouse met een V-hals, dat Suzette de Tournes die dag droeg, duistere emoties bij jou wakker schudde.’

Peet de Boer kwam weer uit zijn stoel overeind. Zijn gezicht zag rood en een blauwe ader klopte in zijn hals. Met zijn handen tot klauwen gekromd, bukte hij zich naar de zittende Vledder. ‘Je weet niet wat je zegt, vent,’ brulde hij. ‘Je bent gek… hartstikke gek.’

De jonge rechercheur week niet.

‘Wat heb je met die kleren gedaan?’ vroeg hij scherp. ‘Verstopt in je karretje… verkocht in de boetiek van je moeder aan een jonge vrouw bij wie het allemaal wel paste?’

De Cock keek naar het gezicht van Peet de Boer. In zijn blik onderkende hij haat en moordlust. De situatie was gespannen. Hij vroeg zich af hoe hoog hij de emoties mocht laten oplaaien. Moest hij ingrijpen? Nu? Met langzame bewegingen kwam hij uit zijn stoel overeind, liep op de jonge steward toe, legde kalm zijn hand op diens schouder en dwong hem zachtjes om weer te gaan zitten. Daarna gaf hij Vledder een wenk dat hij kon doorgaan. De grijze speurder vond dat de jonge rechercheur het verhoor niet slecht deed. Beslist niet. De theorie van een kledingfreak, die gedreven door puur fanatisme tot gruweldaden komt, was een vondst waarvoor hij bewondering koesterde. Zelf was hij vermoedelijk nooit op dat idee gekomen. Hij hoopte oprecht dat Vledder het juiste motief had aangeboord en de steward tot een bekentenis kon voeren. Het zou goed zijn voor zijn zelfvertrouwen en zijn toekomst. Persoonlijk had De Cock zijn twijfels. Vledder ging niet direct verder. De jonge rechercheur laste bewust een kleine pauze in om de emoties bij Peet de Boer wat te laten wegvloeien. Hij voelde zich sterk en zeker. In zijn hart groeide de overtuiging dat hij op het goede spoor zat. Het maakte hem een tikje overmoedig.

Met een flauwe glimlach om zijn lippen keek hij de jonge steward onderzoekend aan.

‘Ben je van de week in Utrecht al op ziekenbezoek geweest?’ heropende hij het verhoor met een licht sarcasme. ‘Bij… eh, bij conducteur De Jonghe?’

Peet de Boer keek hem verbaasd aan.

‘Ziekenbezoek?’ herhaalde hij vragend.

Vledder knikte.

‘Cornelis de Jonghe, de conducteur van die bewuste trein, is al enige dagen thuis om te bekomen van het vergif dat jij hem hebt gegeven.’

Peet de Boer slikte.

‘Ik? Ik heb hem vergif gegeven?’

Vledder knikte opnieuw. Overtuigend.

‘Wat had je in die koffie gedaan?’

De jonge steward keek naar De Cock alsof hij van hem steun verwachtte.

‘Ik… ik weet niets van vergif.’

Vledder boog zich met een ruk naar hem toe.

‘Jij gaf de conducteur koffie en kort daarna moest hij met ernstige maagklachten de trein verlaten.’

Peet de Boer staarde enige tijd verbijsterd voor zich uit. Ineens verhelderde zijn blik.

‘Die dame… die dame in het blauw.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wat is er met die dame in het blauw?’ vroeg hij geprikkeld. Peet de Boer knikte met een zucht.

‘Zij gaf het mij.’

Загрузка...