13

De Cock keek naar zijn jonge collega op. ‘Heb je hem naar zijn cel gebracht?’

Vledder knikte traag.

‘Met veel moeite. Hij blijft maar roepen dat hij niet in een cel hoort… dat wij hem onrecht aandoen… dat hij onschuldig is.’ ‘En?’

‘Wat?’

‘Is hij dat? Is Peet de Boer naar jouw mening onschuldig?’ Er kwam een pijnlijke trek op het gezicht van de jonge rechercheur. ‘Ik weet het niet,’ sprak hij onzeker. ‘Ik weet het niet meer. Ik ben na dit verhoor toch iets van mijn overtuiging kwijt.’ Hij kauwde nadenkend op zijn onderlip. ‘Weet je wat mij aan die Peet de Boer zo verbaasde?’

‘Nou?’

‘Dat die eerste impressie, die slome slungelige houding, niet wordt bevestigd. Begrijp je? Peet de Boer is geen slome, slungelige stuntel. Die houding is bewust of onbewust een soort camouflage. Peet de Boer weet verrekt goed wat hij wil en wat hij zegt. Dat bracht mij een weinig in de war. In het licht van hetgeen wij nu weten, is Peet de Boer naar mijn gevoel een redelijke verdachte. De feiten en omstandigheden wijzen in zijn richting. Ik verwachtte en hoopte dan ook dat ik hem snel tot een bekentenis zou kunnen brengen… vooral toen ik tijdens het verhoor ontdekte dat hij het type van een kledingfanaat was. Peet de Boer vindt het verschrikkelijk wanneer naar zijn mening meisjes en vrouwen iets dragen dat niet bij hen past. In hoeverre hem dat prikkelt… gevoelens van afschuw bij hem opwekt… is een zaak van de psychiater, maar het kan in mijn ogen een motief zijn voor de beide moorden en tevens een verklaring waarom Stella Bernard en Suzette de Tournes ontkleed werden aangetroffen. Hij ontdeed hen heel simpel van de kleding die heftige emoties bij hem had wakker geroepen.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Volgens jouw theorie,’ stelde hij voorzichtig, ‘is Peet de Boer zo geobsedeerd door de combinatie vrouw-kleding, dat hij een in zijn ogen verkeerde combinatie met moord corrigeert?’ In zijn stem klonk twijfel.

Vledder knikte nadrukkelijk.

‘Hij begaat de moorden,’ doceerde hij gespannen, ‘om die correctie tot stand te brengen. Begrijp je, die moorden zijn nodig, omdat ervaring hem heeft geleerd dat meisjes en vrouwen die correctie niet vrijwillig toestaan. Denk maar eens aan die aanklacht tegen hem omdat hij een meisje in de boetiek tegen de onderkant van haar borsten had getikt.’

De Cock klemde zijn lippen op elkaar.

‘De vrouwen moesten eerst weerloos zijn gemaakt,’ concludeerde hij somber.

‘Precies… vandaar die wurgmoorden. Hoe vrouwen gekleed gaan, is voor Peet de Boer uiterst belangrijk. Je merkt het ook aan de signalementen die hij ons gaf… zowel die van de oudere dame, die bij Suzette de Tournes in de eersteklascoupé zat, als die van de dame in het blauw.’

De Cock knikte begrijpend.

‘De kleding die de beide vrouwen droegen, kan hij met een bijzondere precisie omschrijven, maar van andere kenmerken, vorm van het gelaat, lengte, postuur, weet hij zich maar weinig te herinneren.’

‘Dat duidt toch op een afwijking?’

De Cock grinnikte.

‘Zo zou ik het niet willen noemen.’

Vledder pakte de stoel naast het bureau van de oude speurder en ging er achterstevoren op zitten. ‘Het antwoord van Peet de Boer op mijn vraag waarom hij bij Wagon-Lits was gaan werken, zinde mij ook niet,’ sprak hij korzelig. ‘Wie wordt er nu steward in een trein om dagelijks te kunnen observeren welke kleding vrouwen in diverse leeftijdscategorieën dragen?’ Hij tikte met een kromme vinger tegen de zijkant van zijn hoofd. ‘Dan moet er hier toch iets bij je los zitten?’

De Cock trok achteloos zijn schouders op.

‘Hij beschouwt zijn tijd bij Wagon-Lits,’ sprak hij vergoelijkend, ‘als een studieperiode voor later als hij een eigen modezaak begint.’

Vledder schudde afkerend zijn hoofd. ‘Ik weet niet hoe jij erover denkt, maar ik blijf het een vreemde vogel vinden.’ De Cock knikte. ‘Maar dat is nog geen reden om hem tot moordenaar te bestempelen.’

Vledder keek zijn leermeester uitdagend aan.

‘Ken jij een betere verdachte?’

De Cock schudde traag zijn hoofd.

‘Ik ken geen betere. Maar dat mag nooit ons uitgangspunt zijn. Ik heb aan jou vooraf gevraagd of jij ervan overtuigd was dat Peet de Boer verantwoordelijk was voor de beide wurgmoorden en of jij meende over voldoende aanwijzingen te beschikken om tot zijn arrestatie over te gaan. Pas toen jij bevestigend antwoordde, heb ik mijn medewerking toegezegd, niet omdat er toevallig geen betere verdachte in de buurt was.’

Het klonk bestraffend.

Vledder reageerde niet en de oude rechercheur ging verder. ‘Peet de Boer zegt dat de dame in het blauw… exacter… in een korenbloemblauwe regenmantel met raglanmouw en een regenhoedje in de vorm van een zuidwester van dezelfde stof… in de trein twee koffie bij hem bestelde. Een van de bekertjes gaf ze weer aan hem terug met het verzoek dat bekertje aan de conducteur te geven onder de leuze: de man zal ook wel trek hebben in een bak koffie. Steward Peet de Boer geeft, mede omdat hij een fikse fooi kreeg, aan haar verzoek gehoor en reikt de koffie aan de conducteur, die hem direct opdrinkt.’ De grijze speurder maakte een hulpeloos gebaartje. ‘Ik, voor mij, ik vind dat een vrij plausibele verklaring.’ Vledder reageerde geprikkeld.

‘Het is de vraag of conducteur De Jonghe zijn verhaal kan bevestigen. De conducteur heeft met geen woord over een dame in het blauw gerept. Die dame in het blauw kan een verzinsel zijn… zoals ook de gedistingeerde oudere dame uit de eersteklascoupé aan zijn fantasie kan zijn ontsproten.’

De Cock keek zijn jongere collega onderzoekend aan. ‘Waarom ga je er niet van uit,’ sprak hij kalm, geduldig, ‘dat Peet de Boer gewoon de waarheid spreekt. Dat er inderdaad een oudere dame in een donkerbruin mantelpakje bij Suzette de Tournes in de eersteklascoupé zat… en dat inderdaad kort voor Utrecht een dame in het blauw hem een beker koffie aanreikte om aan de conducteur te geven?’

Vledder slikte.

‘Dat zou betekenen dat wij Peet de Boer in vrijheid moeten stellen.’ De Cock knikte.

‘Inderdaad,’ sprak hij gelaten, ‘dat zou het betekenen.’ Op het gezicht van de jonge rechercheur kwam een harde trek. Hij schudde resoluut zijn hoofd.

‘Ik denk er niet aan. Jij hebt gezegd dat het nu mijn zaak is… wel, ik geef het nog niet op. Peet de Boer blijft. Ik meen dat wij voldoende aanwijzingen hebben om hem langer vast te houden. Meester Medhuizen zal het met mij eens zijn. En als…’ Hij maakte zijn zin niet af. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt.

Vledder draaide zich half om en riep: ‘Binnen!’

De deur gleed langzaam open. Vol ontzetting staarden de beide rechercheurs naar de vrouw die in de deuropening verscheen. Met trage tred liep ze op de beide mannen toe: een gedistingeerde oudere dame met zilvergrijs haar, gekleed in een donkerbruin mantelpakje van grove tweed, waaronder een beige blouse met volanten.

De Cock kwam met een verschrikte blik in zijn ogen achter zijn bureau overeind. Hij bleef naar het naderen van de vrouw staren alsof ze een verschijning was… een gematerialiseerd wezen uit de duistere wereld van geesten, spoken en gedaanten. Haar plotselinge binnenkomst had de oude rechercheur verdoofd. Het duurde lange seconden voor hij de realiteit van haar aanwezigheid kon aanvaarden.

Toen wuifde hij Vledder van de stoel naast zijn bureau en liep met een milde glimlach om zijn mond naar de vrouw toe. Ze keek naar hem op. Schattend.

‘U… eh, u bent rechercheur De Cock?’

Haar stem kraakte een beetje.

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa,’ antwoordde hij wat verward. Nog in de ban van haar plotselinge verschijnen in de recherchekamer was het een onbewuste reactie. Hij gebaarde naar de vrijgekomen stoel naast zijn bureau.

‘Gaat u zitten,’ nodigde hij vriendelijk uit. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Ze nam voorzichtig plaats, schikte iets aan haar rok en draaide zich half om. Met een blik vol argwaan keek ze naar de jonge rechercheur. ‘Wie is hij?’ vroeg ze met een rimpel in haar voorhoofd. De Cock schonk haar een milde glimlach.

‘Mijn collega. Zijn naam is Vledder. We werken al vele jaren samen.’

Duidelijk gerustgesteld draaide ze zich terug en richtte haar aandacht weer op de grijze speurder. ‘U bent toch de rechercheur, die de moord op Suzette de Tournes behandelt?’ ‘Inderdaad. Die zaak behandel ik.’ Hij wees voor zich uit. ‘In samenwerking met mijn jonge collega.’

Ze stak haar kin iets naar voren.

‘En,’ sprak ze streng, ‘hebt u al enige vorderingen gemaakt?’ De Cock antwoordde niet. Haar autoritaire toon prikkelde hem. Hij keek haar kalm en onderzoekend aan. Ondanks haar zilvergrijze haren schatte hij haar op achter in de veertig. Ze was niet oud en broos. Integendeel. Ze was sterk en weerbaar. Haar handen en de nog strakke huid van haar gelaat waren met de zilvergrijze kleur van haar haren in tegenspraak. Het werkte verwarrend. Haar lichtblauwe ogen stonden helder en straalden pure kracht. ‘Ik vroeg u iets,’ sprak ze bits. ‘Hebt u al vorderingen gemaakt?’ De Cock plukte aan het puntje van zijn neus. Het was een gebaar om tijd te winnen. ‘Mag ik ú vragen,’ sprak hij beminnelijk, ‘waaruit uw interesse in de moordzaak van Suzette de Tournes voortvloeit?’

De vrouw klemde haar lippen op elkaar.

‘Ik ben haar moeder.’

De Cock slikte zijn verbazing weg.

‘Haar moeder?’

In zijn stem trilde zoveel achterdocht en ongeloof, dat de vrouw hem verwonderd aanblikte. ‘Haar moeder,’ herhaalde ze geprikkeld. ‘Is dat zo vreemd? Kinderen hebben een moeder, zelfs kinderen die vermoord in een trein worden aangetroffen.’ Het klonk bijtend, cynisch.

De Cock liet zijn hoofd beschaamd zakken. Het was een pose. Hij voelde weinig voor een heftige woordenstrijd.

‘Hoe is uw naam?’ vroeg hij rustig.

‘Cynthe de Lamotte. Dat is mijn eigen naam. Sinds ik van Jean de Tournes ben gescheiden, gebruik ik mijn eigen naam weer.’ De Cock knikte. ‘U woont in Nijmegen?’

‘Ja. Wilt u ook mijn adres?’

De Cock wees voor zich uit. ‘Dat mag u straks aan mijn collega geven.’ Hij boog zich naar haar toe, vertrouwelijk, zoekend naar een zwakke plek in haar pantser van weerbaarheid. ‘Uw ex-man was bij mij, tweemaal, op twee verschillende dagen. Hij toonde ook twee verschillende mannen. De ene dag hard, koel, gevoelloos, de andere dag zacht, beminnelijk en verdrietig. Hij zei dat hij naar Nijmegen zou gaan om u te bezoeken… te troosten.’ Cynthe de Lamotte staarde voor zich uit. Haar onderlip trilde. Voor het eerst tijdens haar bezoek toonde ze enige emotie. ‘Jean is in Nijmegen,’ sprak ze zacht. ‘Het verdriet over de dood van onze dochter heeft ons doen beseffen dat wij nog steeds een sterke band met elkaar hebben.’ Ze zuchtte diep. ‘Jean is een moeilijke man. Daarom ben ik ook bij hem weggegaan. Hij is het type van een luipaard met donkere vlekken… te veel donkere vlekken.’ ‘Hij… eh, hij achtte ene Louise de Coligny verantwoordelijk voor de dood van Suzette.’

Cynthe de Lamotte knikte.

‘Dat heeft hij ook tegen mij gezegd.’ Ze trok achteloos haar schouders op. ‘Het is vergezocht. Ik deel zijn mening niet.’ ‘Kende u de minnestrijd tussen die Louise de Coligny en uw dochter?’

‘Ik heb er Suzette nooit over gehoord.’

De Cock strekte zijn rechterhand naar haar uit en voelde aan de grove donkerbruine tweed van haar mantelpakje.

‘Dit pakje… dat u nu aan hebt… draagt u dat vaak?’ Cynthe de Lamotte verstarde. De mildheid gleed uit haar gezicht. ‘Wat is er met mijn mantelpakje?’ vroeg ze scherp. ‘Staat het u niet aan?’

De Cock negeerde de vraag. ‘Hebt u het al lang?’

Cynthe de Lamotte plukte nerveus aan de revers.

‘Ik draag dit soort mantelpakjes graag. Ik voel mij er prettig in, kan mij er gemakkelijk in bewegen. Ik kies ook gewoonlijk voor dezelfde kleur… donkerbruin. Dat past bij mij.’ ‘En daarbij draagt u altijd een beige blouse met volanten?’ Cynthe de Lamotte keek naar hem op. Koel, wantrouwend. ‘Wat interesseert het u hoe ik gekleed ga?’

De Cock pauzeerde even voor het effect.

‘Bij Suzette in de trein… in dezelfde coupé waarin ze werd vermoord… zat een dame, zoals u.’

Загрузка...