Bijna trillend van nervositeit keek De Cock naar de klok in de restauratie van het station Nijmegen. Het was negen uur. Over precies veertien minuten zou de intercity naar Amsterdam CS vertrekken. Het werd, zo hoopte hij vurig, een reis naar de waarheid, een rit naar de ontknoping, het absolute einde van de moorden in de eerste klasse.
Hij keek naar Jan Westerneng, die wat onwennig tegenover hem aan een tafeltje zat. De hoofdinspecteur van de spoorwegrecherche had zich gekleed in een splinternieuw uniform van een spoorwegman. Hij zou in de trein als mede-conducteur fungeren. Het uniform stond hem goed. De Cock schonk hem een glimlach. Hij was de hoofdinspecteur hoogst dankbaar. Jan Westerneng was hem in al zijn wensen tegemoetgekomen. Iets verderop aan een tafeltje zaten Dick Vledder, Fred Prins en Appie Keizer. De Cock was blij dat hij weer op de medewerking van Fred Prins en Appie Keizer kon rekenen. Zij waren beiden uitmuntende rechercheurs, met wie De Cock en Vledder in het verleden al vele malen hadden samengewerkt. Appie Keizer zou de rol van steward vervullen en met een karretje door de trein rijden. Hij had zich in recordtijd de prijzen van bier, frisdrank en versnaperingen eigen gemaakt en beschikte over een buidel met wisselgeld.
Fred Prins zag eruit als een perfect gekleed zakenman, compleet met een modieus leren koffertje. Hij zou zich gedurende de reis naar Amsterdam in enkele eersteklascoupés ophouden. Zichzelf en Vledder had De Cock geen actieve rol toegedacht. Hij was ervan overtuigd dat de dader hem en zijn assistent kende. Toch wilde hij de operatie bijwonen voor het geval dat er ondanks alle voorbereidingen iets misging. Een onopvallend plekje in de tweede klasse en een uitgevouwen krant achtte hij voldoende camouflage.
Hoewel Lucienne la Croix pas bij Driebergen-Zeist in de trein zou stappen, had De Cock als uitgangspunt voor de operatie toch voor het station Nijmegen gekozen. Jan Westerneng, Fred Prins en Appie Keizer konden dan, voor de kritieke fase, al een beetje aan hun vreemde rol wennen. Bovendien wist hij bij benadering niet waar de dader in de trein zou komen. Hij vermoedde op het station Utrecht, maar volledige zekerheid daaromtrent had hij niet.
De Cock hield de klok in de restauratie nauwlettend in het oog. Om vijf minuten over negen kwam hij langzaam overeind en keek naar Jan Westerneng.
‘Zullen we?’
De grijze speurder kon de intense spanning die hij voelde in zijn stem niet onderdrukken.
De man van de spoorwegrecherche stond zwijgend op en samen liepen ze de restauratie uit. De anderen volgden. De lange intercitytrein stond al klaar. Ze stapten in en elk zocht zijn positie. Het was niet druk. Er was overal ruimte genoeg.
De Cock en Vledder namen plaats op de achterste bank van de tweedeklaswagon, die direct achter de eerste klasse was gekoppeld. Bij mogelijke calamiteiten kon de eerste klasse snel worden bereikt.
Vledder blikte opzij. Op de lippen van de jonge rechercheur brandden tal van vragen. Hij had, zoals zo vaak in het verleden, tegen het einde van het onderzoek het gevoel volkomen buiten de zaak te staan, de ontwikkelingen niet meer te volgen. ‘Is ze weer zo gekleed?’ vroeg hij.
‘Wie?’
‘Die vrouw.’
‘Je bedoelt in een donkerbruin mantelpakje van grove tweed?’
‘Ja.’
De Cock knikte traag.
‘Dat vermoed ik.’
‘Weet Lucienne la Croix wat haar vanmorgen in de trein te wachten staat?’
De Cock knikte opnieuw.
‘Ik heb de zaak met haar doorgenomen.’
‘Ze weet dus hoe haar belaagster eruitziet?’
‘Als die in dezelfde kleding komt… ja.’
‘Had ze geen bedenkingen?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Lucienne la Croix was volledig bereid om haar medewerking te verlenen, zelfs als daar enige risico’s aan verbonden waren. Dit vooral nadat ik haar had verteld dat niet Suzette de Tournes, maar zij het tweede slachtoffer had moeten zijn.’
Vledder keek hem verrast aan. ‘Hoe kom je aan die wijsheid?’ ‘Dat vertel ik je wel. Maar de plannen voor moord waren in eerste instantie gericht op Lucienne la Croix. Zij reisde elke ochtend met de trein van tien uur vijf vanaf het station Driebergen-Zeist naar Amsterdam Centraal. Maar op de dag dat de moord zou worden uitgevoerd, bleef Lucienne la Croix thuis en lag ze met migraine in bed.’
Vledder slikte. ‘De moord ging niet door?’
De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘De moord ging wel door,’ sprak hij bitter. ‘Er werd alleen van object veranderd.’ Vledder keek hem met verschrikte ogen aan.
‘Suzette de Tournes.’
De Cock knikte met een zucht. ‘De arme Suzette de Tournes reisde sporadisch met de trein. Slechts enkele malen per jaar, wanneer ze haar vader in Amsterdam een bezoek bracht. Het was puur toeval dat zij in dezelfde trein zat als waarin Lucienne la Croix gewoon was om naar Amsterdam Centraal te rijden.’ Vledder staarde nadenkend voor zich uit. ‘Kon dat?’ ‘Wat?’
‘Dat veranderen van object?’
De Cock knikte. ‘Voor beiden, zowel voor Lucienne la Croix als voor Suzette de Tournes, gold hetzelfde motief.’ De mond van Vledder viel half open.
‘Je bedoelt dat het voor de moordenares niets uitmaakte wie van de twee ze om zeep hielp?’
‘Precies. De volgorde was niet van belang.’
Vledder friemelde aan de krant op zijn knieën. Hij voelde zich onzeker. De uitleg van de grijze speurder beviel hem niet, was hem te onvolledig.
‘Maar hoe…’
Hij stokte.
Appie Keizer slofte met zijn smalle karretje door het middenpad. Het ontlokte Vledder een glimlach en De Cock onderdrukte een speelse neiging om een blikje frisdrank bij zijn vermomde collega te bestellen.
Vrijwel op hetzelfde moment reed de trein het station DriebergenZeist binnen. Half verscholen achter zijn krant keek De Cock naar het perron en ontdekte tussen de wachtende reizigers de mooie Lucienne la Croix. Haar lange blonde haren glansden in de morgenzon. Schichtig blikte ze om zich heen. Haar houding verried enige nervositeit. Pas toen de trein volledig tot stilstand was gekomen, stapte ze weg en verdween even uit zijn gezichtsveld. De Cock slaakte een zucht van verlichting. Hij was blij dat Lucienne la Croix was gekomen en zich niet op het laatste moment had bedacht en thuis was gebleven. Hij had haar nodig. Ze moest als lokaas dienen.
De trein zette zich in beweging. De Cock blikte opzij. Ook op het gezicht van Vledder was de spanning te lezen. De jonge rechercheur vroeg niet verder. Hij begreep dat hij op dit moment van De Cock geen nadere uitleg kon verwachten.
Utrecht naderde. Steward Appie Keizer kwam weer met zijn karretje langs. Zo rond dit tijdstip, bedacht De Cock, kreeg de conducteur Cornelis de Jonghe vergiftigde koffie aangereikt, waardoor hij met maagklachten de trein moest verlaten. De eerste huizenblokken van Utrecht schoven aan hen voorbij. Toen de trein het station van Utrecht binnenreed, hielden De Cock en Vledder hun krant pal voor hun gezicht. Ze wilden niet het risico lopen om vanaf het perron te worden herkend. Na lange minuten kwam de trein weer in beweging. Jan Westerneng liep in zijn nieuwe uniform naar hen toe en boog zich iets voorover. ‘Ze is in de trein,’ sprak hij hees. ‘Ze liep eerst op het perron tweemaal langs de eersteklascoupés. Toen stapte ze in.’ De Cock onderdrukte de drang om zelf te gaan kijken. Het actieloos zitten achter die krant tastte zijn beheersing aan. Hij hoopte dat alles verliep zoals hij had gepland, en dat Lucienne, zoals hij haar op het hart had gedrukt, niets aannam… van wie dan ook. De Cock dacht dat hij iets hoorde en ineens m inderde de trein vaa r t. Sissend en schokkend gleed hij over de rails. De grijze speurder sprong op. Iemand, zo besefte hij, had aan de noodrem getrokken. Met Vledder in zijn kielzog holde De Cock over het middenpad naar de eerste klasse, rukte de deur open en stormde door de gang. Links van hem zat Lucienne la Croix ontredderd in haar coupé. Voor hem, op het balkon, zat Fred Prins gehurkt bij de open treindeur.
Verbijsterd schudde hij zijn hoofd. ‘Ze is van de trein gesprongen.’ Zijn stem trilde van onbegrip.
Toen de trein stilstond, klommen ze naar beneden en liepen terug. Ruim honderd meter verder lag onder aan de spoordijk het lichaam van een vrouw.
Fred Prins was als eerste bij haar en staarde naar haar gebroken ogen. ‘Ze is dood,’ sprak hij geschokt. ‘Ze heeft bij haar sprong blijkbaar toch een klap van een van die masten gekregen.’ De Cock knikte traag. Instemmend. Vanuit de hoogte bezag hij haar donkerbruine mantelpakje van grove tweed, waaronder de beige blouse met volanten.
Hij knielde bij haar neer. In een enkele greep rukte hij de zilvergrijze pruik van het hoofd.
Vledder hijgde in zijn nek.
‘Paul… Paul de Coligny.’