Arya

De hemel was net zo zwart als de muren van Harrenhal achter hen, en de regen, die zacht en gestaag neerdaalde, dempte het geluid van de paardenhoeven en droop over hun gezicht.

Ze reden noordwaarts, bij het meer vandaan, over een karrenspoor tussen de geteisterde velden door naar de bossen en beken. Arya nam de leiding. Zonder enige voorzichtigheid in acht te nemen dreef ze haar gestolen paard tot een stevige galop aan tot het geboomte zich om haar heen sloot. In de verte huilden wolven en ze kon de zware ademhaling van Warme Pastei horen. Niemand zei iets. Zo nu en dan wierp Arya een blik over haar schouder om er zeker van te zijn dat de twee jongens niet te ver achterop raakten en om te kijken of ze achtervolgd werden.

Dat zou gebeuren, wist ze. Ze had drie paarden uit de stallen en een kaart en een dolk uit Rous Boltens bovenzaal gestolen, en ze had de wachter bij het zijpoort je gedood door hem de keel af te snijden toen hij knielde om het versleten muntje op te rapen dat ze van Jaqen H’ghar had gekregen. Iemand zou hem vinden, dood, in een plas bloed, en dan zou er groot alarm geslagen worden. Heer Bolten zou gewekt worden en Harrenhal zou van de nok tot de kelder doorzocht worden, en dan zouden ze ontdekken dat de kaart en de dolk weg waren, en ook een paar zwaarden uit de wapenkamer, brood en kaas uit de keukens, een bakkersjongen, een leerling-smid en een schenkster die Nans heette… of Wezel, of Arrie, afhankelijk van degene aan wie je het vroeg.

De heer van Fort Gruw zou hen niet zelf achtervolgen. Rous Bolten zou in bed blijven, zijn weke lijf bezaaid met bloedzuigers, maar hij zou met zijn fluisterzachte stem bevelen geven. Zijn knecht Walten zou de jacht leiden, degene die Staalpoot werd genoemd omdat hij altijd scheenbeschermers om zijn lange benen droeg. Of misschien werd het de kwijlende Vargo Hoat met zijn huurlingen, die zich de Dappere Gezellen noemden. Anderen noemden hen de Bloedige Mommers (zij het nooit in hun gezicht) en soms de Voetmannen, vanwege heer Vargo’s gewoonte degenen die hem niet bevielen de handen en voeten af te hakken.

Als ze ons krijgen hakt hij ook onze handen en voeten af, dacht Arya, en daarna stroopt Rous Bolten ons vel eraf. Ze droeg nog steeds haar page kostuum, met op de voorkant, ter hoogte van haar hart, het wapenteken van heer Bolten geborduurd, de gevilde man van Fort Gruw.

Telkens als ze omkeek verwachtte ze half en half een toortsgloed uit de verre poorten van Harrenhal te zien stromen of over de torenhoge muren te zien snellen, maar er was niets te zien. Harrenhal sliep door, totdat het was opgeslokt door het donker en onzichtbaar was geworden achter de bomen.

Toen ze het eerste stroompje overstaken liet Arya haar paard van de weg zwenken en reed een kwart mijl langs de kronkelende waterloop, waarna ze er weer uit klauterde, een stenige oever op. Als de jagers honden bij zich hadden zouden die daardoor het spoor misschien bijster raken, hoopte ze. Ze konden niet op de weg blijven. Op de weg loert de dood, zei ze bij zichzelf, die loert op alle wegen.

Gendry en Warme Pastei trokken haar keus niet in twijfel. Zij had tenslotte de kaart, en Warme Pastei leek haar bijna evenzeer te vrezen als de mannen die misschien achter hen aan zouden komen. Hij had de wachter gezien die ze had gedood. Hij kan maar beter bang voor me zijn, zei ze bij zichzelf. Dan doet hij wat ik zeg, in plaats van iets stoms.

Ze zou zelf banger moeten zijn, wist ze. Ze was pas tien, een broodmager meisje op een gestolen paard met voor zich een donker woud en achter zich mannen die haar met plezier de voeten zouden afhakken. Toch was ze kalmer dan ze ooit in Harrenhal was geweest. De regen had het bloed van de wachter van haar vingers gespoeld, ze had een zwaard op haar rug, wolven slopen als slanke grijze schimmen door het donker en Arya Stark was onvervaard. Vrees snijdt dieper dan het zwaard, prevelde ze onhoorbaar, de woorden die ze van Syrio Forel had geleerd, en ook Jaqens woorden, valar morghulis.

De regen hield op en begon weer en hield nog eens op en begon nog eens, maar ze hadden goede, waterdichte mantels. Arya zorgde dat ze langzaam maar gestaag verder reden. Het was te donker onder de bomen om sneller te gaan. De jongens waren geen van beide goede ruiters en de zachte, oneffen bodem was verraderlijk, met half begraven wortels en verborgen stenen. Ze kruisten nog een andere weg waarvan de diepe voren vol water stonden, maar die meed Arya. Ze ging hen voor over glooiende heuvels, door braambosjes, doornstruiken en een wirwar van kreupelhout en over de bodem van smalle geulen waar takken, zwaar van de natte bladeren, hen in het voorbijgaan tegen het gezicht sloegen.

Eén keer gleed Gendry’s merrie in de modder uit en plofte hard op haar achterhand neer, waarbij hij uit het zadel tuimelde. Maar paard noch berijder raakte gewond, en Gendry kreeg die bekende koppige blik op zijn gezicht en steeg meteen weer op. Niet lang daarna stuitten ze op drie wolven die van het kadaver van een hertenjong vraten. Toen het paard van Warme Pastei de lucht opsnoof bokte het en sloeg het op hol. Twee wolven vluchtten eveneens, maar de derde stak zijn kop omhoog en ontblootte zijn tanden, bereid zijn prooi te verdedigen. ‘Achteruit,’ zei Arya tegen Gendry. ‘Langzaam, anders schrik je hem op.’ Ze lieten hun paarden behoedzaam wegstappen tot de wolf en zijn feestmaal niet meer te zien waren. Pas toen wendde Arya de teugels om achter Warme Pastei aan te gaan, die zich wanhopig aan het zadel vastklampte, terwijl hij door het geboomte denderde.

Later kwamen ze door een uitgebrand dorp waar ze zich voorzichtig een weg zochten tussen de skeletten van verkoolde hutten en langs de beenderen van een stuk of tien dode mannen die aan een rij appelbomen hingen. Toen Warme Pastei hen zag, begon hij met een klein fluisterstemmetje tot de barmhartige Moeder te bidden, telkens opnieuw. Arya keek omhoog naar de ontvleesde doden in hun natte, rottende kleren en zegde haar eigen gebed op. Ser Gregor, luidde dat, Dunsen, Polver, Raf het Lieverdje, de Kietelaar en de Jachthond. Ser Ilyn, ser Meryn, koning Joffry, koningin Cersei. Ze eindigde met valar morghulis, raakte Jaqens munt aan die veilig in haar gordel zat, en toen ze onder de doden door reed stak ze haar hand op om een appel tussen hen uit te plukken. Die was papperig en overrijp, maar ze at hem op met wormen en al.

Dat was de dag zonder dageraad. Rondom hen werd de hemel langzaam lichter, maar de zon vertoonde zich niet. Zwart werd grijs, en schroomvallig kropen de kleuren de wereld weer in. De krijgsdennen waren in somber groen gehuld, de loofbomen in roestrood en verbleekt goud dat al bruin werd. Ze lasten een rustpauze in, lang genoeg om de paarden te drenken en snel een koud ontbijt te eten, een in stukken gebroken brood dat Warme Pastei uit de keuken had gestolen en hompen harde, gele kaas die ze aan elkaar doorgaven.

‘Weet jij waar we heen gaan?’ vroeg Gendry haar.

‘Naar het noorden,’ zei Arya.

Warme Pastei tuurde onzeker om zich heen. ‘Welke kant is dat op?’

Ze wees met haar kaas. ‘Die kant op.’

‘Maar de zon schijnt niet. Waar zie je dat aan?’

‘Aan het mos. Zie je hoe dat grotendeels aan één kant van de boom groeit? Dat is het zuiden.’

‘Wat moeten we in het noorden?’ wilde Gendry weten.

‘Daar is de Drietand.’ Arya ontrolde de gestolen kaart om het hun te laten zien. ‘Kijk. Als we de Drietand eenmaal bereiken hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan tot we bij Stroomvliet komen, hier.’ Haar vinger ging langs het pad. ‘Het is een heel eind, maar zolang we bij de rivier blijven kunnen we niet verdwalen.’

Warme Pastei keek naar de kaart en knipperde met zijn ogen. ‘Welk ding is Stroomvliet?’

Stroomvliet was een kasteeltoren die in de vork tussen de vloeiende blauwe lijnen van twee rivieren was geschilderd, de Steenstort en de Rode Vork.

‘Daar.’ Ze raakte het aan. ‘Stroomvliet, staat daar.’

‘Kun jij lezen?’ zei hij verwonderd, alsof ze had gezegd dat ze over water kon lopen.

Ze knikte. ‘Zodra we Stroomvliet bereiken zijn we veilig.’

‘Echt? Waarom?’

Omdat Stroomvliet mijn grootvaders slot is en omdat mijn broer Robb daar is, wilde ze zeggen. Ze beet op haar lip en rolde de kaart op. ‘Nou, gewoon. Maar alleen als we er komen.’ Zij zat als eerste weer in het zadel. Ze voelde zich slecht, dat ze de waarheid voor Warme Pastei verzweeg, maar ze vertrouwde hem haar geheim niet toe. Gendry wist het wel, maar dat lag anders. Gendry had zijn eigen geheim, al leek hij niet te weten wat het was.

Die dag verhoogde Arya hun tempo en liet alle paarden zo lang ze durfde op een sukkeldrafje lopen en soms tot galop aanzetten als ze voor hen uit een stuk vlak terrein ontwaarde. Maar dat was zelden het geval, want naarmate ze vorderden werd de grond steeds heuvelachtiger. De heuvels waren niet hoog en ook niet bijzonder steil, maar er leek geen eind aan te komen. Ze werden het algauw zat de ene op te klimmen en de volgende weer af te dalen, en op een gegeven moment volgden ze de loop van het terrein, langs stroombeddingen en door een doolhof van ondiepe, beboste valleien waarin de bomen een dicht baldakijn boven hun hoofd vormden.

Zo nu en dan stuurde ze Warme Pastei en Gendry verder, terwijl zij op haar schreden terugkeerde om hun spoor te verdoezelen. Al die tijd luisterde ze naar de eerste tekenen van een achtervolging. Te langzaam, dacht ze, we gaan te langzaam, zo krijgen ze ons zeker te pakken. Een keer ontdekte ze vanaf de kam van een heuvel donkere gedaanten die een stroompje in de vallei achter hen overstaken, en een halve hartslag lang vreesde ze dat Rous Boltens ruiters hen op de hielen zaten, maar toen ze nog eens keek merkte ze dat het alleen maar een pak wolven was. Ze zette haar handen aan haar mond en huilde naar hen. ‘Ahoeoeoeoe, ahoeoeoeoeoe.’ Toen de grootste wolf de kop ophief en terughûilde moest Arya huiveren van het geluid.

Tegen de middag begon Warme Pastei te klagen. Zijn achterste deed zeer, vertelde hij hun, en de binnenkant van zijn dijen werd rauw van het zadel, en bovendien moest hij nodig slapen. ‘Ik ben zo moe dat ik straks nog van dat paard val.’

Arya keek Gendry aan. ‘Als hij eraf valt, wie zou hem dan eerder vinden, denk je? De wolven of de Mommers?’

‘De wolven,’ zei Gendry. ‘Betere neus.’

Warme Pastei opende zijn mond en sloot hem weer. Hij viel niet van zijn paard. Korte tijd later begon het te regenen. Ze hadden nog steeds geen glimp van de zon opgevangen. Het werd kouder, en fletse witte nevelflarden kronkelden tussen de dennen door en dreven over de kale, verbrande velden.

Gendry had het bijna even moeilijk als Warme Pastei, al was hij te koppig om te klagen. Hij zat moeizaam in het zadel, een vastberaden blik op het gezicht onder het ruige, zwarte haar, maar Arya kon zien dat hij geen ruiter was. Daar had ik aan moeten denken, dacht ze bij zichzelf. Zij reed al zolang ze zich herinnerde, op pony’s toen ze klein was en later op paarden, maar Gendry en Warme Pastei waren in de stad geboren, en in de stad gingen de kleine luiden te voet. Yoren had hun rijdieren gegeven toen hij hen uit Koningslanding meenam, maar op een ezel zitten en achter een wagen aan over de Koningsweg sjokken was één ding, en een jachtpaard door wilde wouden en over verbrande velden loodsen iets heel anders.

In haar eentje zou ze veel sneller opschieten, besefte Arya, maar ze kon hen niet achterlaten. Zij waren haar wolvenpak, haar vrienden, de enige levende vrienden die ze nog had, en zonder haar zouden ze nog veilig in Harrenhal zijn, Gendry zwetend achter zijn aambeeld en Warme Pastei in de keuken. Als de Mommers ons grijpen zeg ik tegen ze dat ik de dochter van Ned Stark en de zuster van de Koning in het Noorden ben. Dan beveel ik hun, mij bij mijn broer te brengen en Warme Pastei en Gendry geen kwaad te doen. Maar ze zouden haar misschien niet geloven, en zelfs als ze dat wel deden… Heer Bolten was haar broers baanderman, maar ze was toch bang voor hem. Ik zal zorgen dat ze ons niet te pakken krijgen, zwoer ze in stilte en reikte over haar schouder naar achteren om het gevest van het zwaard aan te raken dat Gendry voor haar had gestolen. Daar zorg ik voor.

Laat in de middag doken ze vanonder de bomen op om te ontdekken dat ze op een rivieroever stonden. Warme Pastei slaakte een kreet van vreugde. ‘De Drietand! Nu hoeven we alleen nog stroomopwaarts te gaan, zoals jij zei. We zijn er bijna!’

Arya kauwde op haar lip. ‘Ik denk niet dat dit de Drietand is.’ De rivier was gezwollen door de regen, maar toch kon hij niet meer dan dertig voet breed zijn. In haar herinnering was de Drietand veel breder. ‘Deze is te smal om de Drietand te kunnen zijn,’ zei ze tegen hen, ‘en we hebben nog niet ver genoeg gereden.’

‘Wel waar,’ hield Warme Pastei vol. ‘We rijden al de hele dag en zijn nauwelijks gestopt. We moeten een heel eind opgeschoten zijn.’

‘Laten we die kaart nog eens bekijken,’ zei Gendry.

Arya steeg af, haalde de kaart te voorschijn en ontrolde die. De regen kletterde op de schapenhuid en liep er in straaltjes af. ‘We zijn hier ergens, denk ik.’ Ze wees, terwijl de jongens over haar schouders keken.

‘Maar,’ zei Warme Pastei, ‘dat is nog bijna nergens. Kijk, daar bij je vinger is Harrenhal, je raakt het bijna aan. En we hebben de hele dag gereden!’

‘Het duurt nog mijlen en mijlen voor we bij de Drietand zijn,’ zei ze. ‘Die bereiken we nog in geen dagen. Dit moet een andere rivier zijn, een van deze, kijk.’ Ze liet hem een paar van de dunnere blauwe lijntjes zien die de kaartenmaker had geschilderd. Onder elk daarvan stond in fijn schrift een naam gepenseeld. ‘De Darring, de Groenappel, de Maagd… hier, deze zou het kunnen zijn, de Kleine Wilge.’

Warme Pastei keek van de lijn naar de rivier. ‘Zo klein lijkt hij me niet.’

Ook Gendry fronste. ‘Die waar jij naar wijst komt in die andere uit, kijk maar.’

‘De Grote Wilge,’ las ze.

‘De Grote Wilge dan. Kijk, en de Grote Wilge mondt in de Drietand uit, dus zouden we van de een naar de ander kunnen, maar dan moeten we stroomafwaarts, niet opwaarts. Alleen, als deze rivier niét de Kleine Wilge is, als het die andere daar is…’

‘De Kabbelrille,’ las Arya.

‘Kijk, die maakt hier een lus en loopt omlaag naar het meer, terug naar Harrenhal.’ Hij volgde de lijn met een vinger.

Warme Pastei sperde zijn ogen open. ‘Nee! Dan maken ze ons zeker af.’

‘We moeten weten welke rivier dit is,’ verklaarde Gendry op zijn allerkoppigste toon. ‘We moeten het weten.’

‘Nou, we weten het níét.’ Op de kaart mochten er dan namen bij de blauwe lijntjes staan, op de rivieroever was geen naam geschreven. ‘We gaan noch stroomopwaarts, noch stroomafwaarts,’ besloot ze en rolde de kaart op. ‘We steken over en blijven naar het noorden gaan, zoals eerst.’

‘Kunnen paarden zwemmen?’ vroeg Warme Pastei. ‘Het ziet er heel diep uit, Arrie. En stel je voor dat er slangen in zitten?’

‘Weet je wel zeker dat we naar het noorden gaan?’ vroeg Gendry. ‘Al die heuvels, en als we een bocht gemaakt hebben…’

‘Het mos op de bomen…’

Hij wees naar een boom vlakbij. ‘Die boom heeft aan drie kanten mos, en op de volgende zit helemaal niets. We kunnen best verdwaald zijn en in kringetjes rondrijden.’

‘Ja, dat kan,’ zei Arya, ‘maar toch ga ik de rivier oversteken. Jullie kunnen meekomen of hier blijven.’ Ze negeerde hen allebei en klom weer in het zadel. Als ze niet meer mee wilden moesten ze Stroomvliet maar op eigen houtje zien te vinden, al lag het meer voor de hand dat zij door de Mommers gevonden zouden worden.

Ze moest ruim een halve mijl langs de oever rijden voordat ze eindelijk een plek vond waar het veilig leek om over te steken, en zelfs toen aarzelde haar merrie nog om het water in te gaan. Hoe de rivier ook heette, hij was bruin en stroomde snel, en het diepe stuk in het midden kwam tot voorbij de paardenbuik. Haar laarzen kwamen vol water, maar ze drukte niettemin haar hielen in de paardenbuik en klom er aan de overkant uit. Achter zich hoorde ze geplons en het nerveuze gehinnik van een merrie. Dus ze zijn me gevolgd. Goed zo. Ze keerde zich om en keek toe hoe de jongens naar de overkant zwoegden en druipend naast haar opdoken. ‘Het was de Drietand niet,’ zei ze tegen hen. ‘Heel zeker niet.’

De volgende rivier was ondieper en gemakkelijker over te steken. Ook dat was de Drietand niet, en niemand ging tegen haar in toen ze zei dat ze zouden oversteken.

De schemering viel al toen ze halt hielden om de paarden weer te laten uitrusten en nog een maaltje van brood en kaas met elkaar te delen. ‘Ik heb het koud en ik ben nat,’ klaagde Warme Pastei. ‘We moeten nu toch ver van Harrenhal zijn. We zouden vuur kunnen maken…’

‘NEE!’ zeiden Arya en Gendry allebei precies tegelijk. Warme Pastei kromp enigszins in elkaar. Arya keek van opzij naar Gendry. Hij sprak tegelijk met mij, net als Jon altijd deed, thuis op Winterfel. Van al haar broers miste ze Jon Sneeuw het meest.

‘Kunnen we dan tenminste gaan slapen?’ vroeg Warme Pastei. ‘Ik ben zo moe, Arrie, en mijn achterste doet zeer. Ik denk dat er blaren op zitten.’

‘Als je gepakt wordt krijg je nog wel meer problemen,’ zei ze. ‘We moeten doorrijden. Het moet.’

‘Maar het is bijna donker en je kunt niet eens de maan zien.’

‘Ga weer op je paard zitten.’

Terwijl ze stapvoets in een traag tempo voortsjokten en het licht rondom hen vervaagde, merkte Arya hoe groot haar eigen uitputting was. Zij had net zo hard slaap nodig als Warme Pastei, maar het risico was te groot. Als ze in slaap vielen zou het kunnen dat ze bij het wakker worden Vargo Hoat naast zich zagen staan, samen met Warrewel de Zot en de Getrouwe Urswijck, en Rorg en Bijter en Septon Ut en al zijn andere monsters.

Niettemin werden na een poosje de bewegingen van haar paard even slaapverwekkend als het schommelen van een wieg, en Arya voelde haar oogleden zwaar worden. Ze liet ze dichtzakken, heel eventjes maar, en sperde ze toen weer open. Niet in slaap vallen, schreeuwde ze zichzelf geluidloos toe. Het mag niet, het mag niet. Ze wreef met haar knokkels hard in een oog om het open te houden, klemde de teugels stevig vast en zette haar rijdier tot draf aan. Maar noch zij, noch het paard kon het tempo volhouden, en al enkele ogenblikken later waren ze tot stapvoets teruggezakt. Nog iets later zakten haar ogen voor de tweede keer dicht. Ditmaal gingen ze niet zo snel weer open.

Toen dat eenmaal wel het geval’was merkte ze dat haar paard was blijven staan en aan een pol gras knabbelde, terwijl Gendry aan haar arm schudde. ‘Je bent in slaap gevallen,’ zei hij tegen haar.

‘Ik gaf alleen mijn ogen wat rust.’

‘Dat duurde dan wel lang. Je paard liep in een kringetje rond, maar pas toen het bleef staan begreep ik dat je sliep. Warme Pastei is er al net zo aan toe, die is tegen een boomtak aangereden en van zijn paard gevallen, je had hem moeten horen krijsen. Zelfs daar werd je niet wakker van. Je moet stoppen en gaan slapen.’

‘Ik kan net zo lang doorgaan als jij.’ Ze gaapte.

‘Leugenaar,’ zei hij. ‘Rij maar door als je zo stom wilt zijn, maar ik stop. Ik neem de eerste wacht. Jij gaat slapen.’

‘En Warme Pastei?’

Gendry wees. Warme Pastei lag al op de grond zachtjes te snurken, opgerold onder zijn mantel, boven op een hoop vochtige bladeren. Hij had een grote punt kaas in één vuist maar wekte de indruk tussen twee happen door in slaap gevallen te zijn.

Het had geen zin om erover te twisten, besefte Arya. Gendry had gelijk. De Mommers zullen ook moeten slapen, hield ze zichzelf voor, en ze hoopte dat het waar was. Ze was zo moe dat ze de grootste moeite had om af te stijgen, maar ze dacht er nog wel aan haar paard te kluisteren voor ze een plaatsje onder een beuk zocht. De grond was hard en vochtig. Ze vroeg zich af hoe lang het zou duren voor ze weer in een bed sliep, met gekookt eten en een vuur voor de warmte. Het laatste wat ze deed voor ze haar ogen sloot was haar zwaard trekken en naast zich neerleggen. ‘Ser Gregor,’ fluisterde ze gapend. ‘Dunsen, Polver, Raf het Lieverdje. De Kietelaar en… de Kietelaar… de Jachthond…’

Haar dromen waren rood en woest. De Mommers kwamen erin voor, in elk geval vier van hen, een bleke man uit Lys en een donkere, wrede bijlslager uit Ib, de Dothraki-paardenheer met het litteken die Iggo heette en een man uit Dorne wiens naam ze nooit had geweten. Ze kwamen en kwamen maar aanrijden door de regen, in roestige maliën en nat leer, en hun zwaarden en bijlen rammelden tegen hun zadels. Ze dachten dat ze op haar joegen, wist ze met de vreemde, intense zekerheid van een droom, maar ze hadden het mis. Zij joeg op hen.

In haar droom was ze geen klein meisje maar een wolf, groot en krachtig, en toen ze vanonder het geboomte voor hen sprong en met een diepe, lage grom haar tanden ontblootte snoof ze de ranzige lucht van vrees op, zowel van de mannen als van de paarden. Het rijdier van de Lyseni steigerde en krijste van ontzetting, en de andere schreeuwden elkaar in mensenspraak toe, maar voor ze iets konden uitrichten kwamen de andere wolven aanstuiven uit duisternis en regen, een groot pak, broodmager, nat en zwijgend.

Het gevecht was kort maar bloedig. De harige man werd neergehaald toen hij zijn bijl pakte, de donkere stierf, terwijl hij een pijl op zijn boog zette en de bleke man uit Lys wilde ervandoor gaan. Haar broeders en zusters achterhaalden hem, dreven hem telkens een andere richting uit, besprongen hem van alle kanten, hapten naar de benen van zijn paard en reten de berijder de keel open toen hij op de grond was gesmakt.

Alleen de man met de belletjes hield stand. Zijn paard trapte een van haar zusters de schedel in en zelf kliefde hij een tweede bijna doormidden met zijn gekromde zilveren klauw, waarbij zijn haar zachtjes rinkelde.

Vervuld van razernij sprong ze hem op zijn rug en smeet hem met het hoofd naar voren uit het zadel. Toen ze vielen sloten haar kaken zich om zijn arm, en haar tanden boorden zich door leer, wol en weke huid heen. Toen ze op de grond neerkwamen gaf ze een woeste ruk met haar kop en rukte de arm van zijn schouder. Dol van vreugde schudde ze die in haar bek heen en weer, en de warme, rode druppels spatten rond in de kille, zwarte regen.

Загрузка...