Vledder staarde mokkend voor zich uit.
’Je hebt gelijk. Voorzover onze kennis reikt, heeft Bennie van Galen geen motief voor de moord op Petrus Blankenberg.’ De jonge rechercheur schudde geërgerd zijn hoofd. ’Maar we weten nog zo weinig,’ ging hij somber verder. ’Heb jij aan de mogelijkheid gedacht dat Vera van Veenendaal een relatie had met een man die door haar voorgenomen huwelijk met Herbert van Harrecoven plotseling de bron van zijn bestaan in gevaar zag?’
’Die mogelijkheid heb ik niet overwogen,’ zei De Cock hoofdschuddend. ’Dat is uiteraard niet mijn schuld, maar de schuld van Vera van Veenendaal. Toen ik haar vroeg wie van haar huwelijksplannen op de hoogte waren, antwoordde ze: mijn kinderen, mijn oude moeder en een paar goede kennissen. Haar relatie met Bennie van Galen verzweeg ze.’
’Opzettelijk?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
’Als ze ons toen had gezegd dat Bennie had gedreigd Herbert van Harrecoven om te leggen als zij haar relatie met die man zou voortzetten, dan was ik vrijwel zeker tot de arrestatie van haar Bennie over gegaan. Die schakel hebben wij gemist.’ Vledder zwaaide geëmotioneerd.
’Misschien missen we nog wel een schakel… een schakel die leidt van Bernardus Antonius van Galen naar de sommelier Petrus Blankenberg.’
De Cock keek hem glimlachend aan.
’Als wij op zo’n schakel stuiten, ga ik onmiddellijk met je mee om Bennie van Galen op te halen, want afgezien van zijn verleden… profiteurs van zijn kaliber hebben mijn sympathie niet.’ ’Heb jij wel eens iets met hem te maken gehad?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Maar ik herinner mij de moord op een nachtwaker door een twaalfjarige jongen. Dat heeft destijds bij ons nogal wat beroering gebracht. We vonden dat een teken aan de wand. Maar niemand kon toen nog voorzien dat het geweld door jongeren zo zou toenemen.’
De oude rechercheur veranderde van onderwerp.
’Hoe laat is de gerechtelijke sectie op het lijk van Petrus Blankenberg?’
Vledder keek omhoog naar de klok boven de toegangsdeur. ’Straks om twaalf uur op Westgaarde.’ De jonge rechercheur zuchtte. ’Ik ga er liever niet heen. Het wordt een kopie van de sectie op Herbert van Harrecoven. Ik weet nu al precies hoe dokter Rusteloos dat lijk zal openpeuteren.’
De Cock keek hem hoofdschuddend aan.
’Dokter Rusteloos peutert-geen-lijken-open,’ sprak hij bestraffend. ’De patholoog-anatoom verricht,’ verbeterde hij gedragen, ’in het belang van ons onderzoek, een anatomische ontleding van het slachtoffer inzake de oorzaak van zijn dood. Dat is niet hetzelfde als het openpeuteren van een lijk.’ Vledder gromde.
’Voor mij wel,’ mopperde hij.
’Heb je nog gedacht aan de kogel in de fauteuil van Petrus Blankenberg,’ vroeg De Cock.
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
’Ik heb nog geen man van de technische dienst te pakken kunnen krijgen,’ reageerde hij ontwijkend.
De Cock knikte begrijpend.
’Maak voor mij een afspraak om twaalf uur. Keizersgracht 1017. Ik vang hem daar op. Terwijl jij naar de sectie bent, snuffel ik nog een beetje in de woning van Petrus Blankenberg rond. Er moet toch ergens een aanwijzing zijn die enig licht brengt in de moorden?’ Het klonk wat moedeloos. Vledder keek hem bezorgd aan.
’Je kuiten?’
De oude rechercheur tastte naar zijn onderbeen en schudde zijn hoofd.
’Nog niet.’
De Cock hing met zijn bovenlijf over de leuning van de brug naar de Runstraat en staarde naar het troebele groene water van de Keizersgracht. Het walmde en stonk een beetje. Hij trok de mouw van zijn colbertje iets terug en keek op zijn horloge. Hij was ruim tien minuten te vroeg. Omdat Vledder de Golf nodig had om naar Westgaarde te gaan, was hij van de Warmoesstraat naar de Keizersgracht gaan lopen. Hij genoot van het zomerse weer, dat nu al enige dagen aanhield. In de Raadhuisstraat even voorbij de arcade had hij een paar seconden stilgestaan. In de verte blonk zijn geliefde Westertoren met de keizerskroon in het hemelsblauw. Het beeld had hem ontroerd.
De televisie en de dagbladen voorspelden een aanstormende hittegolf, maar de grijze speurder had weinig vertrouwen in weermannen, weervrouwen en hun weerberichten. Profeten die brood eten. In het geniep verlangde De Cock alweer naar een milde regenbui, want de oude binnenstad van Amsterdam, zo was zijn stellige overtuiging, glom toch het mooist als het regende. Hij keek naar een sierlijke rondvaartboot, die volgeladen onder hem voorbijgleed en bemerkte plotseling dat een jongeman naast hem over de brugleuning hing.
De jongeman glimlachte.
’Als het goed is, hebben wij samen een afspraak.’
’Het is goed,’ reageerde De Cock kalm, ’als u van de technische dienst bent.’
De jongeman knikte.
’Dat ben ik. Ik zou u voor de deur van perceel Keizersgracht 1017 ontmoeten om opnieuw een kogel uit de rug van een fauteuil te plukken.’
’Dat klopt.’
De jongeman glimlachte.
’Ik ben Paul… Paul van de Leeuwen. Op weg naar 1017 zag ik u hier op de brug staan. Ik herkende u direct aan uw hoedje.’ De grijze speurder keek hem van terzijde aan.
’Ik neem dan aan dat u weet wie ik ben?’
Paul van de Leeuwen lachte hartelijk.
’De Cock met… eh, met ceeooceekaa, speurder van professie met een hoog ophelderingsgehalte.’
De oude rechercheur keek Paul van de Leeuwen even zoet grijnzend aan, maar reageerde verder niet.
’U hebt,’ vroeg hij vriendelijk, ’ook de kogel uit de fauteuil aan de Brouwersgracht verwijderd?’
’Inderdaad.’
De Cock kwam overeind, keek het kielzog van de rondvaartboot na en slenterde daarna samen met de technische man naar Keizersgracht 1017. Hij haalde het apparaatje van Handige Henkie uit zijn broekzak, koos met kennersblik een sleutelbaard en had in luttele seconden de toegangsdeur geopend. Paul van de Leeuwen keek hem bewonderend aan. ’Daar bent u handig in.’
De Cock knikte.
’Al vele jaren. Het is dat ik uit overtuiging aan de goede zijde van de wet sta. Ik had qua capaciteiten ook een inbreker van professie kunnen zijn met een groot… eh, een groot rendementsgehalte.’
Hij wachtte de reactie niet af en deed de deur achter zich zorgvuldig in het slot. Voorzichtig liepen ze de woning verder in. Met de gesloten gordijnen bood de kamer waar Petrus Blankenberg de dood vond een sombere aanblik. Het leek alsof zelfs de blijde Bacchus op de prent tussen de ramen niet meer blij was.
De Cock trok de gordijnen open. Gefilterd door het dichte gebladerte van de bomen aan de wallenkant van de gracht, stroomde het milde zonlicht de kamer in.
Paul van de Leeuwen bestudeerde de bloedvlek op de rugleuning van de fauteuil. Hij keek op.
’Het is zwaar rundleer. Ik wil de fauteuil zo min mogelijk beschadigen. Ik weet zo ongeveer waar ik de vorige kogel heb gevonden. Misschien kan ik de achterzijde van onderen voorzichtig losmaken. Het leer is aan de onderkant vaak aan een houten frame geniet.’
De Cock trok zijn brede schouders op.
’We zullen ons werk moeten doen,’ sprak hij simpel. ’Die kogel is voor ons onderzoek van belang en als je de schade kunt beperken…’
Hij maakte zijn zin niet af. De vraag drong zich aan hem op hoe de dader was binnengekomen. Vermoedelijk had Petrus Blankenberg zijn moordenaar zelf binnengelaten. De oude speurder dacht aan het gebroken keukenraam aan de Brouwersgracht. Met die gedachte ging hij op zoek naar de achterzijde van de woning. Daar was alles nog intact.
Toen hij in de moordkamer terugkwam, kroop Paul van de Leeuwen triomfantelijk vanachter de lederen fauteuil vandaan. Hij hield een kogel omhoog.
’Hetzelfde kaliber,’ jubelde hij.
’Uit hetzelfde wapen?’
Paul van de Leeuwen spreidde zijn handen.
’Dat kan ik nog niet zeggen. Wanneer ik de twee kogels naast elkaar onder een microscoop leg, kan ik aan de hand van de beschadigingen wel vaststellen of ze met hetzelfde wapen zijn afgevuurd. Door kleine afwijkingen in de trekken en velden laat een wapen op de afgevuurde kogel altijd dezelfde beschadigingen na… zeker als de tussenliggende tijd niet te groot is.’ De Cock keek hem glimlachend aan.
’Je doet je best maar. Het is jouw vak.’
’Zo gauw ik zekerheid heb, laat ik u dat weten. Misschien morgen al, wanneer…’
Paul van de Leeuwen stokte. Hij keek De Cock verschrikt aan. ’Daar komt iemand,’ fluisterde hij.
De Cock knikte. Hij pakte de technische man bij de arm. Met enige kracht en overtuiging zette hij hem tegen de lambrisering, pal naast de deur aan de zijde van de scharnieren. Licht hijgend ging hij naast hem staan en wachtte.
De deur zwaaide open en in de kamer verscheen de gestalte van een vrouw. De Cock duwde de deur terug. Op het moment dat die in het slot viel, draaide de vrouw zich geschrokken om. ’Wie… eh, wie bent u?’ vroeg ze stotterend.
De Cock antwoordde niet direct. Hij herkende haar onmiddellijk als de vrouw die de nacht tevoren op de brug naar de Runstraat achter in de surveillancewagen zat.
Hij nam zijn hoedje af, maakte een kleine buiging en bracht zijn beminnelijkste glimlach.
’Mevrouw Blankenberg?’ vroeg hij vriendelijk.
De vrouw knikte.
’En wie bent u?’
’Ik ben de man van wie wordt verwacht dat hij de moordenaar van uw man vindt.’
’Rechercheur De Cock van bureau Warmoesstraat.’ De grijze speurder knikte. Hij wenkte opzij.
’Deze jongeman is Paul van de Leeuwen. Hij is iemand van onze technische dienst. Hij heeft de kogel die uw man doodde, gevonden in de rug van uw fauteuil. Hij is klaar met zijn werk. Ik hoop dat u er geen bezwaar tegen hebt dat ik hem laat vertrekken?’
Mevrouw Blankenberg keek hem verbaasd aan.
’Waarom zou ik bezwaar maken?’
De Cock gebaarde in haar richting.
’Een vraag uit beleefdheid. Wij zijn gast in uw huis.’ Bij mevrouw Blankenberg brak een glimlach door. ’De jongeman mag vertrekken.’
De Cock gaf Paul een wenk. Schoorvoetend verliet de jongeman het vertrek. De oude rechercheur kwam iets naderbij. ’Ik heb vanmorgen een voortreffelijk rapport gelezen, opgemaakt door de vrouwelijke agent die vannacht met u heeft gesproken. Een bekwaam werkstuk. Goed opgebouwd en zeer gedetailleerd.’
Mevrouw Blankenberg knikte.
’Ze bleef maar vragen.’
’Ambtelijke nieuwsgierigheid.’
Mevrouw Blankenberg liep naar de open haard. Ze gebaarde naar twee fauteuils.
’Zullen we erbij gaan zitten?’
De Cock nam tegenover haar plaats. Door de val van het licht uit de ramen zag hij nu eerst goed hoe mooi ze was. Hij schatte haar op begin dertig. Ze had een matbleke huid, bijna fluorescerende groene ogen en prachtig golvend kastanjebruin haar. Hij nam tegenover haar plaats.
’Was u lang met Petrus Blankenberg getrouwd?’
Mevrouw Blankenberg schudde haar hoofd.
’Exact twee maanden, een week en drie dagen. Ik heb hem dit voorjaar in Frankrijk leren kennen. Wij logeerden in Angers in hetzelfde hotel. Ik was daar met vakantie. Petrus verbleef vaak in dat hotel in Angers. Hij gebruikte het als een soort uitvalsplek vanwaar hij diverse châteaus in de omgeving bezocht.’ Ze zweeg even en staarde voor zich uit.
’Petrus,’ ging ze rustig verder, ’is al eens eerder getrouwd geweest. Hij heeft een zoon van drieëntwintig. Zijn vrouw is enige jaren geleden aan kanker gestorven.’
’Liefde op het eerste gezicht?’
’Ik heb een paar affaires gehad… affaires met mannen van ongeveer mijn leeftijd. Het ging wel een tijdje goed, maar uiteindelijk zijn ze alle mislukt.’
’Petrus was ouder dan u.’
’Bijna twintig jaar.’
’Dat verschil trok u?’
Mevrouw Blankenberg knikte.
’Ik heb er niet eens lang over nagedacht. Petrus was een rustige, bedaarde man. Kalm, met een milde, meest beschouwende humor. Hij straalde geborgenheid en vertrouwen uit. Toen hij vroeg of ik met hem wilde trouwen, heb ik onmiddellijk “ja” gezegd.’ ’Spijt?’
’Geen moment. Het was weliswaar kort, maar ik ben heel gelukkig met hem geweest. Dat neemt niemand mij meer af. Toen ik hem vannacht hier dood aantrof, was ik even in paniek. Het opmerkelijke is, dat ik nu bij mij geen verdriet meer bespeur. Ik word beheerst door een vreemd gevoel van gelatenheid, van berusting. Ik was van plan om nog lang bij mijn vriendin te blijven, maar vanmiddag kon ik mij niet langer bedwingen en ben naar huis gegaan.’
De Cock knikte begrijpend.
’Woont de zoon van uw man ook hier in huis?’
Mevrouw Blankenberg schudde haar hoofd.
’Een maand geleden heeft Petrus voor hem een flat gekocht. Daar woont hij nu.’
’Hoe was uw verhouding met hem?’
’Frank was niet zo erg op mij gesteld. Hij was sterk aan zijn moeder gehecht. Hij beschouwde mij als een soort femme fatale, die zijn vader had verleid.’
’Had dat ook een invloed op de verhouding met zijn vader?’ Mevrouw Blankenberg sloeg haar handen voor haar gezicht. ’Het ging niet goed de laatste tijd. Frank werd onhandelbaar. Hij beschuldigde Petrus ervan dat hij de liefde van zijn moeder had verraden.’
De Cock keek haar schuins aan.
’Een onvolwassen gedrag.’
’Dat heb ik hem wel eens verweten, ja.’
De Cock kauwde even op zijn onderlip.
’Frank was een achterneef van oom Herbert van Harrecoven, maar hij staat niet in zijn testament.’
Om de lippen van mevrouw Blankenberg gleed een glimlach. ’Dat was ook een grief van Frank. Hij verweet zijn vader bij herhaling dat die wel had toegestemd om executeur-testamentair van oom Herberts nalatenschap te worden, maar er niet tevens voor had gezorgd om in dat testament zijn zoon als mede-erfgenaam te laten opnemen.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
’Francois van Harrecoven, ook een achterneef, wordt wel in dat testament genoemd.’
’Ik heb over dat onderwerp heel wat moeten aanhoren,’ verzuchtte mevrouw Blankenberg. ’Toen Frank nog in huis was, kwam dat herhaaldelijk ter sprake.’
De Cock boog zich naar haar toe.
’Hebt u zelf een idee waarom uw man is vermoord… door wie?’ ’Nee.’
’Vertoonde het gedrag van uw man de laatste tijd afwijkingen. Ik bedoel, merkte u iets aan hem?’
Mevrouw Blankenberg ademde diep.
’Toen hij de morgen na de dood van oom Herbert van de Brouwersgracht terugkwam, was hij danig overstuur.’
’Waarom… waardoor?’
Mevrouw Blankenberg sloot even haar ogen.
’Hij zei alleen: ze hebben mijn Petrussen verwisseld.’