Na het afscheid van Felix van Harrecoven verlieten de beide rechercheurs vol van gedachten de Kromme Waal. De Cock koos een andere weg. Via de Binnen Bantammerstraat, de Stormsteeg, de Korte en de Lange Niezel liepen ze terug naar de kit. Het regende nog steeds. De fijne motregen was overgegaan in een druilerige bui, die hun regenjassen doorweekte. Het drukte het humeur van De Cock niet.
Vledder blikte opzij.
’Ik ben ervan overtuigd,’ verzuchtte hij, ’dat Felix van Harrecoven inderdaad een schouderholster met pistool onder zijn colbert had verborgen. Hij had ons zo overhoop kunnen schieten.’ De Cock knikte met een somber gezicht.
’Die mogelijkheid was er.’ De oude rechercheur maakte een verontschuldigend gebaar. ’Als op jouw bellen niet wordt gereageerd, neem je toch aan dat er niemand thuis is. Ik was volkomen verrast toen ik hem in die kamer voor mij zag staan.’ Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
’Ik dacht dat je hem op dat verboden wapenbezit zou aanspreken.’ De Cock schudde zijn hoofd.
’Om erachter te komen of Felix van Harrecoven werkelijk een vuurwapen onder zijn colbert droeg, zou ik hem ter plekke hebben moeten fouilleren. Maar dat had tevens betekend dat ik aannemelijk had moeten maken dat hij op dat moment een verdachte was in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Daarin voorzag ik tal van juridische problemen, vooral ook omdat onze eigen positie bepaald niet sterk was. Wij waren uiteindelijk onrechtmatig zijn woning binnengedrongen.’ Vledder maakte een grimas.
’We krijgen nog eens grote moeilijkheden met het gebruiken van dat apparaatje van Handige Henkie.’
De Cock glimlachte vertederd.
’Het heeft ons vaak grote diensten bewezen.’
Vledder grijnsde.
’En mij hartkloppingen bezorgd.’
De Cock negeerde de opmerking.
’Heb jij destijds de antecedenten van Petrus de Groot alias Big Pete nagetrokken?’
’Allicht.’
’En ben je toen niet de naam Ferdinand van Harrecoven tegengekomen? Volgens Felix werkte Ferdinand veel met Big Pete samen.’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Ik denk dat die twee wel individueel zijn veroordeeld, maar nooit als duo. De combinatie was uit de antecedenten van Big Pete niet op te maken.’
De Cock ademde diep.
’Dat Ferdinand van Harrecoven de begrafenis van zijn oom Herbert bijwoonde is volkomen begrijpelijk, maar wat had Big Pete op Zorgvlied te zoeken?’
’Geen idee.’
’Had Big Pete een relatie met oom Herbert… alleen of in combinatie met neef Ferdinand?’
Vledder gebaarde.
’Misschien is de suggestie van neef Felix dat Ferdinand de beeldjes heeft verwisseld nog zo gek niet. Mogelijk deed hij dat in samenwerking met Big Pete.’
De Cock reageerde geagiteerd.
’Maar wat waren dan de oorspronkelijke beeldjes? Ik heb daar geen begrip van.’
Vledder zuchtte.
’Het verwisselen heeft alleen zin als de oorspronkelijke beeldjes veel meer waard waren dan de gipsen beeldjes die wij hebben aangetroffen.’
De Cock trok zijn schouders op.
’We komen er zo nooit uit.’
Vledder glimlachte.
’Tenzij neef Ferdinand van Harrecoven ons ruiterlijk wil bekennen dat hij voor het verwisselen van de beeldjes verantwoordelijk was.’
De Cock gniffelde.
’Ik zou op dat ”ruiterlijk bekennen” maar niet rekenen.’ ’We kunnen het toch proberen?’
De Cock stond van zijn stoel op.
’Dick, je hebt gelijk. We kunnen hem dan tevens vragen naar de oorzaak van zijn metamorfose.’ De oude rechercheur slenterde naar de kapstok. Halverwege draaide hij zich om. ’Heb je zijn adres?’
Vledder knikte.
’Haarlemmer Houttuinen 912.’
De Cock slofte verder.
’Dat kunnen we lopend af.’
Nog voor hij de kapstok had bereikt, werd er op de deur van de grote recherchekamer geklopt.
Vledder riep: ’Binnen!’
Het klonk wat rauw.
De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een goedgebouwde jongeman. De Cock schatte hem op voor in de dertig. Hij droeg een groene trenchcoat met grote schouderflappen. Glimlachend liep hij op de grijze speurder toe. ’U… eh, u bent rechercheur De Cock?’
De oude rechercheur knikte.
’De Cock met… eh, met ceeooceekaa,’ reageerde hij vrijwel automatisch. ’Waarmee zou ik u van dienst kunnen zijn?’ De jongeman boog zich iets naar voren.
’Ik ben Van Galen… Bernardus Antonius van Galen. Iedereen noemt mij Bennie.’
De Cock knikte hem toe.
’U bent het vriendje van Vera van Veenendaal.’
De jongeman tuitte zijn lippen.
’Vriendje? Dat klinkt niet prettig. Ik ben haar huisman. Zo mag u het noemen… huisman. Ik verzorg alles in huis… kook, stof en veeg. Als het u gelegen komt, ik zou graag even met u praten.’ De Cock keek hem schattend aan.
’Wilt u uw regenjas losknopen?’
Wat aarzelend voldeed Van Galen aan zijn verzoek. ’Nu uw colbert?’
De Cock bekeek zijn broeksriem, maar zag geen vuurwapen. Hij liep terug naar zijn bureau en liet de jongeman naast hem plaatsnemen.
’Is Vera weer aan het werk?’ opende hij.
’U… eh, u bedoelt als callgirl?’
’Precies.’
Bennie van Galen knikte.
’Gisteravond voor het eerst weer.’
’U was nogal gekant tegen haar voorgenomen huwelijk met de heer Herbert van Harrecoven.’
’Dat was ik.’
’Is het waar dat u zelfs hebt gedreigd de oude heer van Harrecoven neer te schieten als Vera haar verhouding met hem niet beëindigde?’
Bennie keek hem schuins aan.
’Heeft Caroline de Graaf u dat verteld?’
De Cock glimlachte.
’Het is onbeleefd om een vraag met een wedervraag te beantwoorden. Ik herhaal: hebt u dergelijke bedreigingen wel eens geuit?’ Bennie knikte.
’Het is juist. Dat heb ik gedaan. Een paar maal wel. Ik was razend. Door het dolle heen.’
’Waarom?’
’Ik leef al meer dan tien jaar met Vera samen. Ik houd van haar en volgens mij is dat wederkerig. Plotseling begon ze met die oude man aan te pappen… een klant van haar als callgirl. Ze bleef bij hem slapen, ging met hem naar schouwburgen en concerten. Te gek. Ik wist niet wat mij overkwam.’
De Cock maakte een schouderbeweging.
’Het was haar eigen vrije wil.’
Bennie van Galen schudde zijn hoofd.
’Een bevlieging. Ze was nooit gelukkig geworden met die oude viezerik.’
’Waarom noemt u hem een viezerik?’
Van Galen snoof.
’Dat was hij toch?’ reageerde hij fel. ’Een oude viezerik. Anders besluit je toch niet om een veel te jonge vrouw te trouwen?’ ’Is dat een misdaad? Ik ken tal van oudere mannen die met jonge vrouwen zijn getrouwd.’
Bennie van Galen zuchtte diep.
’De man is dood. En daar ben ik blij om. Gezegend is het mannetje dat hem om zeep hielp. En ik hoop, De Cock, dat jij hem nooit pakt.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
’Ze pakten jou wel?’
Van Galen knikte.
’Ik was twaalf jaar toen ik op een man schoot. De man overleed een paar dagen later aan zijn verwondingen. Ik heb daar veel verdriet over gehad… verdriet over de dood van die man. Dat verdriet heeft nooit iemand aan mij gezien. Ik heb het ook nooit willen tonen. Ik bleef stoer doen… tot Vera in mijn leven kwam. Vera begreep mij. Sindsdien is het veel beter met mij gegaan. Vera is mijn therapie.’
’Zonder haar heeft jouw leven geen zin?’
Bennie schudde zijn hoofd.
’Zij is mijn enige houvast.’
De Cock glimlachte met een scheve mond.
’En enige bron van inkomsten.’
Bennie knikte.
’Ook dat.’
’Stoort je dat niet?’
Bennie van Galen maakte een verontschuldigend gebaar. ’Het is de wil van Vera. Ze is er altijd op tegen geweest dat ik iets ging doen… een vak leren… een baantje aannemen. Ik verdien genoeg voor ons tweeën, zei ze altijd. Blijf jij maar lekker thuis.’ ’Toch was ze van plan om je te verlaten.’
Van Galen boog zijn hoofd.
’Begrijpt u,’sprak hij zacht, ’wat een rottijd ik heb doorgemaakt?’ De Cock knikte.
’Dat begrijp ik.’
De oude rechercheur nam een kleine pauze.
’Heb je thuis een vuurwapen?’ vroeg hij plotseling. Bennie keek op.
’Moet ik daar op antwoorden?’
De Cock glimlachte wrang.
’Nee. Daartoe ben je niet verplicht.’ Hij keek de jongeman doordringend aan. ’Je hebt gedreigd de oude heer Van Harrecoven neer te schieten als Vera haar relatie met hem niet verbrak. Heb je het ook gedaan?’
’Wat bedoelt u?’
’Heb je die oude man vermoord?’
Bennie schudde zijn hoofd.
’Ik zei toch: gezegend is het mannetje dat hem om zeep hielp.’ De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
’Die zegen kan ook op jezelf slaan.’
’Hoe?’
’Het is maar hoe je het wilt zien. Jij kunt zelf de man zijn die hem om zeep hielp. En gezien de netelige situatie waarin je verkeerde, dankbaar zijn dat je het hebt gedaan.’
Bennie schudde opnieuw zijn hoofd.
’Ik bezweer u, dat ik het niet heb gedaan.’
De Cock trok een grijns.
’Mijn oude moeder zei altijd… wie licht zweert, die licht liegt.’ Bennie kwam uit zijn stoel overeind. Hij beefde een beetje en zijn onderlip trilde.
’Ik zweer op het leven van Vera, dat ik met de moord op die oude man niets te maken heb.’
De Cock beduidde hem weer te gaan zitten.
’Als je een vuurwapen in huis hebt,’ sprak hij kalm, ’vernietig het… werp het in de gracht, daar kunnen de Amsterdammers alles in kwijt.’
’Dat heb ik al gedaan.’
’Wat?’
’Dat wapen in de gracht gegooid.’
’Uit vrije wil?’
Bennie schudde zijn hoofd.
’Niet helemaal uit vrije wil, maar ter wille van Frank.’ De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
’Frank Blankenberg?’
Bennie knikte.
’Ik ken Frank al vele jaren.’
’Dat weet ik. Ik heb jouw strafblad doorgenomen. Jaren geleden zijn jullie samen veroordeeld voor een serie inbraken in kantoorgebouwen.’
Bennie liet zijn hoofd iets zakken.
’Frank zat destijds zwaar aan de heroïne. Daar is hij nu helemaal van af.’
’Heb jij de vader van Frank gekend?’
’Een aardige man… een goede vader. Hij heeft Frank nooit laten vallen.’
Bennie zweeg even. Nadenkend.
’Frank,’ ging hij weifelend verder, ’heeft al een paar maal om dat wapen van mij gevraagd. Ik heb steeds geweigerd, maar ik was bang dat ik dat niet lang zou kunnen volhouden… dat ik op een dag zou toegeven. Daarom heb ik dat ding maar in de gracht gemieterd.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
’Wat wilde Frank met een vuurwapen?’
Bennie van Galen trok zijn schouders op.
’Dat heb ik hem gevraagd, maar dat wilde hij niet zeggen. Frank en ik hebben beiden een rottijd doorgemaakt. Ik door die affaire van Vera en Frank omdat zijn vader voor de tweede maal trouwde. Ik heb mijn Vera nog, maar Frank is zijn vader kwijt.’
’En?’
Bennie tastte naar zijn voorhoofd.
’Frank is de laatste tijd erg gedeprimeerd. Hij wijt de schuld van zijn vaders dood aan dat huwelijk met Marianne van Keulen.’
’Ken je haar?’
’Een lieve meid. Ze was vroeger met Vera bevriend.’
’Reden voor Frank om haar te haten?’
Bennie van Galen schudde zijn hoofd.
’Toch ben ik bang dat Frank met plannen rondloopt om haar te vermoorden… of om zichzelf iets aan te doen. Wat moet hij anders met een wapen?’
De Cock stond op, ten teken dat hij het onderhoud als beëindigd beschouwde.
’Zie je Frank Blankenberg nog?’
Bennie knikte. ’Misschien vanavond.’
’Probeer,’ vroeg De Cock vriendelijk, ’Frank zo snel mogelijk te bereiken. ’En stuur hem naar mij toe. Misschien wil hij mij wel vertellen waarom hij zo vurig een wapen wenst. Bovendien… ik ben nog vergeten hem iets te vragen.’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Vreemd. Ik had toch een heel andere voorstelling van die Bennie van Galen. Ik vond hem niet eens onsympathiek.’ De Cock lachte.
’Het is voor ons politiemensen jammer dat Cesare Lombroso geen gelijk heeft gekregen. Moordenaars hebben vaak van die alledaagse gezichten.’
De oude rechercheur hield zijn hoofd iets scheef.
’Zie je in Bennie van Galen nog steeds de moordenaar van oom Herbert en Petrus Blankenberg?’
’De mogelijkheid,’ sprak Vledder na enig nadenken, ’blijft nog steeds open. Hij kende Petrus Blankenberg en als vriend van Frank had hij gemakkelijk toegang.’
’Motief?’
Vledder maakte een hulpeloos gebaar.
’Ik blijf je het antwoord schuldig.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Na enkele seconden hield hij zijn hand voor het spreekgedeelte.
’Beneden voor de balie staan Bennie van Galen en Frank Blankenberg. Ze willen samen met je praten.’
De Cock schoof nog een stoel bij en liet beiden naast zich aan zijn bureau zitten. Hij blikte van Bennie van Galen naar Frank Blankenberg en terug.
’Wie neemt het woord?’
Bennie boog zich iets naar voren.
’Ik heb Frank verteld dat ik tegen u heb gezegd dat hij om mijn pistool vroeg.’
’En?’
’Toen heeft Frank mij uitgelegd waarom hij mijn pistool wilde hebben.’
’Wel?’
Bennie zuchtte. ’Frank leefde in de stellige overtuiging dat ik Herbert van Harrecoven had doodgeschoten. Hij was bang dat de recherche bij een huiszoeking het wapen zou vinden en dat uit onderzoek zou blijken dat mijn wapen bij de moord was gebruikt. Hij wilde voorkomen dat ik voor de tweede keer in mijn leven voor een moord werd opgepakt.’
De Cock wendde zich tot Frank Blankenberg.
’Jullie zijn vrienden… waarom heb je niet onmiddellijk gezegd waarom jij dat wapen wilde.’
Frank schudde zijn hoofd.
’Ik wilde hem niet zeggen dat ik hem van moord verdacht. Dat vond ik nogal pijnlijk.’
’Wat zou je met het wapen hebben gedaan als Bennie het je had gegeven?’
’In de gracht gemieterd… net zoals Bennie heeft gedaan.’ De Cock glimlachte.
’Tijdens ons vorig onderhoud ben ik vergeten je iets te vragen.’
’En dat is?’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
’In jullie huiskamer aan de Keizersgracht hangt tussen de ramen achter glas een plaat van de blijde Bacchus. Ik heb zo’n zelfde plaat in de woonkamer van oom Herbert van Harrecoven gezien.’ Frank knikte. ’Zal hij van mijn vader hebben gekregen.’
’Hoe kwam je vader aan die platen?’
’Een geschenk van de eigenaar van château Petrus.’
’Château Petrus?’
Frank knikte.
’Vader ging elk jaar naar dat château en kocht daar wijnen voor hemzelf en voor zijn oom Herbert.’
’En de blijde Bacchus?’
Frank lachte.
’Ik ben wel eens met vader mee geweest. Het is een stenen kop boven de hoofdingang van het château. De blijde Bacchus begroet iedere bezoeker. En iedere bezoeker krijgt zijn beeltenis mee.’