4

Vera van Veenendaal boog haar hoofd en huilde. Zacht, zonder snikken. Haar lange blonde haren vielen als een gordijn voor haar gezicht. Toen ze na enkele seconden opkeek drupten tranen over haar wangen en verveegden haar make-up. Het verdriet van de vrouw leek oprecht.

De Cock wachtte geduldig tot de vrouw zich weer enigszins had hersteld. Hij zag toe hoe ze met bevende handen uit haar tasje een minuscuul zakdoekje pakte en haar gezicht depte. Haar onderlip trilde. Met een blik vol wanhoop keek ze naar de oude rechercheur op.

’En nu?’ vroeg ze vertwijfeld.

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

’Het wordt jouw oplossing,’ verzuchtte hij. ’Het vervolg van jouw leven. Ik kan je daar als simpele ambtenaar niet bij helpen.’ Hij keek haar schattend aan. ’Terug,’ opperde hij met enige aarzeling. ’Terug naar het escortbureau?’

Vera van Veenendaal schudde haar hoofd.

’Het leven is oneerlijk,’ reageerde ze vinnig. ’Gewoon schofterig gemeen. Ik heb in mijn leven nooit een eerlijke kans gekregen. Altijd zat alles en iedereen mij in de weg. Ook mijn huwelijk werd een mislukking. Buiten mijn schuld. En nu het geluk zo… eh, zo dichtbij… zo grijpbaar, zo…’ Ze maakte haar zin niet af. ’Welke ellendeling heeft het gedaan?’

’De moord?’

’Ja.’

De Cock maakte een schouderbeweging. ’Geen flauw idee. We zijn pas met ons onderzoek begonnen. We zoeken nog naar een motief. Iemand moet het idee hebben gehad dat het beter was dat de oude heer Van Harrecoven voortijdig stierf.’ De grijze speurder zweeg even.

’Had hij vijanden?’

Vera van Veenendaal schudde haar hoofd.

’Ik kan mij dat niet voorstellen. Herbert was een lieve man. Er zat geen kwaad bij.’

’Heeft hij nooit gezegd dat hij zich door iets of iemand bedreigd voelde?’

Vera van Veenendaal schudde opnieuw haar hoofd. ’Daar heeft hij het nooit over gehad. Die indruk maakte hij ook niet. Hij was niet angstig of schichtig, integendeel. Hij was altijd heel opgewekt en relaxed.’

’Hebt u tijdens uw bezoeken aan de Brouwersgracht wel eens iemand bij hem thuis ontmoet?’

’Nee.’

’Familie?’

’Zijn ouders en zijn broers en zusters waren dood. Hij had alleen nog een paar neven en achterneven. Volgens mij had hij met hen nauwelijks contact.’

De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip.

’Wat… eh, wat voor een huwelijk waren jullie van plan om te sluiten?’ vroeg hij voorzichtig.

Vera van Veenendaal keek hem niet-begrijpend aan. ’Wat voor een huwelijk?’

De Cock knikte.

’Gemeenschap van goederen, huwelijkse voorwaarden of een andere constructie?’

Vera van Veenendaal gebaarde vaag in de ruimte.

’Gewoon, trouwen. Herbert en ik hebben nooit over bijzondere voorwaarden gesproken.’

’Hij was een vermogend man.’

’Die indruk had ik.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

’Voor u… eh, voor u een reden om een huwelijk met hem te ambiëren.’

Vera van Veenendaal antwoordde niet direct.

’Ik… eh, ik wil niet ontkennen,’ formuleerde ze voorzichtig, ’dat ik zijn… eh, zijn welstand in mijn overwegingen om een huwelijk met hem aan te gaan heb opgenomen. Maar dat was het niet alleen. Herbert was een charmante oude man, bij wie ik mij geborgen voelde.’

’Hebben jullie een balans opgemaakt?’

’Hoe bedoelt u?’

’Balans van de bezittingen van jullie beiden?’

Vera van Veenendaal grinnikte.

’Moet dat?’ Ik heb twee kinderen en die twee vormen mijn enige bezit. Meer heb ik niet.’

De Cock glimlachte om haar antwoord.

’Waar zouden jullie gaan wonen?’

’Aan de Brouwersgracht. Het huis van Herbert is groot genoeg. Er is daar ruim plaats, ook voor mijn kinderen.’

’Waren jullie al in ondertrouw?’

’Zeker.’

’Waar?’

’In Amsterdam.’

’Hebben jullie het voornemen om samen te trouwen nog op andere manieren in de openbaarheid gebracht? Ik bedoel, wie waren van die huwelijksplannen op de hoogte?’

Vera van Veenendaal reageerde wat verward.

’Mijn kinderen, mijn oude moeder en nog een paar goede kennissen.’

’Wie zouden er als getuige bij jullie huwelijk optreden?’ Vera van Veenendaal zuchtte diep.

’Voor mij… Richard.’

’Wie is Richard?’

’Een broer van mijn ex-man, met wie ik nog steeds een goed contact heb. Herbert zou een van zijn neven uitnodigen om getuige te zijn.’

’Welke neef?’

Vera van Veenendaal schudde haar hoofd. ’Weet ik niet. Zoals ik al zei: ik heb nooit iemand bij hem thuis gezien. Ik heb nog nooit met een familielid van Herbert kennisgemaakt. ’ De Cock vroeg niet verder. Hij staarde lang voor zich uit en dacht na. Het ingewikkelde raderwerk van zijn denken draaide op volle toeren. Het voorgenomen huwelijk van Herbert van Harrecoven met Vera van Veenendaal, zo concludeerde hij, kon wel zeker een motief voor moord zijn. De late trouwplannen van Herbert van Harrecoven waren bepaald niet in het belang van de gekozen erfgenamen.

Hij wendde zich weer tot Vera.

’Hebben jullie al trouwkaarten verstuurd?’

Om haar lippen danste een glimlach. Ze schudde haar hoofd. ’Geen poespas, geen trouwkaarten, geen bruidsjapon, geen uitbundige bruiloftspartij met een etentje en veel genodigden. Dat wilden we beiden niet. Wij zouden het heel intiem en sober houden.’

De Cock knikte begrijpend.

’Een kerkelijke inzegening?’

Vera keek hem verwonderd aan.

’Trouwen in de kerk?’

De Cock trok een ernstig gezicht.

’Dat gebeurt nog.’

Vera schudde haar hoofd.

’Ik ben niet gelovig.’

’Herbert?’

’Ook niet, dacht ik. We hebben samen nooit over godsdienst gesproken.’

De oude rechercheur plukte aan zijn onderlip.

’Heeft Herbert van Harrecoven wel eens iets gezegd dat u vreemd voorkwam, iets waar u niets van begreep en waarvan u ook nooit opheldering hebt gekregen?’

Vera verzonk in gepeins. Ineens klaarde haar gezicht op. ’Toen Herbert mij schuchter ten huwelijk vroeg en ik onmiddellijk ”ja” riep, zei hij iets eigenaardigs… iets wat ik niet begreep, maar waarover ik hem om onbegrijpelijke redenen geen verdere uitleg durfde vragen.’

’Dat was?’

Vera hield haar hoofd iets omhoog. Ze putte zichtbaar uit haar herinnering.

’Herbert zei… vreemd lachend: tot nu toe was ik alleen met Petrus getrouwd.’

Toen Vera van Veenendaal met gebogen hoofd de grote recherchekamer had verlaten, boog Vledder zich lachend naar zijn oude collega.

’Was Herbert van Harrecoven,’ vroeg hij spottend, ’met de apostel Petrus getrouwd?’

De Cock keek hem schuins aan.

’Zou hij dat hebben bedoeld?’

Vledder trok zijn schouders op.

’Religieuze fanaten,’ sprak hij ontwijkend, ’hebben soms de vreemdste fantasieën.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Van Harrecoven was volgens mij geen religieuze fanaat. Anders had hij met Vera van Veenendaal wel over zijn godsdienstige interesse gesproken en mogelijk zijn huwelijk met haar hebben willen laten inzegenen. Ik heb in zijn woning ook niets gezien wat op godsdienst wees. Geen bijbels, geen godsdienstige geschriften, geen spreuken aan de wand.’

’En die verzameling beeldjes dan?’

De Cock gebaarde afwerend.

’Die verzameling behoeft niets met religie of fanatisme te maken te hebben. Hij vond die beeldjes blijkbaar mooi en misschien had hij wel een stille verering voor de apostel Petrus.’ Vledder gromde.

’Elke verzamelaar is een fanaat.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

’Hoe laat is de sectie?’

Vledder keek op zijn horloge.

’Over een uurtje. Wij zijn de eersten. Volgens dokter Rusteloos was er weinig werk aan de winkel. Hij zei dat hij in jaren niet zo’n rustige periode heeft gekend.’

De jonge rechercheur grinnikte.

’Komkommertijd.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Die kent de misdaad niet.’

De oude rechercheur plukte een notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbert en wierp dat naar Vledder.

’Daarin staan de namen en adressen,’ verduidelijkte hij, ’van de neven van oom Herbert. Die heb ik vannacht van achterneef Francois van Harrecoven gekregen. Trek ze eens na. Of ze antecedenten hebben, schulden. Informeer ook eens bij de burgerlijke stand, het bevolkingsregister en de Kamer van Koophandel.’

Vledder pakte het boekje op.

’Kan ik jouw gekrabbel lezen?’

’Absoluut.’

Vledder bekeek de aantekeningen.

’Wat ga jij intussen doen?’

De Cock stond op.

’Aan de Brouwersgracht kijken hoe men vanaf de tuinen aan de achterkant naar de openbare weg kan komen.’

Vledder glimlachte.

’Dat moet blijkbaar heel eenvoudig zijn.’

’Hoezo?’

’Ik heb vanmorgen voordat jij, zoals gebruikelijk, te laat aan het bureau verscheen, boven bij onze eigen administratie eens naar die Brouwersgracht geïnformeerd. Afra Molenkamp heeft alles voor mij nagekeken.’

’En?’

’Er wordt op het stukje Brouwersgracht waar die vermoorde man woonde, de laatste weken via de achterzijde van de panden schrikbarend veel ingebroken.’

De Cock slofte op zijn gemak van de Warmoesstraat naar de Brouwersgracht. Het bijwonen van gerechtelijke secties liet hij al jaren aan Vledder over. De oude rechercheur had in zijn lange carrière genoeg lijken aan de binnenkant bekeken. Hij kende de procedure. De inwendige mens had voor hem geen geheimen meer. Van de tientallen autopsies die hij had meegemaakt, was er slechts één in zijn herinnering blijven hangen. Dat was de sectie op het lijkje van een tweejarig kereltje met blonde krulletjes, dat door zijn moeder was vergiftigd. Toen de patholoog-anatoom het lemmet in het ventje zette, draaide zijn hart om. En nog wanneer er sprake was van een gerechtelijke sectie, kwam het beeld van dat blonde kereltje in zijn gedachten terug. De Cock duwde de gruwelijke herinnering weg. Op de Brouwersgracht voor nummer 317 bleef hij staan. De aansluitende panden nummers 315 en 319 waren in gebruik als kantoor. In het politiejargon heette dat ’belendende percelen’. Uit die belendende percelen kon hij weinig informatie verwachten. Hij nam het apparaatje van Handige Henkie uit zijn broekzak, maakte de deur open en ging naar binnen. In het vertrek waar hij het lijk van Herbert van Harrecoven had aangetroffen, schoof hij het gordijn open. In het volle daglicht en zonder een dode man in een fauteuil had de kamer een veel vriendelijker aanzien.

De grote plaat boven de schoorsteen met het beeld van de blijde Bacchus deed hem glimlachen. Aan de muur tegenover de ouderwetse gashaard stond een eikenhouten secretaire. De Cock trok de steunen uit en liet de dekplaat daarop zakken. Na een kleine inspectie van de vakjes deed hij de dekplaat weer omhoog en trok de grote lade open.

Al na enkele seconden viel zijn oog op een bruine enveloppe met het woord ’testament’ in sierlijke krulletters. De oude rechercheur maakte een paar knoopjes van zijn overhemd los en schoof de enveloppe op zijn naakte borst. Daarna liep hij via de smalle gang naar de keuken. Hij had de avond tevoren de keukendeur weer gesloten en vergrendeld. Tot zijn verbazing constateerde hij dat het glas van een klein raam naast de keukendeur was ingeslagen. Maar de vergrendeling van de deur was nog intact.

In de sponningen van het kleine raam zaten puntige glasscherven. De open ruimte was te klein om erdoorheen te kruipen. De Cock kon het niet vatten. Als er inbrekers aan het werk waren geweest, dan zouden de grendels zijn opengetrokken om binnen te komen. Dat was kennelijk niet gebeurd. In de keuken en ook in de kamer waren geen sporen die wezen op ongewenst bezoek.

Ineens hield hij zijn adem in en luisterde gespannen. Iemand morrelde aan de buitendeur. Snel verliet hij de keuken en ging terug naar het woonvertrek. Daar posteerde hij zich naast de deur aan de zijde van de scharnieren. Hij hoorde hoe de buitendeur werd gesloten en iemand door de smalle gang schuifelde. Het duurde een paar seconden, toen werd de kamerdeur geopend en stapte een man naar binnen. De oude rechercheur trapte met zijn rechtervoet met kracht de deur dicht. Toen de deur tegen zijn sponningen klapte draaide de man zich geschrokken om. De Cock keek hem breed grijnzend aan.

’Goedemiddag,’ opende hij vriendelijk. ’Ik had geen bezoek verwacht.’

De mond van de man zakte halfopen.

’Wie… eh, wie bent u?’ stamelde hij.

De grijze speurder glimlachte beminnelijk.

’Mijn naam is De Cock met… eh, met ceeooceekaa. Ik ben belast met het onderzoek naar de moord op de bewoner van dit pand.’

De man slikte.

’Mijn oom Herbert van Harrecoven.’

De Cock knikte.

’En wie bent u?’

’Zijn neef Petrus Blankenberg. Ik ben een zoon van Petronella, de oudste zuster van oom Herbert.’

De Cock knikte begrijpend.

’En die is met ene Blankenberg getrouwd.’

’Was, wás getrouwd. Mijn vader is al jaren geleden overleden. Moeder trouwens ook. Oom Herbert heeft mij benoemd tot zijn executeur-testamentair.’

De Cock keek de man onderzoekend aan. De oude rechercheur schatte hem op eind veertig. De man had een lang, ovaal, licht gebruind gelaat. Zijn donkere haren in een scheiding opzij waren grijs aan de slapen. Hij was keurig gekleed in een lichtgrijs zomers linnen kostuum. De Cock zocht naar gelijkende gelaatstrekken met oom Herbert. Die waren er niet.

’Wie heeft u van de dood van oom Herbert op de hoogte gebracht?’

’Francois.’

’Een achterneef van oom Herbert?’

Petrus Blankenberg knikte.

’Francois onderhield nog wel contact met oom Herbert. Hij belde mij vanmorgen op en vertelde dat oom Herbert vermoord in zijn woning was aangetroffen en dat de recherche een onderzoek naar de moord was begonnen.’

’U hebt een sleutel van dit pand?’

Petrus knikte opnieuw.

’Die heb ik van oom Herbert gekregen toen hij zijn testament had opgemaakt.’

’Begrijpelijk.’

Petrus blikte om zich heen.

’Ik hoorde van Francois dat de buurt hier nogal wordt geteisterd door inbraken. Is er bij de moord op oom Herbert iets uit dit huis verdwenen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Dat idee heb ik niet. Niets wees erop dat er naar iets in dit huis is gezocht.’

’Is mijn voorraadje Petrussen er nog?’

De Cock glimlachte.

’Hebt u interesse?’

Petrus knikte nadrukkelijk.

’Oom Herbert heeft zijn Petrussen aan mij vermaakt.’ ’Vanwege uw naam?’

Petrus glimlachte.

’Dat zal zeker een rol hebben gespeeld.’ Hij blikte om zich heen. ’Zijn ze er nog?’

De Cock wees omhoog.

’Ze staan op de eerste etage.’

Petrus trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

’De eerste etage?’

In zijn stem trilde ongeloof.

De Cock knikte.

’Francois heeft ze mij gewezen. Zal ik u even voorgaan?’ Petrus knikte instemmend. Hij liep achter De Cock aan. In de kleine hal bij de opgang naar de trap bleef de oude rechercheur staan.

’Ik kom achter u. Het is boven op het portaal de eerste deur links.’

Met lichte tred ging Petrus de trap op. De Cock volgde. Hij zag hoe de man de deur van het vertrek opende. De gelaatstrekken van Petrus Blankenberg kon hij vanuit zijn positie niet waarnemen, maar hij zag aan zijn rug dat de man schrok.

De Cock hees zich verder de trap op en ging in het vertrek naast hem staan.

’Een leuke collectie.’

Het duurde even voor Petrus Blankenberg reageerde. Zijn lang gezicht zag bleek.

’Zijn ze het allemaal?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Ik heb er nog twee op mijn bureau. Die heb ik vannacht meegenomen om ze eens goed te bekijken. Als u met mij meekomt naar de Warmoesstraat, zal ik ze u geven. Ik wil toch nog even een korte verklaring van u opnemen.’

Zonder de beeldjes verder nog een blik waardig te keuren verliet Petrus Blankenberg het vertrek en liep de trap af. Via de smalle gang ging de man terug naar de kamer waar oom Herbert de dood vond. De Cock kwam hem na.

Petrus liet zijn blik door de kamer dwalen.

’Gebeurde het hier?’

De Cock wees naar de fauteuil.

’Hij zat daar.’

Petrus boog zich iets voorover en bekeek de rug waaraan bloed kleefde. Hij keek op.

’Weet u al wie oom Herbert vermoordde?’

De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht. Het was een gebaar om tijdwinst.

’Iemand die belang had bij zijn dood,’ sprak hij ontwijkend. Daarna zweeg hij even. Zijn blik bleef strak op de man gericht. ’U?’

Langs de lippen van Petrus Blankenberg gleed een matte glimlach.

’Ik? Ik ben geen Van Harrecoven.’

Загрузка...