De Cock keek zijn jonge collega vragend aan.
’Hoe was de sectie op Westgaarde?’
Vledder glimlachte.
’Dokter Rusteloos was dit keer de rust zelve. Zo heb ik hem nog nooit meegemaakt. Hij nam zelfs de tijd voor enige uitleg. Hij liet het mij met een sonde zien. De kogel is dwars door het hart van het slachtoffer gegaan en heeft het lichaam aan de rugzijde weer verlaten. Vrijwel zeker zat Herbert van Harrecoven in zijn fauteuil toen er van dichtbij op hem werd gevuurd. De kogelbaan loopt schuin naar beneden.’
De Cock knikte.
’Gezien het kruitslijm op zijn hemd moet de dader vlak voor het slachtoffer hebben gestaan, misschien wel iets over hem heen gebogen toen hij van dichtbij vuurde.’
Vledder gebaarde naar de telefoon op zijn bureau.
’Ik heb de technische dienst gevraagd om in de rug van de fauteuil naar de kogel te zoeken. Als we de dader hebben gevonden en het wapen, waarmee werd gevuurd, kunnen we aan de hand van…’
De Cock onderbrak hem lachend.
’Zover zijn we nog lang niet. Voorlopig zie ik geen enkele opening in deze zaak.’ Hij zweeg even. ’Maar je hebt gelijk, voor ons onderzoek is die kogel uiterst belangrijk. Zeker als wij in het bezit van het moordwapen zijn gekomen.’
Vledder gebaarde naar De Cock.
’Hoe ben jij gevaren?’
’Hoe bedoel je?’
’Kan men via de achtertuinen gemakkelijk de openbare weg bereiken?’
De oude rechercheur maakte een afwerend gebaar. ’Dat heb ik niet onderzocht.’
Vledder grinnikte.
’Daar ging je toch voor op pad?’
De Cock knikte.
’Maar voor ik daartoe kwam, deed ik in dat pand aan de Brouwersgracht een merkwaardige ontdekking. Dat kleine raam naast de keukendeur bleek te zijn ingeslagen.’
Vledder keek hem geschrokken aan.
’Ingeslagen?’
’Ja.’
Vledder gebaarde heftig.
’Dat moet dan vannacht zijn gebeurd nadat wij het pand hadden afgesloten. Toen we weggingen was dat raam nog heel. Dat weet ik zeker. Dat staat ook in mijn proces-verbaal van bevindingen.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ’Is er iemand binnen geweest?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’De grendels waren nog dichtgeschoven en het gat in het raam was te klein om iemand door te laten.’
Vledder keek hem verward aan.
’Wat heeft het dan voor zin om de ruit in te slaan?’ De Cock trok zijn schouders op.
’Geen idee. Ik vind het alleen vreemd dat Vera van Veenendaal ons vanmorgen daar niets over heeft gezegd. Ze sprak alleen over bloed op de rug van de fauteuil.’
’Misschien is ze niet verder geweest dan de kamer waar wij het slachtoffer hebben gevonden.’
De Cock boog zich iets naar voren.
’En dan was er nog iets,’ sprak hij geëmotioneerd. ’Terwijl ik in de keuken naar dat verbroken raam stond te kijken, hoorde ik dat iemand aan de toegangsdeur morrelde.’
’Wie?’
’Ik ving hem op in de kamer.’
Vledder toonde ongeduld.
’Wie?’
’Ene Petrus Blankenberg.’
Vledder knikte.
’Een van de drie neven.’ Hij graaide in een lade van zijn bureau. ’Hij staat in jouw notitieboekje.’
’Inderdaad.’
’Had hij een sleutel?’
’Ja. Petrus Blankenberg is de oudste van de drie neven. Hij is de zoon van Petronella, een zuster van Herbert van Harrecoven, die met ene Blankenberg was getrouwd. Hij is door zijn oom benoemd tot executeur-testamentair. De Petrussen zijn aan hem vermaakt.’
Vledder keek De Cock gespannen aan.
’Heeft hij iets gezegd? Ik bedoel, bracht hij enig licht in de zaak?’
De Cock antwoordde niet direct.
’Ik… eh, ik heb hem meegenomen naar het bureau en in concept een verklaring van hem opgenomen. Die moet jij straks maar even uittypen. En ik heb hem de beide beeldjes van de apostel Petrus meegegeven.’
Vledder toonde opnieuw enig ongeduld.
’Wist hij van het voorgenomen huwelijk van zijn oom Herbert met Vera van Veenendaal?’
De Cock gniffelde.
’Het kwam voor Petrus Blankenberg als een volslagen verrassing. Hij geloofde het aanvankelijk niet. Hij dacht dat ik een stomme grap maakte. Volgens hem was zijn oom Herbert al jaren impotent.’
Vledder lachte.
’Hij was dus ook niet door oom Herbert benaderd om als getuige op te treden.’
’Nee.’
Vledder spreidde zijn beide handen.
’Verder nog iets?’
De Cock ademde diep.
’Er was een spontane reactie van Petrus Blankenberg die mij verbaasde.’
’Wat voor een reactie?’
’Toen hij mij vroeg of ik wist wie zijn oom Herbert had vermoord, antwoordde ik ontwijkend en nietszeggend met: iemand die blijkbaar belang had bij zijn dood. En ik vroeg hem onmiddellijk daarna op de man af of hij dat was.’
’En?’
De Cock plukte even aan het puntje van zijn neus.
’Petrus Blankenberg reageerde: Ik? Ik ben geen Van Harrecoven.’
’Heb je gevraagd wat hij daarmee bedoelde?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Het leek mij nogal duidelijk. Volgens hem had niet hij, een Blankenberg, maar wel een Van Harrecoven belang bij de dood van de oude oom Herbert.’
Vledder zuchtte.
’Ik had toch maar even doorgevraagd.’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
’We kunnen hem altijd nog een keer benaderen. Petrus Blankenberg was niet onsympathiek. Hij maakte op mij een nette indruk.’
Vledder graaide opnieuw in een lade van zijn bureau. ’Misschien heeft hij wel gelijk.’
’Hoezo?’
De jonge rechercheur tikte op een notitieblad voor zich op zijn bureau.
’Ik heb ze nagetrokken in alle systemen. Petrus Blankenberg heeft geen strafblad, staat ook niet slecht bekend, maar die twee andere neven…’ Hij zweeg even en raadpleegde zijn notities. ’Ferdinand van Harrecoven heeft meerdere veroordelingen ter zake vermogensdelicten op zijn naam en Felix van Harrecoven is al tweemaal veroordeeld wegens het verboden bezit van een vuurwapen.’ ’Een vuurwapen?’
Vledder knikte.
’Felix van Harrecoven schijnt in vuurwapens te handelen. Hij importeert die uit voormalige Oostbloklanden en uit ons eigen België.’
De Cock grinnikte vreugdeloos.
’Een fijne familie. Zijn het broers?’
Vledder schudde zijn hoofd
’Ze zijn neven van elkaar. Maar daar houdt de vergelijking blijkbaar op. Ik heb nergens iets kunnen vinden van een gezamenlijk optreden.’
’Je bedoelt in crimineel verband?’
Vledder knikte.
’In de processtukken van Felix stond niets over Ferdinand en omgekeerd.’
’We hebben dus wel foto’s van die twee.’
’Zeker.’
De Cock gebaarde voor zich uit.
’Vraag ze op. Misschien hebben we ze nodig.’ Hij staarde even voor zich uit. ’Zit een van beiden vast?’
Vledder glimlachte.
’Wil je iemand uitsluiten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Dat biedt geen zekerheid meer. Vroeger kon je daar als rechercheur wel op bouwen. Iemand die in de bajes zat kon daarbuiten geen misdrijf plegen. Maar de huidige gevangenissen zijn vaak zo lek als een mandje. Bovendien wordt er kwistig met proefverloven gestrooid.’
Vledder snoof verachtelijk.
’Een verziekte samenleving,’ gromde hij. ’Wij worden voortdurend in onze bevoegdheden beknot en jegens misdadigers wordt de staat steeds toleranter. Als rechercheur word je daar niet vrolijker van. Ik geloof dat ik ook maar op het slechte pad ga. Ik kan mij dan koesteren in de warme liefde van de overheid.’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Daar zou jij je niet prettig bij voelen. Het blijft een onwaarachtige kleffe liefde.’
De oude rechercheur liet het onderwerp rusten. Hij voelde aan zijn borst en herinnerde zich het testament. Voorzichtig maakte hij een paar knoopjes van zijn overhemd los en pakte de bruine enveloppe met daarop TESTAMENT in fraaie krulletters. Triomfantelijk hield hij de enveloppe omhoog.
Vledder keek hem verrast aan.
’Hoe kom je daaraan?’
’Gevonden! In de secretaire van Herbert van Harrecoven. Daar lag het in een lade. Jij hebt gisteravond blijkbaar niet in die secretaire gekeken.’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Ik had het te druk met Adelheid van Buuren. Ze was zo nieuwsgierig. Verschrikkelijk. Ze vroeg mij het hemd van het lijf.’
De Cock grinnikte.
’Ik hoop dat je het hebt aangehouden.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan en De Cock wuifde het grapje weg.
’De enveloppe,’ legde hij uit, ’was te groot om in de binnenzak van mijn colbert te stoppen. En ik wilde hem niet vouwen.’ Vledder lachte.
’Dan stop je hem op je zweterige borst.’
’Ik zweet niet.’
’Mag ik dat testament eens zien?’ vroeg Vledder.
De Cock wierp hem de enveloppe toe.
’Kijk eens hoe recent het is.’
Vledder trok een document uit de enveloppe.
’Afschrift-van-een-akte-van-testament,’ las hij hardop. ’Meester G.J. van de Stalle, notaris Amsterdam.’
De jonge rechercheur sloeg een blad om. Hij keek op. ’Het is van een half jaar geleden.’
’Toen kende hij Vera van Veenendaal al,’ zei De Cock. Vledder grinnikte.
’Maar oom Herbert had op dat moment bepaald nog geen trouwplannen.’
’Je bedoelt, dat hij anders niet naar een notaris was gestapt om dit testament te laten opmaken.’
’Precies.’
De Cock wees voor zich uit.
’Staan alle neven erin?’
Vledder sloeg nog een blad om.
’Benoem-ik,’ las hij verder, ’tot-mijn-enige-erfgenamen-van mijn-gehele-nalatenschap, met-uitzondering-van-mijn-voorraad-Petrussen…’ Hij keek opnieuw op. ’Dan volgen de namen van de drie neven, Petrus Blankenberg, Ferdinand, Felix en de achterneef Francois van Harrecoven.’
’De executeursbenoeming?’
Vledder sloeg opnieuw een blad om.
’Benoem-ik,’ las hij verder, ’Petrus-Blankenberg. Aan-hem vermaak-ik-ook-mijn-voorraad-Petrussen-omdat-hij-die-als-kenner-op-waarde-weet-te-schatten.’
De Cock staarde peinzend voor zich uit.
’Vreemd.’
’Wat?’
’Petrus Blankenberg leek vanmiddag helemaal niet blij met zijn bijzondere erfenis. Toen ik hem op de eerste etage van het pand aan de Brouwersgracht de collectie beeldjes toonde, schrok hij zichtbaar en keurde ze verder geen blik waardig.’
Ze verlieten het politiebureau en slenterden vanaf de Warmoesstraat naar de Lange Niezel. Mede door de nog zwoele avondlucht was het er gezellig druk. Voor het sekstheater stonden mannen in de rij en nabij de etalage van een seksshop met wulpse opblaasvrouwen en fantastische kunstpenissen dreutelde een groepje giechelende vrouwen.
Aan het einde van de Korte Niezel liepen ze na de brug rechts de Achterburgwal op. De seksindustrie was in vol bedrijf. Het leger behoeftigen leek groter dan normaal. Traag schuifelde het legioen langs de etalages met verleidelijke hoertjes in barmhartig zachtroze licht.
De verleiding ging blijkbaar aan Vledder voorbij.
’Wat doen we met dat testament van oom Herbert?’ vroeg hij plotseling.
De Cock reageerde wat verward.
’Bewaren… doen we later als we de zaak afsluiten bij de stukken. Het testament bevestigt in ieder geval wat Francois van Harrecoven en Petrus Blankenberg ons ervan hebben verteld. Trek voor alle zekerheid nog even na of dit testament inderdaad het laatste wilsbesluit van oom Herbert is geweest. Hij heeft tijd genoeg gehad om het te herroepen.’
Vledder knikte.
’Ik heb het stellige gevoel dat de moord op oom Herbert alles met dat testament heeft te maken.’
De Cock reageerde niet. Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg glipte hij het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje binnen. Vledder volgde in gepeins. De hersenen van de jonge rechercheur doolden nog in de mogelijk- en onmogelijkheden van het testament.
De Cock schuifelde in de schemer naar het einde van de bar en hees zich daar op een kruk. Het was een plaats vanwaar hij het gehele lokaal kon overzien. Vledder ging naast hem zitten. Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in penozekringen steevast Smalle Lowietje genoemd, veegde zijn handjes aan zijn morsig vest en liep blij op De Cock toe. Zijn spichtig muizensmoeltje glom van genegenheid.
’Welkom,’ kirde hij, ’welkom in mijn nederig etablissement.’ De Cock glimlachte.
’Lowie,’ sprak hij vriendelijk, ’jij geeft mij het gevoel dat ik zelfs als politieman nog ergens welkom ben. Dat doet mij deugd. Zonder die schaarse momenten met jou en een goed glas cognac… wat zou het leven nog te betekenen hebben?’ De tengere caféhouder keek hem glunderend aan.
’Jij kunt van die mooie dingen zeggen,’ reageerde hij bewonderend. ’Zo… eh, zo gevoelig, diepzinnig.’ Hij dook onder de tapkast en pakte de fles Franse cognac Napoleon, die hij speciaal voor de oude rechercheur gereserveerd hield. Met precieze routinegebaren vatte hij drie blinkende diepbolle glazen en schonk behoedzaam in. ’Nog van de oude voorraad.’ Hij zette de fles neer, hief met zwier zijn glas en toostte. ’Op de misdaad en De Cock.’
De grijze speurder lachte om de kreet.
’Een twee-eenheid?’
’Absoluut.’
Grijnzend vatte De Cock zijn glas en schommelde het in de holte van zijn hand heen en weer. Voorzichtig nam hij een slok. De warme gloed van de drank duwde de stijfheid uit zijn botten en spieren. Hij zette omzichtig zijn glas neer en boog zich vertrouwelijk naar voren.
’Wat zegt jou de naam Van Harrecoven.’
Smalle Lowietje keek hem nadenkend aan.
’Van Harrecoven?’ herhaalde hij vragend.
’Ja.’
’Felix?’
De Cock glimlachte.
’Er bestaat inderdaad ook een Felix van Harrecoven. Ken je hem?’ Lowietje knikte.
’Felix de Blaffer.’
’Is dat zijn bijnaam?’
Lowietje knikte opnieuw.
’Hij heeft de reputatie dat hij iedere blaffer kan leveren die je hebben wilt. Het maakt niet uit van welk kaliber of fabricaat.’ De Cock grinnikte.
’Vandaar Felix de Blaffer.’
Lowietje trok een bedenkelijk gezicht.
’Ik… eh, ik ben niet zo erg op hem gesteld,’ sprak hij traag. ’Er lopen tegenwoordig te veel kerels met een vuurwapen losjes tussen de riem van hun broek. Vroeger viel het niet mee om een pistool of een revolver te bemachtigen. Maar met mensen zoals die Felix de Blaffer is het heel eenvoudig. Wat men bestelt, krijgt men.’ De caféhouder zweeg even en dacht na. ’Hij mag best in mijn etablissement komen, maar zonder handel.’ De Cock knikte begrijpend.
’Zou… eh, zou die Felix de Blaffer zelf wel eens van een vuurwapen gebruik hebben gemaakt?’
Smalle Lowietje trok zijn tengere schouders op.
’Dat zou ik je niet kunnen zeggen. Ik heb daar nooit iets over gehoord.’
De Cock keek hem schuins aan.
’Hoe schat jij hem in?’
’Een vies mannetje.’
’Vies?’
Lowietje knikte.
’Een ettertje. Hij zoekt altijd ruzie en niemand durft tegen hem in te gaan… bang voor zijn blaffer.’
De Cock nam een slok van zijn cognac.
’Daar dreigt hij mee?’
’Niet direct, maar iedereen weet dat hij zo’n ding binnen handbereik heeft.’
De Cock gebaarde naar zijn glas.
’Schenk nog eens in, Lowie.’
Smalle Lowietje gehoorzaamde met de welwillendheid van een kastelein.
De Cock nam zijn tweede glas op en bewonderde de kleur van de cognac
’Is… eh, is die Felix de Blaffer de enige Van Harrecoven die je kent?’
Lowietje schudde zijn hoofd.
’Zijn neef, Ferdinand van Harrecoven, komt ook wel eens in mijn etablissement. Die is wat rustiger. Maakt niet zoveel herrie. Is geslepener.’
’Zijn stiel?’
Lowietje lachte.
’Alles wat geld oplevert.’
De Cock grinnikte.
’Zo ken ik er wel een paar.’
Smalle Lowietje maakte een berustend gebaar.
’Hij belazerd de mensen… licht ze op. Hosselt zo’n beetje.’ Het gezicht van de tengere caféhouder betrok. ’Het gaat niet zo goed met hem. De laatste tijd zat hij wat sjofeltjes in de kleren. Hij had ook niet zoveel goud meer om zijn vingers. Hij heeft ergens een oom en die schijnt nogal dik in de kluiten[2] te zitten. De laatste keer dat hij hier was zei hij… het wordt hoog tijd dat die oude man de pijp uitgaat, en als hij dat niet uit zichzelf doet, dan moeten we hem in godsnaam maar een handje helpen.’
De Cock trok een strak gezicht.
’In godsnaam?’
Smalle Lowietje knikte.
’Dat zei hij.’