Vledder keek De Cock niet-begrijpend aan.
’Heeft hij dat gezegd?’ vroeg hij ongelovig.
’Precies zo.’
De jonge rechercheur grinnikte vreugdeloos.
’Wat… eh, wat moet dat betekenen: ze hebben mijn Petrussen verwisseld? Wat valt er in vredesnaam aan die beeldjes te verwisselen?’
De Cock trok zijn schouders op.
’Toen mevrouw Blankenberg aan haar man vroeg wat hij bedoelde, reageerde hij nogal nors, geprikkeld, maar gaf haar geen uitsluitsel. Om de sfeer niet te bederven, heeft ze niet verder gevraagd.’
’Jammer.’
De Cock knikte.
’Toen ik een dag na de moord op Herbert van Harrecoven Petrus Blankenberg in het huis aan de Brouwersgracht ontmoette, vroeg hij mij of de Petrussen die zijn oom aan hem had vermaakt, er nog waren. Ik zei: ja, ze staan op de eerste etage. Petrus Blankenberg reageerde wat verward op die mededeling. Het leek net alsof hij mij niet geloofde. Toen ik hem daarna boven de beeldjes liet zien, schrok hij zichtbaar. Ik stond achter hem en zag het aan zijn rug.’
’En?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
’Ik heb hem niet gevraagd waarom hij schrok en hij heeft mij geen uitleg gegeven. Ook niet toen ik hem later hier aan het bureau de twee beeldjes van de apostel Petrus meegaf. Hij nam ze zonder commentaar aan.’
De oude rechercheur ademde diep.
’Ik begrijp niet waarom hij toen voor mij verzweeg dat de beeldjes volgens hem waren verwisseld.’
Vledder gebaarde voor zich uit.
’Heb jij die twee beeldjes destijds goed bekeken?’ De Cock glimlachte.
’Dat hebben wij toch samen gedaan? Ik heb je nog een uitvoerige uitleg gegeven over de betekenis van de beeldjes van de grote apostel Petrus.’
Vledder knikte.
’Dat wel,’ stemde hij in. ’Maar we hebben ze niet samen grondig onderzocht.’
’Hoe bedoel je?’
’Waar worden die beeldjes gewoonlijk van gemaakt?’ ’Gips.’
Vledder reageerde geagiteerd.
’We hebben niet onderzocht of de beeldjes werkelijk van gips waren vervaardigd.’
De Cock keek hem gespannen aan.
’Je bedoelt, dat voor het fabriceren mogelijk andere grondstoffen zijn gebruikt?’
Vledder knikte heftig.
’Goud, zilver… beschilderd.’
De Cock kon een glimlach niet onderdrukken.
’Welke boeken heb jij de laatste tijd gelezen?’ vroeg hij spottend. ’Welke films heb je gezien?’
Het gezicht van Vledder kleurde rood.
’Ik heb geen vreemde boeken gelezen,’ zei hij geëmotioneerd, ’en ook geen gekke films gezien. Ik denk heel nuchter na. Volgens mij kun je als camouflage met die beeldjes van heiligen van alles vervoeren. Je kunt ze volstoppen met diamanten, met heroïne, met cocaïne… noem maar op.’
De Cock knikte bedaard.
’Je hebt gelijk. Het was geen prettige opmerking van mij. Voor jouw en ook mijn gemoedsrust… en verder voor alle zekerheid… zullen wij de beeldjes van oom Herbert door deskundigen laten onderzoeken.’
De oude rechercheur zweeg even en blikte opzij.
’Verwacht jij er wat van?’
Vledder snoof.
’Er is wat met die beeldjes,’ snauwde hij. ’Dat moet je toch met mij eens zijn. Misschien zijn die beeldjes wel het motief van de moorden?’
’Hoe?’
Vledder wuifde in de lucht.
’Geen flauw idee.’
De Cock streek met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht. ’Ik vraag mij plotseling af hoe en waardoor Petrus Blankenberg in één enkele oogopslag wist dat zijn Petrussen waren verwisseld.’
Vledder trok zijn schouders op.
’Misschien waren ze anders van kleur… anders van afmeting?’ De Cock keek bedenkelijk.
’Petrus Blankenberg draaide zich met een bleek gezicht om en keurde de beeldjes verder geen blik waardig. Hij had alle interesse verloren. Het was alsof…’
De oude rechercheur stokte plotseling. Hij wees naar de telefoon.
’Bel mevrouw Blankenberg en vraag haar of haar man de dag na de moord op oom Herbert met twee beeldjes van de apostel Petrus is thuisgekomen.’
Vledder keek hem aan, zuchtte diep maar gehoorzaamde gedwee. Hij pakte de hoorn van het toestel, toetste het nummer in en stelde de vraag.
De Cock wachtte geduldig. Toen de jonge rechercheur de hoorn terug legde, keek hij gespannen op.
’En?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Haar man… Petrus Blankenberg… is nooit met beeldjes thuisgekomen.’
Op het moment dat de beide rechercheurs bij het hek van de begraafplaats Zorgvlied uit hun Golf stapten, glunderde De Cock. Het leek alsof Onze-Lieve-Heer de wens van de grijze speurder had vervuld. Een trage, slome regen zakte mistroostig uit een laag, grauw wolkendek. Het zat zo diep, zo vast, dat het leek alsof het nooit meer zou weggaan, alsof het verder in Amsterdam eeuwig zou regenen.
Langs een statige coniferenhaag sloften ze zwijgend naar de ingang. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en drukte zijn oude hoedje verder naar voren. In zijn zo typische slenterpas schuifelde hij over het grind van de oude begraafplaats. Van zijn zoet grijnzende gezicht droop het regenwater. Het gaf hem een gevoel van vreugde. In een acrobatische beweging probeerde hij met het puntje van zijn tong een regendruppel van zijn neus te likken.
Vledder naast hem gromde.
’Ze hebben een hittegolf voorspeld,’ jammerde hij. ’En wat hebben we… regen.’ De jonge rechercheur blikte opzij. ’Heb jij dit weer besteld?’
De Cock glimlachte.
’Ik heb soms het idee,’ antwoordde hij fijntjes, ’dat er momenten zijn dat Onze-Lieve-Heer naar mij luistert.’
Vledder keek hem ongelovig aan.
’Jij was dat mooie weer alweer zat?’
De Cock gniffelde.
’Zoveel zonlicht is niet goed voor de mensen.’
Vledder snoof.
’Die regen… met een kletsnat pak thuiskomen… is dat goed voor de mensen?’
De Cock reageerde niet. Hij keek naar enige belangstellenden, die geklemd tegen de muur van de aula beschutting zochten tegen de regen. Hij herkende geen van de hoofdpersonen in het drama. Vledder stootte hem met zijn elleboog aan.
’Wat komen we hier doen?’
De Cock keek hem verrast aan.
’Dat moet jij toch weten? Herbert van Harrecoven wordt straks ter aarde besteld en ik ben benieuwd wie voor die begrafenis belangstelling heeft.’
’We gaan vrijwel nooit naar begrafenissen van slachtoffers van moord.’
De Cock knikte.
’Dit keer wel. Ik ben op zoek naar openingen, naar verbanden die om uitleg vragen.’ De oude rechercheur blikte opzij. ’Wie verwacht jij?’
Vledder grinnikte.
’Zijn nog levende neven.’
De Cock knikte.
’Ik vraag mij af of ook Frank Blankenberg zijn opwachting komt maken.’
’Wie is Frank Blankenberg?’
’De drieëntwintigjarige zoon van Petrus Blankenberg uit zijn eerste huwelijk. Hij leefde in onmin met zijn vader.’ ’Waarom?’
’Omdat zijn vader hertrouwde met Marianne van Keulen. Zoon Frank zag dat als verraad aan zijn moeder. En dan heeft hij nog een wrok.’
’En dat is?’
’Oudoom Herbert van Harrecoven heeft Frank in tegenstelling tot achterneef Francois van Harrecoven niet in zijn testament opgenomen.’
’Hij heeft dus een motief voor de beide moorden?’ ’Min of meer.’
’Ken jij hem?’
’Wie?’
’Die Frank Blankenberg?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Ik heb hem persoonlijk nooit ontmoet. Mevrouw Blankenberg vertelde van zijn bestaan. Ik vermoed… als hij komt, dat ik hem wel zal herkennen. Op het dressoir zag ik een lijst met een foto van een jongeman die sterk op Petrus Blankenberg leek.’
’Heb jij belangstelling voor hem?’
’Zeker,’ zei De Cock, ’als we straks terug zijn op de kit moet je maar eens naar zijn antecedenten kijken.’
Een brede, glanzende lijkwagen kroop over het grind van het hoofdpad naderbij. Op enige afstand stopten de volgwagens. De deuren van de aula gleden open en een met bloemen bedekte baar werd uit de wagen getild.
Met ontbloot hoofd, zijn vormloos hoedje in zijn hand, keek De Cock toe en hoopte dat een nat hoofd niet tot een fikse verkoudheid zou leiden.
Toen eenieder door de aula was opgeslokt, stapte hij met Vledder als laatste naar binnen. De beide rechercheurs schoven naar de achterwand. Met hun rug tegen de eikenhouten lambrisering, keken ze naar een deftig in het zwart geklede heer, die achter een kathedertje plaatsnam.
De heer rangschikte enige papieren voor zich en kuchte indrukwekkend. Daarna bracht hij zijn armen in een theatraal gebaar schuin naar voren.
’God,’ sprak hij met grote stemverheffing, ’schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.’ Hij liet zijn armen zakken en ging veel rustiger verder. ’Ziende op de Heer, die gesproken heeft: Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft zal leven: ook al is hij gestorven, en eenieder, die leeft…’
De Cock liet de zalvende woorden van de prediker over zich heen daveren. Zijn scherpe blik gleed over de ruggen van de aanwezigen.
Vooraan, in het midden, in een grijs mantelpakje en op haar hoofd een uitbundige zwarte hoed met een voile, herkende hij de weduwe Blankenberg-Van Keulen. Drie lege stoelen verder zat op die voorste rij een jongeman. De Cock kon zijn gelaatstrekken niet waarnemen, maar hij vermoedde dat het Frank Blankenberg was, die het directe gezelschap van zijn stiefmoeder meed.
Op de tweede rij zaten met enige afstand van elkaar Ferdinand en Felix van Harrecoven. De oude rechercheur herkende neef Felix van een foto uit het archief van de politie. Tot zijn verwondering miste hij Francois van Harrecoven.
Op de overige rijen zaten mannen en vrouwen die De Cock al vele jaren kende als nieuwsgierigen, die uit pure sensatiezucht de begrafenis van elk slachtoffer van een moord bijwoonden. De Cock streek met zijn hand over zijn natte haren en luisterde. De spreker gebaarde heftig.
`De mortuis nil nisi bene,’[4] riep hij pathetisch. ’Over de dode… over de dode zult u van mij geen kwaad woord horen. Wij mensen hebben geen recht om zijn gedrag te beoordelen. Wanneer zijn leven, naar welke maatstaven ook gemeten, niet juist was ingericht, dan zal hij nu wel reeds geoordeeld zijn door Hem, die alle facetten kent. Wij kennen die niet… en zullen die vermoedelijk ook nooit kennen.’
De spreker zweeg even en boog zijn hoofd.
’Laten wij nu bidden om genade voor zijn moordenaar.’ De Cock staarde even peinzend voor zich uit. Daarna stootte hij Vledder van opzij aan.
’Dit alles komt mij zo bekend voor,’ fluisterde hij.
Vledder glimlachte.
’De begrafenis van Hendrik-Jan van Assumburg. Dezelfde prediker, dezelfde tekst. Ik denk dat deze dominee uit gemakzucht bij elke begrafenis dezelfde babbel houdt.’
’Hendrik-Jan van Assumburg?’
Vledder knikte.
’Herinner je je nog? Wij woonden die begrafenis destijds bij op verzoek van de politie in Antwerpen.’
De Cock kneep zijn ogen even stijf dicht.
’Ik weet het alweer. Het was die dag ijzig koud. Ik had bijna bevroren oren. Wij zijn voor die zaak nog in België bij de Gerechtelijke Politie geweest.’[5]
’Precies.’
Na een vurig gebed daalden zware orgelklanken op de aanwezigen neer. De prediker verdween en het kathedertje werd weggehaald. De ’kraaien’ schaarden zich aan beide zijden van de baar. De auladeuren gingen open en de dragers wiegden de baar naar buiten.
De Cock zette zijn hoedje weer op en sjokte naast Vledder achter de belangstellenden aan. Het regende niet meer, maar het water drupte nog van de bomen.
Toen ze het graf hadden bereikt, nam De Cock zijn hoedje af en schaarde zich in de kring. Ineens was de dominee er weer en nam het woord.
’Daar… daar het de almachtige God behaagd heeft,’ galmde de prediker plechtig, ’onze thans gestorven broeder Herbert van Harrecoven tot zich te nemen… zo bestellen wij zijn lichaam ter aarde… aarde tot aarde… as tot as… stof tot stof…’ De Cock liet de woorden van de dominee langs zich heen glijden. Zijn scherpe blik dwaalde langs de kring van belangstellenden. Hij keek een paar seconden vol in het jonge gelaat van Frank Blankenberg. Met zijn lippen strak opeengeklemd, had het gezicht van de jongeman een verbeten trek. Somber, broeierig.
Ook had De Cock het gezicht van Felix van Harrecoven scherper in het vizier. De oude rechercheur bepeinsde dat van neef Felix een nieuwe foto moest worden gemaakt. De man was in luttele jaren sterk verouderd.
Neef Ferdinand van Harrecoven zag er dit keer, in tegenstelling tot zijn bezoek aan het politiebureau in de Warmoesstraat, opvallend gesoigneerd uit. Hij droeg een gloednieuw donkerblauw kostuum met vest en een stemmige stropdas op een lichtgrijs overhemd. Hij had nieuwe schoenen aan zijn voeten en zijn haar zat verzorgd.
Plotseling ontdekte De Cock aan de andere zijde van het graf, in de buitenste rij van de kring, een gezicht… een gezicht dat hij van een twaalfjarige jongen tot een volwassen man had zien veranderen. Even kruisten hun blikken… blikken van herkenning.
De adem van De Cock stokte. Een moment ook was de grijze speurder niet tot actie in staat. Toen wurmde hij zich duwend met zijn ellebogen uit de kring en draafde achter de belangstellenden om naar de plek waar hij dat gezicht had gezien. Hij kwam te laat. Toen hij de bewuste plek had bereikt, zag hij ruim dertig meter voor zich uit een man met wapperende jaspanden over het grindpad rennen.
De Cock in draf was een komisch gezicht. Na een stuntelig sprintje gaf de oude rechercheur de achtervolging op. Zwaar hijgend liet hij zich op een bankje onder een treurwilg zakken en schoof de bovenste knoop van zijn overhemd los. Vledder liep met een rood hoofd op hem toe.
’Wat… wat,’ stamelde hij, ben je allemaal aan het doen. Je verstoort de hele plechtigheid.’
De Cock gebaarde.
’Ik zat achter een man aan.’
’Wat voor een man?’
’Petrus de Groot.’
Vledder reageerde verrast.
’Big Pete… we hebben hem pas voorgeleid. Is hij alweer vrij?’
De Cock grijnsde.
’Zo gaat dat,’ reageerde hij grimmig, ’in dit soms van elk recht verstoten land.’
’Wat moest onze Big Pete op de begrafenis van Herbert van Harrecoven?’
De Cock kwam steunend van zijn bankje overeind. ’En waarom nam hij de benen toen hij mij zag?’