De Cock steunde met zijn ellebogen op zijn bureau en liet zijn kin zakken in het kommetje van zijn vuisten.
’Bennie van Galen,’ sprak hij traag, ’dat is natuurlijk de bron waaruit Frank Blankenberg zijn informatie verkreeg. Hij zal zijn aversie tegen Marianne van Keulen hebben uitgesproken en de combinatie Vera van Veenendaal-Bennie van Galen bracht het gegeven dat Marianne van Keulen als callgirl had geopereerd.’ Vledder knikte.
’Dat betekent dat Frank Blankenberg nog steeds relaties onderhoudt met Bernardus Antonius van Galen… parasiet, profiteur, iemand die op zijn twaalfde al een moord pleegde.’ De Cock krabde zich achter in de nek.
’Het is inderdaad een verrassende ontwikkeling. Ook beangstigend. Hoewel je voorzichtig moet zijn om die lijn door te trekken.’
’Hoe bedoel je?’
De Cock gebaarde.
’Hoewel Bennie van Galen als twaalfjarige jongen een moord pleegde, behoeft dat niet te betekenen dat hij nog steeds even gewelddadig is.’
Vledder snoof.
’Volgens Caroline de Graaf loopt hij nog steeds met een pistool tussen zijn broeksband. En gezien zijn verhouding met Vera van Veenendaal kun je toch moeilijk stellen dat hij in aanmerking komt voor een grootkruis van verdienste.’ De Cock glimlachte.
’Geen grootkruis van verdienste.’
Vledder keek hem verwachtingsvol aan.
’Zullen we hem arresteren?’
De Cock schudde zijn hoofd.
’Daar voel ik nog niets voor.’
Vledder toonde zich teleurgesteld.
’Jij hebt een paar dagen geleden heel duidelijk gezegd: als wij op een schakel stuiten die wijst op een relatie tussen Bernardus Antonius van Galen en de sommelier Petrus Blankenberg, ga ik onmiddellijk met je mee om Bennie van Galen op te halen.’ De Cock knikte instemmend.
’Dat heb ik gezegd.’
Vledder grinnikte vreugdeloos.
’Nu heb je zo’n schakel!’ riep hij opgewonden. ’Zelfs dubbel. Bennie van Galen-Frank Blankenberg en Vera van VeenendaalMarianne van Keulen. Beide schakels leiden naar de sommelier Petrus Blankenberg.’
De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ’Die schakels zijn flinterdun.’
Vledder strekte zijn armen voor zich uit.
’Wij kunnen toch bij Vera van Veenendaal huiszoeking doen en het pistool van Bennie van Galen in beslag nemen? Als proeven met dat pistool uitwijzen dat de kogels die wij in de fauteuils hebben gevonden, met zijn wapen zijn afgevuurd, dan hebben wij een sluitend bewijs.’
De Cock ademde diep.
’En meen je werkelijk dat wij op basis van hetgeen wij nu weten, van een officier van justitie of een rechter-commissaris een bevel tot huiszoeking krijgen?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
’Geen schijn van kans.’
’We kunnen Bennie van Galen toch pakken voor verboden wapenbezit?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
’Dan zou je hem op straat moeten arresteren wanneer hij dat wapen bij zich draagt. En zelfs dat geeft nog tal van juridische perikelen. We mogen hem niet fouilleren als hij geen verdachte is.’ Vledder schudde ontmoedigd zijn hoofd.
’In wat voor een land leven wij?’
De Cock lachte.
’Een land waarin criminelen wettelijk bezien verrassend goed worden beschermd.’
Vledder maakte een grimas.
’Ik wind mij niet op,’ riep hij spottend. ’Ik weiger om op mijn leeftijd al gestresst te raken. Ik bezit mijn ziel in lijdzaamheid.’ De Cock knikte.
’Je moet je ziel wel in lijdzaamheid bezitten,’ reageerde hij lachend. ’Als je niet gestresst wilt raken, heb je gewoon geen andere keus.’
Vledder negeerde de opmerking.
’Heb je al een rapport over de kogels?’
De Cock trok een lade van zijn bureau open.
’Heb ik je dat nog niet verteld?’
’Wat?’
De Cock pakte een map en legde die voor zich neer. ’Volgens het technische rapport van Paul van de Leeuwen zijn de kogels uit de ruggen van de fauteuils van de Brouwersgracht en de Keizersgracht met hetzelfde wapen afgevuurd. Vermoedelijk een 9 mm FM-pistool. Maar daarover bestaat geen zekerheid. Beide kogels hebben hetzelfde beschadigingspatroon. Een bewijs temeer dat de beide moorden door dezelfde dader zijn gepleegd.’
Vledder hield zijn hoofd scheef.
’Bennie van Galen?’
De Cock reageerde niet. Hij kwam uit zijn stoel overeind en slofte naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
’Waar ga jij heen?’
De Cock schoof zijn hoedje over zijn grijze haren en wurmde zich in zijn regenjas.
’Wij… wij gaan naar Felix van Harrecoven. Met hem hebben wij nog geen kennisgemaakt.’
De rechercheurs verlieten het politiebureau en slenterden linksaf de Warmoesstraat uit. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en duwde zijn hoedje iets naar voren. Uit een loodgrijze hemel zakte een miezerige motregen. De regen was zo intens, zo ragfijn, dat de geluiden van de stad vrijwel verstomden. Vledder blikte opzij.
’Geniet je?’
’Ik geniet van elke dag dat ik leef.’
’Van de regen?’
’Ook.’
Via de Sint Olofspoort bereikten ze de Prins Hendrikkade en sloften langs de Sint Nicolaaskerk.
Vledder stootte De Cock met zijn elleboog aan.
’Weet je waar wij zijn moeten?’
De oude rechercheur knikte.
’Vooraan. Het eerste stukje van de Kromme Waal. Ik denk dat ik het pand waar Felix van Harrecoven woont wel ken. Ik heb daar eens een moord behandeld die als een zelfmoord werd gepresenteerd.’
’Ken je nog zijn bijnaam?’
’Van Felix van Harrecoven?’
’Ja.’
De Cock lachte.
’Felix de Blaffer.’
’Denk jij dat hij iets met de moorden te maken heeft?’ De Cock trok zijn schouders op.
’Neef Ferdinand heeft hem al een paar maal beschuldigd. Overigens loze kreten. Ik heb uit zijn mond nooit iets gehoord dat op enig bewijs leek.’
De oude Schreierstoren op de hoek van de Geldersekade glom in de regen.
De oude rechercheur wees naar de houten vlonder onder aan de toren.
’Herinner je je nog wat daar lag?’
Vledder knikte.
’Een dode man in een clownspak.’[6]
Ze liepen verder de Prins Hendrikkade af tot aan de Kromme Waal. Voor het huis van Felix van Harrecoven bleven ze staan. Er was geen naambordje.
De Cock drukte op een witte plastic bouton en in het inwendige van het huis ratelde een bel. Niemand reageerde. De oude rechercheur belde nog eens. Intussen bekeek hij het slot. Toen elke reactie uitbleef haalde hij met enige wrevel het apparaatje van Handige Henkie uit zijn broekzak.
Hij keek even op naar zijn jonge collega. Vledder protesteerde niet.
Met kennersblik koos de grijze speurder de juiste sleutelbaard en na luttele seconden drukte hij de toegangsdeur open tot een kier. Nog even wachtte hij en luisterde intens. Er was niets dat hem stoorde… niets dat hem beangstigde. Voorzichtig duwde hij de deur verder open.
Met Vledder in zijn kielzog sloop hij vanuit een kleine hal naar een smalle betegelde gang. Bij de eerste deur links bleef hij staan en luisterde opnieuw. Ergens rechts van hem drupte een kraan. Na een korte aarzeling drukte De Cock de kruk naar beneden en duwde met zijn schouder de deur geheel open. Tot zijn verbijstering stond recht tegenover hem een man. De Cock herkende hem direct. De rechterhand van Felix van Harrecoven gleed schuin omhoog onder zijn colbert. Het was een reflex. Hun blikken kruisten. De hand van Felix zakte traag naar beneden en op zijn smal gezicht verscheen een brede grijns. ’De Cock,’ riep hij verrast. ’Rechercheur De Cock van bureau Warmoesstraat… hoogstpersoonlijk.’
De grijze speurder knikte.
’Hoogstpersoonlijk,’ herhaalde hij mat.
Felix van Harrecoven zwaaide.
’Waaraan heb ik dit bezoek te danken?’
De Cock glimlachte.
’We wilden even met u kennismaken,’ sprak hij vriendelijk. ’In de aula en op de begraafplaats was daar weinig gelegenheid toe.’ ’Hoe kwam u binnen?’
’Ik heb gebeld.’
Felix van Harrecoven knikte.
’Dat heb ik gehoord. En ik heb niet opengedaan. Dus nogmaals… hoe kwam u binnen?’
De Cock glimlachte opnieuw. Beminnelijk.
’Tot onze schrik en verbijstering,’ loog hij pertinent, ’bleek de toegangsdeur tot uw woning niet slotvast afgesloten. Ik voelde aan de kruk en de deur gleed open. Omdat wij bang waren dat er iets met u was gebeurd, zijn wij naar binnen gegaan.’ Felix van Harrecoven maakte een grimas.
’U was bezorgd?’
Het klonk als een grap.
De Cock knikte nadrukkelijk.
’Precies. Het welzijn van onze medeburgers gaat ons zeer ter harte.’
Felix gniffelde.
’Ik las eens in een roman dat er van iemand werd gezegd: hij loog met het gemak waarmee een politieman de eed aflegt.’ Hij grijnsde.
’Het zou op u van toepassing kunnen zijn.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.
’Ik kan u het geloof niet geven. Als de deur niet open was, hoe konden wij dan binnenkomen?’
Felix keek hem strak aan.
’Die deur was op slot.’
De Cock spreidde zijn armen.
’Einde conversatie,’ reageerde hij strak. ’Op slot of niet op slot… wij zijn hier.’
Felix van Harrecoven weifelde even, maar drong niet verder aan. Hij wees verderop in de kamer naar vier fauteuils om een ronde tafel.
’Laten we er bij gaan zitten,’ stelde hij voor.
De Cock knikte instemmend. Ze namen in de fauteuils plaats. De oude rechercheur legde zijn hoedje naast zich op het hoogpolig tapijt en keek op.
’Waarom reageerde u niet toen ik belde?’
Felix leunde iets achterover.
’Ik… eh, ik ben bang. Ik laat geen mensen meer binnen. Ik doe net alsof ik niet thuis ben.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
’Waarom?’
Felix zuchtte diep.
’Ik heb veel vijanden… altijd al gehad… mensen die mijn bloed wel kunnen drinken. Ik heb geen prettig karakter. Daar ben ik mij van bewust. Vrouwen houden het ook nooit lang bij mij uit. Na een paar maanden zijn ze weer verdwenen… kan ik een nieuwe zoeken. Ik heb mij om die vijandschap nooit bekommerd. Het interesseerde mij niet. Ik bleef als een blind paard om mij heen schoppen. Maar sinds de dood van oom Herbert en mijn neef Petrus Blankenberg voel ik mij niet happy meer. Ik voel mij bedreigd. Ik heb het idee dat iemand het op mijn leven heeft gemunt.’
’Wie?’
Felix van Harrecoven trok een bedenkelijk gezicht. ’Dat weet ik niet. Ik heb zomaar het idee dat de mensen die oom Herbert en neef Petrus hebben vermoord, ook mij willen liquideren.’
’Waarom?’
Felix reageerde fel.
’Weet ik wat een of andere idioot zich in het hoofd heeft gehaald?’
De Cock boog zich naar voren.
’Uw neef Ferdinand leeft in de overtuiging dat u verantwoordelijk bent voor die moorden. U handelt in vuurwapens en als ik het juist heb ingeschat, draagt u ook nu op dit moment een schouderholster met pistool.’
’Ik zei u toch dat ik mij bedreigd voel.’
De Cock negeerde de opmerking.
’Draagt u nu onder uw colbert een schouderholster met pistool?’ vroeg hij dwingend.
’Nee.’
De Cock nam even bedenktijd en liet het penibele onderwerp rusten.
’Waar komt de overtuiging die bij uw neef Ferdinand leeft, uit voort? Waarom denkt hij dat u die beide moorden hebt gepleegd?’
Felix van Harrecoven lachte met een scheve mond. ’Mijn neef Ferdinand is een handige jongen. Hij heeft zijn hele leven niets anders gedaan dan mensen oplichten… bezwendelen. En als hij mij ervan beticht die moorden te hebben gepleegd, dan is hij bezig om ook u een loer te draaien.’ De Cock glimlachte.
’Dat is nog maar weinigen gelukt.’
Felix van Harrecoven reageerde niet.
’Ik heb gehoord,’ ging hij verder, ’dat oom Herbert en mijn neef Petrus dwars door hun hart zijn geschoten en op die manier zijn vermoord. Mijn bijnaam is Felix de Blaffer. Het is voor neef Ferdinand heel makkelijk om met een beschuldigende vinger naar mij te wijzen. En misschien… misschien gelooft u hem zelfs.’
’Wat is uw motief?’
Felix schudde zijn hoofd.
’Ik heb geen motief. Ik ken die twee mannen nauwelijks. De keren dat ik met oom Herbert in contact ben geweest kun je op de vingers van één hand tellen. Petrus Blankenberg kende ik vluchtig. Ik weet dat hij in wijn handelde en dikwijls naar Frankrijk trok.’
De Cock knikte.
’Kent u het testament van oom Herbert?’
’Ik weet dat ik in zijn testament sta vermeld. Dat heeft Petrus Blankenberg mij kort voor zijn dood nog bevestigd. Hij was executeur-testamentair.’
De Cock zuchtte.
’In dat testament staat verder dat oom Herbert van Harrecoven zijn collectie Petrussen aan neef Petrus Blankenberg vermaakt. Toen ik in het huis van oom Herbert aan Petrus Blankenberg een collectie beeldjes van de apostel Petrus liet zien, die daar op de eerste etage stonden, schrok hij zichtbaar. Later zei hij tegen zijn vrouw: ze hebben mijn Petrussen verwisseld.’ De oude rechercheur maakte een hulpeloos gebaar. ’Ik kom daar niet uit. Wat valt er aan die beeldjes van de apostel Petrus te verwisselen?’
Felix fronste zijn wenkbrauwen.
’Zijn die beeldjes waardevol?’
De Cock trok zijn schouders op.
’Wat is de waarde van een gipsen beeldje?’
Felix grijnsde.
’Waren ze oorspronkelijk wel van gips?’ vroeg hij. ’Dat weet ik niet. De mensen die mij iets over die beeldjes hadden kunnen vertellen, zijn beiden dood… vermoord.’ ’Kwam mijn neef Ferdinand veel bij oom Herbert op bezoek?’ De Cock ademde diep.
’Neef Ferdinand vertelde mij dat na zijn eerste veroordeling inzake een vermogensdelict oom Herbert geen contact meer met hem wilde.’
Felix knikte.
’Zo’n mededeling van oom Herbert heb ik na mijn eerste veroordeling ook gekregen.’ Hij lachte. ’Het verwisselen van dure beeldjes voor waardeloze prullen is overigens net iets voor neef Ferdinand. De truc om imitaties… waardeloze nepspullen voor echt en onvervalst te verkopen, pasten hij en Big Pete vaak toe.’
De Cock schoof naar het puntje van zijn fauteuil.
’Big Pete?’
Felix van Harrecoven knikte opnieuw.
’Big Pete en neef Ferdinand werkten vaak samen.’