2

Met de hakken van zijn schoenen steunend op het bureau hing De Cock lui achterover in zijn stoel. Zijn bovenlijf ging schuil achter een grote krant. Alleen zijn warrige haardos stak er grijzend bovenuit. Hij las het bericht dat hij de vorige avond aan de pers had doorgegeven. De journalisten hadden hun best gedaan. Het was een smeuïg verhaal geworden over een grootse speurtocht door volijverige rechercheurs. De Cock las het met genoegen. De prijzende toon van het berichtje deed hem goed. Een beetje reclame mocht er best zijn. Tegen een uur of tien kwam Vledder de kamer binnen. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Goedemorgen, De Cock.’

‘Goedemorgen, m’n jong.’

‘Er… er zit een woedende man op de gang.’

‘Zo…’

Vledder knikte. ‘De echtgenoot van Dikke Sonja.’

‘Woedend, zeg je?’

‘Ja, hij heeft al naar de commissaris gevraagd, maar die is er nog niet.’

De Cock grijnsde. ‘Laat hem maar even afkoelen.’

Hij schonk zich bedaard een kop koffie in en ging weer lui zitten.

‘Wat heeft dr. Rusteloos van de sectie gezegd?’

Vledder haalde zijn schouders op. ‘Niet veel. Enkele kraakbeenringetjes van de luchtpijp waren dichtgeknepen en het tongbeentje was gebroken. Door de afknelling van de halsslagader ontstond een bloedstuwing in de hersenen, met als gevolg een snelle bewusteloosheid. Verder waren er nog vage kneuzingen aan beide zijden van de buik, even boven de heup.’

De Cock knikte begrijpend. ‘De wurggrepen waren dus nogal krachtig. Vermoedelijk heeft de dader tijdens de wurging met zijn beide knieën op het liggende slachtoffer gedrukt, vandaar die kneuzingen aan de buik.’

Vledder keek hem met grote ogen aan. ‘Dat is een trefzekere conclusie,’ zei hij bewonderend. ‘Je bent het echt nog niet verleerd.’

De Cock glimlachte gestreeld. ‘Het is ook niet mijn eerste wurgmoord.’

Hij stond op en keek uit het raam. De ruiten waren wat vettig van de regen van de vorige dag. De daken glansden in een waterig zonnetje. Schuin beneden reed Mosie de haringman zijn kar uit de steeg. De Cock deed het raam een beetje open en snoof. ‘Vandaag vers gebakken schol,’ mompelde hij. ‘Ik dacht eerst dat het panharing was.’ Hij deed het raam weer dicht en draaide zich langzaam om.

‘Laat mijnheer de echtgenoot nu maar binnenkomen.’

‘Zou hij al genoeg afgekoeld zijn?’

De Cock grinnikte. ‘We zullen zien,’ zei hij.

Vledder liep de kamer uit. Even later hield hij uitnodigend de deur open voor een modieus geklede man van om en nabij de veertig jaar. Zijn woede scheen nog niet bekoeld. Met een rood, opgewonden gezicht stapte hij de kamer in. Zijn voetstappen klonken driftig, als van een dragonder met veroveringsdrang. In zijn rechterhand hield hij een opgerolde krant, die hij als een zwaard omklemde.

‘Ik dien een aanklacht in,’ schreeuwde hij. ‘Dit neem ik niet.’ Hij hield het zwaard omhoog. ‘Dit is een belediging, een grove belediging. Ik heb met die slet, met die hoer niets te maken.’ De Cock ging rustig op zijn stoel achter zijn bureau zitten en keek de man geringschattend aan.

‘U… eh, u bedoelt,’ zei hij aarzelend, alsof hij hem niet begreep. ‘U bedoelt Sonja, de moeder van uw kinderen?’

Het gezicht van de man werd zo mogelijk nog roder. Zijn brede neusvleugels trilden boven een ragfijn snorretje. Een paar seconden was hij niet in staat om iets te zeggen, toen hervond hij zijn stem weer.

‘Hier…’ schreeuwde hij woedend, zwaaiend met zijn krant, ‘… hier staat waarachtig dat de recherche mij zoekt voor die moord. Hoe durven die kerels het zo maar te schrijven. Het is… het is een belediging, een pure belediging. Smaad, laster.’

‘Die jongens van de pers toch,’ zei De Cock zwaar hoofdschuddend, ‘je begrijpt eenvoudig niet waar ze soms de nonsens vandaan halen.’ Hij maakte een uitnodigend gebaartje naar de stoel voor zijn bureau. ‘Maar gaat u toch zitten, meneer eh…’

‘Branders.’

De Cock glimlachte. ‘Meneer Branders. Al die opwinding is slecht voor uw hart. Ik heb eens een collega gekend…’

‘Maling aan uw collega,’ onderbrak de man fel.

De Cock keek hem quasi verwonderd aan.

‘Hij was een goede collega,’ zei hij op verontschuldigende toon, ‘en… eh, een goede vader. Echt waar. Ziet u, hij had een vrouw en die liet hem in de steek. Ze liet hem zitten met drie bloedjes van kinderen. We waren er allemaal eigenlijk een beetje kapot van. Hij kon op z’n eentje die kinderen niet…’

‘Dat… dat interesseert mij niet,’ riep de man ongeduldig. ‘Ik kom…’

De Cock zuchtte en streek met zijn hand over zijn gezicht.

‘Ik meen,’ zo ging hij onverstoorbaar verder, ‘dat zijn vrouw er met een jonge vent vandoor was. Ja, een jonge vent. Ik herinner het mij. nog, goed.’ Hij maakte een gebaartje. ‘O, het was een wijf van niks. We zeiden ook altijd onder elkaar: die vrouw van Jansen heeft geen karakter. Ze is een…’

De man toonde duidelijk tekenen van onrust.

‘Schei uit,’ schreeuwde hij onbeheerst, ‘schei uit. Wat heb ik met uw collega te maken? Ik kom hier om een aanklacht in te dienen tegen de man die verantwoordelijk is voor dat krantenbericht. Dat is alles. Ik wens niet te luisteren naar uw gebazel over een vrouw van een van uw collega’s.’

De uitdrukking op het gezicht van De Cock veranderde plotseling. Zijn ogen vernauwden zich en zijn borstelige wenkbrauwen trokken zich samen.

‘U noemt dat gebazel, heer Branders?’ Zijn stem klonk dreigend. ‘Ja… ja,’ zei de man, ietwat geschrokken van de veranderde toon. De Cock hees zijn zware bovenlijf uit zijn stoel en ging rechtop staan. Zijn gezicht leek een overspannen donderwolk, kort voor de ontlading. ‘Ik zal u eens wat zeggen, meneer Branders,’ siste hij verbeten. ‘Ik bazel nooit. Hoort u, ik bazel nooit. Maar als uw botte hersenen mijn woorden niet vatten, dan zal ik duidelijker zijn, dan zal ik u eens onomwonden zeggen wie in feite die arme Sonja heeft vermoord.’ Hij zweeg even en strekte toen zijn arm beschuldigend naar hem uit. ‘U, heer Branders.’

‘Ik?’

De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Ja, mijn waarde, dat bent u. U hebt haar in de steek gelaten op een moment dat ze u het meest nodig had. U hebt haar laten zitten, onverzorgd, met drie jonge kinderen. U hebt nooit meer naar ze omgekeken. U hebt zelfs nooit meer iets van u laten horen. Ze had afgedaan. Ze interesseerde u niet meer, want u had een ander liefje. O, vermoedelijk veel aanlokkelijker dan uw eigen Sonja, die in vier jaar tijds driemaal zwanger was en veel van haar lichamelijke aantrekkelijkheid had verloren.’

Hij zweeg even om op adem te komen.

‘En dan die kinderen, heer Branders… ze waren zo lastig. Ze huilden wel eens als ze buikpijn hadden en u kon dat gejank zo slecht verdragen.’ Zijn stem droop van sarcasme. ‘Is het niet zo, heer Branders?’ De man antwoordde niet.

De Cock zuchtte. ‘Sonja, uw Sonja is in de prostitutie terechtgekomen. En u noemt haar een hoer en een slet. Maar u realiseert zich geen moment dat het een protest was. Een protest tegen hetgeen u haar hebt aangedaan.’

Hij trok de lade van zijn bureau open en pakte de afschuwelijke close-up van het lijk van Sonja. Met een beweging van ingehouden woede schoof hij de foto naar hem toe.

‘Kijk,’ zei hij grimmig, ‘dat… dat hebt u van haar gemaakt. Dat is het gezicht van het meisje, dat ruim twaalf jaar geleden hoopvol aan uw arm naar het stadhuis schreed.’

De man staarde met verschrikte ogen naar de foto.

‘Ze werd gewurgd,’ ging De Cock verder. ‘Gewurgd door een paar slappe, karakterloze handen… uw handen, heer Branders.’ Als verlamd liet de man de foto vallen. Zijn mond viel open en zijn ogen werden groot. Angstig keek hij om zich heen. Zweetdruppeltjes parelden op zijn voorhoofd. Ineens was de kamer geladen met spanning. Vledder stond wat achteraf. Hij zag bleek. Het gezicht van De Cock was een stalen masker.

‘Nee… nee,’ stamelde de man hees. ‘Ik heb haar niet vermoord.’

De Cock keek hem strak aan. ‘Voor het geval,’ zei hij sarcastisch, ‘dat u mij weer niet hebt begrepen; ik bedoel het slechts figuurlijk.’

De man begon zenuwachtig te lachen. Het was een vreemd soort gehinnik. Om zijn lippen lag een idiote grijns. Hij scheen het nog niet te vatten. ‘Ik niet,’ zei hij verward, ‘ik niet.’

De Cock stak zijn handen in zijn zakken. Nog een poosje staarde hij de man aan. Een blik vol verachting. Toen zuchtte hij diep.

‘Vledder, laat meneer uit.’

Zonder iets te zeggen stond de man op en liep met gebogen hoofd achter Vledder aan. Hij hinnikte nog steeds, als een dwaas. Bij de deur riep De Cock hem terug.

‘Als u nog klachten hebt,’ zei hij laconiek, ‘de kamer van de commissaris is op dezelfde gang, twee deuren verder.’


Na een paar minuten was Vledder terug. Hij trof De Cock nog steeds staande achter zijn bureau. De handen in de zakken. Zijn gezicht had een melancholieke, haast sfinxachtige uitdrukking. ‘Meneer de echtgenoot is weg,’ zei Vledder spottend. ‘Hij is als een schim het bureau uitgevlucht. Hij heeft geen enkele maal omgekeken. Het leek alsof de duivel op zijn hielen zat.’

De Cock knikte. ‘Misschien was het wel de duivel,’ zei hij wat raadselachtig.

Vledder keek hem onderzoekend aan. De scherpe ogen namen hem nauwlettend op. De blik gleed langs het grijs aan de slapen, tastte langs iedere plooi van zijn gezicht.

‘Die duivel, De Cock, was jij,’ riep hij beschuldigend. ‘Ik heb nog nooit in mijn leven iemand zo zien afbreken. Hoe kon je het doen? Hoe kon je zo tegen hem tekeer gaan en hoe kon je hem die afschuwelijke foto van Sonja laten zien? Het was onmenselijk.’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Ik ben misschien wat ouderwets,’ zei hij gelaten. ‘Ik weet het niet. Misschien pas ik niet meer in deze tijd. Ik heb nogal orthodoxe opvattingen omtrent het huwelijk. Een man die zijn vrouw met drie jonge kinderen in de steek laat, vindt bij mij geen greintje sympathie, wat zijn motieven ook geweest mogen zijn. Het is een kwestie van verantwoordelijkheid. Branders is volgens mij verantwoordelijk voor de dood van zijn vrouw.’

‘Hij heeft haar toch niet vermoord?’

De Cock zuchtte. ‘Nee, niet in wettelijke zin. Je kunt er geen proces-verbaal van opmaken en geen rechter zal hem veroordelen. Maar als hij niet van haar was weggelopen, was zij niet in de prostitutie terechtgekomen en hadden de kinderen nu nog een moeder gehad.’

‘Ja, maar…’

De Cock stak zijn hand op. ‘Ik weet wat je zeggen wil; Branders kon dat alles niet voorzien. Je hebt gelijk. Dat kon hij niet. Maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid.’ De Cock ging er eens goed voor zitten en stak een sigaret op.

‘Weet je, Vledder,’ zei hij door een wolk van rook heen, ‘ik heb in mijn lange loopbaan honderden, ja misschien wel duizenden misdaden behandeld. Ik weet dat aantal niet precies meer. Ik heb dat nooit zo bijgehouden. Maar welke zaak ik ook behandelde, ik ben nooit tevreden geweest met de daad alleen. Zie je, de daad is niet meer dan het uiteindelijk gevolg. Er gaat altijd een keten van gebeurtenissen aan vooraf. Ergens wordt die keten geopend, ergens wordt de kiem gelegd. En wanneer je naar dat vaak duistere beginpunt zoekt, vind je in de regel een moment, waarop iemand, hetzij uit liefdeloosheid, hetzij uit haat of winstbejag, zich zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn medemens niet bewust is geweest. Daar ontmoet je dan de morele dader. In het drama Sonja was dat heer Branders.’

Vledder staarde peinzend voor zich uit. ‘De morele dader is niet strafbaar,’ zei hij na een poosje, ‘maar wel schuldig. Dat bedoel je?’ De Cock knikte. ‘Om hem te straffen heb je een duivel nodig.’

Vledder glimlachte. ‘Jij?’

‘Nee,’ zei De Cock hoofdschuddend, ‘ik niet, maar zijn geweten. En ik hoop dat die duivel hem nog heel lang zal achtervolgen.’

Vledder bukte zich en raapte de foto op die Branders had laten vallen. Hij legde haar op het bureau. De Cock keek ernaar. Het dode gezicht van Dikke Sonja staarde hem aan. Hij wendde zijn gezicht af. ‘Berg die foto op,’ zei hij wat kriegel, ‘dat gezicht bezorgt me kippenvel.’

Op dat moment kwam de oude commissaris de kamer binnen. Hij liep met uitgestoken hand op De Cock toe. ‘Zo, oude speurder,’ riep hij glimlachend, ‘terug van de Drentse heidevelden, zie ik.’

De Cock grijnsde. ‘U ziet het,’ antwoordde hij laconiek. ‘Ik kan alleen maar zeggen dat het einde van mijn vakantie wel wat onverwachts kwam.’

De commissaris knikte. ‘We hebben je nodig,’ zei hij ernstig. ‘Weet je, De Cock, die moord op Dikke Sonja bevalt me niet. Ik bedoel, de omstandigheden doen mij vrezen dat het wel eens heel lang zou kunnen duren voordat we de moordenaar te pakken hebben. Er is geen enkel leidraadje en zo ogenschijnlijk geen motief. Voor zover we hebben kunnen nagaan had Sonja geen vijanden.’

De Cock wreef langs zijn kin. ‘Roof?’

De commissaris schudde zijn hoofd. ‘Er is niets gestolen. Er is blijkbaar ook niet naar geld gezocht. Naar het dressoirtje waarin Sonja haar ontvangsten bewaarde, heeft de dader niet omgekeken. Het geld dat wij in het kamertje hebben gevonden, klopt wel zo ongeveer met haar verdiensten van die dag. Dit volgens Ouwe Miep.’

De Cock glimlachte. ‘En die kan het weten.’

‘Ja,’ zei de commissaris, ‘Ouwe Miep is een uitgekookte tante. Ik wil mijn jaarsalaris wel met haar inkomen ruilen.’

‘Ik ook wel,’ meesmuilde De Cock. ‘Ik doe het zelfs voor de helft.’

‘Zou ze zoveel verdienen?’ vroeg Vledder.

De Cock stak zijn onderlip vooruit. ‘Reken maar,’ zei hij. ‘Ze heeft vier vrouwtjes in haar pandje. Ik ben beslist aan de lage kant als ik haar inkomsten op duizend gulden per week schat.’

‘Ga weg,’ riep Vledder ongelovig.

‘Beslist, m’n jong. Ga maar na. Reken de verdiensten van elk vrouwtje gemiddeld op honderd gulden per dag. Dat is voor vier vrouwtjes vierhonderd gulden en daarvan krijgt zij de helft, hetgeen dus neerkomt op tweehonderd gulden per dag. De prostitutie kent geen vijfdaagse werkweek. De kamertjes zijn de volle zeven dagen bezet. Je ziet het, duizend gulden per week is een lage schatting.’

‘Alle mensen,’ zei Vledder, ‘je zou zo zelf een bordeeltje beginnen.’ Ze lachten hartelijk.

‘Zijn er nog plannen voor vanmiddag?’ vroeg de commissaris. De Cock knikte heftig. ‘Mijn vrouw koopt een japonnetje.’

De commissaris keek hem verwonderd aan.

‘Ja,’ zei De Cock, ‘en daar moet ik bij zijn. Ziet u, ze stelt mijn oordeel zeer op prijs. Ik ben al meer dan twintig jaar getrouwd en ze heeft nog nooit iets zonder mij gekocht.’

‘O,’ zei de commissaris onthutst.

Zijn gezicht sprak boekdelen. Maar hij zei verder niets. Hij draaide zich wat bruusk om en beende met grote stappen de kamer uit.

De Cock grijnsde hem vriendelijk na.

Vledder onderdrukte met moeite een schaterlach. ‘Moet je echt met je vrouw mee?’ vroeg hij, nadat de commissaris was vertrokken.

De Cock knikte. ‘Maar dat betekent niet,’ zei hij, ‘dat jij een vrije middag hebt. O nee. Ik heb nog een klein verlanglijstje. Je gaat eerst naar Ouwe Miep om te vragen of haar vannacht nog iets te binnen is geschoten. Ik denk niet dat het wat oplevert, maar we mogen het niet verwaarlozen. Dan vraag je om een lijst van alle psychopaten die op het tijdstip van de moord toevallig aan de aandacht van de zorgzame broeders-verpleger waren ontsnapt. Neem ook contact op met de havendienst en vraag welke schepen er in die nacht in Amsterdam lagen gemeerd. Ik neem aan dat je de hotelregisters al hebt nageplozen?’

Vledder knikte. ‘Nog meer?’ vroeg hij laconiek.

‘Nee,’ zei De Cock, ‘meer niet, voorlopig. Als er iets bijzonders is, bel mij op. Vanaf vijf uur ben ik wel thuis.’

Hij glimlachte. ‘Als… als mijn vrouw tenminste kan slagen. Soms…’ Hij maakte een wanhoopsgebaartje. ‘Enfin, anders tot maandag. Ik hoop niet dat je mij nodig hebt. Zie je, ik werk niet graag in het weekend.’ Hij trok zijn jas aan.

‘Ajuus,’ zei Vledder.


De Cock was niet zo gerust naar de afspraak met zijn vrouw gegaan, als hij geweten had wat er op dat moment omging in het hoofd van de man, die niet ver van de ingang van het politiebureau, in de Lange Niezel, voor de etalage van een klein, obscuur boekwinkeltje stond te kijken. Maar dat wist De Cock niet. Hij had er geen flauw vermoeden van.

De man keek naar de kleurrijke magazines met de smalle bandjes van grauw papier. Boven de bandjes uit lachten de gezichten van aantrekkelijke vrouwen hem toe. Beeldschone vrouwen. Jammer dat die gore bandjes hem niet vergunden verder te kijken; langs de blote schouders en boezem naar beneden. Het was jammer. Als gebiologeerd bleef hij staan. Hij kreeg er niet genoeg van. De papieren bandjes intrigeerden hem. Hij wilde weten wat ze verborgen hielden.

Hij tastte met zijn handen in de zakken van zijn ouderwetse kostuum en diepte een paar verkreukelde bankbiljetten op, waarvan hem de waarde vreemd was, omdat hij nooit geld in handen had. Schoorvoetend en met een wat angstig hart stapte hij het winkeltje in.

Загрузка...