8

Met de handen diep in de zakken van zijn regenjas slenterde De Cock voort. Zijn gezicht stond somber. Na een laatste handdruk had hij een paar maal omgekeken naar de eenzame, wat gebogen gestalte op de stoep. Hij had zijn pas wat vertraagd, toen hij vocht tegen een innerlijke impuls om terug te keren; terug naar Vader Mattias om het hem anders te zeggen, om hem andere instructies te geven. Maar hij was doorgelopen, terwijl hij wist dat elke stap die hij deed, hem dichter bracht bij een dramatische ontknoping. En hij wist niet eens of hij die ontknoping nog wel wilde. Hij kon nog teruggaan. Natuurlijk, het kon nog. Hij kon de oude grijsaard zeggen dat hij de stad moest verlaten, nu nog, vandaag, of in ieder geval voor zaterdag. Hij haalde onder het lopen zijn bonkige schouders op: Het had zo weinig zin. Het zou nu dwaas zijn om toe te geven aan een sentimenteel gevoel. Het was zijn plicht ermee door te gaan.

Vledder liep zwijgend naast hem. Hij bepeinsde de achtergronden van De Cocks plotselinge belangstelling voor een eenvoudige diefstal van geld in het huis van een oude, beslist ongevaarlijke grijsaard. Hij kon de samenhang met de wurgmoorden niet vatten, maar hij begreep dat er ergens een samenhang moest zijn. Het was niet De Cocks gewoonte om in zo’n belangrijke zaak zijn tijd aan onbenulligheden te verspillen.

Toen ze het bureau hadden bereikt, liep De Cock direct door naar de kamer van de commissaris. Vledder wilde buiten blijven staan, maar De Cock beduidde hem mee naar binnen te komen.

Commissaris Roosje kwam onmiddellijk van achter zijn bureau vandaan. Zijn gezicht straalde van pure vriendelijkheid. Hij drukte hen overdreven hartelijk de hand en gebaarde breed naar de stalen fauteuils in de hoek van zijn kamer.

‘Ga toch zitten, heren,’ sprak hij uitnodigend, ‘ga toch zitten. En vertel eens: hoe staan de zaken. Zit er al schot in?’

Vledder en De Cock lieten zich ieder in een fauteuil zakken en accepteerden gretig de sigaret die de commissaris hun aanbood. ‘Ik heb de heer officier van justitie over deze kwestie elke dag aan de lijn,’ ging hij verder. ‘Het is verschrikkelijk. Die wurgmoorden bezorgen mij slapeloze nachten.’ Hij zuchtte diep. ‘En dan de pers…’ De zo vriendelijke uitdrukking op zijn gelaat veranderde in pure wanhoop.

De Cock amuseerde zich. Hij kende het spel van zijn commissaris. Vooral op Vledder maakten de gebaren, de mimiek en de wisselende emoties, die de commissaris zonder enige overgang demonstreerde, nog een machtige indruk. Op De Cock niet meer.

‘Ik wilde,’ zei hij zakelijk, ‘aanstaande zaterdag, en wel vanaf ’s avonds tien uur, de beschikking hebben over drie rechercheurs en een vrouwelijke agent.’

De commissaris fronste zijn stoppelige wenkbrauwen. ‘Een vrouwelijke agent?’ vroeg hij hoogst verwonderd. ‘Een vrouwelijke agent? Voor een operatie? Hier, in deze buurt?’

De Cock knikte. ‘Precies.’

De commissaris leek wat van zijn stuk gebracht.

‘M… aar,’ stamelde hij, ‘wat wil je haar in godsnaam laten doen?’

De Cock keek hem strak aan. ‘Laten optreden,’ antwoordde hij, ‘als prostituee.’

De commissaris stond verontwaardigd op. ‘Maar De Cock,’ zei hij met stemverheffing, ‘dat kun je niet menen. Dat kan trouwens ook niet. Collega Van Dijke, die de meisjes onder zijn hoede heeft, zal dat nooit kunnen goedkeuren.’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Dan gaat het feest niet door,’ antwoordde hij gelaten. ‘Ik durf voor die rol geen echte prostituee te nemen. Bovendien, welk vrouwtje uit de buurt zou het risico willen nemen te worden gewurgd?’

De commissaris keek hem met grote ogen aan. ‘En wil je daar wel een vrouwelijke agent aan wagen?’

De Cock knikte ernstig. ‘Ja,’ zei hij, ‘een goed getrainde vrouwelijke agent, die weet wat haar te wachten staat en die voldoende judo kent om zich uit een wurggreep te bevrijden.’

‘Je wilt dus,’ zei de commissaris achterdochtig, ‘een valletje voor de moordenaar zetten?’

‘Min of meer, ja.’

De commissaris ging weer zitten. Hij was blijkbaar over zijn eerste schrik heen en dacht na. ‘Wat voor een val?’ vroeg hij.

De Cock zuchtte. ‘Het is eigenlijk geen val,’ zei hij. ‘De moordenaar komt toch. Alleen vindt hij in plaats van een onschuldig hoertje een volkomen weerbare agente van politie. Dat is alles.’

De commissaris trommelde met zijn vingers op de leuning van zijn fauteuil. ‘En…’ zei hij, ‘hoe weet rechercheur De Cock zo zeker dat de moordenaar komt?’

De Cock grijnsde. ‘Omdat ik geloof te weten hoe hij denkt.’

De commissaris knikte traag. ‘O, zo,’ zei hij met getuite lippen, ‘dat is het dus.’

Hij stond weer op en begon door de kamer te ijsberen. ‘We hebben in onze sectie een paar honderd kamertjes, waar vrouwtjes de prostitutie uitoefenen.’ Hij glimlachte fijntjes. ‘Geloof je ook te weten in welk kamertje onze vrouwelijke agent moet optreden?’

Het voortdurende sarcasme in zijn woorden ontging De Cock niet. ‘Op de Achterburgwal,’ zei hij kalm, ‘in het kamertje van Baps.’

De commissaris kwam vlak voor hem staan. Zijn spottende ogen waren dichtbij. ‘En waarom in het kamertje van Baps? Waarom niet in het kamertje van Marietje, Kitty of van wie dan ook?’

De Cock antwoordde niet direct. Hij nam rustig een trek van zijn sigaret en ging er nog gemakkelijker bij zitten. ‘Omdat…’ zei hij langzaam, ‘omdat de moordenaar naar het kamertje van Baps zal komen.’

De commissaris keek hem verbaasd aan, schudde daarna zijn hoofd en begon zachtjes te grinniken.

‘Het is verbazingwekkend,’ zei hij ironisch, ‘doe je aan telepathie?’

De Cock reageerde niet. Hij rookte zwijgend verder. Zijn gezicht was een stalen masker. De commissaris drentelde om hem heen.

‘Luister eens, De Cock,’ zei hij. ‘Ik heb als speurder altijd een grote bewondering voor je gehad en ik weet van je vele successen uit het verleden.’ Hij zuchtte. ‘Ik ben heus geen man die niet naar redelijke voorstellen wil luisteren en ik zou… nu jij het bent, zelfs de grenzen der redelijkheid willen verschuiven, maar nee… dit is mij toch te bar.’

De Cock gebaarde. ‘De beslissing is aan u,’ zei hij rustig. ‘Ik heb u van mijn plannen verteld. Het is volgens mij de enige manier om de wurger op heterdaad te betrappen. Als u op mijn voorstellen niet ingaat, dan loopt u de kans dat hij aanstaande zondagnacht zijn derde slachtoffer heeft gemaakt. En dat is dan niet mijn verantwoordelijkheid, maar de uwe.’

Hij stond op en liep naar de deur. Vledder bleef aarzelend zitten. De ogen van de commissaris schoten vuur. ‘De Cock,’ riep hij fel, ‘als het nodig is, dan maak ík een einde aan dit onderhoud en niet ú.’

De Cock boog het hoofd. ‘Zoals u wilt,’ zei hij gedwee en ging weer zitten. Hij keek naar het wat angstige gezicht van Vledder. Hij begreep best dat de jongen zich niet prettig voelde. Hij had hem in een onbehaaglijke situatie gebracht. Maar waarom deed de ouwe ook zo sarcastisch? Het had hem geprikkeld. Hij kwam hier toch geen sprookjes vertellen? Hij wilde drie rechercheurs en een vrouwelijke agent. Hij had ze nodig om de wurgmoordenaar te vatten. Hij wist waarachtig wel wat hij deed. Persoonlijk had hij er geen belang bij. De moordenaar was hem zelfs wel sympathiek en de tijd dat succes hem prikkelde, lag al ver achter hem. Maar de moordenaar moest gevat worden. De samenleving eiste dat. Goed, als de commissaris geen medewerking wilde verlenen, dan zou hij zelf de rol van prostituee wel spelen. Hij grijnsde voor zich uit. Hij vroeg zich af hoe hij er met zijn zware bovenlijf uit zou zien in een laag decolleté met opgeprikte buste. Een bespottelijke vertoning zou het zijn. Maar als het moest…

De commissaris was weer tegenover hem gaan zitten. De uitdrukking op zijn gezicht was veranderd. Welwillender. Hij zuchtte voor hij begon: ‘Je hebt dus gegronde redenen om aan te nemen dat de moordenaar opnieuw zal toeslaan?’

‘Ja.’

‘Je meent zelfs het volgende slachtoffer te kennen?’

‘Ja.’

‘Dat zou dan die Baps moeten zijn, die jij, als ik het goed heb begrepen, door een vrouwelijke agent wilt laten vervangen?’

‘Precies.’

‘En wanneer moet dat gebeuren?’

‘Aanstaande zaterdag.’

‘Weet je dan ook hoe laat de moordenaar komt?’

De Cock knikte. ‘Zo ongeveer een half uur na middernacht. Het kan ook iets later zijn.’

De commissaris boog zich iets voorover. ‘We moeten in ieder geval voldoende waarborgen hebben voor de veiligheid van de vrouwelijke agent. Heb je dat overwogen?’

‘Ja,’ antwoordde De Cock, ‘dat heb ik overwogen. Ik ken het kamertje waar Baps de prostitutie uitoefent. Ik ben daar dikwijls geweest. Achter in het kamertje is een deur die naar een ongebruikte kelderruimte voert. Mijn plan was om daar twee rechercheurs te plaatsen. In de deur maken we een paar kijkgaatjes, zodat ze precies kunnen zien wat er in het kamertje gebeurt.’

De commissaris knikte. ‘Is het de bedoeling,’ zei hij, ‘dat de vrouwelijke agent als prostituee voor de ramen gaat zitten?’

‘Inderdaad.’

De commissaris peinsde. ‘Maar,’ zei hij, ‘als er dan klanten komen… Je kunt van onze vrouwelijke collega toch niet verlangen, dat ze… eh, haar rol zó ver doorvoert?’

De Cock grijnsde. ‘Nee,’ zei hij, ‘ik zal haar goed instrueren.’

De commissaris zweeg.

‘Goed,’ zei hij na een poosje, ‘je krijgt je zin. Ik zal collega Van Dijke om een vrouwelijke agent vragen. Heb je nog bijzondere wensen? Ik bedoel, ten aanzien van het type, kleur van het haar?’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Het kan mij eigenlijk niet zoveel schelen. Vraagt u maar naar een blonde en… eh, een knappe.’

‘Ze zijn allemaal knap,’ antwoordde de commissaris wat verbolgen. ‘Ik heb zelf in de selectiecommissie gezeten.’ Hij keek De Cock doordringend aan. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Het is,’ zei hij met nadruk, ‘dat jij het bent, De Cock, anders… anders had ik aan het plan nooit mijn toestemming gegeven.’

Vledder en De Cock stonden op.

‘En dan nog iets.’ Hij stak dreigend een vinger op. ‘Als… als er onverhoopt iets misgaat, De Cock, dan stel ik jou verantwoordelijk.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Er gaat niets mis.’

De commissaris wuifde. ‘Morgen,’ zei hij plechtig, ‘morgen, zaterdag, vanaf ’s avonds tien uur, heb jij de beschikking over drie rechercheurs en een vrouwelijke agent, een…’ Er verscheen een glimlach om zijn lippen, ‘… een knappe blonde.’

‘Dank u,’ zei De Cock, ‘dank u voor het vertrouwen.’

De commissaris ging weer achter zijn bureau zitten. ‘Waarschuw me,’ zei hij, ‘als het zo ver is. Ik wil er zelf bij zijn.’

De Cock knikte, een lichte grijns op zijn gezicht.

‘Ik had,’ zei hij gelaten, ‘ook niet anders van u verwacht.’


De Cock stond wijdbeens voor het raam van de recherchekamer en staarde naar buiten. Uiterlijk leek hij onbewogen, maar inwendig trilde hij van ingehouden spanning. Hij had zijn kaarten op tafel gegooid. Er was geen weg terug. Morgen moest het gebeuren.

‘Je bent wel verdraaid zeker van je zaak,’ zei Vledder. De Cock draaide zich om, maar antwoordde niet.

Vledder keek hem onderzoekend aan. ‘Ben je wel zo zeker?’ vroeg hij weifelend.

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nee, m’n jong,’ zuchtte hij, ‘zó zeker ben ik niet. Maar als ik de commissaris iets van mijn onzekerheid had laten blijken, dan had hij nooit zijn toestemming gegeven.’

Vledder knikte. ‘Ik begrijp het,’ zei hij ernstig. ‘Maar je zet die hele vertoning toch niet op touw zonder enige grond?’

‘Nee, Vledder, niet zonder enige grond. Dat zou ook te dwaas zijn. Ik weet wel wat ik doe. Maar zie je, ik heb niet alles in de hand. Er zijn onzekere factoren.’ Hij keek Vledder wat dromerig aan. ‘Heb je kinderen?’

Vledder grinnikte. ‘Ik ben nog niet eens getrouwd.’

De Cock wreef met een vermoeid gebaar langs zijn gezicht. ‘Sorry,’ zei hij wat afwezig. ‘Dat was ik vergeten.’

Vledder keek hem verwonderd aan. Zijn blik gleed langs het gezicht, dat hem zo langzamerhand vertrouwd en dierbaar was geworden. Hij zag de scherpe trekken bij de mond en de diepe schaduwen onder de ogen. ‘Je bent moe,’ zei hij.

De Cock knikte traag. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik ben moe. Laten we naar huis gaan.’

Hij pakte zijn jas van de kapstok. ‘Morgenavond om tien uur, hier in deze kamer.’ Met zijn jas onder zijn arm en zijn hoed achter op zijn hoofd sjokte hij weg. ‘Tot morgen.’

Vledder keek hem na. ‘Tot morgen, De Cock.’


‘Zo, jij bent dus het meisje dat vanavond haar leven gaat wagen?’ De Cock monsterde de gestalte van de jonge vrouw die voor zijn bureau stond. Ze was stevig gebouwd, atletisch. Toch niet het type van een kenau, integendeel, ze was zelfs bijzonder aantrekkelijk. Ze had een leuk rond toetje en kittig kortgeknipt blond haar. In haar eenvoudige japonnetje zag ze er lief uit. Vledder bekeek haar met welgevallen. Het was aan zijn gezicht te zien dat hij niet ongevoelig was voor de charme die ze ongetwijfeld had.

‘Weet je wat je te wachten staat?’

‘Zo ongeveer, meneer.’

De Cock gebaarde. ‘Ik ben geen meneer,’ zei hij. ‘Ik ben De Cock. De Cock met…’

‘Ceeooceekaa,’ vulde Vledder gnuivend aan.

‘Zo is het,’ zei De Cock niet in het minst van zijn stuk gebracht, ‘met ceeooceekaa. En als de zo behulpzame heer Vledder nu even van de kamer wil verdwijnen, dan zal ik je je instructies geven.’

Vledder verdween met een spijtig gezicht. ‘Luister eens, juffrouw… eh…’

‘Ans.’

‘Ans. Ik kan je niet genoeg op het hart drukken vooral voorzichtig te zijn.’ Hij frommelde in zijn binnenzak en pakte een enveloppe. ‘Hier,’ ging hij vriendelijk verder, ‘in deze enveloppe zitten je instructies. Volg ze nauwgezet op. Wees niet bang, raak niet in paniek. Er kan niets gebeuren.’ Hij stond op. ‘Neem je enveloppe mee. In het kamertje hiernaast vind je andere kleren. Het zijn de kleren van Baps, het meisje dat je moet vervangen. Baps is er zelf ook. Ze zal je uitleggen hoe je je als prostituee moet gedragen.’ Hij glimlachte. ‘Een enkele les zal wel niet voldoende zijn, maar je hoeft ook niet alle bijzonderheden te weten. Lees je instructies goed door. Als je daarna nog iets te vragen hebt, dan hoor ik het wel.’

Ze schonk hem een lief lachje. ‘Goed… eh… De Cock.’

De Cock grijnsde. ‘Mooi,’ zei hij. ‘Vledder zal je straks, wanneer het zover is, naar je werkkamertje brengen.’

Hij keek haar na hoe ze met pittige pasjes verdween. Daarna riep hij de anderen binnen: Bierens en De Graaf. Hij keek Bierens aan. ‘Sorry,’ zei hij, ‘voor dat intermezzo gisteren met die oude man. Ik hoop niet dat je het mij erg kwalijk hebt genomen.’

Bierens glimlachte. ‘Het is alweer over,’ zei hij.

‘Mooi,’ zei De Cock tevreden, ‘dan zijn hier jullie instructies. Om half twaalf beginnen we.’ Hij gaf hun ieder een dicht betypt vel. ‘Als er eventueel iets nog niet duidelijk is, dan hoor ik dat wel. O ja, nog één ding: er wordt niet geschoten.’

Bierens en De Graaf trokken zich terug.

‘En wat doe ik?’ vroeg Vledder.

‘Jij blijft bij mij en de commissaris. Ik heb een auto op de gracht staan. Vanuit die auto kunnen we het raam en de deur van het kamertje zien. Als de dader binnen is, komen we eruit en blokkeren zijn vluchtweg.’

Vledder keek hem verwonderd aan. ‘Ken je de dader dan?’ De Cock knikte.

‘Maar…’ stamelde Vledder, ‘Ans, dat kind. Ik bedoel, onze vrouwelijke collega, kent die hem ook?’

De Cock schudde zwijgend het hoofd.

Vledder greep hem verbouwereerd bij zijn jasje. ‘Maar hoe weet ze dan…? Ze moet toch voorbereid zijn? Ze moet toch weten…’ De Cock legde glimlachend een hand op zijn schouder. ‘Trouwe ridder,’ zei hij spottend. ‘Ans zal niets gebeuren. Ze weet precies wanneer ze met de moordenaar te doen heeft. Maak je maar geen zorgen.’

Vledder keek hem een ogenblik wantrouwend aan.

‘Als er wat met haar gebeurt,’ zei hij dreigend, ‘dan… dan…’

‘Nou…’ zei De Cock uitdagend.

‘Dan werk ik nooit meer met je samen.’


Om half twaalf namen ze hun posten in. Bierens en De Graaf in de kelder achter de deur. Ans, wat vreemd uitgedost, haast onherkenbaar door een lading schmink, onwennig en met een angstig gezicht, bij het raam onder het licht van een roze schemerlamp. Vledder en De Cock met de wat zwijgzame commissaris in de wagen op de gracht. Vanuit hun uitkijkpost zagen ze mannen langs de geveltjes schuifelen. Sommigen bleven staan en keken naar het nieuwe gezicht op de Walletjes.

Vledder was uiterst nerveus. Hij likte voortdurend met zijn tong langs zijn droge lippen. De commissaris slaakte zo nu en dan een diepe zucht. Het gezicht van De Cock was een stalen masker. Plotseling bleef een man voor het deurtje staan. Hij keek even om zich heen en glipte toen naar binnen.

Vledder wilde al uit de wagen stappen, maar De Cock hield hem tegen. ‘Pas als de gordijntjes dicht zijn,’ siste hij.

Vledder liet zich weer terugvallen. Met spiedende ogen keken ze toe hoe Ans uit haar stoel overeind kwam en de man te woord stond. Ze zagen haar lippen bewegen. De man gaf haar iets. Ans hield het even vast, gaf het terug en schudde haar hoofd. De man gebaarde. Ans bleef hardnekkig nee schudden. Even later zagen ze de man weer naar buiten komen. Ans liep terug naar haar stoel.

Vledder zuchtte hoorbaar; een zucht van verlichting. De minuten vergleden traag.

Hetzelfde spelletje herhaalde zich diverse malen. Steeds zagen ze een nee schuddende Ans en een mokkend vertrekkende man. De Cock keek op zijn horloge. Het was half één. Hij begon langzamerhand wat onrustig te worden. De scherpe ogen van de commissaris ontging dit niet. ‘Wat is er, De Cock,’ vroeg hij zacht. ‘Hij komt toch wel?’

De Cock knikte traag. ‘Het moet,’ zei hij. ‘Ik heb vanavond het telefoontje gehad. Het moet nu gauw gebeuren. Laten we nog maar even wachten.’

Er verscheen een man aan het deurtje. De Cock veerde op. Het was een grote, zwaargebouwde man. De afstand was te groot. Hij kon de gestalte niet precies onderscheiden. Het kon hem zijn. Maar Ans schudde weer haar hoofd en de gordijntjes bleven open.

De spanning werd groter en de lucht in de gesloten wagen wat benauwend. De raampjes sloegen aan. Ze veegden kleine stukjes schoon om het uitzicht te bewaren.

De Cock keek weer op zijn horloge. Het was bijna één uur. Een plotselinge, onberedeneerde angst maakte zich van hem meester. Hij begreep het niet. De moordenaar had er al moeten zijn. Er was iets verkeerd gegaan. Er moest iets zijn gebeurd, iets waarmee hij geen rekening had gehouden. Maar wat? In wanhoop pijnigde hij zijn hersenen af. Had hij verkeerd gedacht? Waren zijn conclusies niet juist? Waar had hij niet aan gedacht? Waar had hij een fout gemaakt?

In een plotselinge gedachteflits had hij de oplossing. Barbara. De adem stokte in zijn keel. Hij smeet het portier van de wagen open en rende de gracht af. Vledder stormde achter hem aan. ‘Wat bezielt je?’ schreeuwde hij. ‘Waar ga je heen?’

De Cock antwoordde niet. Hij kon niet. De angst had zijn keel dichtgesnoerd.

Hij liep de honderd meter van de auto naar het huis van Barbara zo snel als zijn hart en longen het maar verdragen konden. Met twee, drie treden tegelijk stormde hij het trappetje op.

Vledder volgde hem, nog steeds niet begrijpend wat er aan de hand was. Hij rende achter hem aan het woninkje binnen. Ineens bleef hij staan. Het bloed leek in zijn aderen te stollen. Verstijfd van schrik keek hij toe.

In het achterkamertje, op een bed, bijna geheel weggedrukt in het matras, lag een geheel naakte vrouw.

Boven op haar, met zijn knieën op haar buik, zat in gebukte houding een zwaargebouwde jongeman. De armen voor zich uitgestrekt. Het gezicht verwrongen in een vreemde grijns. Zijn sterke handen hielden de tengere hals van het vrouwtje omklemd. Haar lichaam kronkelde in zijn wurggreep en haar ogen puilden uit de kassen. Vledder leek nog verlamd. In een flits zag hij De Cock een zwaaiende beweging maken en hij hoorde een doffe klap, toen de vuist van De Cock de jongeman met volle kracht trof. Pas toen gehoorzaamden zijn spieren weer. Hij stoof toe en samen met De Cock sleurde hij de jongeman van het bed. De klap van De Cock had hem even versuft. Maar de verdoving duurde maar kort. Hij krabbelde overeind en trachtte te vluchten. Vledder sprong boven op hem.

Het gevecht dat volgde, vergde alles van zijn kracht en behendigheid. De jongeman vocht als een bezetene en stootte vreemde, rauwe klanken uit. Het was een angstaanjagend gehoor. Met de grootste moeite hield Vledder hem in bedwang en hij was oprecht dankbaar toen hij de commissaris in gezelschap van Bierens en De Graaf het kamertje zag binnenstormen. Ze deden Tobias in de boeien en leidden hem weg. Hij brulde als een gewond dier.

Nog hijgend van de geleverde inspanning keek Vledder naar De Cock. Hij zag hem zitten aan het bed van Barbara. Een treurige uitdrukking op zijn gezicht. Vledder liep nog wat waggelend naar hem toe. ‘Ik zal een dokter voor haar waarschuwen,’ zei hij.

De Cock knikte.

‘Goed, m’n jong.’

Vledder draaide zich om en verliet het woninkje. Buiten had de commissaris al een wagen gecharterd. Met de geboeide Tobias tussen hen in reden ze terug naar het bureau. Onderweg pikten ze Ans op.


De Cock had Barbara met een plaid toegedekt en streelde zachtjes over haar blonde haren. ‘Waarom,’ zei hij met een wat verstikte stem, ‘waarom ben je nou teruggekomen? Ik had je toch zo veilig achtergelaten bij je ouders.’

Hij keek naar het bleke gezichtje met de gesloten ogen en schudde het hoofd. Het deed hem pijn haar zo te zien liggen. Hij bukte zich en dekte haar nog wat beter toe. ‘Dom kind,’ fluisterde hij zachtjes in haar oor, ‘dom kind. Ik was bijna te laat gekomen.’

Langzaam deed ze haar ogen open en keek hem aan. De vertederde blik in haar ogen ontroerde hem.

Ze streek met haar hand langs zijn ruwe kop. ‘Het spijt me,’ fluisterde ze nauwelijks hoorbaar, ‘echt, De Cock, het spijt me.’ ‘Goed kind,’ zei hij zacht. ‘Als de dokter het goedvindt, zal ik ervoor zorgen dat je vannacht nog naar huis wordt gebracht. Ik hoop dat je nu voorgoed bent genezen.’

Ze knikte met gesloten ogen.

De Cock wreef nog eens met de rug van zijn hand langs haar bleke wangen. Toen liep hij langzaam weg en liet haar alleen.

Загрузка...