De Cock had moeie voeten.
Hij lag lui, wat onderuit gezakt, in zijn brede armstoel en liet zijn tenen wiebelen. Hij had de hele middag door de stad gedrenteld, zaak in, zaak uit. Zijn vrouw beschikte over een onblusbare energie, vooral als ze op jacht was naar een japonnetje.
Voor haar leeftijd had ze een goed figuur. De Cock was er wel tevreden mee. Het was alleen vervelend dat zijn vrouw tijdens haar jacht naar een nieuw japonnetje meestal haar leeftijd vergat. Ze keek altijd eerst naar modelletjes, ontworpen voor piepjonge vrouwen. En die vielen achteraf nooit mee.
Waarom hij die lijdensweg langs de modehuizen steeds weer moest volgen, was hem na twintig jaar huwelijk nog niet duidelijk. Maar hij had dat geaccepteerd als een van de vele vrouwelijke raadselen die hij toch niet vermocht te ontsluieren. Ze zei dat ze zijn oordeel zo op prijs stelde. Maar dat was slechts een voorwendsel om hem mee te tronen. Ze luisterde toch nooit naar zijn adviezen. Pas als ze haar keuze eenmaal had gemaakt, vroeg ze of hij het mooi vond. Dan zei hij ‘ja’, altijd, omdat hij naar het einde van zijn lijdensweg verlangde. Hij strekte zijn benen behaaglijk naar de haard, die zachtjes brandde, want de avond was kil.
Zijn vrouw zette een kop koffie voor hem neer. ‘Je moet zo nog met Flip naar buiten,’ zei ze.
De Cock knikte en dacht aan zijn moeie voeten. Flip, zijn trouwe boxer, scharrelde al rond zijn stoel. Hij bezat een soort ingebouwd uurwerk, dat hem precies vertelde wanneer de baas met hem naar buiten moest. Hij legde zijn rimpelige kop op de stoelleuning en keek zijn baas verlangend aan.
De Cock aaide hem over zijn kop. ‘Nog even geduld,’ zei hij. ‘Eerst mijn koffie.’
Er waren mensen die beweerden dat De Cock op zijn hond leek, en andersom. Maar dat was slechts een grapje. Toch hadden de grappenmakers niet helemaal ongelijk. Er waren punten van overeenkomst.
‘Gaan we van het jaar nog terug naar Drente?’
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet hoe lang dit onderzoek duurt,’ zei hij.
‘Zie je er wat in?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet veel. Die moorden op prostituees zijn bijzonder lastig. Door de aard van hun beroep zijn er nooit getuigen.’ Hij maakte een loom gebaartje. ‘Wat doet zo’n hoertje? Ze zit bij het schemerige licht van een roze lampje verleidelijk uitgestald voor het raam van haar werkkamertje met de gordijntjes open. Ze is te koop en wacht op klanten.
Langs de geveltjes van de slecht verlichte gracht schuifelt een schimmig mannetje en glipt haastig naar binnen. Het hoertje doet haar gordijntjes dicht. Wat er verder in het kamertje gebeurt weet niemand, ziet niemand. Iedereen weet: zolang de gordijntjes gesloten blijven, heeft het hoertje een klant. Er is ook geen tijdslimiet. Sommige klanten staan na vijf minuten al weer buiten, andere blijven een uur en soms wel langer. Dat is afhankelijk van de prijs. Alleen als de gordijntjes wat erg lang gesloten blijven, valt het de buurtgenoten op. En dan nog durft men niet direct te gaan kijken wat er aan de hand is, want men wil de business niet bederven. Als de moord dan uiteindelijk toch ontdekt wordt, heeft de dader een enorme voorsprong. Hij is opgelost in het grote leger der naamlozen, dat regelmatig een tocht langs de Walletjes maakt.
Het is theoretisch en ook praktisch heel goed mogelijk dat één man, op telkens weer andere adressen, in één avond vier à vijf prostituees van kant maakt en al weer hoog en breed in zijn woning in — laat maar zeggen — Alkmaar is teruggekeerd, voordat er ook maar één moord is ontdekt. Wanneer men de drukte op de Walletjes zo oppervlakkig bekijkt, lijkt dat haast onvoorstelbaar, maar toch is dat waar.’
De Cock zuchtte diep. ‘Wanneer zo’n werkkamertje van een prostituee in drie of vier dagen niet is schoongemaakt — en dat is heus geen zeldzaamheid — dan vindt men daar vingerafdrukken van misschien wel vijftig tot zestig verschillende mensen en als men bedenkt dat ieder mens tien vingers heeft, dan kun je begrijpen dat er ook voor de dactyloscopie weinig eer valt te behalen.’ Hij zuchtte opnieuw. ‘Een moord op een prostituee is het ellendigste dat een rechercheur kan overkomen.’
Zijn vrouw glimlachte. ‘Hebben ze je daarom van vakantie teruggeroepen?’
De Cock nam een slok van zijn koffie. ‘Och,’ zei hij berustend, ‘de commissaris heeft het misschien wel goed gezien. De jonge rechercheurs maken weinig kans. Ze zijn wel kundig, maar ze kennen het wereldje van de Wallen niet zo goed. Ze staan er wat vreemd tegenover. Misschien dat ik met mijn wat grotere ervaring iets verder kom.’ Hij dronk zijn kopje leeg en stond op.
‘Kom ouwe jongen,’ zei hij tegen Flip. ‘Laten we eens kijken of er voor jou nog een paar aantrekkelijke bomen langs de weg staan.’
‘Ik ga naar bed,’ zei zijn vrouw. ‘Het is al weer over twaalven.’ De Cock knikte. ‘Maak mijn plekje maar vast warm.’
Hij liep naar de gang en pakte de hondenriem.
Flip hield zijn kop gewillig bij.
Hij was net terug van zijn ommetje met de hond, toen de telefoon in de huiskamer rinkelde. Hij keek op de ouderwetse stoeltjesklok. Het was bijna één uur. Met een loom gebaar pakte hij de hoorn.
‘Ben jij het, De Cock?’
Hij herkende de stem van de jonge Vledder. Ze klonk nerveus, gehaast.
‘Ja.’
‘Kom direct naar het bureau.’
‘Waarom?’
‘Er is weer een hoer vermoord.’
De Cock vloekte hartgrondig. ‘Doe niks,’ zei hij.
‘Ik kom zo.’ Woedend smeet hij de hoorn op het toestel.
Zijn vrouw riep vanuit de slaapkamer: ‘Is er wat?’
Hij liep naar haar toe. ‘Laat mijn plekje in bed maar weer afkoelen,’ zei hij grimmig. ‘Ik moet weg.’
Ze vroeg nog wat, maar dat hoorde hij al niet meer. Hij griste zijn regenjas en oude hoed van de kapstok en verliet het huis. Uit hulpvaardigheid startte zijn wagentje direct. Met een verbeten trek om zijn mond schakelde hij en raasde door de bijna verlaten straten naar de oude binnenstad.
Het aloude, roemruchte politiebureau aan de Warmoesstraat was in rep en roer. Er heerste een zenuwachtige bedrijvigheid. De ruimte achter de balie leek te klein. In de hoek, bij het telexapparaat, stond een plukje hoge politie-autoriteiten elkaar te verdringen. Ome Jaap, de vergrijsde wachtcommandant, werd er nerveus van. Zijn stem trilde een beetje toen hij zijn opdrachten gaf aan de geüniformeerde agenten, die vanwege het hoge bezoek wat stijfjes voor de balie stonden.
De Cock trachtte achter de brede ruggen van de agenten om ongezien naar de recherchekamer te glippen, waar hij wist dat Vledder op hem wachtte. Als hij maar even kon, ontweek hij de autoriteiten, die altijd op een moord kwamen aanvliegen als een zwerm bijen op de honing. Je had niets aan die lui. Ze liepen maar in de weg.
Het lukte niet. Nog voor hij de haag van agenten voorbij was, had zijn oude commissaris hem al opgemerkt. ‘De Cock.’
De agenten keken om en weken iets uiteen. Als een betrapte schooljongen bleef hij staan en grijnsde breed. ‘Ja, commissaris.’ Hij schuifelde wat dichter naar de balie. Hij wist aller ogen op zich gericht en slechts met moeite onderdrukte hij de opwelling om een of andere spottende opmerking te maken.
‘We hebben zo lang op je gewacht,’ zei de commissaris. ‘De heren vonden het raadzaam de plaats van het misdrijf niet te betreden voordat jij er was geweest. Ze wilden geen eventuele sporen bederven.’
‘Dat is heel vriendelijk,’ zei De Cock laconiek.
‘De omgeving is afgezet,’ ging de commissaris verder, ‘en aan de situatie in het kamertje is niets veranderd. De jongeman die de moord heeft ontdekt, zit in de wachtkamer. Hij moet nog nader verhoord worden. Als jij nu ter plaatse je gaat oriënteren, komen wij over een halfuurtje. We wachten nog even op de komst van de officier van justitie.’
De Cock knikte ernstig. Inwendig genoot hij van de situatie. De commissaris zat in een lastig parket met al die pottenkijkers om zich heen. De formele toon, die de ouwe bij dergelijke gelegenheden altijd aansloeg, amuseerde De Cock in hoge mate. Daarom speelde hij het spelletje mee. ‘Verder nog iets van uw orders?’ Uit de mond van De Cock klonk het spottend.
‘Nee, ga je gang.’
Ome Jaap, de oude Zeeuw, grijnsde.
De Cock haastte zich naar de recherchekamer. Vledder stapte handenwringend langs de bureaus.
‘O,’ zei hij opgelucht, ‘ben je daar eindelijk?’
De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Wat is er, m’n jong? Voel je je niet goed? Je ziet zo witjes.’
‘Verdomme,’ zei Vledder, ‘alweer een moord. En met de vorige zijn we nauwelijks een stap verder.’
De Cock legde vaderlijk een hand op zijn schouder.
‘Kop op, m’n jong. Je moet nooit laten zien hoe onzeker je bent. Een wanhopige rechercheur maakt geen indruk. Zet een gezicht of je het allemaal allang weet, of je de moordenaar alleen nog maar op zijn schouders behoeft te tikken. Geloof me, zeker tachtig procent van ons werk is show.’
Er brak iets van een glimlach bij hem door.
De Cock pakte hem bij de arm. ‘Kom,’ zei hij, ‘laten we opschieten. Binnen een halfuur hebben we de hele meute op ons dak.’
Ze gingen te voet, via de Lange Niezel, naar de Achterburgwal. Onderweg werden ze opgewacht door een groepje ijverige journalisten.
‘Hebt u al een spoor?’ vroeg er een.
De Cock hield even zijn pas in. ‘U kunt de arrestatie van de moordenaar binnen een week verwachten,’ zei hij ernstig.
De man keek hem verwonderd aan. ‘Binnen een week?’
De Cock knikte. ‘Voor verdere inlichtingen moet ik u toch naar mijn commissaris verwijzen. U begrijpt, in dit stadium…’
Hij wuifde afwerend en liep door. Vledder keek hem aan. Om zijn lippen speelde een glimlach.
Voor het bordeeltje van Tante Dien stonden enige agenten die de nieuwsgierigen op een afstand hielden. Er was nog vrij veel volk op de been.
‘Beneden. Het is Bleke Gonny, gewurgd, net als de vorige. Hoe heette ze ook weer? Dikke…’
‘Dikke Sonja,’ vulde De Cock aan.
‘Ja, Dikke Sonja. Nou, dit is precies zo. Alleen die Dikke Sonja had nog een korset aan. Deze niets.’
‘Heb je de dokter al gewaarschuwd?’
‘Ja, direct. Hij zal zo wel komen.’
Voorzichtig stapten Vledder en De Cock het aangewezen kamertje binnen.
Het was maar een klein kamertje. Ongeveer drie bij vier. Er stonden twee lage stoeltjes met daartussen een rond tafeltje. Links aan de wand, bijna in de hoek, was een peuterig fonteintje, waaronder een witte pedaalemmer voor de gebruikte condooms. Aan de muren hing een uitgebreide serie vergeelde foto’s van schaars geklede vrouwen. Sommige afbeeldingen waren bepaald schunnig. Rechts tegen de wand stond een groot divanbed. En op dat bed lag Gonny, naakt en roerloos. Het piekerige, blonde haar lag verward rond het hoofd. Het bleke gezicht, waaraan ze haar bijnaam had te danken, zag grauw.
De Cock, die in zijn lange loopbaan honderden lijken had gezien, twijfelde niet. Bleke Gonny was dood. Naar de oorzaak van de dood behoefde hij niet lang te zoeken. De wurggrepen aan de lange, magere hals spraken een duidelijke taal.
Hij liep naar het bed en legde de rug van zijn hand tegen de wang van de dode. Het lichaam voelde nog warm aan. Zijn scherpe blik gleed over de naakte huid. Maar buiten de wurgplekken aan de hals kon hij geen bijzonderheden meer aan het lichaam ontdekken. Vlak onder de rechterknie was een klein wondje, maar dat was van vroeger datum. Er was al een korstje over gegroeid.
Hij keek nog eens het kamertje rond. Het was alles heel normaal. Zijn voor het detail geoefend oog zag niets dat een bijzondere beschouwing waard leek. Er waren geen buitenissigheden; geen sporen, die een aanknopingspunt konden vormen; geen aanwijzingen naar de dader. De Cock zag slechts het gebruikelijke interieur van een werkkamertje van een prostituee, zoals hij er zovele kende.
Hij bepaalde zijn aandacht bij de kleren van Gonny. Ze lagen keurig gevouwen over de leuning van een van de lage stoeltjes. Vooral de ragfijne nylonkousen hadden zijn interesse. Voorzichtig stak hij zijn hand in de kousen en spreidde zijn vingers uit. Het fijne weefsel vertoonde geen gebreken. Hij kon geen gaatje of laddertje ontdekken. Daarna bekeek hij de bustehouder. Het was een frivool gevalletje, waaraan echter geen spoortje van geweld viel op te merken. De bandjes waren gaaf en het elastische tussenstuk was niet noemenswaardig uitgerekt.
Vledder was bezig met een schetsje van de kamer. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Zie je nog verschillen met de moord op Dikke Sonja?’
Vledder schudde langzaam zijn hoofd. ‘Alleen het korset,’ zei hij.
De Cock knikte. ‘Verder nog wat?’
‘Nee, verder zijn er geen verschillen. Ook hier geen worsteling, geen ravage. Als die naakte juffrouw op het bed niet zo akelig dood was, zou je zeggen dat er niets was gebeurd.’
De Cock zuchtte. ‘Ze heeft zelfs geen kans gezien zich tegen haar aanvaller te verweren. Ik heb de nagels aan haar vingers bekeken. Ze zijn pijnlijk schoon. Ik heb ook nergens een spoortje bloed kunnen vinden, hetgeen betekent dat de dader ongeschonden is gebleven en vermoedelijk geen krabben aan zijn gezicht heeft opgelopen.’
Vledder schudde mistroostig het hoofd. ‘Dus geen aantrekkelijk signalementje,’ zuchtte hij. ‘Het zit ons ook niet mee.’
‘Nee,’ zei de Cock. ‘Vrouwe Fortuna is een grillig mens. Maar daar is ze dan ook een vrouw voor.’
De dokter voor de lijkschouw kwam binnen, gevolgd door de fotograaf en luitjes van de Dactyloscopische Dienst. Het werd al aardig druk in het kamertje.
‘Straks de meute nog,’ zuchtte De Cock, ‘en je kunt hier geen voet meer verzetten.’
‘Wat zegt u?’ vroeg de dokter.
‘We vroegen ons af of ze dood was,’ loog De Cock. De dokter keek hem een beetje verstoord aan.
‘O,’ zei hij, ‘ja, ik zal eens kijken.’
Hij pakte zijn stethoscoop en liep naar het lijk. Zijn onderzoek duurde kort.
‘Ze is dood,’ zei hij. Het klonk bijzonder laconiek. De Cock en Vledder knikten met ernstig gezicht.
Toen de dokter weg was, begon Bram, de fotograaf, plaatjes te schieten. Het licht van zijn blitzlamp flitste fel op. Kreuger van de Dactyloscopische Dienst had zijn spulletjes al te voorschijn gehaald.
‘Kan ik al aan de gang?’
De Cock knikte. ‘Doe je best,’ zei hij. ‘Als we ook deze tweede moord niet oplossen, gaat het stormen. Maak dan je borst maar nat.’
‘Als er niets is, kan ik niets vinden,’ antwoordde Kreuger verongelijkt. ‘Als je met alle geweld vingertjes wilt hebben, kun je er wel een paar van mij krijgen.’
De Cock grijnsde. ‘Jij bent als moordenaar niet geschikt,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Je vrouw heeft mij verteld dat de kalkoen die je voor verleden jaar kerst kocht, nog steeds door je tuin tippelt.’ Vledder lachte en Kreuger ging mokkend op zoek naar vingerafdrukken die niet te vinden waren.
De rechercheurs trokken hun gezicht weer in een ernstige plooi toen de meute aan de deur verscheen. Ze kwamen schoorvoetend binnen en staarden naar het lijk op de divan. Het werd benauwd in het kamertje.
‘Het onderzoek is in goede handen,’ doceerde de commissaris. ‘Rechercheur De Cock heeft veel ervaring in dit soort zaken.’
Hij kletst maar wat, dacht De Cock. Hij weet net zo goed als ik dat er een wonder moet gebeuren, wil ik deze moorden ooit tot een oplossing brengen.
Gelukkig bleven de heren niet lang. Na een halfuurtje waren ze al weer vertrokken.
De commissaris slaakte een diepe zucht. ‘Ik ben blij dat ze weg zijn.’
‘Ik leef met u mee,’ zei De Cock met een grijns.
De commissaris glimlachte, maar liet het onderwerp verder rusten. Zijn blik gleed door het kamertje. ‘Zit er nog muziek in?’ De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet wat ik ervan denken moet,’ zei hij. ‘Het mist elke logica. Ik bedoel: hoe moet je deze moord bezien? Het lijkt zo zinloos.’
‘Het zou een lustmoord kunnen zijn,’ opperde de commissaris. De Cock tuitte zijn lippen. ‘Het zou kunnen,’ zei hij. ‘Maar naar mijn smaak ontbreken er dan toch een paar ingrediënten. Het is te rustig.’
‘Te rustig?’ vroeg Vledder.
‘Ja, er is geen spoortje van razernij. Bekijk het lichaam; buiten de hals vind je nergens sporen van geweld. Bekijk het kamertje; als je het lijk wegdenkt, is er niets dat aan moord herinnert. Ook het voorspel ontbreekt.’
‘Voorspel?’
De Cock knikte. ‘Ook al vind je daarvoor geen bewijzen, er is altijd een voorspel. Er moet iets zijn dat een lustmoordenaar tot een climax voert. Het kan natuurlijk zijn dat dit voorspel zich alleen in de gedachten van de dader heeft afgespeeld. Dat komt vaker voor. Maar er is iets aan voorafgegaan. De vraag is: wat? Wat ging er om in het hoofd van de dader?’
De Cock deed een paar stappen in de richting van de beide stoeltjes. ‘Kijk eens naar de kleding,’ zei hij. ‘Alles ligt zo netjes over de leuning gedrapeerd, dat het ontkleden slechts in grote rust kan zijn gebeurd. Uit de wijze waarop het is gevouwen en de volgorde waarin het is neergelegd, kan men vrijwel positief stellen dat Bleke Gonny zelf haar kleren heeft uitgetrokken. Wanneer een man met stijgende lustgevoelens een vrouw ontkleedt, krijgt men een heel ander beeld. Men vindt in de regel de kleding rechts en links verspreid en vaak verscheurd. Maar zelfs aan de ragfijne nylonkousen is geen laddertje te ontdekken. Het lijkt er veel op dat bleke Gonny een stripteasenummer heeft opgevoerd en dat de dader heel rustig van een afstandje heeft toegekeken.’
‘Maar ze is gewurgd,’ riep Vledder.
‘Ja, m’n jong, maar dat gebeurde later, toen Gonny zich uitnodigend op de divan had uitgestrekt.’ De Cock streek met zijn hand door zijn haar. ‘Het zal niet meevallen om de dader te vinden. Het wordt nog moeilijker dan anders, omdat hij er zo volkomen onschuldig uitziet.’
‘Wat?’
Het gezicht van De Cock stond ernstig.
‘Ja, m’n jong,’ zuchtte hij, ‘het zal moeilijk worden. Zie je, prostituees hebben één ding op ons voor, ze kennen de mannen beter dan wij. Ik bedoel: ze doorzien hun bedoeling veel sneller. Toch hebben ze zich niet tegen hun moordenaar verzet. Er is geen spoortje van verweer. Noch Dikke Sonja, noch deze Bleke Gonny hebben ten opzichte van hun moordenaar ook maar enige argwaan gekoesterd. Ze hebben hem volkomen ongevaarlijk geacht.’
Ze staarden een tijdje zwijgend naar de dode op de divan. ‘We zullen haar maar weg laten halen,’ zuchtte De Cock. Onaandoenlijke broeders van de Geneeskundige Dienst bonden haar op een brancard en voerden haar weg.
De Cock keek ze na, een verbeten trek om de mond.