De begrafenis was een demonstratie van droefheid.
Bij de poort, wat schuchtertjes aan de rand van de oprijlaan, stonden ze in rouw bijeen; de bonkige souteneurs, wat houterig in hun dure pakken, de vettige bordeelhoudsters, omhangen met veel goud, en de bonte vrouwtjes van de vlakte. Ze staarden met somber gezicht naar de keurig onderhouden gazons en naar de kraaien, die in hun zwarte uniform met hoge hoed bedrijvig heen en weer liepen. Het was druk op de begraafplaats. Stoeten van zwarte, glimmende wagens reden af en aan. De dood is een bedrijf zonder malaise.
De Cock had zich in een donker kostuum gewurmd. Zijn geliefkoosde dracht was een broek zonder vouw en een jasje van goede tweed. Maar voor de begrafenis van Bleke Gonny had hij zijn donker kostuum uit de mottenballen gehaald. Hij beschouwde de kwelling die de te strakke broeksband hem bezorgde, als een persoonlijk eerbetoon aan het slachtoffer. Maar zijn oude vilten hoed had hij toch niet willen prijsgeven. Ondanks protesten van zijn vrouw had hij zijn trouwe hoofddeksel niet thuisgelaten. Er waren grenzen, meende hij.
De uitdrukking op het gezicht van de jonge Vledder was één en al verbazing, toen hij De Cock zo vreemd uitgedost over het grind van de begraafplaats zag stappen. Hij ging hem tegemoet.
‘Wat zie je er deftig uit,’ zei hij glimlachend.
De Cock keek hem aan. ‘Je hebt er niets aan gedaan.’
‘Wat bedoel je?’
‘Je bent net zo gekleed als anders.’
Vledder grijnsde. ‘Wat wil je?’ zei hij laatdunkend. ‘Dat ik rouw om een hoertje?’ Hij haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Dit is dienst. Je hebt gezegd dat ik nooit de begrafenis van een slachtoffer mocht overslaan. Nou, ik ben er. Wat wil je meer?’
De ogen van De Cock flikkerden boosaardig. Hij keek even om zich heen of niemand op hen lette en pootte toen zijn grote hand in de borst van Vledder. Het overhemd kraakte onder zijn vingers. Hij had iets willen zeggen over leven en sterven, over dood en eeuwigheid. Maar omdat hij niet wist hoe hij de gedachten en gevoelens die hij over dat onderwerp had, onder woorden moest brengen, liet hij hem los en zweeg. Hij had alweer spijt van zijn uitbarsting en trachtte met zijn grove vingers de kreukels uit het overhemd te strijken. ‘Sorry, m’n jong,’ zei hij hees en slenterde weg.
De aula stroomde langzaam vol. Zachte orgelmuziek begeleidde de schuifelende voetstappen. In het midden stond de baar, overdekt met bloemen en kransen. De Cock stond wat achteraf, zijn hoed verfrommeld in zijn hand. Zijn blik dwaalde langs de pijpen van het orgel, de muurschilderingen en de sombere gezichten van de belangstellenden.
Toen de orgelmuziek zweeg, stapte Vader Mattias naar voren. Hij had voor deze gelegenheid zijn haren gekamd en zijn jas geborsteld. Zijn stem weerkaatste tegen de wanden. Hij sprak weer over Gods toorn en over Sodom en Gomorra. Zijn rede leek een kopie van zijn toespraak in het cafeetje van Smalle Lowietje.
De Cock hoorde gespannen toe. Hij liet de woorden niet zweven, maar nam ze in zich op, beluisterde de intonatie en kreeg opnieuw het gevoel dat ze iets te betekenen hadden. Hij keek naar de grijsaard, naar de uitdrukking op zijn gezicht en naar zijn pezige handen.
Het einde van vader Mattias’ toespraak was mild. Hij sprak van Christus, die juist de zondaars zo lief had; Christus, die veel had geleden, waardoor vergeving mogelijk was van alle zonden. Zijn stem trilde in tederheid en uit de rijen klonk een zacht gesnik.
Het orgel begon weer te spelen en de deuren gingen open. Zwijgende kraaien stelden zich naast de baar op. Er volgde een gefluisterd commando. De kraaien hieven de baar op hun schouders en droegen haar weg. De belangstellenden volgden. Ze schuifelden uit de sombere aula het zonlicht tegemoet.
De Cock liep eenzaam achteraan. Op een zijpad zag hij Vledder onopvallend langs de graven scharrelen.
De stoet volgde een lange weg over het grind tussen een woud van grafstenen; Hier rust, duizendmaal herhaald. De levenden hadden het met grote stelligheid in steen laten beitelen. Hier rust. De Cock mijmerde. Hij was er nog niet zo zeker van.
Plotseling ontdekte hij schuin voor zich de gestalte van een jonge vrouw, keurig gekleed in een zwart mantelpakje en een hoedje met een voile. Aanvankelijk viel hem alleen de zelfbewuste houding op, de soepele lijn en de gratie waarmee zij zich voortbewoog. Hij keek met kritische blik langs de slanke benen omhoog en ontdekte achter de voile het gezicht van Barbara. Het verraste hem. Het was niet zozeer het feit van haar aanwezigheid dat hem aangenaam trof, maar meer de volledige transformatie. Zo kende hij haar niet. De andere vrouwen bleven ondanks hun pogingen dit te verbergen, in hun kleding het stempel dragen van hun beroep. Barbara niet. Zoals zij daar liep zou niemand in haar de prostituee hebben herkend. Ze had zich ook niet bij de anderen gevoegd. Ze liep daar alleen, als een vreemdelinge. De Cock versnelde zijn pas en ging naast haar lopen. Ze keek naar hem op en glimlachte vaag. De Cock boog zich naar haar toe. ‘Wacht op me,’ fluisterde hij, ‘na afloop bij de ingang.’
Ze knikte nauwelijks merkbaar.
De stoet was inmiddels bij de groeve aangekomen. Er vormde zich een wijde kring. De Cock liep bij Barbara vandaan en schuifelde langs de achterste rij. Hij bleef staan, toen hij een paar ruggen verder Vader Mattias ontdekte. Naast Vader Mattias stond een man die hij aan zijn houding herkende. De Cock wrong zich wat dichterbij, zodat hij de beide ruggen direct voor zich had.
‘U hebt mooi gesproken, vader,’ zei de man.
Vader Mattias schudde zijn hoofd. ‘Niet ik, Tobias,’ zei hij licht bestraffend, ‘maar God. Ik was slechts een werktuig in Zijn hand.’
De man knikte. ‘Wat denkt u, vader,’ ging hij verder, ‘zou God haar in genade hebben aangenomen?’
Vader Mattias legde zijn hand op de arm van de man. ‘Gods genade,’ fluisterde hij, ‘is groot.’
De kraaien ontblootten het hoofd en lieten de kist zakken.
Toen de belangstellenden vertrokken waren, bleef De Cock eenzaam bij het graf achter. Hij keek, zoals zijn plicht was, in de kuil en zag dat de verzegeling van de kist nog intact was. De stalen banden waren duidelijk te onderscheiden. Nog even bleef hij staan en prevelde een paar woorden ten afscheid. Toen draaide hij zich bruusk om, zette zijn oude hoed op en schoof een zijpad in, waar Vledder op hem wachtte. ‘Hoe is het, m’n jong,’ zei hij, ‘heb je nog iets bijzonders gezien?’
Vledder schudde glimlachend het hoofd. ‘Geen stiekeme toeschouwers,’ zei hij. ‘Er bleef wel een jonge weduwe om mij heen draaien.’
De Cock grijnsde. ‘Pas maar op,’ zei hij, ‘het zou niet de eerste keer zijn dat er een romance opbloeit aan het graf van een jong gestorven echtgenoot.’
Vledder lachte.
‘Het lijkt mij nu niet bepaald een ideale plek voor een eerste kennismaking.’
‘Je vergist je, m’n jong,’ zei De Cock. ‘Juist op begraafplaatsen worden heel veel contacten gelegd voor toekomstige huwelijken. Treurende grafbezoekers komen gemakkelijk tot elkaar.’
Vledder keek hem wantrouwend aan. ‘Meen je het?’
De Cock knikte. ‘Ik denk niet,’ zei hij, ‘dat er statistieken van zijn, maar je zou je over het aantal verbazen.’
‘Het lijkt mij toch niet.’
Ze slenterden naar de uitgang. De Cock liep met zijn handen in zijn zakken. Hij had zijn knellende broeksband losgemaakt en ademde weer vrij. In de aula, tijdens de toespraak, had die knellende band hem bijzonder gehinderd. Ergens ver weg, op de bodem van zijn denken, was er een gedachtevonkje geweest. Een kleine opflikkering, het begin van een idee. De Cock had het willen koesteren tot het vonkje het raderwerk van zijn hersenen op gang had gebracht, maar die knellende band had zijn denken verstoord. Het vonkje was uitgedoofd en niet meer teruggekomen. Plotseling bleef hij staan en keek de jonge Vledder verstrooid aan. ‘Heb je dominees onder je kennissen?’ vroeg hij. Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Dominees?’ vroeg hij verbaasd.
De Cock knikte. ‘Dominees of priesters.’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Ik… ik ben niet godsdienstig,’ stamelde hij.
‘Dat vraag ik je ook niet,’ antwoordde De Cock een beetje geprikkeld. Ze liepen zwijgend verder. Kort voor de ingang bleef De Cock opnieuw staan. Zijn gezicht had een peinzende uitdrukking.
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Wat heb je toch? Je bent zo verstrooid. Er is toch niets met je aan de hand?’
De Cock antwoordde niet. Hij keek langs Vledder heen naar Barbara, die bij het hek op hem stond te wachten. Opnieuw realiseerde hij zich hoe mooi ze was, hoe aantrekkelijk. Het blonde haar, dat vanonder haar hoedje golfde, glansde in de zon. Een paar kraaien wierpen haar in het voorbijgaan bewonderende blikken toe.
‘Hee,’ riep Vledder, ‘ik praat tegen je.’
De Cock keek hem verward aan. ‘O ja,’ zei hij aarzelend, ‘ik had een opdracht voor je. Je moet vanmiddag eens op bezoek gaan bij een dominee of een priester. Je zoekt er maar eentje uit. Het kan mij niet schelen welke.’
Vledder grinnikte. ‘Wat moet ik daar in godsnaam doen? Je bent toch niet van plan om mij te laten bekeren?’
De Cock schoof zijn hoed iets naar achteren.
‘Dat is een zaak die jou persoonlijk aangaat,’ zei hij plotseling ernstig. ‘Ik wil alleen maar dat je vraagt welke stad er na Sodom en Gomorra om haar zedelijk verderf werd verwoest. Dominees en priesters, weet je, behoren dat te weten.’
De mond van de jonge Vledder zakte open van verbazing. Hij had nog wat willen vragen over het hoe en waarom, maar De Cock was al weg.
Barbara glimlachte.
‘Maak je altijd je afspraakjes op een kerkhof?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik wil je alleen maar een lift aanbieden. Mijn wagentje staat verderop.’
Hij pakte haar bij de arm en leidde haar voort.
‘Je ziet er vandaag bijzonder lief uit,’ zei hij bewonderend. ‘Ik kende je haast niet meer terug.’
Ze keek hem glimlachend aan. ‘Dank je,’ zei ze. ‘Dit is, zolang ik je ken, je eerste complimentje.’
De Cock reageerde niet. Hij ontsloot zijn wagentje en hield galant het portier voor haar open. Toen hij naast haar zat, keek hij haar van terzijde aan. ‘Ik ben van plan je te ontvoeren,’ zei hij met een ernstig gezicht. ‘Ik waarschuw je maar alvast. Als je niet wilt, kun je nu nog uitstappen.’
Ze lachte. ‘Je verwacht toch niet,’ zei ze uitdagend, ‘dat ik na deze waarschuwing nog uitstap? Ik vind het juist heerlijk. Ik ben nog nooit ontvoerd.’
Ze genoot kennelijk van de situatie. Ze legde haar hoedje met de voile op de achterbank en schudde haar haren los. Haar ogen straalden. De Cock startte de motor, maar reed nog niet weg.
‘Dit is geen grapje, Barbara,’ zei hij. ‘Je kunt nog uitstappen.’
Ze keek hem aan. In haar ogen las hij weer die blik van tedere genegenheid. Hij wist dat ze op haar eigen, wat verwarde manier van hem hield, dat hij alles van haar kon verlangen. ‘Vooruit,’ riep ze ongeduldig, ‘waar wacht je op?’
Hij haalde zijn schouders op en zuchtte.
‘Zoals je wilt,’ zei hij gelaten en schakelde in.
Met grote behendigheid manoeuvreerde hij zijn wagentje door het drukke stadsverkeer. Hij had er al zijn aandacht bij nodig. Eerst toen hij de brede buitenweg had bereikt, schoof hij zijn stoeltje iets achteruit en ging ontspannen zitten. De naald van de snelheidsmeter schommelde rond de tachtig.
‘Ik had nooit gedacht,’ zei ze vriendelijk, ‘dat je het nog eens doen zou.’
‘Wat?’
‘Nou, dit.’
Ze zweeg even. ‘Vind je het niet jammer van je baan? Je bent zo’n enige rechercheur.’
De Cock zuchtte.
‘Ik zou mij voor de toekomst anders maar geen zorgen maken,’ zei ze geruststellend. ‘Ik verdien genoeg. We kunnen gewoon ergens anders opnieuw beginnen. Bijvoorbeeld in Den Haag of Rotterdam. Ergens waar ze ons niet kennen.’ Ze schoof iets dichter naar hem toe. ‘Of wil je,’ vroeg ze liefjes, ‘dat ik het niet meer doe?’
‘Dat is het,’ zei hij kalm. ‘Ik wil dat je het niet meer doet.’
Ze glimlachte vertederd. ‘Het geeft toch niets. Dat andere heeft niets te betekenen. Dat weet je toch? Dat is business. Je moet die dingen gescheiden houden.’
De Cock klemde zijn handen vaster om het stuur van zijn wagentje. Hij kon nog niet de moed opbrengen haar de waarheid te vertellen.
‘We kunnen ook proberen,’ zo ging ze opgewekt verder, ‘om voor mijn kamertje op de Achterburgwal een ander meisje te zoeken. We hoeven haar het vel niet over de oren te halen, maar het zou toch een aardige bijverdienste zijn. Als je bedenkt wat ik…’
De Cock kon zich niet langer bedwingen. ‘Barbara…’ riep hij bestraffend.
Ze legde haar hand op zijn knie. ‘Stil maar,’ suste ze, ‘als je per se niet wilt…’
Het gezicht van De Cock stond strak. Alleen zijn neusvleugels trilden. Het was het enig uiterlijk teken van zijn innerlijke emotie. Hij begreep wat ze wilde. Hij kende haar bedoeling. Hoe immoreel haar voorstellen ook waren, De Cock onderkende ze als uitingen van haar liefde voor hem. Hij wist iets van het gedachtewereldje van de vrouwen die jarenlang de prostitutie hadden bedreven. En hij wist ook hoe groot haar teleurstelling zou zijn, wanneer zijn bedoelingen haar duidelijk werden, wanneer zij begreep wat hij wilde.
In feite was het bedrog. De dag tevoren had hij met haar ouders gesproken en ze waren bereid gebleken haar weer in liefde te ontvangen. Het had hem niet veel overredingskracht gekost. De oudjes verheugden zich op het weerzien. Toch had hij ze niet willen schokken. Daarom had hij gehoopt dat ze degelijk gekleed op de begrafenis zou verschijnen. Verder had hij gespeculeerd op de genegenheid die zij voor hem koesterde. Hij wilde haar weg hebben uit de buurt. Tot elke prijs. Ze mocht niet langer op de Walletjes blijven. En dit niet alleen uit zedelijke motieven. De Cock was realist genoeg om te beseffen dat dit niet de methode was om Barbara van prostitutie te weerhouden. Integendeel, juist dit kon voor haar wel eens de aanleiding zijn om in haar houding te volharden. Hij begreep dat best. Maar het moest. Er liep een moordenaar rond. Een moordenaar die — en daar was De Cock van overtuigd — opnieuw zou toeslaan. Hij kon terwille van de moordenaar de hele buurt niet laten evacueren. Dat was te dwaas. Maar Barbara… Opeens besefte hij hoe groot zijn genegenheid voor haar wel was. Zij… Barbara, mocht het volgende slachtoffer niet zijn. Zij was dicht tegen hem aangekropen. Hij voelde de warmte van haar lichaam en rook de zoete geur van haar parfum. Een lichte siddering kroop over zijn huid en tintelde in zijn vingertoppen.
Zijn geest vocht met zijn lichaam, waarvan hij zich de kracht volledig bewust was. Naast hem, tegen zich aan gevlijd, lag de mogelijkheid om aan zijn leven een onverwachte wending te geven. Wat was immoreel? Het jarenlang wroeten in het wereldje van de prostitutie, de voortdurende confrontatie met de misdaad had de grenzen wat vervaagd. Wat was immoreel? Hij hield zijn ogen strak op de weg gericht. De banden zoemden en naast hem babbelde Barbara over haar plannen voor de toekomst, hun toekomst.
De Cock zuchtte.
Wat was zijn toekomst? Nog een jaar of tien en dan pensioen. En waar kon hij dan op terugzien? Wat was het resultaat van al zijn inspanningen? De misdaad tierde nog weliger dan toen hij zo’n twintig jaar geleden vol illusies zijn strijd begon. Wat was immoreel?
Ineens leek het alsof er iets in hem knapte. Waar was hij mee bezig? Wat was de drijfveer van z’n kronkelgedachte? Barbara? Hij snoof de geur van haar parfum en wierp een steelse blik op haar lange, slanke benen. In zijn borst kroop een beklemmend gevoel, dat het onstuimige ritme van zijn hart beteugelde. De zachte hand op zijn knie brandde in zijn huid. Ineens wist hij waar het vandaan kwam, kende hij de bron van zijn gedachten. Het was een smartelijke ontdekking. Dwaas, schold hij zichzelf, ouwe dwaas. Hij wreef langs zijn ogen en lachte hardop. Het was een korte, vreugdeloze lach, echo van een vreemde pijn.
‘Wat is er?’ vroeg ze verwonderd.
Hij antwoordde niet. Maar toen op grote, blauwe borden de aankondiging verscheen van een klein, oud stadje, verminderde hij de snelheid van zijn wagentje en verliet de hoofdweg.
‘Waar breng je me heen?’ vroeg ze onrustig.
De Cock zuchtte diep. ‘Ken je de omgeving niet?’
Ze schoof bij hem vandaan. ‘Je brengt me terug!’ schreeuwde ze. ‘Ik zie het. Je brengt me terug.’
De Cock knikte traag. ‘Je ouders wachten op je.’
In een plotselinge explosie van woede timmerde ze met haar vuisten op zijn arm en op zijn gezicht. Tranen rolden over haar wangen. Heel haar verbolgen gemoed ontlaadde zich. Als een furie sloeg ze op hem los. De Cock deed geen moeite om haar slagen af te weren. Hij onderging het gelaten, als een zondaar die wist dat hij een kastijding had verdiend. Hij voelde haar vuisten niet. Ze kon hem lichamelijk geen pijn doen. Hij reed rustig door. Soms kneep hij zijn ogen even dicht en slikte zijn verdriet weg.