4

Tante Dien zat breeduit aan tafel. Ze veegde met de punt van haar schort langs haar glimmende lippen en schoof het bord met botjes van zich af.

‘Het was een lekker kippetje,’ zei ze smakkend. ‘Ik haal ze altijd bij Janus om de hoek.’

Vledder en De Cock staarden naar de afgekloven resten. ‘Ik neem elke avond een kippetje,’ ging ze opgewekt verder. ‘Voor mijn lijn hoef ik het niet te laten.’ Ze streek met haar vettige handjes langs haar omvangrijke boezem en lachte om haar eigen grapje.

‘Mens,’ riep Vledder vol afschuw, ‘hoe krijg je het naar binnen? Nog geen uur geleden werd in dit huis een vrouw vermoord.’ Ze haalde haar vlezige schouders op en trok een verongelijkt gezicht. ‘Moet ik daarom mijn kippetje laten staan?’ vroeg ze verwonderd.

Vledder snakte naar adem. ‘Maar…’ Verder kwam hij niet.

De Cock schoof hem opzij.

‘Heb je vanavond nog iets gehoord of gezien?’ vroeg hij vriendelijk.

Ze schudde haar hoofd.

‘Ik zie of hoor nooit wat.’

De Cock trok een ongelovig gezicht. ‘Kom, Tante Dien,’ zei hij. ‘Je weet toch wel wat er in je bordeeltje gebeurt?’

Haar kleine varkensoogjes begonnen kwaadaardig te schitteren. ‘Dit is geen bordeel,’ zei ze fel.

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Zo? Wat is het dan?’ Rond haar mond verscheen een sluw trekje.

‘Ik verhuur kamertjes,’ zei ze vriendelijk grijnzend, ‘kamertjes aan meisjes die geen onderdak hebben.’

‘Hoe menslievend,’ meesmuilde De Cock. ‘En mag ik vragen hoeveel huur de meisjes dan wel betalen?’

‘Een tientje. Een tientje per week. Vraag het ze zelf.’

De Cock grijnsde. ‘En de rest. Je zult de meisjes wel goed hebben ingepompt wat ze zeggen moeten.’ Hij zuchtte. ‘Enfin, op dit onderwerp kom ik later nog wel eens terug.’

‘Moet je doen,’ zei ze gelaten.

‘Beslist,’ zei De Cock op veranderde toon, ‘en reken erop dat ik je te grazen neem als je van nu af geen behoorlijke antwoorden geeft.’ Hij deed een stap dichterbij en pakte haar stevig bij de arm. ‘Sta op,’ siste hij, ‘en breng eerst die botten naar de keuken. Ik walg ervan.’

Ze trok woest haar arm los. ‘Je moet niet handtastelijk worden,’ zei ze. ‘Daar hou ik niet van.’

Ze hees haar dikke lichaam uit de stoel en bracht het bordje weg.

De Cock zweeg tot ze terug was uit de keuken.

‘Hoe lang was Bleke Gonny al bij je?’ vroeg hij. ‘Bijna een jaar,’ antwoordde ze nukkig.

‘Nooit iets bijzonders opgemerkt?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Och,’ zei ze, ‘het verwondert mij niks.’

‘Hoezo?’

‘Nou, ze schold toch op iedereen, zelfs op haar beste klanten. Ze kon er niks van. Ze was er niet geschikt voor.’

‘Je bedoelt…?’

Ze zuchtte diep. ‘Je moet het een beetje met die mannen kunnen versieren, ook al heb je nog zo de pest aan al die hoerenkerels. Maar dat kon ze niet. Ze joeg ze altijd op stang. Vandaag of morgen moest dat spaak lopen. Je kunt je als vrouw van de vlakte niet permitteren een grote bek tegen je klanten te hebben. Ze blijven weg of…’

De Cock knikte. ‘Ze schijnt dit keer anders bijzonder gewillig te zijn geweest. Ze heeft zich helemaal uitgekleed.’

Tante Dien maakte een grimas. ‘Is ze zeker van haar geloof afgestapt.’

‘Waarom?’

‘Nou, dat deed ze nooit. Die vent moet dan wel veel poen op tafel hebben gelegd.’

‘Hoeveel dacht je?’

Ze spreidde haar vettige handjes uit. ‘Minstens een meier.’ De Cock glimlachte. ‘Ik dacht,’ zei hij zoetsappig, ‘dat je niet wist wat er hier in huis omging.’

Ze reageerde fel. ‘Dat doe ik ook niet,’ schreeuwde ze. ‘De meisjes zitten bij mij op een vaste huur. Wat ze in hun kamertjes doen, moeten ze zelf maar uitmaken. Daar heb ik niks mee te maken. Als ik mijn huur maar krijg. Het interesseert me dus niks. Zie je, maar ze vertellen wel eens wat. Vooral Bleke Gonny. Ze gaf altijd af op de mannen die ze bij haar kreeg.’

‘Heeft ze wel eens verteld van een man voor wie zij zich geheel moest ontkleden?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het is voor het eerst dat ik het hoor. Ik bedoel: van Bleke Gonny. Andere meisjes zijn daar wel vlotter mee. Ik dacht niet dat Bleke Gonny zover ging.’

De Cock knikte en keek haar een tijdje aan. ‘Waarom deed je in het begin zo akelig? Je hebt toch niets voor ons te verbergen? Of wel?’

Ze liet haar hoofd een beetje zakken. ‘Het is nooit leuk,’ zei ze korzelig, ‘als zoiets in je huis gebeurt. Die arme meid.’ Ze toonde voor het eerst iets van ontroering.

‘Maar mens,’ zei Vledder, ‘hoe kan je dan hier in je eentje doodgemoedereerd een kip gaan zitten oppeuzelen. Het is… het is gewoon om te kotsen.’

Ze zuchtte met een treurig gezicht. ‘Weet jij wat een mens in zijn ellende doet?’

Ze wreef met haar handjes langs haar ogen.

‘Gonny mocht dan een grote bek hebben, ze was een goed kind. Ik heb eerst niet aan haar willen verhuren. Ik vond het zonde van die meid.’ Ze maakte een wanhoopsgebaartje. ‘Maar wat wil je? Als ze bij mij niet huurt, huurt ze bij een ander.’

‘Verdiende ze veel?’

Ze wiegde met haar hoofd. ‘Ach, welnee. Ik zei al: ze kon er niks van.’

‘Het is een vak, hè,’ zei De Cock en grijnsde.


Langs de smalle grachten liepen ze terug naar het bureau. Op de hoeken van de straatjes en steegjes stonden plukjes vrouwen angstig bijeen. De tweede moord, de moord op Bleke Gonny, had de buurt diep geschokt. De lucht was bezwangerd van een vreemde dreiging. Zelfs de bomen aan de walkant schenen te fluisteren van een geheimzinnige moordenaar, die sluipend langs de geveltjes naderbij kwam, de vrouwen hun keel dichtkneep en weer verdween zonder sporen achter te laten.

Ook de souteneurs waren onrustig. Ze spraken met elkaar op gedempte toon. Vledder en De Cock hoorden het gemurmel van hun schorre stemmen. Maar hun gesprekken verstomden, zodra de rechercheurs naderbij kwamen. Zwijgend keken ze het tweetal na. Niemand sprak hen aan.

‘Ze zijn bang,’ zei Vledder.

De Cock knikte. ‘Als dit zo doorgaat, durft geen enkel hoertje meer te zitten.. Die moorden maken de business kapot. Daar zijn ze bang voor.’

‘Wat was die Bleke Gonny eigenlijk voor een vrouwtje?’ vroeg Vledder. ‘Heb je haar nog gekend? Als je Tante Dien zo hoort, was ze nogal een vreemd schepseltje.’

‘Ja,’ zei De Cock, ‘ik heb haar gekend.’ Hij zuchtte. ‘Ik heb haar zelfs heel goed gekend. Ze was de dochter van een oudcollega.’

‘Wat…?’ riep Vledder verschrikt.

De Cock knikte. ‘Daar moet je niet van schrikken, m’n jong. Zulke dingen gebeuren. Je vindt ze hier uit alle rangen en standen. Wanneer tegenwoordig iemand in het leven mislukt, geeft men direct de schuld aan de ouders, aan de opvoeding. Ik ben daar nog niet zo zeker van. Ik weet bijvoorbeeld dat Gonny een paar lieve ouders had en een heel goede opvoeding heeft genoten.’

‘Was ze… was ze dan wat vreemd?’

‘Nee,’ zuchtte De Cock, ‘ze was alleen wat opstandig.’

‘Opstandig?’

‘Ja, ze had een gruwelijke haat tegen de wereld van de “nette” mensen en schold voortdurend op die “hoerenkerels” die met hun walgelijke wensen hun eigen, degelijke vrouwen niet wilden lastig vallen. Zie je, iedere prostituee koestert van nature een haat tegen de mannen die van haar diensten gebruik maken. Ze verachten ze. Bij de meeste vrouwen vervlakt dat gevoel op den duur. Ze aanvaarden hun positie en trachten daarvan zoveel mogelijk te profiteren. Maar bij Gonny was dat anders. Ze is eigenlijk nooit een echte prostituee geworden.’

‘Maar ze ontving toch mannen?’

‘Ja, m’n jong, maar dat is niet hetzelfde. Tenminste niet voor mij. Ik beschouw een vrouw eerst als een prostituee wanneer zij zich bij de situatie heeft neergelegd. Dat heeft Gonny nooit gedaan. Bij elke man, aan wie zij zich gaf, moest ze steeds opnieuw iets in zichzelf overwinnen. Hoe vreemd het misschien ook klinkt, maar ze bleef worstelen met haar eigen zedelijk normbesef. En omdat ze daarbij telkens een concessie moest doen aan haar eigen geweten, schold ze. Ze schold op de mannen die haar bezochten, op het geld dat ze daarmee verdiende. Maar in feite schold ze op zichzelf; op haar eigen lafheid, haar gebrek aan durf om de prostitutie vaarwel te zeggen.’

Vledder zuchtte.

Het gezicht van De Cock kreeg een droeve uitdrukking.

‘Geloof me, m’n jong,’ zei hij. ‘Je vindt nergens zoveel brokjes menselijke tragedie als juist in dit wereldje van de Wallen.’

‘Maar…’ riep Vledder, ‘ze hoeven het toch niet te doen?’

De Cock grijnsde. ‘Je lijkt een heilsprediker op zondag.’

‘Dat is het,’ zei Vledder.

‘Wat?’

‘Zondag.’

De Cock knikte. ‘Ja,’ zei hij, ‘zondag. Laten we voortmaken. De jongen die de moord ontdekt heeft, zit in het bureau nog steeds op ons te wachten.’


De Cock tuurde over de puntige daken naar het oosten, waar het eerste grauw van de nieuwe dag al aarzelend doorbrak. Hij hield zijn handen op zijn rug gevouwen en wipte een beetje op de ballen van zijn voeten om het lome gevoel uit zijn beenspieren te verdrijven. Achter hem zat die jongen. Wanneer hij in de spiegelende ruitjes keek, zag hij hem zitten op een stoel voor zijn bureau. Vledder stond wat achteraf, leunde met zijn rug tegen de muur.

De jongen was nerveus.

Hij had lang moeten wachten, op de houten bank, achter in de agentenwachtkamer. Toen waren die twee rechercheurs gekomen; een jonge, vlotte vent en een wat oudere man met een goedmoedig uiterlijk, maar met een paar ogen die dwars door je heen keken. Zo leek het.

Ze hadden hem meegenomen naar boven en midden in deze kamer op een stoel neergezet. Hij had verwacht dat ze onmiddellijk vragen op hem zouden afvuren over zijn ontdekking. Maar dat deden ze niet. De jonge rechercheur stond achter hem tegen de muur en die ouwe keek al meer dan een kwartier uit het raam, zonder iets te zeggen. Hij had zijn verhaal al klaar. Waar wachtten ze op? Hij had het al verteld, beneden, aan de wachtcommandant. Hoe hij toevallig voorbijkwam, de deur van het kamertje halfopen had zien staan en uit nieuwsgierigheid naar binnen had gekeken en toen die juffrouw had gevonden. Zo was het gegaan.

Hij keek wat angstig om zich heen. Waarom zeiden die lui niets? Hij moest naar huis. Zijn ouders zouden ongerust zijn, nu hij zo lang wegbleef.

De Cock draaide zich langzaam om. ‘Ik ben De Cock,’ zei hij. ‘Cock met ceeooceekaa. Hoe maak je het?’

De jongen stond wat bedeesd op en schudde schuchter de hand.

De Cock hield de hand van de jongen vast. ‘Een slap handje,’ zei hij, ‘voor zo’n grote kerel. Hoe oud ben je?’

‘Tweeëntwintig.’

De Cock knikte. ‘Geef me dan eens een stevige poot. Je hebt toch wel kracht in je vingers?’

De jongen kneep en De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het lijkt nog nergens op,’ zei hij. ‘Ik dacht dat je sterker was.’ Hij liet de hand van de jongen los. ‘Hoeveel geld heb je op zak?’

‘Vijfentwintig gulden.’

‘Is dat geld van jou?’

De jongen knikte.

‘Hoe vaak kom je bij de vrouwtjes?’

De jongen antwoordde niet direct. Zijn adamsappel wipte op en neer.

‘Hoe vaak?’ herhaalde De Cock.

‘Zo… eh, zo eens in de maand.’

‘En altijd bij hetzelfde vrouwtje?’

‘Ja’

‘Bij Gonny?’

‘Ja, meneer.’

De Cock zuchtte. ‘Waarom dan eerst al die leugens, m’n jong?’ Hij pakte met een wat loom gebaar een vel papier van het bureau. ‘Ik heb hier het rapport van de wachtcommandant. Je hebt aanvankelijk verkaard dat je toevallig voorbijkwam, dat je toevallig de deur open zag staan en uit nieuwsgierigheid naar binnen ging.’

Hij keek hem strak aan. ‘Klopt dat?’

‘Ja, meneer.’

‘Het was dus allemaal niet zo toevallig?’

‘Nee, meneer.’

‘Stop met dat gemeneer,’ riep De Cock ongeduldig. ‘Vertel me liever de waarheid.’

‘Ja, eh…’

‘Je wilde dus Gonny bezoeken?’

De jongen knikte. ‘Ik stond buiten bij de boom te wachten tot ze klaar was.’

‘Er was dus al een man bij haar op bezoek?’

‘Dat dacht ik, ja. Haar gordijntjes waren dicht.’

‘En toen?’

‘Ik bleef wachten tot er een man naar buiten zou komen en zij haar gordijntjes weer zou opendoen.’

‘En?’

‘Er kwam geen man en de gordijntjes bleven dicht.’ De jongen wreef met zijn hand langs zijn nek.

‘Ziet u,’ ging hij verder, ‘het duurde zo lang. Ik was dat niet van haar gewend. Het duurde nooit zo lang. Meestal was ze in een paar minuten klaar. Toen ze haar gordijntjes maar niet opendeed en er ook geen man naar buiten kwam, dacht ik dat ze ermee was opgehouden. Het was ook al zo laat. Bijna kwart voor één.’

De Cock knikte. ‘Waarom ben je toen niet weggegaan?’

De jongen bloosde. ‘Ik had al zo lang gewacht en…’

De Cock keek hem aan. ‘En je wilde per se?’

‘Ja meneer. Ik had er het geld voor.’

De Cock zuchtte. ‘Goed,’ zei hij gelaten. ‘En toen?’ De jongen verschoof onrustig op zijn stoel.

‘Toen wou ik haar gaan vragen of ze me toch nog wilde ontvangen. De deur stond niet open, zoals ik heb gezegd. De deur was dicht. Ik klopte aan, maar kreeg geen gehoor. Toen heb ik de deur zachtjes opengedaan. Ik riep “Gonny”, en toen nog eens “Gonny”. Ik kreeg geen antwoord. Toen… eh…’

Hij stokte en friemelde nerveus aan zijn stropdas.

‘Nou,’ drong De Cock aan.

‘Toen stak ik mijn hoofd wat verder om het hoekje van de deur en zag haar liggen. Ze was helemaal naakt. Ik wist niet dat ze dood was. Ik dacht dat ze daar zo maar even lag te slapen. Daarom riep ik haar nog eens. Pas toen ik wat dichterbij kwam, zag ik die plekken aan haar hals.’

De jongen liet het hoofd zakken en begon zachtjes te snikken. De Cock liet hem even begaan.

‘Heb je haar nog aangeraakt?’

De jongen schudde heftig het hoofd. ‘Nee, nee. Ik schrok geweldig. Ik… ik heb daar maar even gestaan. Toen ben ik de deur uitgerend. Ik was totaal in de war. Ik rende als een gek langs de gracht. Ik wou naar het politiebureau, maar liep de verkeerde kant uit. Gelukkig zag ik een agent. Ik pakte hem aan zijn uniform vast en wilde hem meetrekken. Die agent dacht dat ik niet goed bij mijn hoofd was, maar hij liep ten slotte toch met mij mee.’

Hij begon wat vreemd te grinniken. ‘Nou… en de rest weet u.’

De Cock knikte. Hij woelde met zijn hand door zijn stugge haar en liep naar het raam. Het werd al lichter buiten. Door de Heintje Hoeksteeg heen kon hij de geveltjes van de Voorburgwal alweer onderscheiden. Een tijdje bleef hij staan kijken. Toen deed hij het raam open en zoog zijn longen vol frisse lucht.

Met zijn rug nog steeds naar de jongen gekeerd vroeg hij: ‘Waarom ging je naar de vrouwtjes, m’n jong? Heb je geen verkering?’

‘Ik ben verloofd.’

‘Verloofd?’

‘Ja, meneer.’

‘Ik vermoed dat het een bijzonder net meisje is.’ De jongen knikte heftig.

‘Ja, meneer, heel erg netjes.’

De Cock snoof. ‘Zo netjes, dat je met haar over die dingen niet durft praten.’

‘Nee, meneer.’

De Cock draaide zich om en liep langzaam op hem toe. ‘Je zou geen meneer meer zeggen,’ zei hij vriendelijk.

‘Nee, eh…’

‘Mooi,’ zei De Cock en legde een hand op zijn schouder, ‘dan ga je vanmiddag naar je nette verloofde en biecht haar alles op.’

De jongen keek hem verward aan. ‘Alles?’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Alles. Misschien weet zij een oplossing voor je problemen. Stiekeme uitstapjes naar prostituees zijn geen oplossing. Het schenkt geen bevrediging. Het is allemaal maar beschamend en het resultaat?’ De Cock haalde zijn schouders op. ‘Een leeg gevoel van binnen. Meer niet. Bovendien heeft het met echte seksualiteit niets te maken. Het is alleen maar smerig.’

Hij pakte de jongen aan de revers van zijn jasje en hees hem langzaam uit zijn stoel. ‘Praat met haar,’ zei hij vaderlijk.

‘Ja, meneer.’

De Cock knikte. ‘Goed, m’n jong. Ga dan maar naar beneden en vraag aan de wachtcommandant of hij je met een auto naar huis laat brengen.’

‘Ja, meneer.’

De ogen van De Cock begonnen kwaadaardig te flikkeren. ‘En…’ siste hij met opgeheven vinger, ‘als meneer jou nog één keer op de Walletjes ziet, dan breekt meneer persoonlijk je beide benen.’

De jongen keek hem verschrikt aan. ‘Ja… ja, me… meneer,’ stamelde hij en vluchtte haastig de kamer uit.

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Het valt niet mee,’ zuchtte hij, ‘om volwassen te worden.’

Vledder glimlachte. ‘Hebt u seksuele problemen,’ spotte hij, ‘ga naar de Warmoesstraat. De Cock geeft uitkomst.’

‘Barst,’ zei De Cock. Hij wreef met beide handen langs zijn ogen. Het was een loom gebaar. Hij zag er moe en afgetobd uit.

De groeven in zijn gezicht leken nog dieper dan normaal.

‘En,’ vroeg Vledder, ‘wat doen we verder?’

‘Slapen,’ antwoordde De Cock, ‘heel lang slapen. Ik ben zo moe als een hond en zo leeg als een uitgeknepen citroen.’

‘Wat denk je van die jongen?’

‘Als dader? ’

‘Ja.’

‘Niks, helemaal niks. Maar trek voor alle zekerheid zijn alibi na voor de moord op Dikke Sonja.’

Vledder knikte. ‘Kan ik vannacht nog iets doen?’

De Cock zuchtte. ‘Bid voor hun zielenrust.’

Hij plantte zijn hoed op zijn hoofd en met zijn jas onder zijn arm slenterde hij de deur uit. Vledder keek hem na. Verbijsterd.

Загрузка...