‘Mosie heeft een nieuwe kar!’
De Cock stond voor het raam van de recherchekamer in zijn geliefkoosde houding, wijdbeens met de handen gevouwen op zijn rug. ‘En een mooie! De zaken gaan vooruit. Vijf jaar geleden had hij alleen nog maar een emmertje. Je weet wel, zo’n wit emaille emmertje met een blauwgeruite handdoek eroverheen.’ Hij draaide zich om naar Vledder. ‘En moet je nu eens kijken.’ Hij lachte hartelijk. ‘Die Moos. Handige jongen… als kind al. Nog een paar jaartjes en hij huurt ons politiebureau als pakhuis.’ Hij lachte opnieuw. ‘Hij hoeft er weinig aan te veranderen. De stank zit er al in.’
Vledder kwam naast hem staan. ‘Een mooie kar,’ zei hij bewonderend.
Samen bleven ze kijken hoe Moos behendig uit de Heintje Hoeksteeg manoeuvreerde. Wat verderop klopte opoe haar stofdoek uit. Toen Moos met zijn kar uit het gezicht was verdwenen, keek Vledder De Cock lang en nadrukkelijk aan. Om zijn lippen speelde een flauwe glimlach. ‘Hoe kom je aan die krab op je gezicht?’ vroeg hij.
‘Die krab…’ zei De Cock ontwijkend, ‘o… ik denk dat ik die bij het scheren heb opgelopen.’
Vledder grijnsde. ‘Scheer jij je zo dicht langs je ogen?’ De Cock liep naar de spiegel boven het fonteintje.
‘Zit ie dan zo hoog?’ vroeg hij quasi verwonderd.
Vledder liep hem na. De Cock zag zijn grijnzende snuit naast zijn eigen spiegelbeeld.
‘Nogal hoog, hè? Ik bedoel, om je bij het scheren te snijden.’
De Cock draaide zich grinnikend om. ‘Je wordt nog eens een goed rechercheur,’ zei hij. ‘Nog een paar jaartjes met mij op pad en ik kan met een gerust hart met pensioen gaan.’
Vledder liet zich niet van de wijs brengen. ‘Zonder dollen,’ zei hij, ‘is dat van dat juffie?’
‘Welk juffie?’
‘Nou, dat mooie juffie, dat je na de begrafenis mee uit rijden hebt genomen.’
De Cock keek hem secondenlang aan. ‘Ja,’ zei hij gelaten, ‘die krab is van dat juffie. Overigens, haar naam is Barbara. Ze is een hoertje uit de buurt.’ Hij zweeg even. ‘En voordat je je malle dingen in je hoofd haalt: ik heb haar teruggebracht naar haar ouders omdat ik bang ben dat zij het volgende slachtoffer zal zijn. Uit dankbaarheid sloeg ze me op mijn gezicht.’
Vledder gebaarde. ‘De barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.’
De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Waar slaat dat op?’
‘Weet ik niet,’ antwoordde Vledder. ‘Ik heb het eens ergens gehoord. Ik weet echt niet meer waar.’
De Cock zuchtte. ‘Misschien gisteren bij de dominee?’
‘Het was geen dominee. Het was een priester.’
‘Wat zei hij?’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Hij zou het nakijken. Zo gauw als hij het wist zou hij je bellen. Ik gaf hem je telefoonnummer.’
Vledder snoof. ‘Je moet me in het vervolg niet meer van die rare opdrachten geven,’ zei hij verwijtend. ‘Die pastoor keek me zo gek aan. Hij begreep er geen draad van.’
‘En jij?’
‘Wat bedoel je?’
‘Begrijp jij het?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Is het voor een kruiswoordpuzzel?’
De Cock keek zijn jongere collega een tijdlang peinzend aan. ‘Ik geloof toch,’ zuchtte hij, ‘dat ik nog niet met pensioen kan.’
Vledder bloosde.
De Cock schonk zich een kop koffie in en ging lui op zijn stoel achter zijn bureau zitten. Zijn gedachten verwijlden bij Barbara, die hij woedend in het huis van haar ouders had achtergelaten. Hij vroeg zich af hoe lang ze het zou uithouden; hoe lang het zou duren voor ze weer op de Walletjes zou verschijnen. Hij hoopte dat ze hem de tijd zou geven. Tijd genoeg om de sluipende wurger te ontmaskeren.
Vledder onderbrak zijn overpeinzingen. ‘Weet je dat Vader Mattias in het gebouw is?’
De Cock sprong op. ‘Wat?’ Vledder knikte.
‘Ik zag hem zitten bij rechercheur Bierens.’
‘Wat kwam hij doen?’
Vledder haalde zijn schouders op. ‘Aangifte doen of zoiets.’
Hoewel het niet zijn gewoonte was vloekte De Cock. Hij rende de kamer uit en stormde bij Bierens binnen. Tot zijn opluchting zag hij Vader Mattias nog rustig bij het bureau zitten. Hij wachtte even tot zijn ademhaling weer op orde was en liep toen vriendelijk glimlachend op Vader Mattias toe. ‘Wat een verrassing,’ riep hij opgewekt. ‘Wie ik ook op het politiebureau verwachtte aan te treffen… u niet, Vader Mattias.’
De grijsaard stond aarzelend op. ‘Ik… ik geloof niet dat ik u al eens eerder heb ontmoet,’ sprak hij weifelend.
De Cock lachte breed. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei hij verontschuldigend. ‘Ik ben De Cock. Ik heb gisteren in de aula met grote belangstelling naar u geluisterd. Ik moet zeggen: u weet de mensen te boeien. We waren allen zeer onder de indruk.’
Vader Mattias knikte wat afwezig.
De Cock trok zorgelijke plooien in zijn gezicht. ‘U hebt toch geen moeilijkheden, hoop ik?’
‘Toch wel,’ zuchtte de oude, ‘toch wel.’
De Cock pakte hem zachtjes bij de arm en leidde hem naar de deur van zijn eigen kamer. Bierens kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn mond open van verbazing. ‘Maar…’ riep hij onthutst, ‘ik was…’
Met een stevige por in zijn zijde legde De Cock hem het zwijgen op. ‘Vader Mattias heeft recht op een prima behandeling,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik zal mij zijn moeilijkheden persoonlijk ter harte nemen.’
Het gezicht van Bierens zag rood van woede. Maar een kleine flikkering in de ogen van De Cock weerhield hem om van die woede, in het bijzijn van Vader Mattias, luidruchtig melding te maken. Hij zakte terug in zijn stoel en rukte onbeheerst een half afgemaakt proces-verbaal uit zijn schrijfmachine.
De Cock troonde Vader Mattias mee. Hij bood hem een stoel aan in zijn eigen kamer. ‘Gaat u zitten,’ zei hij hoffelijk, ‘en vertel mij van uw moeilijkheden.’ Hij zette zich breed achter zijn bureau. ‘Ik kom aangifte doen,’ zei de oude.
De Cock knikte. ‘Tenslotte…’ zei hij aarzelend, ‘tenslotte draagt de overheid het zwaard niet tevergeefs.’
Vader Mattias keek op. ‘Bent u godsdienstig?’
De Cock glimlachte. ‘U zou mij een verloren zoon kunnen noemen,’ sprak hij op een wat verontschuldigende toon. ‘Ik ben door de jaren heen wat afgedwaald.’
‘Dat is jammer,’ zei Vader Mattias. ‘Mensen in uw beroep zouden Gods hulp best kunnen gebruiken.’
De Cock knikte. ‘U hebt gelijk,’ zei hij ernstig. ‘Rechercheurs zouden zich meer in de godsdienst moeten verdiepen.’ Hij gebaarde met een zucht. ‘Vroeger was ik een redelijk goed bijbelkenner. In mijn jeugd las ik graag in Gods Woord. Maar zoals ik al zei: ik ben wat afgedwaald.’ Zijn gezicht kreeg een peinzende uitdrukking. ‘Van de week werd ik mij dat pijnlijk bewust. Er schoten mij namelijk de eerste woorden van een tekst binnen. Eh… het begint zo…: zij-is-gevallen, zij-is gevallen…’ Hij grinnikte wat verlegen en haalde zijn schouders op. ‘Verder… verder weet ik het niet.’
Vader Mattias glimlachte. ’Zij is gevallen, zij is gevallen… Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gekrenkt.’ Zijn sonore stem galmde door de kamer.
Het gezicht van De Cock klaarde op. ‘Dat is het!’ riep hij opgewekt. ‘Daar heb ik nu de hele week over lopen denken. Ik heb er zelfs mijn oude bijbel voor opgeslagen, maar ik kon het nergens vinden.’
Vader Mattias keek hem vriendelijk aan. Zijn lichtgrijze ogen namen hem scherp op en om zijn dunne lippen speelde een geheimzinnig lachje. ‘Openbaringen,’ zei hij geamuseerd. ‘Openbaringen veertien, vers acht.’
De Cock knikte vaag. ‘Openbaringen,’ herhaalde hij peinzend. Vader Mattias schoof zijn stoel wat dichterbij. Hij genoot kennelijk van De Cocks onwetendheid.
‘Het is het laatste boek van het Nieuwe Testament,’ legde hij uit. ‘Een vreemd boek.’ Hij stak waarschuwend een vinger omhoog. ‘Ik zou u niet aanraden om u daarin te veel te verdiepen.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom niet, Vader Mattias?’
‘Het boek Openbaringen bevat vele verborgenheden. Het heeft al dikwijls aanleiding gegeven tot vreemde speculaties. De meeste schriftonderzoekers weten er geen raad mee. Openbaringen is een duister boek.’
De Cock beet op zijn onderlip. ‘Dat klinkt mij wat tegenstrijdig in de oren,’ zei hij na een poosje.
Vader Mattias schudde het hoofd. ‘Het zijn openbaringen voor hen die naar verborgenheden zoeken,’ zei hij plechtig.
De Cock knikte vaag en liet zijn blik lange tijd op de grijsaard rusten. De rimpels in zijn voorhoofd trokken zich samen en om zijn mond verscheen een smartelijke trek. ‘Zo is het,’ zuchtte hij. ‘Openbaringen-voor-hen-die-naar-verborgenheden-zoeken. Zo is het. U bent een wijs man, Vader Mattias. Het is alleen jammer dat zelfs wijze mannen soms horende doof en ziende blind zijn.’
De oude grijsaard keek hem onderzoekend aan.
‘Ik weet het niet,’ zei hij wat aarzelend, ‘maar ik heb zo’n vaag gevoel dat u mij iets wilt openbaren; dat u bezig bent mij iets duidelijk te maken.’ Hij schoof onrustig op zijn stoel heen en weer. ‘Uw bijbelkennis is lang niet zo verzonken als u mij hebt willen doen geloven.’
‘Nee,’ zuchtte De Cock, ‘ik heb u misleid.’
De oude keek hem verwonderd aan. Hij scheen pijnlijk getroffen. ‘Waarom rechercheur,’ vroeg hij, ‘zou u een oude man misleiden?’
De Cock slikte. ‘Ja,’ zei hij loom, ‘waarom?’ Hij streek met zijn hand langs zijn gezicht. ‘We zouden… we zouden elkaar in deze wereld onomwonden de waarheid kunnen zeggen. We zouden onze medemensen openhartig en zonder achterdocht kunnen benaderen, wanneer onze wereld goed was. Ik bedoel: beter dan nu. Maar…’ Hij maakte zijn zin niet af en kwam langzaam uit zijn stoel overeind.
‘Dit is een moeilijk onderhoud voor mij,’ ging hij ernstig verder. ‘U moet dat geloven. Het behoort tot mijn beroep mensen te verhoren. Het is mijn vak. Ik heb nooit minachting gevoeld voor mijn tegenstanders, maar er zijn er maar weinigen geweest die ik bewonder. U, Vader Mattias, bewonder ik. Ik bewonder u om uw moed. Ik heb altijd bewondering gehad voor mensen die voor hun overtuiging durven uitkomen en trachten volgens die overtuiging te leven en te handelen. Daar… daar is moed voor nodig. Daarom zou ik ook graag…’ De Cock zweeg abrupt. Hij keek naar het fijnbesneden gezicht van de oude man en ontdekte de mildheid die uit zijn grijze ogen straalde. De ontdekking deed hem pijn. Ineens overspoelde hem een gevoel van medeleven, van medelijden. Hij liep van achter zijn bureau naar het raam, staarde naar buiten, maar zag niets. Er hing een waas voor zijn ogen en zijn handen trilden. Een tijdlang bleef hij zwijgend staan. Eerst toen hij zich weer volkomen in bedwang had, draaide hij zich om en keek de oude man vertederd aan.
‘Mensen zoals u, Vader Mattias,’ zei hij met trillende stem, ‘worden vaak wat zonderling geacht.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet zo erg, want dat is meestal een kwestie van onbegrip.’ Hij zuchtte. ‘Maar ze zijn soms ook wat wereldvreemd. En dat is wel erg, want met die wereld hebben zij te maken. Ook u, Vader Mattias. U behoeft het kwaad van de wereld niet ver te zoeken. Het is niet nodig dat u daarvoor naar de Walletjes trekt. Het komt vanzelf bij u.’ Hij liep langzaam op de grijsaard toe en legde een hand op zijn magere schouder. ‘Wat moet ik u nog meer zeggen?’ zei hij treurig. ‘Ga naar huis. Vanmiddag komen wij bij u om de diefstal van het geld te onderzoeken.’ De grijsaard kwam moeizaam overeind en strompelde naar de deur. Halverwege draaide hij zich om. ‘U spreekt in raadselen,’ zei hij. Het was een laatste poging om in onwetendheid te vluchten.
De Cock schonk hem een droeve grijns. ‘Ik dacht zo,’ zei hij, ‘dat ik duidelijk genoeg was geweest.’
De oude man keek hem nog enige ogenblikken verstrooid aan. Toen draaide hij zich weer om en liep verder.
De Cock keek hem na. ‘Tot ziens, Vader Mattias,’ fluisterde hij. De oude hoorde hem niet.
Vledder kwam uit de hoek van de kamer vandaan. Hij had daar al die tijd al gestaan. Tijdens het gehele onderhoud met Vader Mattias had hij zich niet verroerd en geen woord gezegd. Hij had geluisterd en getracht ergens een lijn te vinden. Hij had de spanning van het gesprek gevoeld en begrepen dat er meer was gezegd dan een oppervlakkige beschouwing van de gesproken woorden deed vermoeden. Het leek alsof hij dwaalde in een doolhof, een doolhof van gedachten. Hoe hij ook peinsde, steeds botste hij tegen een muur die zijn gedachtegang onderbrak. Maar ergens moest een uitweg zijn, een kronkelend pad dat naar de oplossing voerde.
Hij keek naar het gezicht van De Cock, die kennelijk in gedachten verzonken midden in de kamer stond. Vledder had zo’n vaag vermoeden dat De Cock het al wist, dat achter het gerimpeld voorhoofd de weg reeds was uitgestippeld. Hij trachtte iets van het gezicht te lezen, maar het gelaat van De Cock was een effen masker zonder uitdrukking.
‘Heeft rechercheur Bierens je verteld dat Vader Mattias voor een diefstal kwam?’
De Cock, gestoord in zijn overpeinzingen, kneep zijn ogen even dicht. ‘Hoezo?’ vroeg hij.
‘Ik heb er Vader Mattias niet over gehoord.’
De Cock keek hem verward aan. ‘Heeft de oude man het niet gezegd?’
‘Nee, absoluut niet. Hij heeft met geen woord over een diefstal gesproken.’
De Cock schudde langzaam het hoofd. ‘Ik wist het ook niet van Bierens,’ zei hij.
‘Niet… van Bierens?’
‘Nee,’ zuchtte De Cock, ‘niet van Bierens.’
Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Maar…’ stamelde hij, ‘als noch Bierens, noch Vader Mattias je het hebben verteld, hoe wist je het dan?’
De Cock grijnsde. ‘Dat zal ik je later nog wel eens uitleggen.’
Hij keek naar het beteuterde gezicht van zijn jonge collega en lachte. ‘Gun een oude man een geheimpje,’ zei hij, ‘en schenk nog eens een kop koffie in.’
Vledder deed wat er van hem verlangd werd. Hij liep naar het morsige gaskomfoortje en vulde de koppen. Het zat hem dwars dat De Cock hem niet in vertrouwen nam. Sinds hij met hem op pad was, had hij steeds het gevoel dat hij er niet bij hoorde, dat hij buiten het eigenlijke onderzoek stond. De Cock deed geen achterbakse dingen. Hij mocht overal bij zijn. Hij mocht de verhoren beluisteren en aantekeningen maken. Als hij wilde, kon hij er alleen op uit trekken. De Cock verbood hem niets. Integendeel, hij was joviaal, vriendelijk en liet hem volkomen vrij. Maar hij maakte hem geen deelgenoot van zijn gedachten. En dat verdroot hem. Hij wilde graag iets leren van de grote man, over wie in recherchekringen de wonderlijkste verhalen de ronde deden. Maar hij leerde niets, althans, hij begreep het niet. En dat ergerde hem. Hij pakte de beide koppen op en zette ze met een nors gezicht op het bureau.
De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Wat is er, m’n jongen?’ zei hij vriendelijk. ‘Zint het je niet?’
Vledder ging tegenover hem zitten. De norse trek op zijn gezicht was nog niet verdwenen. ‘Nee,’ zei hij nukkig, ‘het zint mij niet. O, geloof me, ik vind het een voorrecht om met je samen te werken en je verhoren bij te wonen, maar omdat ik jouw gedachtegang niet ken, ontgaat mij de zin. Ik kan het niet volgen.’
‘En? Is dat mijn schuld?’
‘Ja… ik… eh…’
De Cock boog zich naar hem toe. ‘Luister eens, vriend Vledder,’ zei hij ernstig, ‘als ik jou precies zou vertellen hoe je moet denken, hoe je bepaalde voorvallen en uitdrukkingen moet interpreteren, dan bestaat er een grote kans dat je geestelijk tegen mij aan gaat leunen. En dat wil ik niet. Ik wil geen marionet van je maken. Ik wil dat je zelfstandig denkt, dat je je eigen gedachten ontwikkelt. Ook denken is een kwestie van oefening. Je weet van deze moorden net zoveel als ik. Je hebt dezelfde dingen gezien en gehoord. Als jij vermoedt dat ik dichter bij de oplossing ben dan jij, is dat voor jou een reden te meer om je in te spannen. Denk, m’n jong. Probeer de stukjes van de legpuzzel inéén te passen. Pijnig je arme hersentjes maar af.’
Vledder zuchtte. ‘Je vertelt me dus niets?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nu niet,’ zei hij. ‘Nu niet. Misschien later, als… als we de dader hebben ontmaskerd.’
Vledder grijnsde. ‘Als…’
De Cock stond op en trok zijn jas aan. ‘Kom, vriend,’ zei hij gelaten, ‘we gaan naar Vader Mattias. Hij zal inmiddels wel thuis zijn.’
Ze stonden beiden op de stoep van het huisje aan de Westermarkt en belden. Vader Mattias deed zelf open. Hij ging hen zwijgend voor naar een rommelige zitkamer. De rechercheurs keken wat verbaasd rond. Het viel direct op dat in het huis al jaren een regelende vrouwenhand ontbrak. Het zag er verwaarloosd uit. Het groezelige behang hing aan flarden van de muur. Hier en daar stonden vuile borden en kopjes en het dressoir zag grijs van het stof. Midden in de kamer, op een afgetrapt vloerkleed, stonden een paar oude fauteuils. De bekleding was versleten, het bloemmotief vervaagd. Het bood een troosteloze aanblik. In een van de fauteuils, met zijn benen op een laag tafeltje, zat een zwaargebouwde jongeman te lezen.
‘Dat,’ zei Vader Mattias, ‘is mijn zoon Tobias.’
De jongeman legde het boek op het tafeltje en stond glimlachend op. ‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij vriendelijk.
De Cock schudde hem de hand. ‘Dank je,’ zei hij, ‘heel goed.’ Tobias keek hem geamuseerd aan. ‘U was op de begrafenis,’ zei hij kinderlijk verheugd. ‘Ik heb u gezien in de aula.’ Hij schudde mistroostig het hoofd. ‘Arme Gonny.’ Hij zweeg even en staarde wat dromerig voor zich uit. ‘Maar Gods genade is groot.’
De Cock knikte. ‘Hebt u haar gekend?’ vroeg hij.
De jongeman bewoog heftig het hoofd, zette zich in postuur en dreunde het op als een van buiten geleerd lesje: ‘Gonny, bijnaam Bleke, afkomstig uit Rotterdam, dochter van een brigadier van politie, hervormde godsdienst, ongehuwd, geen kinderen, acht jaar in het leven, geleend… ’
Vader Mattias stak bezwerend zijn hand op. ‘Zo is het genoeg,’ zei hij streng. Tobias boog beschaamd het hoofd.
Vader Mattias legde zijn hand op zijn schouder.
‘Tobias is een lieve jongen,’ zei hij vertederd, ‘en een grote steun.’ Het gezicht van de jongeman klaarde op.
‘Ga maar naar boven,’ zei de grijsaard, ‘naar je eigen kamer en neem het boek mee.’
Tobias gehoorzaamde bereidwillig. Hij pakte het boek van tafel, klemde het onder zijn arm en verliet de kamer. De scherpe ogen van De Cock hadden het boek goed opgenomen. Het was een oude Statenbijbel.
Vledder wendde zich tot Vader Mattias. ‘Waar,’ vroeg hij, ‘haalde Tobias al die gegevens over Bleke Gonny vandaan? Hij zei zelfs dingen die ik niet wist.’
Vader Mattias glimlachte. ‘Uit de klapper,’ zei hij.
‘Klapper?’ vroeg Vledder verbaasd.
De oude knikte. ‘Ja,’ zei hij, ‘de klapper. Ziet u, ik doe het evangelisch werk al jaren. In het begin kon ik de meisjes van de vlakte nog wel uit elkaar houden. Het waren er ook nog niet zoveel die ik bezocht. Maar zo langzamerhand werd hun aantal groter. Ik heb toen een klapper gekocht, waarin ik de namen noteerde.’ Hij glimlachte verlegen. ‘Ik heb een slecht handschrift. Het was op het laatst niet meer te lezen. Vorig jaar heeft Tobias een nieuwe klapper aangelegd. Hij schrijft duidelijker dan ik. Bovendien heeft hij een fantastisch geheugen.’ Hij glimlachte opnieuw. ‘U hebt het zelf gemerkt. Hij kent praktisch de hele klapper uit zijn hoofd.’
‘Hoe komt u aan de gegevens,’ vroeg Vledder. De grijsaard maakte een handgebaar.
‘Uit persoonlijke gesprekken,’ zei hij. ‘De meisjes vertellen van hun nood en ik tracht hen te helpen. Soms leen ik ze geld om uit de moeilijkheden te raken. In andere gevallen ben ik slechts de trooster.’
Vledder knikte.
‘Mag ik die klapper eens zien?’ vroeg De Cock.
‘Jazeker.’
Vader Mattias scharrelde naar een oud bureautje dat in een hoek bij het raam stond en diepte uit een der laden een klapper met een alfabetische indeling op. ‘Ze staan geboekt onder hun voornaam,’ zei hij, ‘althans, hun roepnaam. De familienamen interesseren mij niet. Het gaat mij om het meisje en om haar ziel.’
De Cock knikte traag. ‘Ik begrijp het,’ zei hij.
Samen met Vledder nam hij de klapper door en vond vele bekende namen en frappante bijzonderheden. Het was alles heel duidelijk geschreven in een typisch, nog karakterloos schoolschrift. Het schrift van een dertienjarige. Toen ze de klapper geheel hadden doorgebladerd, vroeg Vledder of Vader Mattias hem aan de politie wilde afstaan.
De Cock kwam onmiddellijk tussenbeide. ‘Nee,’ zei hij nadrukkelijk, ‘dat mogen wij niet verlangen. De klapper en alles wat erin staat is het eigendom van Vader Mattias. Het zijn vertrouwelijke mededelingen, niet aan ons, maar aan Vader Mattias verstrekt. We hebben daar geen recht op.’
Hij wierp Vledder een waarschuwende blik toe en gaf de klapper aan de grijsaard terug.
‘Ik doe er ook, eerlijk gezegd, niet graag afstand van,’ zei de oude. ‘Er staan een paar gevallen in, waarbij ik met Gods hulp tot resultaten ben gekomen en meisjes uit de prostitutie heb gered. Het zijn er niet veel, maar die gevallen zijn mij dierbaar. Wanneer ik eens door zwakte mijn evangelische werk dreig op te geven, dan zijn die paar gevallen mij een troost en een stimulans om verder te gaan.’
‘Want er zal blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert,’ declameerde De Cock, ‘méér dan over negenennegentig rechtvaardigen die de bekering niet van node hebben.’ Vader Mattias keek hem hoofdknikkend aan. ‘Het evangelie van Lucas,’ zei hij plechtig, ‘hoofdstuk vijftien, vers zeven.’
De Cock glimlachte. ‘Dat weet ik zo niet,’ zei hij. ‘Ik ben beter thuis in wetsartikelen.’
Vader Mattias reageerde niet. Hij borg de klapper terug in de lade van zijn bureau.
De Cock kwam een stap dichterbij. ‘Is dit het bureau, waaruit het geld is gestolen?’ vroeg hij.
De oude knikte. ‘Ja,’ zei hij, ‘uit deze lade.’
Hij trok de onderste lade van het bureau open en pakte daaruit een grote, gele enveloppe.
‘Ik berg mijn geld altijd in deze enveloppe,’ zei hij. ‘Het is niet mijn gewoonte het elke dag te tellen, maar gisteren heb ik het wel gedaan. Ik moest namelijk een betaling doen en…’
‘Ja, ja,’ onderbrak De Cock. ‘En…?’
‘Ik miste honderd gulden.’
‘Sinds wanneer? Ik bedoel, wanneer hebt u het geld vóór gisteren het laatst geteld?’
‘Vorige week,’ zei de oude. ‘Ja, vorige week. Ik meen op zaterdag.’
‘Miste u toen ook al geld?’
‘Ja,’ zei de oude timide, ‘honderd gulden, tenminste, dat neem ik aan.’ Hij maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Ik ben nogal nonchalant… slordig. Ziet u, eigenlijk interesseer ik mij niet voor geld.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘Er zijn anderen,’ zei hij verbeten, ‘die zich er wel voor interesseren. U had dit moeten bedenken, Vader Mattias. Uw slordigheid heeft nu heel wat onheil gesticht.’
De oude boog het hoofd. ‘Ik… ik heb er niet bij nagedacht.’
Opnieuw overspoelde De Cock een golf van medelijden.
‘Hoe laat telde u het geld?’ vroeg hij op een veel mildere toon.
De oude keek op. ‘Gisteren?’
‘Nee, vorige week zaterdag.’
‘O, dat was in de middag. Ik dacht om een uur of twee.’
De Cock knikte. ‘In totaal mist u nu dus tweehonderd gulden?’
‘Ja,’ zuchtte de oude, ‘tweehonderd gulden.’
De Cock streek met zijn hand langs zijn ogen. Het was een gebaar van lichamelijke vermoeidheid. Maar zijn geest was helder. In zijn gedachten zag hij elk facet; de motieven en… op dit moment misschien wel het belangrijkste… de bewijsvoering. ‘Mag ik het geld eens zien?’ vroeg hij.
Vader Mattias bukte zich naar de onderste lade van het bureau en gaf hem de enveloppe.
‘U weet hoeveel geld erin zit?’ De oude knikte.
De Cock liep naar een van de fauteuils en ging zitten met de rug naar Vader Mattias gekeerd. Ook Vledder zag niet wat hij deed. Na een paar minuten kwam hij terug en legde de enveloppe op het bureau. ‘Telt u het nog eens na,’ zei hij.
De oude deed wat er van hem verlangd werd. ‘Klopt het?’
‘Ja,’ zei de oude, ‘het klopt.’
De Cock zuchtte. ‘Nu moet u eens goed naar me luisteren,’ zei hij. ‘Van nu af aan telt u elke dag het geld. Laten we zeggen, elke avond om een uur of acht. Ja?’
‘Zoals u wilt.’
De Cock keek hem aan. ‘Zo wil ik het,’ zei hij streng.
De oude knikte traag. Hij scheen wat verdoofd. Het leek net alsof hij het niet helemaal begreep.
De Cock stak een vinger omhoog. ‘Zodra u merkt,’ ging hij verder, ‘dat er geld is verdwenen, belt u mij onmiddellijk op. Ik zal u mijn telefoonnummer geven.’
‘Ik bel u onmiddellijk op,’ zei de oude mechanisch.
‘Heel goed, Vader Mattias,’ zei De Cock. ‘Ik verwacht van u dat u dat zult doen. Het is de enige manier om de dief te ontmaskeren.’
De oude keek hem wat treurig aan. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zei hij. ‘Ik weet niet of er wel een dief is. Ik heb het u al gezegd, ik ben zo nonchalant met geld. Het kan best zijn dat er niets weg is, dat ik mij eenvoudig heb vergist.’
De Cock legde zijn hand op de tengere schouders van de grijsaard. Hij voelde hoe het oude lichaam beefde.
‘Vader Mattias,’ zei hij met trillende stem. ‘U wilt uw geweten toch niet meer belasten? U weet dat er een dief is. U weet zelfs dat hij terug zal komen om opnieuw geld van u te stelen. En… en u weet ook waarvoor hij dat geld nodig heeft.’