12

De Cock sprong behendig vanaf de wallenkant op de kop van een oude schuit en liep door het gangboord naar achteren. Vledder volgde hem. Op de achterplecht lag het lijk van een man. Goor grachtenwater sijpelde uit zijn kleren, vormde kronkelende riviertjes op het dek. Achter het lijk stonden twee broeders van de Geneeskundige Dienst met een opgeheven brancard. Een jonge diender stapte naar hem toe.

‘Een bewoner van deze schuit zag hem drijven. Ik heb toen de Geneeskundige Dienst gewaarschuwd. Die hebben hem uit het water gevist. Er was nogal belangstelling van het publiek en een man zei: “Waarschuw rechercheur De Cock, die loopt naar die vent te zoeken.”’

‘Wat was dat voor een man?’

De diender trok zijn schouders op.

‘Ik ben in de drukte vergeten zijn naam te noteren. Hij was ook zo weer weg.’

‘Hoe zag hij eruit?’

‘Een iel mannetje met een muizensmoeltje.’

De Cock glimlachte.

‘Dan vind ik hem wel.’

Hij hurkte bij de dode neer. Het was Rooie Bakker, zonder twijfel. Hij was duidelijk herkenbaar. Het vuile grachtenwater had zijn gelaat nauwelijks aangetast. De Cock knoopte de overjas van de dode los. Daarna trok hij het colbert aan een van de revers iets open. In het witte overhemd zaten drie donkerrode bloedvlekken, bij elkaar, in een groepje rond het hart.

Vledder hurkte naast hem neer.

Vermoord,’ hijgde hij. ‘Net als de anderen.’

De Cock knikte traag. Een moe gevoel van onmacht overviel hem. Hoe vaak zou de moordenaar nog toeslaan? Hoeveel doden zou hij nog moeten aanschouwen voor hij hem eindelijk had gevonden? Hij kwam langzaam overeind. Zijn knieën kraakten.

‘Is de lijkschouwer al geweest?’

De jonge diender knikte en raadpleegde zijn boekje.

‘Het was een vreemd oud manneke, dokter Den Koninghe. Hij zei dat de man dood was.’

De Cock schonk hem een wrange grijns. ‘Bedankt.’

Hij wenkte de broeders. Breng hem naar het sectielokaal.’

De mannen knikten als een tweeling, legden de brancard naast de dode neer, schoven hem bekwaam op het bruine canvas en sjorden hem vast. Wiegend droegen ze hem door het gangboord naar de ambulancewagen op de Oude Waal.

De Cock keek hen na. Rooie Bakker was een rat. Een van de vele ratten die in de Amsterdamse misdaadjungle aan de kost probeerden te komen. Hij zuchtte, wreef met een vlakke hand over zijn gezicht. Zo’n dood had hij Rooie Bakker niet gegund. Wat gebogen liep hij achter Vledder naar de wallenkant. Soms was hij geneigd zelfs van ratten te houden.

Vledder wees naar de wegrijdende ambulancewagen.

‘Zal ik meegaan naat het sectielokaal?’

De Cock knikte.

‘Laat hem ontkleden en neem al zijn bezittingen mee. Denk om zijn agenda en kijk of ook hij een plattegrond van Amsterdan bij zich heeft.’

‘En dan?’

‘Dan ga je met je spulletjes naar de Kit en vraag je of Fred Prins met je meegaat. Misschien kun je nog een paar rechercheurs charteren.’

‘Waarvoor?’

De Cock wees om zich heen.

‘Om te zoeken. Onze moordenaar lijkt mij niet het type om lang met een lijk rond te zeulen. Dat is volgens mij ook niet gebeurd. Rooie Bakker moet hier ergens in de buurt zijn neergeschoten en daarna in het water zijn gegooid. Ik schat dat de hulzen hier ergens aan de wallenkant liggen. En als je die hebt gevonden, dan doe je in de omgeving van de vindplaats een buurtonderzoek. Of men iets heeft gezien… knallen heeft gehoord.’

Vledder knikte begrijpend.

‘En jij?’

‘Ik ga naar Lowietje.’

Vledder keek demonstratief op zijn horloge. ‘Het is te vroeg voor cognac.’

De Cock keek hem aan. Secondenlang. Op zijn gezicht lag een droevige trek. Zonder iets te zeggen draaide hij zich om en slenterde de Oude Waal af.


Smalle Lowietje streek met zijn handen over zijn vest. Hij keek somber.

‘Ik kwam net van mijn oude moeder aan de Kalkmarkt en zag hoe ze hem uit de Oude Waal opvisten.’

‘En toen heb je tegen die diender gezegd dat ik belangstelling voor hem had.’

De Smalle keek hem bezorgd aan.

‘Dat is toch zo?’

De Cock knikte bemoedigend.

‘Ik had hem nodig als getuige in een moordzaak.’

‘En nu is hij dood.’

‘Vermoord… drie kogels in zijn borstkast.’

De caféhouder snoof.

‘Ze vallen als kegeltjes tegenwoordig.’

De Cock verschoof iets op zijn kruk.

‘Vind je het vreemd?’

Smalle Lowietje schudde bedaard het hoofd.

‘Rooie Bakker heeft in zijn leven een heel legertje vijanden gekweekt. Daar was hij voortdurend mee bezig. Hij heeft heel wat mensen angstige uren bezorgd. Dat doe je op den duur niet ongestraft. Er is er altijd wel eentje die het niet langer pikt.’

De Cock staarde voor zich uit.

‘Jij zei toch dat hij binnenkort een geweldige klapper zou maken?’ De Smalle knikte overtuigend.

‘Dat hoorde ik van Zwarte Jopie. Hij had een goudmijntje aangeboord. Het mannetje moest alleen nog even over de brug komen.’ De Cock grijnsde vals.

‘Misschien kwam hij wel over de brug… de brug over de Oude Waal… een pistool in de hand.’ Hij kauwde nadenkend op zijn onderlip. ‘Zit Zwarte Jopie nog steeds in de Oude Kennissteeg?’ Smalle Lowietje strekte zijn arm.

‘Naast het pandje van Brabantse Gonny. Boven. Je moet dat blauwe stoepje hebben met dat smalle deurtje. Ik denk wel dat ze nu thuis is.’

‘Weet ze het al?’

Lowietje trok zijn schouders op.

‘Misschien… misschien hebben ze het haar al verteld.’

De Cock liet zich van zijn kruk glijden.

‘Hoe groot was de liefde tussen die twee?’

Smalle Lowietje keek mistroostig.

‘Wat heet “liefde” bij die gasten?’


De Cock hees zijn negentig kilo het gammele trapje op. De wat vermolmde treden kreunden onder zijn gewicht. Hij klopte niet aan, maar stapte brutaal naar binnen.

Zwarte Jopie zat in haar peignoir voor een gaskacheltje met acht staven. Ze leek door zijn komst niet in het minst geschokt. Met een brede glimlach om haar lippen keek ze naar De Cock op. ‘Kom je als stille[9] of als klant?’

De Cock ging tegenover haar zitten.

‘Ik zal de keuze maar niet aan jou overlaten.’

Ze duwde haar borsten iets omhoog en keek hem verleidelijk aan.

‘Je weet niet wat je mist.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Wat mis jij…’ Hij verstomde, hield zijn blik strak op haar gericht.

Haar gelaatsuitdrukking veranderde. De plotselinge ernst op het gezicht van de rechercheur verwarde haar.

‘Hoe bedoel je?’

De Cock slikte, schatte haar weerstand.

‘Wat mis jij… als ik je vertel dat wij Rooie Bakker uit de Oude Waal hebben gevist?’

Ze sperde haar ogen wijdopen.

‘Is hij dood?’

De Cock liet zijn hoofd wat zakken.

‘Vermoord.’

Ze leunde in haar stoeltje achterover. Haar gezicht werd bleek onder een overdadige make-up.

‘Ik had het wel gedacht,’ lispelde ze. ‘Ik had het wel gedacht. Ik had het wel gedacht.’

Ze herhaalde het als een echo.

‘Wat?’

‘Dat ze hem koud zouden maken.’

‘Wie?’

Ze spreidde haar armen.

‘Je weet toch hoe die Rooie Bakker leefde? Van vieze centjes. “Mister List en Bedrog”, werd hij genoemd. Het was gewoon een gore rat. Meer niet. Hij heeft zelfs mij te grazen gehad. Geld van mijn moeder, dat…’

De Cock onderbrak haar.

‘Hij zou toch binnenkort een geweldige klapper maken?’

Ze kwam naar voren. Levendig. Onder haar make-up kreeg haar gezicht weer kleur. Het leek alsof ze haar verdriet nu al had verwerkt. Ze schudde haar hoofd. Vol medeleven.

‘Ach,’ sprak ze geringschattend, ‘ik ken die Rooie al heel lang. Ik ben ook vroeger een paar jaren met hem omgegaan. Bakker had altijd grote verhalen… over geweldige klappers… over goudmijntjes… over mannetjes, superdik in hun slappe was, van wie hij dan weer iets wist dat het daglicht niet kon velen. Begrijp je, hij leefde altijd in fantasieën.’ Ze zweeg even. Er kwam een zweem van vertedering op haar gezicht. ‘Ik zou liegen… ik heb het nooit slecht bij hem gehad. Echt niet. Hij had altijd wel zijn brood… maar echt groot is hij nooit geworden.’

De Cock liet zijn blik door het kamertje dwalen. Op een peuterig dressoirtje stond een portret van Rooie Bakker in zijn beste jaren.

‘Ik zoek zijn moordenaar, Jopie,’ sprak hij kalm. ‘De man, die hem drie kogels door zijn bast joeg. En daar heb ik jouw hulp bij nodig. Ik acht het helemaal niet uitgesloten dat die geweldige klapper, waarvan Rooie Bakker droomde, daar iets mee te maken heeft.’

Ze knikte traag.

‘Dat zou kunnen.’

De Cock schoof zijn stoel wat dichter naar haar toe. ‘Wat heeft hij jou verteld?’

Ze bracht trillend een hand naar haar mond en plotseling waren er tranen. Ze drupten uit haar zwartomrande ogen op de glanzende stof van haar peignoir.

‘Arme Rooie… weet je, De Cock… hij was zo zeker van zichzelf… dit keer. Het kon gewoon niet misgaan.’

‘Wat?’

Zwarte Jopie had zich weer in bedwang. Ze haalde een verfrommeld zakdoekje uit haar mouw en depte haar ogen. ‘Die vent had gezegd dat hij de foto’s graag in zijn bezit had en dat ze hem wel een ton waard waren.’

‘Wat voor foto’s?’

Ze zuchtte.

‘Foto’s van die vent in vrouwenkleren. Rooie Bakker had ze ’s avonds van hem gemaakt. Stiekem. Zonder dat die vent het wist. Toen bood hij ze hem te koop aan.’

‘Voor een ton?’

‘Dat wilde die vent ervoor geven.’

De Cock floot tussen zijn tanden.

‘Een hoop geld voor een paar foto’s.’

Ze trok een grimas.

‘Misschien wilde die knul voor de buitenwereld niet weten dat hij wel eens in vrouwenkleren liep.’

De Cock maakte een achteloos gebaar.

‘Er zijn heel wat travestieten.’

Ze snoof en trok haar mondhoeken iets op.

‘Als ze ervoor uit durven komen, is er niets aan de hand. Het verbaasde Rooie Bakker ook dat die vent er zoveel geld voor overhad.’ De Cock keek haar scherp aan.

‘Wie is die vent?’

Ze trok hulpeloos haar schouders op.

‘Als ik het wist dan zou ik het je zeggen, De Cock. Echt. Als Rooie Bakker het over hem had, sprak hij altijd van “het mannetje”. Ik heb zijn ware naam nooit horen noemen. Rooie Bakker deed er erg geheimzinnig over.’

‘Heb je die foto’s wel eens gezien?’

Ze schudde het hoofd.

‘Rooie Bakker zal ze wel ergens in een bankkluis hebben liggen, compleet met de negatieven. Dat was zo zijn gewoonte. Hij had nooit iets thuis.’

Er was iets in het verhaal van Zwarte Jopie dat De Cock ongeloofwaardig voorkwam. Onwaarschijnlijk, vreemd, bizar. Het bracht zijn hersens op volle toeren.

‘Wanneer zijn die foto’s gemaakt?’

‘Kortgeleden.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen samen. Hij bracht zijn gezicht dicht bij haar.

‘Waarom,’ sprak hij scherp, ‘waarom maakte Rooie Bakker juist van die vent foto’s en niet van een andere travestiet? Bovendien… hoe wist hij dat hij met een travestiet van doen had?’ Ze week iets terug. De scherpe vragen verwarden haar.

‘Dat eh… dat weet ik niet,’ stamelde ze. ‘Rooie Bakker had een gabbertje gesproken… zo’n gigolo… weet je… zo’n knul die voor geld met oudere vrouwen naar bed gaat. Van hem had bij die tip.’ De Cock werd ongeduldig. ‘En wie is dat gabbertje?’

Ze begon te huilen, boog haar hoofd en verborg haar gezicht achter haar handen.

‘Dat moet je aan die Rooie vragen… dat moet je aan die Rooie vragen…’

De Cock stond op, legde vertrouwelijk een hand op haar schouder, verliet het kamertje en ging langs de gammele trap naar beneden. Buiten ademde hij diep. Zelfs de lucht in de Oude Kennissteeg was een verfrissing.

Загрузка...