Vledder staarde geschrokken voor zich uit.
‘Die arrestatie moet dan hebben plaatsgevonden kort nadat wij uit het restaurant waren vertrokken. Het telexbericht is van elf uur vijfendertig. Ze moeten vrijwel zeker hebben geweten, dat Jozefien haar intrek in hotel De Bijenkorf had genomen.’
De Cock tilde zijn benen van het bureau en kwam met een sprong overeind.
‘Ze zijn belazerd,’ riep hij kwaad. ‘Jozefien heeft het niet gedaan.’ Vledder keek hem hoofdschuddend aan.
‘Dat kan en mag je niet zeggen. Onze collega’s van bureau Lodewijk van Deysselstraat zullen beslist wel over deugdelijke aanwijzingen beschikken. Uiteindelijk hebben zij de zaak in onderzoek.’
De Cock gromde.
Zijn gezicht leek een donderwolk.
‘Bij elke arrestatie moet sprake zijn van “een redelijk vermoeden van schuld”. Dat vereist de wet.’
Hij slenterde naar de kapstok en wurmde zich in zijn nog natte regenjas.
Vledder liep hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock zette zijn hoed op.
‘Naar de Lodewijk van Deysselstraat… vragen hoe “redelijk” hun vermoedens zijn.’
‘Héél redelijk.’ Rechercheur Pieter Arend van Wijngaarden knikte nadrukkelijk. ‘Absoluut. Wij hebben gegronde redenen om aan te nemen dat Jozefien ter Haar haar man heeft vermoord.’
De Cock keek hem doordringend aan.
‘Zelf… eigenhandig?’
Van Wijngaarden aarzelde.
‘Daar eh… daar hebben we geen directe aanwijzingen voor. Dat moet ik toegeven. Maar ze is er in ieder geval bij betrokken. We nemen aan dat zij het door een ander heeft laten doen.’
‘Een huurmoordenaar?’
Rechercheur Van Wijngaarden knikte traag voor zich uit.
‘Een huurmoordenaar,’ sprak hij bedachtzaam. ‘Inderdaad. Althans iemand die zij een grote som geld in het vooruitzicht heeft gesteld als hij op korte termijn haar man van kant maakte.’
‘Wie?’
Van Wijngaarden gebaarde vaag, streek over zijn korte kroezige haren.
‘Dat weten we nog niet. We hopen uiteraard dat Jozefien ter Haar ons in die richting wat aanwijzingen zal geven, maar tijdens haar eerste verhoor heeft ze haar mond niet willen opendoen.’
De Cock schudde geërgerd zijn hoofd.
‘Waar halen jullie in vredesnaam dat fabeltje van een huurmoordenaar vandaan?’
Van Wijngaarden glimlachte wat hautain.
‘Het is geen fabeltje. De moordenaar zou tienduizend gulden krijgen… in contanten… handzame coupures… nadat het karwei tot volle tevredenheid van zijn opdrachtgeefster was opgeknapt.’ De jonge rechercheur zuchtte. ‘Jozefien ter Haar zou dat geld al panklaar van de bank hebben gehaald. We moeten nog checken of dit ook inderdaad is gebeurd.’
De Cock spreidde zijn armen in wanhoop.
‘Hoe komen jullie aan die wetenschap?’
‘Van de ouders van het slachtoffer.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘De ouders van Jan-Willem Hoffmann?’ riep hij verwonderd.
Rechercheur Van Wijngaarden knikte gelaten.
‘Het zijn uiterst betrouwbare mensen. Dat moet ik je wel zeggen. Ik condoleerde hen met het verlies van hun zoon en vroeg, zoals gebruikelijk, of zij iets wisten dat mogelijk enig licht zou kunnen werpen op zijn plotselinge dood. Het Rembrandtpark waar hij werd gevonden, staat bekend als een trefpunt voor homofielen. Wanneer het slachtoffer, ondanks zijn huwelijk, heimelijk homofiele neigingen had, dan zou ik daar met mijn onderzoek rekening mee kunnen houden. De ouders van Jan-Willem Hoffmann, die zeer openhartig waren, zeiden mij dat zij in het karakter van hun zoon wel eens sadistische trekjes hadden ontdekt, maar van homofilie was, volgens hen, geen sprake. Toen ik daarna het gesprek bracht op hun schoondochter en kleinkinderen, kreeg ik het gevoel dat ze iets achterhielden. Er viel een sluier over hun openhartigheid. Uiteindelijk vertelden zij van een man, die hen ongeveer een maand geleden een bezoek had gebracht. De man had gezegd dat het leven van hun zoon ernstig gevaar liep. Tegen een zekere vergoeding was hij wel bereid te vertellen uit welke hoek dat gevaar dreigde.’
‘Jozefien ter Haar?’
‘Precies… de vrouw van Jan-Willem.’
De Cock grinnikte ongelovig.
‘En hoe wist die zegsman dat alles?’
Van Wijngaarden reageerde mistroostig.
‘Volgens die man zou Jozefien hem persoonlijk hebben benaderd met het verzoek het karwei voor haar op te knappen. De man had er aanvankelijk wel oren naar. Hij vond tienduizend gulden een hoop geld. Maar uiteindelijk was zijn geweten gaan spreken. Daarom was hij niet op het verleidelijke aanbod ingegaan en besloot hij de ouders in te lichten.’
De Cock streek met de rug van zijn hand langs zijn mond. Het verhaal vermaakte hem. Hij keek Van Wijngaarden glimlachend aan.
‘En wie is die vent?’
Van Wijngaarden trok wat verlegen zijn schouders op.
‘Dat weten we nog niet. Maar dat is, dacht ik, een kwestie van dagen. De ouders van Jan-Willem Hoffmann hebben ons een uitstekend signalement verschaft… een goede veertiger met een bol gezicht en dun, rood haar.’
‘Rooie Bakker.’
Van Wijngaarden keek hem ongelovig aan.
‘Rooie Bakker… ken jij hem?’
De Cock knikte traag.
‘Een rat.’
Vledder manoeuvreerde de oude politie-Volkswagen door de stad. Door de mobilofoon kraakte een bericht over een aanrijding met zwaar lichamelijk letsel. De Cock zat onderuitgezakt naast hem, zijn hoed op zijn stoppelige wenkbrauwen.
‘Rooie Bakker is altijd al een griezelige kerel geweest. Een gluiperdje van het zuiverste water. Het verbaast mij dat nog nooit iemand een stuk staal tussen zijn ribben heeft gestoken.’
Vledder kneep zijn lippen opeen.
‘Waar haal je, verdomme, de gore moed vandaan om die oude mensen zo’n verhaal te vertellen.’ Hij schudde ongelovig het hoofd. ‘En het was hun nog drieduizend gulden waard.’
De Cock schokschouderde.
‘Och, Rooie Bakker kon dat vrijwel zonder gevaar doen. Als Jan-Willem Hoffmann gewoon was blijven leven, dan was er niets aan de hand geweest. De Rooie raakte pas in moeilijkheden toen de man van Jozefien werkelijk werd vermoord. Toen werd zijn verhaal voor iedereen plotseling belangrijk.’
‘Zullen ze aan de Lodewijk van Deysselstraat Jozefien ter Haar nu vrijlaten?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Dat zullen ze zeker niet doen. Ook niet na overleg met de officier van justitie. Rechercheur Van Wijngaarden zal eerst Rooie Bakker moeten opsporen en confronteren met de ouders van Jan-Willem.’
‘En dan?’
De Cock stak een paar vingers omhoog.
‘Dan blijven er twee mogelijkheden… of Rooie Bakker blijft bij zijn verhaal, maar dan komt hij in conflict met de verklaring die hij tegen ons heeft afgelegd… of hij geeft toe dat hij aan de ouders van Jan-Willem Hoffmann een “samenweefsel van verdichtsels”[4] heeft gedaan om hen te bewegen hem een bedrag van drieduizend gulden te overhandigen. In dat geval riskeert hij een vervolging wegens smaad en oplichting.’
Om de mond van Vledder danste een grijns.
‘Rooie Bakker zit dus niet lekker.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Zeker niet. En ik gun het hem van harte. In het belang van Jozefien is het zaak dat hij zo gauw mogelijk boven water komt. Het lijkt mij in dit geval een goed idee om Handige Henkie iets in het oor te fluisteren. Hij heeft misschien meer middelen en wegen dan waarover wij kunnen beschikken.’
Vledder keek van opzij op zijn leermeester neer.
‘Ik vind het vreemd dat jij altijd zo’n grote bewondering voor die Handige Henkie hebt gehad.’
De Cock antwoordde niet direct. Hij krabde zich wat verlegen achter in de nek.
‘Gevoelens van sympathie en antipathie kun je ook in ons beroep niet altijd onderdrukken. Wij zijn geen automaten waar je een misdaad instopt en er een dader uithaalt. Mensen reageren op elkaar. Dat kun je niet vermijden. Handige Henkie is en was in mijn ogen een redelijke vent die, hoe gek het ook klinkt, zijn stiel van inbreken op een eerlijke manier uitoefende.’
Vledder lachte.
‘Waarom ging hij wel met Rooie Bakker in zee? Hij wist toch dat die niet deugde.’
De Cock kauwde op zijn onderlip.
‘Handige Henkie ging niet graag met Rooie Bakker op pad. Het is hem ook wel opgebroken. Maar hij kon wel eens niet anders. Zie je, Rooie Bakker is familie van zijn vrouw… een neef of zo.’
Ze reden een tijdje zwijgend verder. Hoe dichter ze bij de Warmoesstraat kwamen, hoe langzamer het ging. Traag schoven ze van de ene opstopping naar de andere. De Cock drukte zich wat overeind en zette zijn hoed op.
‘Ze mogen aan dat verkeer wel eens wat doen,’ snauwde hij. ‘Het stroomt helemaal niet. Het slibt gewoon dicht. Als het zo doorgaat, sterft Amsterdam nog eens aan een hartinfarct.’
Vledder negeerde de opmerking. Er lag een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Toch heb ik het gevoel dat er iets scheef zit. Dat er iets niet klopt.’
‘Waarvan?’
‘Van die moord op Jan-Willem Hoffmann. Ik heb voor alle zekerheid aan de administratie van het bureau Lodewijk van Deysselstraat een volledig afschrift van hun proces-verbaal van het onderzoek gevraagd.’
De Cock reageerde enigszins verward.
‘Wat moeten we daarmee?’ Het klonk wat kriegel. ‘Ik ga het niet lezen.’
Vledder reageerde nonchalant.
‘Oké, dan lees ik het. Zie je, van welke kant je het ook bekijkt… iemand joeg Jan-Willem Hoffmann op dat grindpad in het Rembrandtpark drie kogels door het lijf… iemand die er duidelijk belang bij had dat Jan-Willem niet langer leefde.’
De Cock knikte ernstig. ‘Dat is juist. En wie dat was… is nog een raadsel.’ Er speelden duiveltjes in zijn ogen. ‘Een raadsel voor rechercheur Pieter Arend van Wijngaarden en zijn volijvere collega’s aan de Lodewijk van Deysselstraat. Wij… van de Warmoesstraat… hebben er nog steeds niets mee te maken.’
Handige Henkie blikte naar de speurder op.
‘Ik hoorde van een collega van je, dat je naar het bureau Lodewijk van Deysselstraat was. Hoe was het? Heb je Jozefien gesproken?’
De Cock schudde het hoofd.
‘Ik heb je al gezegd, Henkie… het is mijn zaak niet.’
‘Ik zeg je: ze is onschuldig.’
‘Daar ga ik niet op in.’
‘Is Rooie Bakker dan niet bij je geweest?’
De Cock knikte.
‘Die is geweest.’
‘Nou…?’
De rechercheur ontweek zijn blik. Hij streek met zijn vingers door zijn haar.
‘Het spijt me. Ik kon met die verklaring van Rooie Bakker haar arrestatie niet ongedaan maken.’
Handige Henkie stak zijn armen omhoog.
‘Wat hebben ze dan tegen haar?’ riep hij wanhopig. ‘Ze wilden het mij niet zeggen. Hebben ze bewijzen?’
De Cock keek hem aan.
‘Rooie Bakker heeft óók een verhaaltje verteld tegen de ouders van Jan-Willem en dat verhaaltje hebben ze aan de Lodewijk van Deysselstraat nogal ernstig opgevat.’
Handige Henkie reageerde niet direct. Hij keek langs De Cock heen in een wazige verte.
‘Ik kan mij wel zo ongeveer voorstellen,’ sprak hij na een tijdje, ‘wat hij die oudjes heeft verteld. Ik weet hoe hij werkt. Ik ken al zijn smerige streken.’ Hij schudde verdrietig zijn hoofd. ‘Maar dat hij die nog eens zou toepassen op mijn eigen vlees en bloed…’ Hij maakte zijn zin niet af. ‘Hebben ze hem er nog geld voor gegeven?’
De Cock knikte.
‘Drieduizend gulden. Ze hebben Rooie Bakker nu aan de Lodewijk van Deysselstraat dringend nodig. Ze willen persoonlijk van hem horen hoe dat nu allemaal precies zit. En of hij bij zijn verhaaltje blijft. Het is natuurlijk erg belangrijk voor Jozefien.’ Hij keek op naar de ex-inbreker, een flauwe glimlach om de lippen. ‘Als je die Rooie hebt gevonden, breng hem dan zelf even naar het bureau. Levend… begrijp je, Henkie? Als je hem te veel verkreukelt, kan hij daar niet eens meer zeggen dat hij zich mogelijk heeft vergist.’
Toen Handige Henkie was vertrokken, schoof De Cock een la van zijn bureau open en diepte daaruit een paar belegen stukken op. Er was een geval van verduistering bij, dat hem nogal gecompliceerd leek. Hij had het al een tijd in behandeling en besloot het eens af te wikkelen. Moeizaam las hij de rapporten door en probeerde wegwijs te worden in een kasboek, waarin een louche boekhouder geraffineerde vervalsingen had aangebracht. Hij had geen hekel aan gevallen van verduistering en oplichting. Hij behandelde die zaken graag. Ze waren slechts van technische aard en nooit gewelddadig.
Wat hij ook deed, hij kon zijn gedachten niet bij het probleem houden. Ze dwaalden steeds weg naar een soort magisch vierkant, waarvan de hoeken werden gevormd door Rooie Bakker, Handige Henkie, dochter Jozefien en Jan-Willem Hoffmann. Het idee dat hij met de zaak niets te maken had, leek hem niet meer zo zonnig. Integendeel, hij had het beangstigende gevoel, dat zich donkere wolken boven hem samenpakten, dat hij in feite al heel diep was verwikkeld in een affaire die hem zou dwingen tot op de bodem van zijn kunnen te gaan.
De telefoon op zijn bureau rinkelde. Het verbrak zijn overpeinzingen. Hij keek wat verstrooid op. Het leek alsof het geluid van heel ver kwam. Traag ging zijn hand naar het toestel en nam de hoorn op. Het was de wachtcommandant, gehaast, met een nerveuze ondertoon in zijn stem.
De Cock luisterde. Op datzelfde moment was hij in de werkelijkheid terug. Na enkele seconden legde hij de hoorn neer. Even leek hij besluiteloos, toen pakte hij de stukken bijeen en deed ze terug in de onderste la. Langzaam kwam hij overeind, en slenterde naar de kapstok.
Vledder, bezig aan een uitgebreid rapport, keek van zijn schrijfmachine op. ‘Waar ga je heen?’
De Cock sjorde zijn regenjas vast. ‘Naar het tracé van de metro.’ Vledder leunde op zijn machine.
‘Tracé?’ zei hij niet begrijpend.
De Cock knikte en zette zijn hoed op. ‘Dat braakliggende terrein aan de Lastageweg, waar ze voor de aanleg van de metro die huizen hebben gesloopt.’
‘Wat is daar?’
‘Daar ligt een lijk.’
‘Heroïne?’
De Cock schudde het hoofd en liep naar de deur.
‘Moord,’ riep hij achterom.
Vledder kwam in beweging.