Vledder beende door de recherchekamer van het bureau Warmoesstraat. Zijn gezicht was rood. ‘Het interesseert mij geen draad,’ riep hij geërgerd, opgewonden. ‘Laat Rooie Bakker maar een flinke klapper hebben gemaakt. Ik gun hem zijn snoepreisje naar de Costa Brava. Volgens mij heeft hij met de zaak waarmee wij bezig zijn, niets te maken.’
Hij bleef bij het bureau van De Cock staan. ‘Ik interesseer mij meer voor die schrale, gedistingeerde heer, met wie Alexander Peetersen zo kort voor zijn dood nog dineerde. Zou hij de moordenaar zijn?’
De Cock toonde twijfel.
‘Theoretisch is het mogelijk. Hij zou de man kunnen zijn die Alexander Peetersen naar die fatale plek op de Lastageweg heeft gedirigeerd en neergeschoten. Hij was op tijd en niet ver weg. Laten we eens aannemen dat de ontmoeting om tien uur was gearrangeerd. Nadat Alexander Peetersen was vertrokken, kon de schrale man gemakkelijk vanuit het restaurant via de Geldersekade en de Rechtboomsloot op de Lastageweg komen. Het is meer vertoond, dat de moordenaar zich het macabere pleziertje gunde om zijn aanstaand slachtoffer vooraf een etentje aan te bieden. Als de lange schrale man de dader is, houdt dat wel in, dat Alexander Peetersen zijn moordenaar niet kende. Het is een absurde gedachte om met iemand uitgebreid te dineren en daarna een afspraak met hem na te komen op een stille afgelegen plek.’
Een dwarse denkrimpel verscheen op het voorhoofd van Vledder. ‘Zóúden Jan-Willem Hoffmann en Alexander Peetersen hun moordenaar hebben gekend?’
De Cock antwoordde niet. Hij pakte een blanco vel papier uit een la van zijn bureau en legde dat voor zich neer. Midden op het vel schreef hij DADER in blokletters; linksboven Hoffmann en rechts Peetersen. Onder aan het vel krabbelde hij in kleine letters ‘schrale man’. Hij legde de pen neer en keek op. ‘Ik heb het rapport van de wapendeskundige binnen,’ begon hij. ‘Het staat nu onomstotelijk vast dat de mannen met hetzelfde pistool zijn omgebracht. Gezien de wijze waarop de kogelinslagen bij de slachtoffers waren gegroepeerd, kunnen we gevoeglijk aannemen, dat het wapen door dezelfde man of vrouw werd gehanteerd.’ Hij tikte met zijn wijsvinger op het vel papier. ‘Het begrip DADER ligt wel vast. De moeilijkheid is, dat wij geen verbindingslijnen kunnen trekken. De vraag die onmiddellijk opdoemt is: Waarom gingen beide slachtoffers op de uitnodiging van de moordenaar in? Welke macht bezat de moordenaar om hen naar de afgelegen plekken te kunnen dirigeren? Begrepen ze iets van het gevaar dat hen bedreigde? Of gingen beiden nietsvermoedend als een schaap ter slachting?’
Vledder schoof een stoel bij.
‘We zouden de zaak ook kunnen omdraaien: Waarom koos de moordenaar juist die twee tot zijn slachtoffers? Wat was zijn motief? Stonden ze hem in de weg? Vormden ze voor hem een bedreiging?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Het zijn vragen die wij niet kunnen beantwoorden,’ zei hij triest. ‘Ik heb dan ook het akelige gevoel, dat we pas aan het begin staan… dat het einde van deze afschuwelijke affaire nog lang niet in zicht is.’
Vledder keek hem geschrokken aan.
‘Bedoel je dat er nog meer slachtoffers zullen vallen… dat er nog meer moorden zullen worden gepleegd?’
De Cock zuchtte diep.
‘Mogelijk. Zolang wij de achtergronden niet kennen, is niets voorspelbaar.’
Een tijdlang zwegen beiden. Een defecte tl-buis zoemde boven hun hoofd en buiten op straat lalde een dronken sloeber een droevig lied.
De Cock staarde omhoog, naar het plafond, naar een zware houten draagbalk, die ver was ingescheurd. Het oude bureau moest maar eens instorten, bedacht hij somber. De Warmoesstraat is altijd maar een leed en misdaad verwerkende fabriek geweest.
Het was Vledder die het zwijgen verbrak. Hij hield een wijsvinger voor de neus. ‘Als die lange schrale man uit het restaurant niet de moordenaar is, dan bestaat de mogelijkheid dat Alexander Peetersen tijdens het diner met hem over zijn aanstaande ontmoeting op de Lastageweg heeft gesproken.’
De Cock trok een grimas.
‘Ik zou ook graag een babbel met hem maken. Misschien brengt hij ons op het goede spoor.’
‘Als we weten wie hij is.’
De Cock knikte voor zich uit.
‘Dat is inderdaad een probleem. In ieder geval zoekt onze schrale man de anonimiteit niet. Terwijl de moordenaar voor zijn ontmoetingen duistere plekken prefereert, gaat hij onbevangen met Alexander Peetersen in een openbare gelegenheid dineren.’
Vledder glimlachte.
‘Blijkbaar heeft hij geen reden om zich te verbergen.’
‘Precies. Hij doet niet geheimzinnig. De identiteit van de man moet te achterhalen zijn. Bel straks het signalement van hem door aan rechercheur Van Wijngaarden aan de Lodewijk van Deysselstraat. Hij kan dan aan Jozefien vragen of de beschrijving van de man haar iets zegt.’
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
‘De schrale man dineerde met Alexander Peetersen… niet met Jan-Willem Hoffmann.’
De Cock grijnsde hem spottend toe.
‘Jozefien was met Alexander Peetersen bevriend, herinner je je dat? Zeer intiem. Ze zal beslist mensen uit zijn omgeving kennen.’ Hij sloeg met zijn vlakke hand op het vel papier voor zich. ‘Bovendien zoek ik naar verbindingen, overeenkomsten… overeenkomsten tussen beide slachtoffers.’ Hij gebaarde naar Vledder. ‘Heb je de fraaie agenda’s van beide heren nog vergeleken?’
‘Dat heb ik. Maar er was niets bij.’
‘En de telefoonnummers?’
‘Hoe bedoel je?’
De Cock reageerde wat ongeduldig.
‘De gebruikelijke telefoonnummers in hun agenda… was daar een gezamenlijk nummer bij? Ik bedoel een telefoonnummer dat ze allebei in hun agenda hadden genoteerd?’
Vledder knikte traag.
‘Zo’n nummer was er.’ Hij grabbelde een verfrommeld blocnotevelletje uit een van de zijzakken van zijn colbert. ‘Ik heb het opgeschreven.’ Hij streek het papiertje glad. ‘Het is een Amsterdams nummer: 2990216.’
De Cock kwam met een ruk overeind.
‘Waarom heb je mij dat niet verteld?’
Vledder haalde zijn schouders op.
‘Je hebt er niets aan.’
De Cock keek fronsend op hem neer.
‘Niets?’
Vledder schudde het hoofd.
‘Ik heb het op laten vragen via de postale recherche. Het is het telefoonnummer van een psychiater. Ene dokter De Beaumonde aan de Keizersgracht.’
‘En?’
‘De man is al vijf jaar dood.’
Commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van het bureau Warmoesstraat, wuifde met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau. ‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik moet je spreken.’
De Cock reageerde nonchalant.
‘Als het u hetzelfde is: ik blijf liever staan.’
Buitendam kuchte.
‘Zo je wilt,’ zei hij kortaf. Hij rommelde zichtbaar nerveus in een stapel paperassen op zijn bureau en raadpleegde een notitie. ‘De heer Dietinga,’ begon hij, ‘chef van het bureau Lodewijk van Deysselstraat, heeft mij vanmorgen benaderd. Hij was zeer ontstemd. Volgens hem kwam er van de coördinatie en samenwerking tussen jou en leden van zijn rechercheteam niets terecht.’ De Cock toonde zich niet in het minst geschokt. Om zijn lippen dartelde een glimlach. ‘Vreemde meningen heeft die man,’ sprak hij grinnikend.
Commissaris Buitendam negeerde de opmerking.
‘Dietinga kon zich niet aan de indruk onttrekken,’ ging hij verder, ‘dat jij inlichtingen verzwijgt. Het wordt daardoor voor zijn rechercheteam uiterst moeilijk het onderzoek naar de moorden voort te zetten.’
De Cock schudde het hoofd.
‘Nonsens.’
Het bleke gezicht van commissaris Buitendam kleurde.
‘Een politiechef,’ schreeuwde hij verontwaardigd, ‘spreekt geen nonsens.’
De Cock lachte ontspannen.
‘Het is toch duidelijk… ze boeken geen resultaten. En wie heeft daaraan schuld?’ Het klonk spottend. ‘De Cock, die houdt inlichtingen achter.’ Hij schudde het hoofd. ‘Ze hebben in hun enthousiasme Jozefien ter Haar gearresteerd. En dat was een misgreep.’ Buitendam gebaarde heftig.
‘De arrestatie van die vrouw geschiedde met de volledige instemming van de officier van justitie.’
De Cock grinnikte smalend.
‘Ach,’ sprak hij geringschattend, ‘wat weet zo’n man er nu van? Hij moet toch ook worden voorgelicht. Hij zal hebben geleerd hoe hij bij de rechtbank in toga een sluitend requisitoir moet houden. Maar van opsporen… van het echte recherchewerk heeft hij geen enkel begrip. Van waar ook.’ Hij knikte zijn chef vertrouwelijk toe. ‘Het beste wat ze aan de Lodewijk van Deysselstraat kunnen doen, is Jozefien onmiddellijk vrijlaten.’
De onderlip van commissaris Buitendam trilde.
‘Dat bepaal jij niet.’
De Cock knikte bedaard.
‘Dat klopt… dat bepaalt de officier van justitie.’
Buitendam sloeg met zijn vuist op de rand van zijn bureau. ‘De opsporingsambtenaar bij uitnemendheid.’
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
‘Dat staat in de wet. En misschien behoort het inderdaad wel zo te zijn. Er komt in de praktijk alleen geen bliksem van terecht. Wat doet die man met al zijn bevoegdheden?’ Hij maakte een minachtend gebaar. ‘Op een muffig kantoor zitten en akten bekijken. Hij kan beter zijn bevoegdheden overdragen aan de simpele rechercheur die het feitelijke werk moet opknappen.’
De Cock zweeg, draaide zich om en liep naar de deur. Commissaris Buitendam riep hem terug.
‘Je moet de hele zaak nemen,’ brulde hij. ‘Ook de moord in het Rembrandtpark.’
De Cock liep langzaam terug.
‘Daar was ik al bang voor,’ verzuchtte hij. ‘Ik heb echter één voorwaarde.’
‘En die is?’
‘Jozefien ter Haar komt onmiddellijk vrij.’
Commissaris Buitendam slikte.
‘Dat… dat…’ stotterde hij.
De Cock knikte hem bemoedigend toe. ‘… zal ik onmiddellijk voor je regelen,’ vulde hij aan.
Commissaris Buitendam kwam briesend achter zijn bureau vandaan. Woedend zwaaide hij met zijn armen.
‘Eruit!’ brulde hij.
De Cock ging.
Vledder lachte.
‘Je leert het nooit. Als commissaris Buitendam nog eens een hartaanval krijgt, dan arresteren ze jou wegens dood door schuld.’
De Cock grijnsde.
‘Hoofdinspecteur Dietinga zag het blijkbaar niet meer zitten. Hij heeft Buitendam zover gekregen dat wij de hele affaire, inclusief de moord op Hoffmann, in behandeling krijgen. Het beste is, dat jij straks naar de Lodewijk van Deysselstraat gaat en alles ophaalt wat ze over de zaak Hoffmann hebben.’ Hij strekte zijn vinger naar zijn collega uit. ‘En neem Jozefien mee.’
Vledder keek hem verbaasd aan.
‘Wil je die hier insluiten?’
De Cock schudde het hoofd.
‘Vrijlaten… dat was een voorwaarde, die ik stelde.’
‘En doen ze dat?’
De Cock wreef over zijn kin. ‘Als ze de zaak Hoffmann aan ons overdragen, dan is vanaf dat moment Jozefien ter Haar onze arrestant. En ik zie geen gronden om haar langer vast te houden.’
‘Buitendam was nijdig. Als hij op jouw voorwaarde niet ingaat?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Dan,’ sprak hij grimmig, ‘fluister ik haar advocaat wat in het oor.’
Vledder wreef zich gnuivend in de handen. ‘Ik krijg er gewoon weer zin in.’ Hij dook in een la van zijn bureau en zwaaide met de plattegrond van Amsterdam, die bij Peetersen was gevonden. ‘Ik heb de uitgever gebeld die deze plattegronden verspreidt. Er zijn alleen al in Amsterdam zevenentwintig winkels waar ze deze kaarten verkopen. Dan zijn er nog verkooppunten in Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen en Arnhem. Het lijkt mij een ondoenlijke zaak langs deze weg iets te bereiken.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Heb je nog eens over dat telefoonnummer nagedacht?’
‘Van die dode psychiater?’
De Cock knikte traag.
‘Van die dode psychiater,’ herhaalde hij.
Vledder keek hem wat verward aan.
‘Wat valt er over na te denken?’
De Cock tuitte zijn lippen.
‘Bijvoorbeeld: Waarom hebben twee mensen in hun fraaie splinternieuwe agenda’s het telefoonnummer van een dode psychiater?’
Het gezicht van Vledder betrok.
‘Dat is inderdaad vreemd.’
De Cock spreidde zijn handen, de handpalmen naar voren.
‘Om hem na vijf jaar nog te bellen? In het hiernamaals?’
Hij staarde plotseling peinzend voor zich uit. Zijn eigen vragen hadden zijn denkmechanisme in de derde versnelling gebracht. Een sinistere gedachte welde in hem op. Het benauwde hem een beetje. Met de rug van zijn hand wreef hij langs zijn droge lippen. ‘Een telefoontje…’ mompelde hij hees, ‘een telefoontje naar het hiernamaals.’