De Cock loodste het wagentje door de nauwe straatjes van de Amsterdamse binnenstad. Het ging langzaam, want het hart van Amsterdam is nog gebouwd voor snelle handkarren en een enkele vigilante.
De Cock speelde met het lichtsignaal; prikte gaatjes in het duister. Henkie zat naast hem en bestudeerde de knopjes en schakelaars van de mobilofoon. Hij deed het met kinderlijke interesse. ‘Weet je,’ zei hij, ‘dat ik in een politiewagen nog nooit voorin heb gezeten? Altijd achterin, met van die dingetjes om mijn polsen.’
De Cock glimlachte. ‘Je gaat vooruit,’ spotte hij.
Bij de St. Olofsteeg stopte De Cock en wachtte gelaten tot een eenzame dronkeman eindelijk de rijweg verliet. Pas toen reed hij verder. ‘Ik vraag me af,’ zei hij, ‘wanneer je eens normaal werk gaat zoeken?’
Henkie grijnsde. ‘Voor werken staan mijn handen verkeerd.’ De Cock trok zijn schouders op. ‘Ik meen me te herinneren,’ zei hij, ‘dat je eigenlijk van beroep bankwerker bent. Er is voor jou werk genoeg. Goed loon, vakantietoeslag, en weet ik veel. Zoek een nette vrouw en zet een familie op poten. Als straks je ouwetje doodgaat, heb je niets meer.’
Henkie grijnsde opnieuw een beetje droevig. ‘Ach, meneer De Cock,’ zei hij meewarig, ‘zeg nou zelf, daar ben ik toch geen man voor. Ik hou nu eenmaal van avontuur.’
‘Avontuur?’ meesmuilde De Cock. ‘In de bak, uit de bak. En daartussen een beetje hokken op een stinkend krot met een tweedehands vrouwtje.’
Henkie keek verontwaardigd op. ‘Kom nou, meneer De Cock,’ zei hij met een lichte hoofdbeweging. ‘Je hebt ’r nou zelf gezien. Zo slecht is ze nou ook weer niet.’ Hij snoof. ‘Tweedehands…’
De Cock grijnsde. ‘Je kan toch moeilijk beweren,’ zei hij, ‘dat ze zo van haar moeder komt.’
Henkie wond zich een beetje op. ‘Nou… en wat zou dat? Er zijn genoeg momenten dat je daar helemaal niet bij denkt.’
De Cock reageerde niet. Hij bepeinsde of hij aan alles had gedacht. Hij had Klaas Pieper de opdracht gegeven om de kelner en de pompbediende voorlopig maar even te vergeten. Dat kon later nog wel. Hij moest eerst de politie in Amstelveen bellen en Vledder berichten dat hij op de terugweg Femmy en de militair oppikte en naar het bureau bracht. Hij had Klaas ook gevraagd om contact op te nemen met de politie te Hoorn. Misschien wisten ze daar iets van de familie Van Wijngaarden. Je kon nooit weten. Femmy leek hem de sleutel tot de oplossing.
De Cock parkeerde het wagentje op de Keizersgracht, niet ver van de Herenstraat. Daar stapten ze uit. Het was er stil.
De Cock nam de zaklantaarn uit de wagen en sloot de portieren af. Henkie liep al vooruit. Een goede dertig meter vanaf de Herenstraat bleef hij staan en wees naar een plek aan de walkant tussen de bomen. ‘Hier was het,’ zei hij. ‘Hier stond die wagen waar ik het tasje uit gapte. Ik dacht dat het een Amerikaanse wagen was.’
De Cock bukte zich en liet het licht van de zaklantaarn langs de straat schijnen. Tussen de bomen, in de half bevroren brij van verrotte bladeren, waren wel bandensporen zichtbaar. Maar het was een haast onontwarbaar geheel. De Cock telde wel zes verschillende profielen en begreep dat er maar weinig bewijskracht uit viel te putten. Hij richtte zich langzaam op en keek schuin omhoog. Door de kale takken van de bomen schemerden de gevels van een rijtje statige herenhuizen. Geen van die huizen was nog bewoond. Ze waren alle omgebouwd tot kantoren. Het was jammer. Maar wie was er nog in staat om zo’n grachtenhuis in zijn geheel te bewonen?
Henkie stak een sigaret op. ‘Nou,’ zei hij verveeld, ‘waar wachten we op? Je hebt het gezien. Laten we gaan.’ Hij grijnsde breed. ‘Dat tweedehandsie van me zit te wachten.’ De opmerking van De Cock van zo-even zat hem nog dwars. ‘Wat moet je hier nog langer zoeken?’ De Cock zuchtte. Hij had het gevoel dat hij nog niet weg moest gaan. Er was iets dat hem tegenhield. Hij keek nog eens omhoog en werd getroffen door het grillige lijnenspel dat de kale takken en twijgen tegen het grauw van de hemel toverden. ‘Dat tasje lag toch op de achterbank?’
‘Ja, gewoon los op de achterbank.’
De Cock stelde zich de situatie voor: Henkie scharrelend langs geparkeerde wagens, op zoek naar buit. ‘Was de wagen nog warm?’
Henkie trok een denkrimpel in zijn voorhoofd en streek met zijn hand over zijn borstelige kruin. ‘Nou u het zegt, ja, de ruiten waren wat beslagen. Ik herinner me nog dat ik eerst dacht dat er een paartje in zat te vrijen. Maar toen ik dichtbij kwam, zag ik dat er niemand in zat. Er was alleen dat tasje.’
De Cock knikte en gebaarde voor zich uit. ‘Brandde er nog ergens licht in een van die huizen?’
‘Daar… eh, daar heb ik niet zo op gelet. Ik heb dat tasje gepakt en ben ’m gesmeerd.’
‘Heb je nog iemand op de gracht gezien?’
Henkie snoof. ‘Ik hou niet van getuigen.’
‘Er was dus niemand?’
‘Nee.’
De Cock slenterde naar het trottoir. Het licht van zijn zaklantaarn speelde over de statige bordessen en de naamplaten naast de deur. Hij had het nummer niet in zijn hoofd, maar voelde dat hij dichtbij was. Plotseling ving hij in het ovaaltje van licht de naam die hij zocht: Dolmen en Van Vliet, assuradeuren op een glimmend gepoetste koperen plaat in zwarte letters.
Handige Henkie was hem gevolgd en kwam naast hem staan. Beiden keken ze omhoog. De Cock hield de zaklantaarn nog steeds op de plaat gericht.
‘Een mooi pandje,’ zei Henkie bewonderend. ‘Je zou zo denken dat er heel wat te halen viel, maar in de regel valt het bar tegen. Als je pas begint… dan laat je je nog wel eens door zo’n plaat verleiden. Assuradeuren, denk je dan, daar zit poen. Nop, gewoon nop. Ja… ze hebben wel poen, maar dat staat op de bank.’ Hij wierp zijn peukje op de straat en trapte het uit. ‘Ik zag eens,’ zo babbelde hij verder, ‘ook zo’n plaat, weet je, zo’n rijke koperen plaat en daar stond ‘kas’ op. Gewoon Kaa, Aa, eS. Het was zo aan de buitenkant geen moeilijk pandje en ik dacht: kom, laat ik eens kijken of ze hier beter bij kas zijn dan ik.’ Hij snoof verachtelijk. ‘En wat denk je? Geen stuiver. Nou… en sindsdien…’
De Cock luisterde naar de ervaringen van Henkie. Hij deed het met een half oor, want zijn gedachten verwijlden intussen bij Ellen. Hij vroeg zich af wat ze in de laatste uren van haar leven had gedaan. Hoe kwam haar tasje op de achterbank van die wagen terecht, en dat nog wel zo dicht bij het kantoor waar ze werkte? Er moest verband bestaan. Ze bezat vermoedelijk zelf geen sleutel van het kantoor. Daarvoor was ze nog te kort in dienst. Maar gezien het tasje was ze er waarschijnlijk wel geweest. Wie had haar dan binnengelaten? Wat verborg dit oude grachtenhuis?
Hij liet het licht op de deur schijnen. Er was niets bijzonders aan te zien. Geen sporen van braak of verbreking. Hij keek langs de gevel omhoog. Het pand zag er ongenaakbaar uit. Henkie babbelde maar door. Zijn ervaringen als inbreker waren legio. Hij vertelde met smaak.
De Cock keek hem aan. ‘Zou… eh, zou jij,’ onderbrak hij hem, ‘de boel hier open kunnen maken, zonder een ravage aan te richten?’
Handige Henkie liet zijn kennersblik langs de deuren en ramen zweven. Hij knikte vaag. Zijn lippen in een tuitje. ‘Ja,’ zei hij traag, ‘dat zou wel gaan. Als ik mijn spulletjes bij mij had, was het zo bekeken. Hoogstens een paar minuten werk.’
De Cock streek met zijn hand langs zijn kin. ‘Waar heb je je spulletjes?’
Henkie kreeg plotseling berouw van zijn openhartigheid. Hij besefte dat hij eigenlijk te veel had verteld. De Cock was en bleef tenslotte een rechercheur. En rechercheurs… op een of andere manier waren ze nooit te vertrouwen. In zijn gemoed ontwaakte weer de achterdocht. In zijn oogjes blonk wantrouwen.
‘Ik gebruik mijn spulletjes niet meer, De Cock,’ zei hij verdedigend, als gold het een verhoor, ‘echt niet. Ze liggen bij mijn ouwetje op zolder. Er zit dik het vet op. Na die laatste kraak, weet u wel, heb ik ze niet meer gebruikt.’
De Cock slikte wat moeilijk een stapeltje ambtelijke voorschriften weg en zuchtte. ‘Zou je ze nog eens uit het vet willen halen?’
‘Wat?’
De Cock zuchtte opnieuw. ‘Voor één keertje. Ik wil hier naar binnen.’
Henkie begon wat schaapachtig te lachen. ‘Bedoel je…?’ De Cock knikte met een ernstig gezicht. ‘Dat bedoel ik.’ Henkie lachte opnieuw, een vreemd zenuwachtig lachje. Hij kon het niet vatten. Het idee leek hem te absurd. Het was nog nooit vertoond. Zijn scherpe blik gleed langs de gelaatstrekken van De Cock. Hij kende dat gezicht. Het was hem vertrouwd uit vele verhoren. De diepe rimpels in het voorhoofd, de wat borstelige wenkbrauwen, de vriendelijke grijze ogen, de scherpe plooien in de wangen… het was er allemaal. Alleen die halfgeamuseerde trek om de mond, die was er nu niet. ‘Wilt u echt naar binnen?’
‘Ja.’
‘Enne… kan ik er geen kwaad mee?’
De Cock grijnsde. ‘Als er narigheid van komt, neem ik alle verantwoording.’
Henkie knikte peinzend. Met zijn onderlip naar voren gestoken keek hij De Cock een tijdje aan. Langs zijn wangen trilde een zenuwtrek. Hij stond kennelijk in tweestrijd. Niet lang. Hij schoof zijn onderlip terug en plooide zijn mond tot een vriendelijke glimlach. Zelfs zijn ogen lachten mee. ‘Eigenlijk,’ gebaarde hij, ‘eigenlijk bent u ook nooit rot voor mij geweest.’
Het klonk als een eindconclusie van een overpeinzing. Hij wierp nog een blik op de ramen en de deuren van het pand en schatte wat hij nodig had. Toen beende hij weg om zijn spulletjes te halen.