2

Hij was er nog eerder dan Kreuger van de Dactyloscopische Dienst en Bram, de fotograaf. Half slenterend, gekleed in een ouderwetse winterjas, stapte hij de sombere kelder binnen. Zijn oude, haast vormloze hoed achter op zijn hoofd.

Vledder liep haastig op hem toe. ‘Het spijt me, De Cock,’ zei hij. ‘Ik had je graag in bed gelaten, maar zie je…’

De Cock gebaarde. ‘Het is al goed, m’n jong. Waar is ze?’

Vledder wees naar de brancard op wieltjes. ‘Ik heb haar nog niet laten ontkleden. Ze ligt er nog precies zoals we haar uit het water hebben opgevist. Alleen die sjaal. Die zat om haar hals.’ De Cock slenterde naar de brancard en boog zich over het lichaam van de jonge vrouw. Hij monsterde de loop van de strangulatiestriemen aan de hals. Ze verliepen bijna horizontaal. Onder de kin zag hij een kleine verticale aftekening van een onderhuidse bloeding, vermoedelijk ontstaan door beklemming van de huid in de knoop van de sjaal, toen deze met kracht werd aangetrokken.

De Cock richtte zich weer op. Zijn gezicht stond ernstig, haast grimmig. Zijn blik tastte de zachte gelaatstrekken van het dode meisje af. Het gezichtje beviel hem. Hij wist niet precies hoe het kwam. Misschien omdat het gezicht zelfs in de dood een milde uitdrukking had. Misschien ook, omdat het hem ergens aan herinnerde, onbewust, aan een vervlogen liefde, een vriendinnetje, langgeleden. Hij wist het niet. De Cock kende gezichten: mooie, lelijke, sluwe, argeloze, wrede, achterdochtige, berekenende en brute gezichten, ontmoet in zijn jarenlange praktijk. Dit gezicht beviel hem.

Het is vaak moeilijk de redenen van onze innerlijke, onuitgesproken besluiten te analyseren. Welke verstandelijke motieven wij daarvoor ook mogen aanvoeren, het is meestal een kwestie van gevoel. Zeker negentig procent van onze besluiten wordt nu eenmaal emotioneel genomen. De Cock was geen emotioneel mens, althans niet in de normale zin van het woord. Hij had zich leren beheersen. Maar het aanschouwen van het ontzielde lichaam van het jonge meisje riep iets in hem wakker. Het was een gevoel van bitterheid, vermengd met haat. Daarom besloot hij grimmig de dader van deze laffe, en in zijn ogen zinloze moord te ontmaskeren. Hoe dan ook.

Kreuger liet zijn zware tas op de vloer vallen en kwam naast hem staan. ‘Is dat ’r?’

‘Ja.’

‘Een jong kind.’

‘Ja.’

‘Gewurgd?’

‘Ja.’

‘Je bent niet erg spraakzaam.’

‘Nee.’

Kreuger haalde zijn schouders op. ‘Als je denkt,’ zei hij verongelijkt, ‘dat ik hier voor mijn plezier ben, heb je het mis.’

De Cock draaide langzaam zijn gezicht naar hem toe. ‘Ik ook niet,’ zei hij traag. ‘Ik ook niet.’ In zijn stem klonk een licht sarcasme. ‘Er is alleen een groot verschil. Als jij straks je vingertjes hebt, hoef jij je niet meer met haar te bemoeien. Maar ik wel. Wil ik de dader ooit vinden, dan zal ik moeten gaan wroeten in haar verleden. Mensen zullen mij gaan vertellen hoe ze was, hoe ze dacht. En op den duur zal ze voor mij gaan leven. Ze wordt iemand, een mens, met alles wat daar zo bij hoort aan liefde en leed, vreugde en verdriet. Voor jou wordt ze nooit meer dan een stel papillairlijnen op een plaatje. Dat is het verschil, Kreuger. En vergeef mij nu maar dat ik niet erg spraakzaam was.’

Hij draaide zich abrupt om en pakte een meetlat en een houten spateltje. ‘Ben je zo ver?’

Vledder, die wat achteraf met Bram had staan luisteren, pakte haastig zijn notitieblok. Kreuger nam zijn tas van de vloer en begon zwijgend zijn spulletjes klaar te maken. Zijn gezicht zag rood.

De Cock drentelde om de brancard. ‘Schrijf op,’ brulde hij. ‘Signalement: vrouw, ongeveer achttien à twintig jaar, middelgroot, lang plusminus een meter vijfenzestig, slank postuur, blanke huid, ovaal gezicht, symmetrisch, lang blond haar, niet geverfd, enigszins gewelfd voorhoofd, wenkbrauwen: boogmodel, blond, niet weggeschoren of geëpileerd, lichtblauwe ogen, rechte neusrug, smalle neusbasis, ronde neustop, volle lippen, oplopende mondhoeken.’

Hij zuchtte. ‘Heb je dat?’

‘Ja,’ riep Vledder, ‘dat heb ik.’

De Cock stak het houten spateltje in de halfgeopende mond en tilde de bovenlip op. ‘Gaaf, regelmatig gebit, witte tanden, geen vullingen.’

Hij legde het spateltje weer weg en schoof het hoofdhaar iets opzij. ‘Kleine ovale oren. Oorlelletjes doorboord.’

Daarna tilde hij de armen één voor één op. ‘Kleine handen, brede handrug. Rechter wijs- en middelvinger lichtgele nicotineverkleuringen. Geen sieraden. Aan de linkerringvinger een vage indruk van het dragen van een smalle ring. Zo te zien geen nagelvuil. De nagels zijn gelakt. Kleur nagellak…’

Hij stokte even. ‘Vledder… kom eens hier.’ Vledder kwam schoorvoetend naderbij. ‘Wat is dat voor een kleur nagellak?’

‘Dat is cerise.’

‘Wat?’

‘Cerise.’

De Cock snoof. ‘Goed, schrijf dan maar op, cerise.’

Hij pakte de kille handen van het slachtoffer en streek met zijn vingertoppen over de binnenzijde. ‘Ze heeft niet zo lang geleden flink gewerkt. Nog sporen van eeltruggetjes. Handen verder goed verzorgd.’ Hij keek op. ‘Heb je dat ook?’

Vledder knikte.

‘Mooi, dan kan vriend Kreuger nu haar vingertjes nemen en Bram zijn plaatjes schieten. Als de broeders haar hebben ontkleed, kunnen we het lichaam aan de buitenzijde nog eens bezien. Dr. Rusteloos zal haar straks wel aan de binnenkant bekijken.’

‘Sectie?’ vroeg Vledder.

De Cock knikte. ‘Zeker. Ik zal de commissaris even bellen. Hij moet dr. Rusteloos maar waarschuwen.’

Hij slenterde naar de telefoon en Kreuger toog aan het werk. Nog wat namokkend over de woorden van De Cock, nam hij met een halfrond beugeltje, waarin steeds opnieuw een blanco kaartje werd geklemd, van elke vinger het nooit veranderend papillairlijnenbeeld. Vingerafdrukken, het enige betrouwbare identificatiemiddel.

Daarna schoot Bram zijn plaatjes. ‘Wat is er met De Cock aan de hand?’ vroeg hij tussen de bedrijven door aan Vledder.

‘Zenuwachtig?’ Hij snoof. ‘Niks voor hem. Hoeveel moorden heeft hij al behandeld. Series. Hij is toch wel de laatste om er nerveus van te worden.’

Vledder haalde zijn schouders op. ‘Ik heb hem uit bed gebeld. Hij had vrij met de kerstdagen. Ik geloof, voor het eerst in tien jaar. Misschien zit hem dat dwars.’

Bram zuchtte. ‘Dat is natuurlijk rottig.’

Hij maakte nog een paar opnamen en begon langzaam zijn spulletjes op te bergen. ‘Je durfde het zeker niet aan, hè? Je dacht: laat ik De Cock maar uit zijn bed bellen. Die ouwe knapt het wel weer op. Je dacht: waarom zou ik het risico nemen fouten te maken, terwijl ik eenvoudigweg de ouwe kan bellen. Nietwaar? Zo dacht je.’

Vledder keek hem onderzoekend aan. Was het een verwijt? Klonk het als een verwijt? Hij wist het niet. De uitdrukking op het gezicht van de oude plaatjesschieter gaf geen uitsluitsel. Vledder zuchtte. Had hij het alleen moeten doen? Was dat wat Bram bedoelde? Had hij De Cock niet moeten bellen en deze kans om zijn eigen kunnen te tonen moeten aangrijpen?

Bram slenterde van hem weg en de broeders begonnen het lijk te ontkleden, snel en handig.

Vledder verzamelde de natte kleren in een linnen zak. De Cock kwam terug van het bellen en bekeek het naakte lichaam. Zijn voor het detail geoefende oog speurde naar de geringste afwijking. Hij had tientallen secties meegemaakt en wist waarop hij moest letten. Een poosje bleef hij in gepeins staan. ‘Wat denkt u?’ zei hij tegen een van de broeders. ‘De onderbuik lijkt iets gezwollen. Zou ze zwanger zijn?’

De broeder liet zijn onderlip zakken. ‘Dat is moeilijk te zeggen.’

De Cock streek met zijn vingers door zijn stugge haar. ‘Enfin,’ zuchtte hij, ‘dat moet dr. Rusteloos maar bekijken. De sectie is al om negen uur. De broeders zorgen voor transport naar het sectielokaal?’

De broeders knikten eenparig. ‘Mooi, dan gaan we maar.’

Hij wierp nog een laatste blik op het lijk en liep weg. Vledder schuifelde achter hem aan. De zak met natte kleren op zijn rug. ‘Wanneer moet je de foto’s hebben?’ riep Bram.

De Cock draaide zich half om. ‘Over twee uur.’

Bram begon te sputteren. ‘Maar,’ riep hij wanhopig, ‘het is kerst.’ De Cock knikte. ‘Ik weet het,’ zei hij gelaten. ‘Prettig kerstfeest.’ Het klonk als een dissonant.


Vledder zuchtte diep. ‘Het wordt moeilijk,’ zei hij somber. ‘Ik heb alles zorgvuldig nagekeken. De kleding biedt geen enkel houvast. Geen exclusieve modellen, geen bijzondere merken. Ik heb ook geen wasnummers kunnen ontdekken. De kleding is over het algemeen nogal degelijk. Alleen haar bustehoudertje zou je wat frivool kunnen noemen.’ Over zijn gezicht gleed een matte glimlach. ‘Een zwart gevalletje met een kanten garnering.’

De Cock zat wat lui achter zijn bureau en bekeek de foto’s die Bram van het meisje had gemaakt.

‘Zal ik de lijst van vermiste personen nog eens doornemen?’ vroeg Vledder.

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat heeft weinig zin,’ zei hij. ‘Volgens mij was ze nog maar enkele uren dood. Haar vermissing zal nog wel niet zijn gemeld. Ze kan op die lijst dus nog niet voorkomen.’

Hij trommelde met zijn vingers op het bureau. ‘De moordenaar heeft er blijkbaar niet aan gedacht dat de meeste grachten in Amsterdam aan de kanten nogal ondiep zijn. In normale gevallen komen lijken eerst na een paar dagen boven water. Ik denk ook dat de moordenaar daarop heeft gerekend. Anders had hij haar niet in het water hoeven te gooien. Hij wilde zich van het lijk ontdoen en de ontdekking een paar dagen opschuiven. Ik ben blij dat die agent het lichaam zo snel heeft ontdekt. Het kan voor ons een voordeel zijn. Het ellendige is, dat wij nog niet weten wie zij is.’ Hij zuchtte. ‘Geef in ieder geval een telexbericht aan alle posten met een zo duidelijk mogelijk signalement. Misschien dat een bezorgde vader of echtgenoot zich meldt.’

Vledder knikte en verliet de recherchekamer om de opdracht uit te voeren.

De Cock boog zich peinzend over de foto’s. Bram had zijn werk goed gedaan. Duidelijke opnamen van details en scherpe closeups.

De Cock bekeek het gezichtje aandachtig. Opnieuw appelleerde het aan zijn gemoed. Hij had dat nooit meer. Al jaren niet. Maar dit gezichtje. Dit… dit lieve gezichtje deed hem iets. Het drong dwars door het stalen pantser van onaantastbaarheid dat hij zich door de jaren heen had aangemeten. Een pantser van zelfbehoud, dat hem beschermde tegen al het leed waarmee hij in zijn beroep werd geconfronteerd. Hij speelde met de foto in zijn hand. ‘Arm kind,’ mompelde hij in zichzelf. ‘Hoe kom je uitgerekend in de kerstnacht in het koude water van een gracht terecht? Waarom zocht men jouw dood. Wie had daar belang bij?’ Hij kneep zijn lippen samen en schudde zijn hoofd. Een gewoon, lief meisje. Niets bijzonders. Geen type van een vamp, geen verleidster. Een gewoon, doodgewoon meisje. Doodgewoon…? Gewoon dood. De woordspeling trof hem en zette het raderwerk van zijn meditatieve geest in werking. De religieuze basis van zijn opvoeding, halfvergeten vermaningen uit zijn jeugd, flarden van bijbelteksten, latere eigen ervaringen, ze zochten hun plaats in een bonte mengeling van gedachten.

Plotseling stond hij op en begon door de kamer te stappen. ‘Dwaas,’ schold hij tegen zichzelf. ‘Al die gedachten door een lief gezichtje van een onbekende dode? Of was er meer?’ Voor de spiegel boven het fonteintje bleef hij staan. Een gezicht met de diepe plooien van een boxer. Hij probeerde tegen zijn eigen spiegelbeeld te glimlachen, maar het werd niet meer dan een wat verwrongen grijns. ‘Vrede op aarde,’ mompelde hij, ‘in de mensen een welbehagen.’

Hij slenterde naar het raam en keek naar buiten. Het morgengrauw meldde de eerste kerstdag.

Vledder kwam opgetogen de recherchekamer binnenstormen. Hij hield een wit damestasje aan het hengsel omhoog. Zijn gezicht straalde. ‘Kijk eens, De Cock,’ riep hij opgewonden. ‘Ik was juist beneden bij de wachtcommandant om dat telexbericht te verzenden, toen er een man aan de balie verscheen om dit tasje te deponeren. Hij had het gevonden, zei hij, in het portiek van zijn huis aan de Brouwersgracht. Hij ging naar buiten om zijn hondje uit te laten en toen zag hij het staan.’

‘Wanneer?’

‘Vanmorgen, net, nog geen halfuur geleden.’

‘Heb je het al bekeken?’

‘Nee, ik ben er direct mee naar boven gekomen. Misschien is het tasje van het meisje. De Brouwersgracht is niet ver van de plek waar het lijk gevonden werd. Hemelsbreed maar een paar honderd meter.’ Vledder zette het tasje op het bureau. Er was aan de buitenkant niet veel te zien. Een goedkoop plastic tasje met een eenvoudige knipsluiting.

‘Zo heb je er dertien in een dozijn,’ merkte De Cock op. ‘Het is alleen vreemd dat het tasje droog is, kurkdroog. Het heeft kennelijk niet in het water gelegen.’

Hij nam een stuk pakpapier uit de kast en schudde de inhoud van het tasje daarop uit. Een klein flesje nagellak rolde haast op de grond. Vledder greep het en bekeek het etiket. ‘Zie je wel,’ zei hij, ‘cerise.’

De Cock keek hem glimlachend aan. ‘Sinds wanneer,’ zei hij met een zweem van achterdocht, ‘ben je zo goed op de hoogte met vrouwenkleurtjes? Heb je onderricht gehad?’

Vledder grijnsde hem vriendelijk toe.

Ze doorzochten de inhoud van het tasje. Het waren meest spulletjes die men in ieder damestasje kan aantreffen: een spiegeltje, een kammetje, een poederdoos, een flesje parfum, een lipstick, nagelgarnituur, een ring met sleutels. Er was ook een postlegitimatiebewijs. Dit was het eerste waar De Cock naar greep. Zijn gezicht klaarde op toen hij de foto zag. ‘Ik moet me al heel sterk vergissen,’ zei hij voorzichtig, ‘maar volgens mij is dit ’r.’

Vledder keek over zijn schouder mee. ‘Ja, waarachtig,’ riep hij enthousiast, ‘dat is ’r. Het kan niet missen.’

Ze vergeleken de foto van het legitimatiebewijs met de opnamen die Bram van het dode meisje had gemaakt. Het leed geen twijfel. Het was hetzelfde meisje.

De Cock nam een vel papier en schreef de naam en het adres van het legitimatiebewijs over: Helena Maria de Vries, oud negentien jaar, adres Zocherstraat 213 in Amsterdam. ‘We zullen van het fotootje een stel reprodukties laten maken. Misschien hebben we ze nodig.’

Vledder sorteerde de inhoud van het tasje naar belangrijkheid. Er was een ongebruikt treinkaartje, enkele reis, tweede klasse Bilthoven, gedateerd 24 december; een rittenkaart van de gemeentetram, waarop drie afgestempelde ritten met lijn 1, namelijk te 8.15, te 13.15 en te 18.15 uur. Verder een envelop met een liefdesbrief, geschreven door een zekere Tom van Wijk met een militair adres in La Courtine, Frankrijk. De brief was van 5 oktober. Er zat geen geld in het tasje, wel een gladde gouden ring met een inscriptie: Ellen 1 mei 19… Wat Vledder echter het meest verbaasde was het aantreffen van een zwart lederen portefeuille, waarin een aantal papieren ten name van ene Joost Hofman uit Alkmaar.

Hij hield de portefeuille omhoog. ‘Hoe komt die in haar tasje?’ De Cock nam de portefeuille en rook eraan. ‘Het heeft een andere geur,’ zei hij, ‘een andere geur dan de overige inhoud van het tasje.’ Vledder rook aan de brief van Tom van Wijk. ‘Dit ruikt naar poeder en parfum.’

De Cock knikte. ‘Die brief heeft ze steeds bij zich gehad. De portefeuille hoort niet in het tasje thuis. In ieder geval heeft het de geur van parfum nog niet aangenomen. Dit duidt erop dat de portefeuille niet lang in het tasje heeft gehuisd.’

‘Maar,’ riep Vledder wat ongedurig, ‘hoe komt ze eraan? Hoe komt ze in het bezit van een portefeuille van een meneer Hofman uit Alkmaar. Gestolen?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat geloof ik niet. In de eerste plaats is zij daarvoor niet het type. In de tweede plaats hebben wij bij haar geen geld gevonden, noch in de portefeuille, noch in haar tasje. Het lijkt er veel meer op dat zij werd beroofd.’

‘Door de dader?’

De Cock streek met zijn hand door het haar. ‘Men zou tot die conclusie kunnen komen,’ zei hij. ‘Het zou een redelijke verklaring kunnen zijn voor het feit dat haar tasje droog en wel in een portiek op de Brouwersgracht werd gevonden, terwijl zij zelf in het water van de Herengracht dreef.’

‘Hoe dan?’

‘Wel, laten we stellen dat de dader het op haar tasje had voorzien. Als hij probeert het haar af te nemen, begint ze te schreeuwen. Hij houdt haar eerst een hand voor de mond en wurgt haar nadien met de sjaal die ze droeg. Daarna neemt hij het tasje en gooit het lichaam in de gracht. Hij loopt vandaar naar de Brouwersgracht, haalt het geld uit het tasje en werpt het in een portiek. Daar wordt het tasje dan droog en wel, maar zonder geld gevonden.’

Vledder knikte. ‘Het klinkt simpel,’ zei hij, ‘maar het verklaart niets ten aanzien van de portefeuille van die meneer Hofman.’ De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nee, er blijven nog tal van vragen over. Bijvoorbeeld: hoe kwam ze op die gracht? Wat had ze daar te zoeken? De meeste grachten zijn ’s avonds, en vooral op de avond voor kerst, bijna uitgestorven. Bovendien was het haar plan niet.’

‘Wat bedoel je?’

‘Denk aan het treinkaartje. Ze wilde naar Bilthoven. Vermoedelijk wilde ze daar de kerstdagen doorbrengen.’

Vledder ging zuchtend zitten en bekeek nog eens de inhoud van het tasje. ‘Stille getuigen,’ mompelde hij, ‘ze zouden ons heel veel moeten vertellen.’

‘Dat doen ze ook,’ zei De Cock.

‘Ja, maar nog lang niet genoeg.’

Hij nam uit de schaarse bezittingen van het meisje de gladde gouden ring en woog hem op zijn hand. ‘Wat denk je hiervan?’ De Cock haalde zijn schouders op. ‘Een verbroken verloving.’

‘Een verbroken verloving?’

‘Ja.’

‘Maar wie is dan Ellen? Je hebt de inscriptie gelezen. Er staat Ellen 1 mei 19…

De Cock schonk hem een droeve glimlach. ‘Ik denk,’ zei hij, ‘dat onze blonde Helena zich Ellen liet noemen. Het had natuurlijk ook Lenie kunnen zijn, of Leentje. Maar Lenie of Leentje is tegenwoordig een tikkeltje ouderwets. Vandaar Ellen.’

Vledder keek naar de ring in zijn hand. ‘Waarom verbreekt men een verloving,’ zei hij peinzend.

De Cock grijnsde. ‘Och,’ zei hij, ‘daarop zijn tientallen antwoorden mogelijk. Bijvoorbeeld ontrouw.’

Vledder knikte traag en paste de ring aan zijn eigen vingers. Hij was hem veel te groot. ‘Het moet een man zijn met dikke vingers,’ mompelde hij, ‘dikke, sterke vingers.’ Hij keek De Cock aan. ‘Zou… zou een verbroken verloving een motief kunnen zijn voor een moord?’

De Cock glimlachte. ‘Heb je al een theorie?’

Vledder wierp de ring terug in het tasje. ‘Ach nee,’ zuchtte hij. ‘Ik dacht zo. Iemand moet toch een reden hebben gehad om het arme kind om zeep te helpen. Dat doe je toch niet zomaar?’

De Cock knikte. ‘Natuurlijk, m’n jong. Iemand had een motief. Maar het is nog veel te vroeg om daarover te piekeren. We weten nog zo weinig.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Kom, trek je jas aan. Het is bijna negen uur. We mogen dr. Rusteloos niet laten wachten.’

Загрузка...