4

‘De dood van Ellen heeft een aantal vragen opgeroepen. Indringende vragen. Het behoort tot onze taak om op die vragen de juiste antwoorden te vinden. U zou ons daarbij van dienst kunnen zijn.’

Ze had een poosje zitten huilen. De bril op haar schoot. Grote tranen rolden nog over haar wangen. De Cock nam een schone zakdoek uit zijn zak en veegde de tranen weg. Zonder die grote eigenwijze bril zag ze er anders uit, zachter, liever, niet zo alwetend.

‘Wat is er gebeurd?’

De Cock zuchtte. ‘We hebben haar lichaam vannacht uit het water van een gracht opgehaald.’

‘Is… is ze erin gesprongen?’

De Cock antwoordde niet. Hij ging tegenover haar in een rotanstoeltje zitten en bood haar een sigaret aan. Ze accepteerde gretig met trillende vingers.

‘Waren jullie goede vriendinnen?’ Hij boog iets voorover en gaf haar een vuurtje. ‘Ik bedoel, was ze nogal openhartig?’

Ze inhaleerde diep en liet daarna de rook langzaam uit haar longen ontsnappen. De manier waarop ze het deed, getuigde van routine. Het had iets geraffineerds en paste eigenlijk niet bij het overige beeld dat zij toonde. De Cock vroeg zich af of haar tranen echt waren geweest. Of ze werkelijk verdriet had. ‘Praatte ze nogal vrijuit?’

‘Och ja,’ zei ze wat terughoudend, ‘het ging wel.’

‘Dus niet,’ stelde hij vast.

Ze maakte een ongeduldige beweging. ‘Nou ja,’ antwoordde ze kribbig, ‘zulke goede vriendinnen waren we nu ook weer niet. Ze zal me beslist niet alles hebben verteld. Welke vrouw doet dat?’ De Cock grijnsde om de vraag. Hij had daar zo zijn eigen gedachten over. Maar die openbaarde hij haar niet. ‘Ze was verloofd?’

‘Niet meer. Het was uit. Ze droeg nog wel haar verlovingsring, maar dat was camouflage. Ik wist dat ze haar verloving had uitgemaakt.’

‘Wanneer?’

‘O, vrij kort nadat ze bij ons op kantoor was komen werken. Na de vakantie, ik meen op 1 september, is ze begonnen. Ongeveer een maand of twee daarna verbrak ze de verloving.’

‘Een bijzondere reden?’

Ze trok haar schouders op. ‘Niet dat ik weet.’

De Cock leunde achterover. ‘Ze droeg dus nog wel haar verlovingsring?’

Ze knikte. ‘Ze heeft hem nooit afgedaan. Ze had hem ook gisteren nog om. Ze zei altijd dat de ring haar beschermde tegen de toenadering van al te opdringerige vereerders.’ Ze glimlachte zwakjes. ‘Ellen was wat mannen een aantrekkelijk type noemen.’

‘Heb je haar verloofde wel eens ontmoet?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, ik heb hem nog nooit ontmoet. Ik heb hem wel eens gezien. Hij stond toen na kantoortijd buiten op haar te wachten. Hij was militair. Een grote, flinke, blonde jongen, zoon van een grossier uit Bilthoven. Ze kwam uit Bilthoven, weet u. Haar ouders hebben daar een supermarkt. Voordat Ellen bij ons op kantoor kwam, stond ze bij haar ouders in de zaak.’ ‘Waarom kwam ze naar Amsterdam?’

Ze schonk hem een wrange glimlach. ‘Och, ze wilde eens wat anders.’

De Cock knikte peinzend. Hij dacht over het antwoord na. Het klonk wat cynisch, vond hij. ‘Hoe kwam ze bij jullie op kantoor terecht?’ vroeg hij verder. ‘Heeft ze normaal gesolliciteerd?’

Voor het eerst bemerkte hij bij haar een oprechte reactie. Een niet bestudeerde korte aarzeling in haar antwoord.

‘Dat… dat weet ik niet,’ zei ze, ‘dat weet ik echt niet. Daar is nooit over gesproken.’

De Cock wist dat ze loog. ‘Was ze een goede kracht?’

Haar lippen krulden zich tot een glimlach. ‘Och nee,’ zei ze met een zweem van medelijden in haar stem. ‘Ellen kon haar werk eigenlijk helemaal niet aan. Ik heb haar dikwijls moeten bijspringen. Ze had geen enkele kantoorervaring.’

‘Toch werd ze gehandhaafd?’

Opnieuw die kleine aarzeling. ‘Ja.’

‘Haar onbekwaamheid moest toch opvallen?’

‘Ja.’

Hij keek haar strak aan. ‘Nou… en?’ Ze ontweek zijn blik.

De Cock streek met zijn hand langs zijn gezicht. De reacties van Femmy van Wijngaarden bevielen hem niet. Het was alsof hij tegen een muur botste, een veste waarin hij niet kon binnendringen. Ze verborg haar ware gezicht en toonde hem een masker. Ze leek voortdurend op haar hoede. Bang dat ze zich versprak. Bang dat ze iets zou zeggen dat ze niet wilde zeggen. Alsof ze een geheim angstvallig verborg.

De Cock zuchtte. ‘Had ze buiten haar verloofde nog relaties met andere mannen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze stug. ‘Het ging me trouwens niet aan.’

‘Kom kom,’ zei De Cock, ‘ze was toch uw vriendin. Ontving ze wel eens mannen op haar kamer?’

‘Nee, dat mag niet van de kamerverhuurster.’

‘Bleef ze wel eens een nachtje weg?’

Ze verschoof onrustig in haar stoel, frommelde met haar vingers aan haar rok, maar antwoordde niet.

‘Juffrouw van Wijngaarden,’ drong De Cock vriendelijk aan, ‘ik heb u wat gevraagd.’

Ze knikte traag. ‘Ik heb u gehoord,’ zei ze kalm.

‘En?’

‘Ze… ze kwam wel eens een nacht niet thuis.’

‘Waar was ze dan?’

Ze haalde zuchtend haar schouders op. ‘Dat weet ik niet. Ik heb wel eens zachtjes geïnformeerd, u weet wel, vrouwelijke nieuwsgierigheid.’

‘En?’

‘Ze ontweek altijd mijn vragen en lachte wat geheimzinnig. Ik ben er nooit achtergekomen.’

‘Maar u heeft wel een vermoeden.’

Ze haalde van tussen haar rok een minuscuul zakdoekje en begon zorgvuldig haar brillenglazen op te poetsen. Ze gebruikte het kennelijk als een rustpauze om haar antwoord te overwegen. ‘Nee, ik… eh, ik heb geen vermoeden.’

De Cock beluisterde de intonatie. Er was een lichte trilling in haar stem, die hem waarschuwde. Hij wist nog niet precies waarvoor. ‘Geen vermoeden,’ herhaalde hij.

‘Nee… nee.’

Met een hand onder zijn kin keek hij haar een tijdje onafgebroken aan. Je hebt een vermoeden, dacht hij. Natuurlijk heb je een vermoeden. Wanneer ze weg was, wanneer je haar niet in dit kamertje vond, wanneer ’s morgens haar bed niet was beslapen, dan wist je bij wie ze de nacht had doorgebracht. Hij kneep zijn ogen half dicht. Waarom, dacht hij, waarom noem je zijn naam niet. Hij kwam langzaam uit zijn stoel overeind. ‘Bij wie werkt u?’

‘Bij de firma Dolmen en Van Vliet aan de Keizersgracht. Ik werk daar al vijf jaar.’

Hij schuifelde wat traag door het kamertje. Schuin achter haar bleef hij staan en lette op haar reacties. ‘Wist u,’ zei hij achteloos, ‘dat ze zwanger was?’

Hij zag dat haar lichaam schokte. Ze draaide haar gezicht met een ruk naar hem toe. In haar ogen las hij verbijstering. ‘Zwanger?’

‘Ja, juffrouw van Wijngaarden. Ellen was zwanger.’

Ze bracht haar hand voor haar ogen en begon opnieuw te huilen. Zachtjes, zonder snikken.

De Cock liet haar even begaan. ‘U wist het dus niet?’

Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Nee, ik wist het niet. Het arme kind. Ze was wel steeds niet lekker de laatste tijd. Ik dacht wel eens, wat zie je er slecht uit. Maar… ik heb er helemaal niet bij stilgestaan. Ik heb er niet bij doorgedacht… zwanger.’ Ze keek hem met betraande ogen aan. ‘Van wie?’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Weet u dat niet? Weet u dat werkelijk niet?’

De wedervraag overviel haar. Haar ogen vernauwden zich. Ineens was ze weer op haar hoede. ‘Hoe kan ik dat weten?’ antwoordde ze fel. ‘Daar heeft ze mij niet bij geroepen.’

De Cock grijnsde. ‘Nee,’ zuchtte hij, ‘dat… eh, dat is inderdaad niet de gewoonte. Maar ik dacht zo, dat u mij zou kunnen helpen. U was tenslotte haar vriendin.’

Ze scheen hem niet te horen. Ze staarde recht voor zich uit. De lippen samengeperst tot een strakke lijn. ‘Schoften!’ riep ze plotseling. ‘Schoften. Ze hebben haar natuurlijk in de steek gelaten. Dat is het. Het arme kind heeft niet meer geweten wat ze doen moest. Ze hebben haar laten zitten, zoals altijd. Ze…’

De Cock onderbrak haar. ‘Vertel me iets over gisteren,’ zei hij. ‘Was ze op kantoor?’

Ze veegde met de mouw van haar trui over haar gezicht en knikte. Tot één uur. We hebben gisteren allemaal tot één uur gewerkt. In verband met de kerst mochten we om één uur al naar huis.’

‘Juist. Bent u samen met haar weggegaan?’

‘Nee, ze moest eerst naar het station. Ze ging vast een treinkaartje halen. Ze verwachtte dat het erg druk zou worden met de treinen. Daarom. Ze zou namelijk met de kerstdagen naar haar ouders in Bilthoven gaan.’

‘Is ze van het station weer naar huis gekomen?’

‘Ja, ze heeft haar koffer gepakt.’

‘Hoe laat ging ze weg?’

‘Om een uur of zes.’

‘Met haar koffertje?’

‘Ja.’

‘Zou ze direct naar het station gaan?’

‘Nee, ze had nog een afspraak.’

‘Een afspraak?’

‘Ja.’

‘Met wie?’

‘Dat weet ik niet precies. Ze zei dat ze nog een afspraak had. Ik dacht met haar verloofde.’

‘En de verloving was uit?’

‘Ja, maar ze onderhield nog regelmatig contact met hem. Hij belde haar vaak op. Gisterenmorgen ook nog. Ziet u, ik zit op kantoor pal tegenover haar. Onwillekeurig luister je mee.’

‘Ze maakten dus een afspraak voor ’s avonds?’

Ze knikte. ‘Dat heb ik tenminste uit het gesprek begrepen.’

‘Waarom? Ik bedoel, waarom die afspraak?’

‘Hij wilde, geloof ik, nog eens met haar praten.’

‘Hoe verliep het gesprek?’

‘O, heel vriendelijk. Ze lachte zelfs een paar keer. Vermoedelijk om een of andere opmerking die hij maakte. Ik kon natuurlijk niet horen wat hij zei.’

De Cock liep naar het raam en keek naar de sombere huizen aan de overkant van de straat. Zijn hersenen werkten op volle toeren, maar hij kon geen lijn vinden. Er was geen enkel aanknopingspunt. Het was allemaal nog zo duister, zo onbegrijpelijk.

Hij draaide zich langzaam om en keek naar Femmy van Wijngaarden, de vriendin van Ellen. Ze had haar bril weer opgezet. De tranen waren verdwenen. Bij haar linkerwenkbrauw zat een zwarte veeg van toen ze met de mouw van haar trui langs haar make-up had gewreven. Verder kon men niet meer aan haar zien dat ze had gehuild. Ze had zich weer volkomen in bedwang. Ze zat daar rustig. De handen in haar schoot. De Cock keek naar haar kleding, de hooggesloten trui, de stijve rok, de zwarte kousen en lage stevige schoenen. Sober, degelijk, eigenlijk te degelijk voor een nog zo jonge vrouw.

Een vreemd type, vond hij, moeilijk te peilen. Hij begreep haar niet helemaal. Het leek hem toe dat ze iets achterhield, iets verborg. Maar wat? Hield het verband met Ellen? Of was er nog iets anders? ‘U bent nog niet getrouwd?’ vroeg hij aarzelend.

‘Nee, ik ben ongehuwd.’

‘Geen… eh, geen vrienden?’

In een kort fel gebaar wierp ze het hoofd in de nek en snoof. Haar lange haren zwiepten naar achteren. ‘Mannen,’ zei ze minachtend, ‘mannen zijn nietsnutten, ijdele opgeblazen nietsnutten. Mannen genoeg, als je ze hun pleziertjes maar gunt. Maar vraag niet verder.’ Ze grijnsde breed. ‘Dan zijn ze niet thuis.’

De Cock keek haar enige tijd onderzoekend aan. Haar felle reactie had hem niet verrast. Hij had het min of meer verwacht. ‘Hoe oud is uw kind nu?’ vroeg hij meelevend. Zijn vraag leek een schot in de ruimte, maar was in feite een logisch gevolg van haar reactie. Hij zag een lichte zenuwtrek bij haar mond en wist dat zijn vermoeden juist was.

‘Hansje…’ zei ze, ‘Hansje is nu twee jaar.’ Ze frommelde met haar vingers aan haar trui. ‘Ik ben een ongehuwde moeder. Ziet u, ze hebben mij ook laten zitten. Daarom begrijp ik zo goed hoe Ellen zich moet hebben gevoeld. Mannen zijn schoften, geloof me, alle mannen zijn schoften.’

De Cock krabde zich eens achter in de nek. Het was niet voor het eerst dat hij een minder vleiende analyse van zijn seksegenoten te horen kreeg. Hij had genoeg vrouwen ontmoet die een wrok tegen de mannen koesterden. En vaak met reden.

‘Ik heb Ellen nog zo gewaarschuwd,’ ging ze verder. ‘Ik heb haar verteld wat er met mij was gebeurd. Ik heb haar gezegd voorzichtig te zijn.’ Ze haalde achteloos haar schouders op. ‘Maar och, ze luisteren toch niet.’

De Cock schonk haar een wrange glimlach. ‘Hebt u destijds geluisterd?’ vroeg hij zacht. ‘We luisteren niet graag als we jong zijn.’ Hij liet zich weer in de stoel tegenover haar zakken. ‘Waar is Hansje nu?’

Ze zuchtte. ‘Bij mijn ouders in Hoorn. Ik kan hem hier niet bij mij hebben. Hij is te klein. Bovendien… ik moet werken.’

Er viel een lange stilte. De Cock keek naar Vledder, die zijn onderzoek in het kamertje had beëindigd en rustig, leunend tegen de muur, stond te wachten.

Femmy staarde nadenkend voor zich uit. ‘Arme Ellen,’ zuchtte ze, ‘ze verheugde zich toch zo op de kerst. Ze vertelde me wat ze allemaal ging doen in Bilthoven. Ze zou met haar jongere broertjes gaan wandelen. Ze zou op bezoek gaan bij een oude tante, bij wie ze als kind veel kwam. Ze zou…’

Plotseling hield ze op. Haar gezicht kreeg een peinzende uitdrukking. Het was alsof ze ineens een gedachte had, een verschrikkelijke gedachte die langzaam vorm kreeg. Ze keek verward op: ‘Ellen…’ zei ze onthutst, ‘Ellen zag er helemaal niet naar uit. Ik bedoel, het leek er niet op. Ze… ze was helemaal niet van plan om zelfmoord te plegen.’

De Cock zuchtte. ‘Wie…’ zei hij zacht, ‘wie sprak er over zelfmoord?’

Ze slikte. ‘Ikke… ziet u, ik… eh, dacht…’

Haar ogen werden groot en angstig. ‘Was het dan geen…’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ellen werd vermoord.’

Загрузка...