‘Je hebt het goed begrepen?’
‘Ja, meneer De Cock.’
‘Geen woord dat je hier bij de recherche bent geweest en met mij hebt gesproken.’
‘Nee, meneer De Cock, ik kom geheel uit mij zelf.’
‘Juist, je hebt van de politie bericht ontvangen dat Ellen is vermoord. Meer niet. Daarna ben je op pad gegaan om de zaak te onderzoeken.’
Tom van Wijk knikte. ‘Ik zal mijn best doen. Als ze iets bijzonders zegt, bel ik u.’
De Cock glimlachte. ‘Mooi, ga nu maar.’
Toen Tom van Wijk de deur van de recherchekamer achter zich had gesloten, greep De Cock de telefoon en belde de wachtcommandant. ‘Er komt direct een jonge militair naar beneden. Je weet wel, die door de marechaussee werd gebracht. Ik had graag dat je hem in een wagen stopte en naar de Overtoom liet brengen. Bij de J.P. Heijestraat kunnen ze hem laten uitstappen. Hij vindt dan verder zijn weg wel.’
‘Verder niets?’
‘Nee, verder niets. Je hoeft hem ook niet in het dagelijks rapport op te nemen. Hij is voorlopig niet meer dan een getuige.’ ‘Het komt in orde.’
‘Oh ja, stuur Vledder naar boven.’
Met een wat loom gebaar legde hij de hoorn op het toestel en begon door de recherchekamer te stappen. Voor het raam bleef hij staan, wijdbeens, in zijn geliefkoosde houding, met de handen op de rug, zachtjes wippend op de ballen van zijn voeten. Hij keek naar het gewriemel van daken aan de overkant van de aloude Warmoesstraat. Hij kende het beeld op elk uur van de dag, op elke dag van de week, in elke maand van het jaar. Hoeveel uren had hij hier gestaan, verzonken in gepeins, trachtend een uitweg te vinden in het warnet van de menselijke hartstocht, emotie. Hij was er grijs bij geworden en de trekken in zijn gezicht hadden zich verscherpt. Hij bedacht het, niet met bitterheid, maar kalm en nuchter, zoals zijn gewoonte was de dingen van het leven te bezien.
Hij diende nu al meer dan twintig jaar het recht. Het recht waarin hij niet eens geloofde. Hij werkte ook niet vanuit een rechtsgevoel, maar veel meer uit liefde voor zijn medemens. Een eenvoudig begrip van naastenliefde zonder franje. Hij had dat eigenlijk nooit beredeneerd, maar er simpelweg naar geleefd, omdat hij in ieder mens iets van zichzelf ontdekte. Er bestond niet veel verschil, bedacht hij, tussen een moordenaar, een dief en hemzelf. Het was te verwaarlozen. Het waren mensen met alles wat daar zo bij hoorde. Sommigen konden zich echter minder beheersen. Dat was het. Daarom stond hij hier, op de eerste kerstdag, terwijl thuis zijn vrouw mokte bij de gebraden haas, waarop ze haar best had gedaan, voor hem, omdat hij zo van haas hield.
Vledder stormde de kamer binnen. ‘Je hebt hem weggestuurd!’
De Cock draaide zich langzaam om. ‘Ja,’ zei hij kalm, ‘ik heb hem weggestuurd.’
Vledder staarde hem verbaasd aan. ‘Maa… r,’ stamelde hij nietbegrijpend, ‘hij had toch op de avond van de moord een afspraak met Ellen. We weten dat van Femmy.’
De Cock knikte. ‘Dat klopt. Hij heeft dat ook toegegeven. Hij had een afspraak met haar om zeven uur onder de overkapping van het Centraal Station. Ze zijn naar de stationsrestauratie gegaan op het eerste perron. Daar hebben ze met elkaar gesproken. Het was nogal een heftig onderhoud met veel koppen koffie. Ellen vertelde hem dat ze bij haar standpunt bleef. Het was haar onmogelijk de verloving voort te zetten. Onder tranen hebben ze elkaar de ringen teruggegeven. Ze zei dat ze ondanks alles, altijd van hem zou blijven houden. Enfin, het was een dramatische scène. Om ongeveer negen uur zijn ze uit elkaar gegaan.’
‘En dat geloof je?’
‘Wat?’
‘Dat hij om negen uur bij haar vandaan is gegaan.’
‘Waarom niet?’
‘Maar, De Cock!’ riep hij verbijsterd. ‘Die Tom van Wijk is de laatste man die haar in leven zag. Hij kan haar hebben vermoord. Zijn verhaal hoeft toch niet te kloppen. Noch de Herengracht, noch de Brouwersgracht ligt ver van het station. Te voet hoogstens vijf minuten. Hij kan wel met haar zijn gaan wandelen. Bovendien had hij een redelijk motief. Hij geeft zelf toe dat het onderhoud nogal heftig was.’
De Cock knikte. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij kalm. ‘Tom van Wijk kon zijn verloofde hebben vermoord. Hij heeft er de tijd voor gehad. Hij kwam eerst kort na middernacht in de kazerne terug. Vledder wond zich steeds meer op. ‘Maar je liet hem gaan!’
De Cock liet zich lui in zijn stoel achter het bureau zakken en geeuwde. Hij bedacht dat hij veel te weinig slaap had gekregen. Hij trok de la van zijn bureau open en nam een pepermuntje. Met de rol in zijn hand keek hij zijn jonge collega vriendelijk aan. ‘Ook één?’
Het gezicht van Vledder leek een donderwolk. ‘Je liet hem gaan, De Cock. Je liet hem zelfs keurig wegbrengen met een politiewagentje. Waarom?’
De Cock grijnsde vriendelijk. ‘Omdat Tom van Wijk in de maand oktober in La Courtine was.’
Vledder grinnikte. ‘Wat heeft dat er nu mee te maken?’
‘Zoveel, dat hij niet onze enige verdachte is.’
‘Wat?’
De Cock zuchtte. ‘Spreek ik niet duidelijk genoeg, m’n jong? Tom-van-Wijk-is-niet-onze-enige-verdachte. Er moet nog iemand zijn.’
‘Nog iemand?’
De Cock keek z’n jonge collega hoofdschuddend aan. ‘Je bent vandaag veel te ongedurig,’ zei hij met een licht verwijt. ‘Dat verhoor was ook geen succes.’ Hij gebaarde naar de stoel voor zijn bureau. ‘Ga nu eens rustig tegenover mij zitten, dan zal ik je eens een aardig rekensommetje voorleggen. Kun je het geduld opbrengen om naar mij te luisteren?’
Vledder voelde de terechtwijzing. Hij was er zich van bewust dat zijn optreden tot nu nogal onbesuisd was geweest. De Cock had gelijk, hij was veel te ongedurig, eigenlijk al vanaf het moment dat de broeders het lijk van Ellen uit het water hadden gevist. Hij wist ook hoe het kwam. Innerlijk kende hij de oorzaak. Het was dat gevoel van onbekwaamheid, angst, gebrek aan zelfvertrouwen, waardoor hij de zaak niet alleen had aangedurfd. Bij De Cock ging het altijd zo gemakkelijk, zo simpel en vanzelfsprekend, dat hij zich later slechts kon verwijten dat hij de oplossing niet zelf had gevonden. Hij had dat al dikwijls meegemaakt. Daarom trachtte hij zijn oude leermeester te imiteren in woord en gebaar, maar begreep dat hij nooit een tweede De Cock zou worden.
Zuchtend wreef hij met zijn hand langs zijn gezicht en besefte tegelijk dat ook dit een gebaar was dat hij van De Cock had overgenomen. ‘Een rekensommetje?’ vroeg hij wat afwezig.
De Cock knikte. ‘Er bestaat,’ zo begon hij, ‘een aardig rekensommetje, waarbij men aan de hand van de lengte van een onvoldragen vrucht de duur van de zwangerschap kan bepalen. Is de zwangerschap namelijk één maand gevorderd, dan is de vrucht éénmaal één is één centimeter lang. Is de zwangerschap twee maanden gevorderd, dan is de vrucht tweemaal twee, dus vier centimeter lang. Drie maanden: driemaal drie is negen centimeter. Enzovoort, tot aan de vijfde maand. Vanaf de vijfde maand vermenigvuldigt men eenvoudig met vijf. Een vrucht van acht maanden is dus, achtmaal vijf is veertig centimeter groot. Begrepen?’
Vledder knikte.
‘Bij die berekening gaat men uit van de eerste dag van de laatste menstruatie en de maanden zijn geen gewone kalendermaanden, maar zogenaamde maanmaanden van achtentwintig dagen.’
Vledder nam een vel papier en begon ijverig aantekeningen te maken.
‘Heb je dat?’
‘Ja.’
‘Bezien we nu eens,’ zo ging De Cock docerend verder, ‘de zwangerschap van Ellen. Dr. Rusteloos heeft bij de sectie de vrucht gemeten en de uitkomst was precies negen centimeter, dus driemaal drie. Uitgaande van onze berekening was Ellen de Vries op de dag van haar overlijden drie maanden van achtentwintig dagen zwanger. Kan je dat nog allemaal volgen of wordt het nu te ingewikkeld voor je?’
Vledder glimlachte. ‘Het is nogal vrij simpel.’ De Cock bracht zijn wijsvinger voor zijn neus. ‘Stellen we nu de dag van Ellens overlijden op de vijfentwintigste december, dat is de eerste kerstdag, en we rekenen vierentachtig dagen terug, dan komen we terecht op twee oktober. Bedenk nu verder dat de cyclus van de vrouw oftewel de tijd tussen twee menstruaties zo gemiddeld op achtentwintig dagen wordt gesteld, wat is dan de uiteindelijke conclusie?’
Vledder keek van zijn aantekeningen op. ‘Dat ze — en dat is dan wel heel ruim genomen — tussen de tweede en de dertigste oktober zwanger is geraakt.’
De Cock knikte. ‘Heel juist. De knappe Ellen had tussen twee en dertig oktober — zoals onze wet het zo netjes zegt — vleselijke gemeenschap.’
Vledder keek hem peinzend aan. ‘Maar als…’
De Cock knikte hem toe. ‘Ja,’ zei hij bemoedigend, ‘ga door.’
‘Maar als… als ze in oktober zwanger raakte, was het niet van haar verloofde.’
‘Precies m’n jong,’ grijnsde De Cock, ‘want die was de hele maand oktober in Frankrijk, in La Courtine, en dat is te ver om even een uitstapje te maken. Bovendien heb ik dat gecontroleerd.’
Vledder zuchtte. ‘Dus nog een man.’
De Cock knikte. ‘Ja, nog een man. Een man van wie wij nog niets weten. Een onbekende.’ Hij stak zijn onderlip vooruit. Zijn hand streek langs zijn kin. ‘En omdat de relatie zo intiem was als onze berekeningen hebben aangetoond, zou ik graag eens kennis met hem maken.’
‘Persoonlijk,’ meesmuilde Vledder.
‘Ja, persoonlijk.’
Op dat moment rinkelde de telefoon. De Cock greep de hoorn. ‘Ja.’ Het was de wachtcommandant. ‘Hier beneden is ene Joost Hofman uit Alkmaar.’