11

Handige Henkie werkte snel en volkomen in stijl met handschoenen aan. Hij was in de ban van het ‘karwei’ en hanteerde zijn spulletjes met meesterhand.

De Cock keek vanaf een afstand toe, geboeid door Henkies handigheid. Hij diende in feite als uitkijk, maar deed dat zo slecht, dat ze bijna door een eenzame wandelaar werden overlopen. Gelukkig lette de man niet op. Hij slenterde, zonder hen op te merken, rakelings voorbij. Toen hij uit het gehoor was, vloekte Henkie. ‘Lelijke klo…’ Hij herinnerde zich bijtijds dat hij een wat vreemde maat had. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij verontschuldigend. ‘Ik was effe geschrokken.’

De Cock knikte. ‘Het is goed,’ zei hij, ‘het was mijn schuld.’ Henkie morrelde verder. Na een paar minuten had hij de deur van het souterrain opengepeuterd. Mooi vakwerk. De deur had van de behandeling bijna niet geleden. Er was zo oppervlakkig niets aan te zien.

De Cock klopte hem goedkeurend op de schouder. ‘Ga maar mee naar binnen,’ zei hij, ‘misschien ontmoet ik nog meer obstakels.’

Ze deden de deur van het souterrain achter zich dicht en begonnen hun tocht door het pand. De Cock wist eigenlijk niet waarnaar hij moest zoeken. Hij volgde meer een impuls. Ellen was op de avond dat zij werd vermoord vermoedelijk hier geweest. Hij zocht naar het waarom en hoopte sporen te vinden die hem het antwoord zouden verschaffen.

Met Henkie op zijn hielen liep hij door de lange marmeren gangen, ging het ene bureau in, het andere uit. Het licht van hun zaklantaarns danste langs stalen kasten en schrijfmachines onder hoezen.

Henkie stootte hem aan. ‘Zie je wel, niets te halen. Aan die schrijfmachines,’ doceerde hij, ‘heb je niets. Allemaal genummerd. Loop je zo mee stuk.’

De Cock glimlachte om het onderricht. ‘Ik kom hier niet om wat te halen,’ zei hij.

Plotseling bleef Henkie staan. ‘Ja, zeg, hee,’ riep hij halffluisterend, ‘waarvoor wou u eigenlijk naar binnen?’

De Cock zuchtte. ‘Omdat er een meisje is vermoord.’

‘Waar? Hier?’ Het klonk een beetje angstig.

‘Dat…’ zei De Cock, ‘wil ik onderzoeken.’

Henkie keek om zich heen. ‘Verdomme,’ zei hij wat benepen. ‘Dat had u me wel eens kunnen zeggen.’

Het licht van zijn zaklantaarn dwaalde in het rond, belichtte een schilderij aan de muur en ontdekte in het plafond een engeltje met een bazuin. Henkie bleef er even naar kijken. ‘Hoe oud was ze?’ De Cock was al een eindje vooruit. ‘Negentien,’ riep hij.

‘Waarom?’

Henkie liet zijn zaklantaarn zakken en schuifelde achter hem aan. ‘Nee, niks,’ zei hij somber. ‘Het gaat over.’

Op de eerste etage ontdekte De Cock het privé-kantoor. Het kreeg zijn speciale belangstelling. Hij zag dat de zware overgordijnen waren gesloten en waagde het het licht te ontsteken. ‘Blijf bij de deur staan,’ zei hij tegen Henkie, ‘en kom nergens aan.’

Henkie gehoorzaamde met knipperende ogen.

De Cock stak zijn handen in zijn zak en keek rond. De kamer was sober gemeubileerd: een donker bureau van bijzondere afmetingen, zware leren fauteuils, eikenhouten lambrizering. Het ademde een geest van betrouwbare degelijkheid. De Cock nam het beeld in zich op en zocht naar een dissonant, een verstoring van het geheel. Hij had daarvoor een scherpe blik, met een liefde voor het detail. Het was een natuurlijke eigenschap, in zijn beroep verder ontwikkeld. Ineens ontdekte hij een doffe, haast wit uitgebeten plek op de verder zo glanzende parketvloer. De aftekening vormde een grillige lijn, die kronkelend achter een poot van een van de fauteuils verdween. De Cock was onmiddellijk geïnteresseerd. Hij liet zich op zijn knieën zakken en knipte zijn zaklantaarn aan. Hij zag hoe de lijn zich onder de fauteuil voortzette en zich ten slotte sloot in een kring.

Henkie keek gespannen toe. ‘Daar heeft iemand iets gemorst,’ zei hij. De Cock richtte zich weer op. Zijn gezicht had een peinzende uitdrukking. ‘Wat doe je als je iets morst?’ zei hij. Henkie grijnsde. ‘Dan dweil je het op.’

De Cock knikte. ‘Precies,’ zei hij, ‘dan dweil je het op.’

Hij streek met zijn hand langs zijn gezicht en dacht even na. Daarna liep hij de kamer uit. Henkie achter hem aan. Op de gang opende hij een deur. Het was een diepe kast. Hij zag een stel stoffige ordners en deed de deur weer dicht. De volgende deur bracht wat hij zocht. De kast van de werkster. Er stonden een paar bezems, een stofzuiger, een boenblok en een stel in elkaar geschoven emmers. Op de bodem van de bovenste emmer lag een halfnatte, ineengeknoedelde dweil. De Cock tilde hem aan duim en wijsvinger omhoog en rook eraan. De geur van de dweil bevestigde onmiddellijk zijn vermoeden.

Hij bepeinsde hoe hij het zou doen. De dweil leek hem een te kostbaar bewijsstuk om als lokaas te gebruiken. Het risico was te groot. Als de dweil verloren ging, was hij zijn bewijskracht kwijt en dat leek hem minder vergeeflijk dan een inbraak op zijn gezag. ‘Houd eens even vast,’ zei hij.

Henkie nam de dweil van hem over. ‘Gatverdamme,’ zei hij met een vies gezicht. ‘Die dweil stinkt.’

De Cock knikte. ‘Ik verwachtte niet anders.’

Hij pakte van een spijker aan de binnenkant van de kastdeur een andere dweil en ging daarmee op zoek naar een fonteintje. Toen hij dat gevonden had, maakte hij de dweil nat en legde hem net zo verknoedeld op de bodem van de emmer neer. ‘Zo, dat is dat,’ zei hij. ‘En wat doe ik met deze dweil?’ Henkie hield hem zo ver mogelijk van zich vandaan.

‘Nog even vasthouden,’ glunderde De Cock. ‘Ik zal je er zo van verlossen.’

Hij liep naar het privé-kantoor, deed het licht uit en sloot de deur. In de kast met stoffige ordners vond hij een grote gele enveloppe. Daar pakte hij de dweil in.

Henkie keek hem aan. ‘Wat moet je met die vieze dweil?’

De Cock antwoordde niet. Hij keek nog eens rond en overzag de situatie. Die leek hem gunstig. De kast van de werkster lag pal naast de trap naar boven. Hij liep de trap op. Bovenaan bleef hij staan en keek naar beneden. ‘Schijn eens op de kastdeur.’ Henkie gehoorzaamde gewillig.

‘Mooi,’ mompelde De Cock, ‘heel mooi.’ Hij kwam langzaam de trap af. Een tevreden trek op zijn gezicht.

‘En verder?’ vroeg Henkie.

‘Verder niks, we gaan eruit.’

‘Bedoel je,’ zei Henkie verbaasd, ‘dat we alleen hebben ingebroken voor die gore dweil?’

‘Zo is het.’

Henkie schudde verbijsterd het hoofd. Hij had er geen woorden voor. Ze kwamen ongezien naar buiten, deden de deur van het souterrain weer dicht en liepen de gracht af. Op de hoek van de Herenstraat bleef De Cock staan. ‘Ik blijf hier wel even op je wachten,’ zei hij, ‘tot je je spulletjes weer naar de zolder hebt gebracht.’

Henkie wierp hem een halfspottende blik toe en wandelde met zijn aktetas onder zijn arm naar het huis van zijn oudje. Na een paar minuten was hij terug. ‘Moet je het nog controleren?’ vroeg hij sarcastisch.

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Waarom? Ik ver trouw je toch? ’ Henkie leek wat verbolgen. ‘Luister eens, De Cock,’ zei hij geprikkeld, ‘dat ik die deur voor je openpeuterde was een vriendendienst op grond van onze relaties. Je moet er niets bij denken. Ik kraak niet meer, al jaren niet, en als je er bang voor bent dat ik de smaak weer te pakken krijg, ga je mijn spulletjes maar halen. Je weet nou waar ze liggen.’

De Cock zuchtte. ‘Ik bedoelde het niet slecht. Ik heb je toch gezegd dat ik je vertrouwde. En dat meende ik. Dacht je dat ik anders zo’n kunststukje met je had uitgehaald?’

Het gezicht van Henkie klaarde op. ‘Dat had je met een ander nooit geflikt, hè?’

De Cock glimlachte. ‘Vast niet. Ik was dan bang geweest dat ze er later misbruik van hadden gemaakt. Misbruik van vertrouwen, weet je.’

Henkie knikte peinzend. ‘Dat is schofterig.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.

‘Precies,’ zei De Cock, ‘dat is schofterig.’ Hij klopte hem vertrouwelijk op de schouder. ‘Kom, Henkie, ik heb nog een hoop werk voor de boeg. Ik zal je thuisbrengen.’

‘Naar m’n tweedehandsie?’ Henkie lachte olijk.

De Cock schonk hem een knipoogje. ‘Het is een moordgriet,’ zei hij, ‘geloof me.’

En met die lof was Henkie dik tevreden.


De kerst in ogenschouw genomen, was de recherchekamer nogal druk bezet. Klaas Pieper, Vledder, Femmy van Wijngaarden en Tom van Wijk. Ze zaten wat verspreid, met grote onderlinge tussenruimten, en spraken niet. Klaas zat achter het bureau van De Cock, alsof hij daar thuishoorde. Vledder zat op een stoel bij het raam, zijn armen rustend op de leuning. Tom van Wijk speelde met een perforator en Femmy van Wijngaarden staarde wat somber voor zich uit. Er heerste een sfeer van gespannen afwachting.

Klaas Pieper had het minst van die sfeer te lijden. Hij had zijn plicht gedaan. Nadat hij Vledder had gewaarschuwd en deze met het vrouwtje en de militair was verschenen, was hij op zoek gegaan naar de kelner van de stationsrestauratie. Hij had hem direct gevonden. De kelner kon zich het meisje van de foto nog wel herinneren. Ze was in gezelschap geweest van een militair, precies zoals De Cock had gezegd. De militair was het eerst vertrokken. Daarna had het meisje naar de telefoon gevraagd. Dat was alles wat de kelner kon vertellen. Klaas wist niet of het belangrijk was. Het kon hem eigenlijk ook niet zoveel schelen. Hij had nu eenmaal een grenzeloze bewondering voor De Cock, een bewondering die hij nooit onder stoelen of banken stak, maar waarvan hij meestal luidruchtig getuigde. De Cock zou zelf wel uitmaken of het belangrijk was en zijn eigen conclusies trekken. Waarom zou hij erover piekeren.

Vanaf het station was hij naar de garage gegaan. De pompbediende wist nog alles van de reparatie aan de verwarming af. Hij kon zich ook de man van de auto nog heel goed herinneren. Hij had uit zijn portefeuille betaald en een flinke fooi gegeven. Er was geen bon uitgeschreven. Waarom? Klaas begreep wel waarom. De reparatie was voor de pompbediende natuurlijk een schnabbeltje geweest, waarvan zijn baas niets mocht weten. Enfin, dat was zijn zaak.

Het telefoontje met de politie in Hoorn had niet veel opgeleverd. Zeker, men kende daar de familie Van Wijngaarden wel. Een gewone nette familie met een dochter die in Amsterdam werkte. Dat was alles.

Klaas Pieper had het allemaal keurig op papier gezet. Hij zou het De Cock straks geven.

Vledder voelde zich niet prettig. Hij had weer dat gevoel buiten de zaak te staan. Het was de schuld van De Cock, vond hij. Die scharrelde maar wat. Hij kon er nooit een lijn in ontdekken. Waarom, zo vroeg hij zich af, dat vrouwtje naar het bureau gehaald? Wat wilde De Cock van die Femmy? Hij had haar toch al verhoord. En hoe kwam die Tom van Wijk bij haar? De Cock wist blijkbaar dat hij die jongen bij haar kon vinden. Had hij Tom naar haar toegestuurd? Het was mogelijk. Je kon van De Cock tenslotte alles verwachten. Hij stond zuchtend op en begon door de kamer te stappen.

‘Hoe lang moet ik hier nog blijven zitten,’ vroeg Femmy ongeduldig.

‘Tot mijn collega terugkomt.’

‘En hoe lang kan dat nog duren?’

‘Weet ik veel,’ antwoordde Vledder geprikkeld. ‘Hij zal zo wel komen.’

‘Ik ben anders niet van plan,’ zei ze opstandig, ‘om nog veel langer te wachten.’

Klaas kwam vanachter het bureau vandaan. ‘Hoor eens, juffie,’ zei hij dreigend, ‘als De Cock je laat ophalen, heeft hij daar een bedoeling mee. En denk nu niet,’ ging hij hoofdschuddend verder, ‘dat wij je dan zonder zijn toestemming laten gaan.’

Het gezicht van Femmy werd rood en achter de glazen van haar hoornen bril begonnen haar ogen vervaarlijk te flikkeren. Ze kwam met een ruk overeind. ‘Ik zou wel eens willen zien,’ zei ze vastberaden, ‘wie mij hier tegenhoudt.’

Nog voordat Klaas en Vledder haar hadden kunnen vastpakken, was ze al op weg naar de deur. Ze liep bijna in de armen van De Cock, die juist kwam binnenstappen. ‘Dag juffrouw Van Wijngaarden,’ zei hij vriendelijk. ‘U wilde ons toch nu al niet verlaten? Ik heb straks nog wel zo’n aardige verrassing voor u.’

Загрузка...