‘Kunt u een verlies van tweehonderd gulden gemakkelijk dragen?’
‘Ik ga er niet failliet van, als u dat bedoelt.’
‘Dat bedoel ik.’
Met zijn oude, haast vormloze hoed achter op zijn hoofd en zijn handen diep in de zakken van zijn dikke winterjas, slenterde De Cock over de oude Walletjes van Amsterdam. De heer Joost Hofman liep met keurige kleine pasjes wat onwennig naast hem.
‘Och, meneer De Cock, die tweehonderd gulden interesseren mij eigenlijk niet zoveel. Ik kan ze wel missen. Ik hoop alleen dat u het raadsel van mijn portefeuille oplost. Ik vind dat wel belangrijker.’
De Cock knikte. ‘Trek in een borrel?’
De heer Hofman grinnikte. ‘Om van de schrik te bekomen. Allemensen, u hebt mij wel te pakken gehad. Ik dacht echt dat u het meende, toen u mij van moord beschuldigde.’
De Cock keek hem van terzijde aan. ‘Ik neem er voorlopig nog geen woord van terug.’
De heer Hofman, opnieuw geschrokken, zweeg.
Op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg glipte De Cock een cafeetje binnen.
De heer Hofman volgde schoorvoetend.
Met een gebaar dat van zeer grote routine getuigde, hees De Cock zijn zware bovenlijf op een barkruk.
Het was stil in de zaak. Achterin zaten een paar typische logementgasten bijeen en legden een kaartje. Links van de bar, hangend over een tafeltje, sliep een dronken sloeber zijn roes uit. Verder was er niemand. Zelfs de penose vierde kerstfeest thuis. Smalle Lowietje greep van onder de tapkast de fles Franse cognac, die speciaal voor De Cock stond gereserveerd.
‘Het oude recept.’
Smalle Lowietje schonk in en wierp een vragende blik naar Hofman. ‘Een vreempie, zeker nieuw in de buurt?’
De Cock keek hem aan. ‘Een collega van mij,’ loog hij, ‘uit Den Haag. Dat moest jij toch direct zien. De man is keurig gekleed.’
Smalle Lowietje knikte wat afwezig en monsterde de gestalte van de heer Hofman. ‘Een beetje klein van stuk,’ zei hij wat wantrouwend. ‘Ik bedoel, voor een rechercheur.’
De Cock grinnikte. ‘Bij de politie in Den Haag letten ze daar niet zo op. Als ze maar keurig gekleed zijn.’
‘Ja, ja,’ bromde Lowietje, nog lang niet overtuigd, ‘dat zal wel.’ Hij keek Hofman wat achterdochtig aan. ‘En wat wenst meneer?’
‘Geeft u mij maar een citroentje met suiker,’ antwoordde Hofman met een onvervalst Noord-Hollands accent.
Het accent ontging Lowietje niet. Hij pakte de fles en snoof. ‘Den Haag, hè,’ zei hij smalend, ‘zeker import.’
De Cock lachte hartelijk. ‘Luister eens, Lowietje,’ zei hij. ‘Ik ben op zoek naar Handige Henkie.’
Het gezicht van Lowietje betrok. ‘Ach nee.’
‘Beslist.’
‘Ach, meneer De Cock,’ zei hij bijna smekend, ‘laat die jongen toch even uitblazen. Hij heeft pas een jaar lik opgeknapt. Hij is net vrij. Je moet zo’n jongen toch even op adem laten komen.’
Hij zweeg en keek in de richting van Hofman. ‘Zeker de portefeuille van meneer?’ De Cock antwoordde niet.
Lowietje richtte zich tot Hofman. ‘Dat moet u niet doen,’ zei hij halfbestraffend, ‘dat moet u niet doen. Ik weet niet hoeveel er in die portefeuille zat. Misschien een paar tientjes en wat maken een paar tientjes voor u uit. Niks toch. Voor die jongen is het een hoop geld. Toe meneer, geef Henkie nog een kans en trek uw aangifte in. Het is toch kerst. U weet wel, vrede op aarde… en van dat spul…’
De Cock kwam tussenbeide. ‘Een meesterlijk pleidooi, Lowietje,’ zei hij bewonderend. ‘En zo gloedvol gebracht. Ik heb er gewoon tranen van in mijn ogen.’
Smalle Lowietje trok zijn magere schouders op. ‘Ik kan het toch proberen,’ zei hij verongelijkt.
‘Natuurlijk,’ antwoordde De Cock. ‘Ik kan het zelfs in je waarderen. Maar het helpt niet. Ik moet even met Henkie babbelen. Daar helpt geen lieve vader of moeder aan.’
Lowietje trok zijn schouders op. ‘En ik weet niet waar hij is.’
‘Dat is jammer,’ zuchtte De Cock. ‘Ik had zo gehoopt dat je mij zou helpen. Ik heb laatst nog wel zoveel goeds van je gezegd.’ Hij boog zich naar hem toe. ‘Weet je wat ze laatst in mijn oor fluisterden? Ze fluisterden dat jij wel eens gestolen spulletjes kocht. Als je wat hebt, zeiden ze, ga naar Lowietje, die weet er wel weg mee.’ De Cock gebaarde. ‘Ik heb het natuurlijk direct van de hand gewezen.’ In zijn stem trilde pure verontwaardiging. ‘Ik zei: “met zulke verhaaltjes moet je bij mij niet aankomen. Daar geloof ik geen steek van. Ik ken Lowietje. Lowietje is geen snees.” Zie je, dat heb ik gezegd.’
Lowietje grijnsde. ‘U kunt van die mooie dingen zeggen,’ meesmuilde hij. ‘Van die echte mooie dingen.’
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Och, het zal aan mij niet liggen. Je weet hoe ik op je gesteld ben, maar je zou mij toch niet moeten dwingen een onderzoek in te stellen.’
Hij keek Smalle Lowietje een tijdje glimlachend aan. ‘Is… eh, is…’ zei hij aarzelend, ‘is Henkie bij Rooie Bertus of kan ik hem in het pandje van Kromme Miep vinden?’
Lowietje stond in tweestrijd. Even maar. ‘Manke Miep.’
De Cock dronk zijn glaasje leeg en liet zich van de kruk glijden. ‘Je bent een brave ziel,’ zei hij.
Lowietje maakte een grimas. ‘Koop er een brood voor.’
‘U zult zich vermoedelijk hebben afgevraagd waarvoor ik u heb meegenomen. Maar ik heb daarvoor een goede reden. U moet mij helpen.’
‘Helpen?’
‘Ja, meneer Hofman. Ziet u, ik heb geen zin om met Henkie lange sermoenen te houden, hoe plezierig die in het verleden ook zijn geweest. Ik heb daar nu geen tijd voor. Henkie moet snel door de knieën. En u kunt mij daarbij helpen.’
‘Hoe?’
‘O, dat is heel eenvoudig. U geeft straks in het bijzijn van Henkie alleen maar antwoord op mijn vragen. U behoeft zich geen zorgen te maken. Ik leg u het antwoord wel in de mond. Het is niet bepaald legaal wat ik u voorstel, maar ik heb geen keus. Henkie moet zo snel mogelijk tot het inzicht komen dat hij klem zit. Het gaat mij niet om die zakkenrollerij, dat begrijpt u wel. Ik wil de moordenaar van Ellen de Vries. Ik heb mezelf dat beloofd, als kerstcadeau.’
De heer Hofman knikte. ‘Ik zal u helpen,’ zei hij ernstig. ‘Het is tenslotte ook mijn belang.’
Handige Henkie keek op toen hij De Cock onaangediend zag binnenstappen, de heer Hofman in zijn kielzog. Heel even was hij sprakeloos, toen trok hij zijn gezicht in een vreemde grijns. ‘Zet de kip maar af,’ riep hij naar achteren, ‘mijn eetlust is al bedorven.’
Uit de keuken stapte een vrij jong hoertje, met een vork in haar hand. Ze droeg niet veel meer dan een huiselijk schortje, wat een komische indruk maakte. Toen ze De Cock in het oog kreeg, zei ze ‘O.’ In die ene letter lag meer uitdrukking dan in twintig versregels van Vondel. De Cock keek het tweetal geamuseerd aan.
Het hoertje liep op hem toe. ‘Had je nou niet kunnen wachten,’ zei ze geërgerd, ‘tot na nieuwjaar? Verdomme nog an toe. Het is voor ons toch zeker ook kerst.’
Henkie stond snel op. ‘Hou je mond,’ beet hij haar toe. ‘Meneer De Cock komt ons gewoon een prettig kerstfeest wensen.’ Zijn toon veranderde, werd bijna vleiend. ‘Nietwaar, meneer De Cock. Zo is het toch?’
De Cock lachte inwendig, maar liet daar uiterlijk niets van blijken. ‘Ik vrees,’ zei hij, ‘dat je je vergist. Ik kwam hier om je de heer Hofman voor te stellen.’
Hij wendde zich tot de heer Hofman en wees naar Henkie. ‘U herkent deze man?’
‘Ja.’
‘U hebt hem gisterenavond ontmoet in een café op de Nieuwendijk.’
‘Ja.’
‘Voor u hem ontmoette, had u uw portefeuille nog?’
‘Ja.’
‘U droeg hem in uw binnenzak?’
‘Ja.’
‘En u hebt gevoeld hoe deze man uw portefeuille vastpakte en uit uw jasje wegnam?’
‘Ja.’
‘U durfde er niets van te zeggen, omdat u bang was voor herrie in dat café, waar u niemand kende?’
‘Ja.’
‘Maar het is absoluut zeker dat deze man uw portefeuille rolde.’
‘Ja.’
‘U bent bereid dit voor de rechtbank onder ede te verklaren?’
‘Ja.’
Handige Henkie hoorde de nogal eenzijdige conversatie met stijgende verbazing aan. ‘Hee, hee,’ riep hij verbijsterd, ‘wat is dat? Zeg, hee, De Cock, zo’n spelletje kan je met mij niet spelen. Dat is gewoon rechtsverkrachting. Maar dat gaat niet. Dat is…’
De Cock toonde hem een effen gezicht. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij onnozel. ‘Je hebt op een handige manier die man zijn portefeuille gerold. Dat is alles.’
Henkie keek hem achterdochtig aan. Hij kende De Cock al vele jaren. Dit was niet de eerste keer dat hij met hem te maken had. Zijn hersenen werkten snel. De bijnaam Handige Henkie had de penose hem niet voor niets gegeven.
Hij voelde dat De Cock ergens op aan stuurde. Er was nog nooit iemand geweest die had gevoeld dat hij hem zijn portefeuille afnam. Hij kende zijn vak. Die vent stond te liegen. Je kon het gewoon aan hem zien. De Cock liet hem ook alleen maar ‘ja’ zeggen.
Henkie vernauwde zijn ogen tot spleetjes. ‘En als ik nou eens ontken?’
De Cock maakte een gebaartje. ‘Dan stop ik je gewoon in de bak. Kerst of geen kerst.’
Henkie verzonk in gepeins. ‘En…’ zei hij na een poosje, ‘als ik beken?’
De Cock grijnsde vriendelijk. ‘Dan… eh, dan zouden we er nog eens over kunnen praten.’
Henkie liet zijn sluwe ogen over De Cock en Hofman gaan. ‘Er valt dan niets te praten,’ zei hij. ‘Ik heb de portefeuille van meneer niet gerold.’
Hij peilde de reactie.
De Cock zuchtte. ‘Het is jammer van de kip,’ zei hij. ‘Ik zou best een boutje hebben gelust. Ik heb van vanmorgen af niet gegeten. Bovendien wilde de heer Hofman graag naar huis. Als ik eerst nog zijn verklaring in een proces-verbaal moet vastleggen, dan wordt het wel wat laat…’
Henkie proefde de toespeling. Hij was volkomen op de hoogte van de werkwijze van de recherche. Hij begreep wat De Cock bedoelde. Die meneer Hofman had geen officiële aangifte van zakkenrollerij ondertekend.
‘Van die tweehonderd gulden,’ zei Henkie aarzelend, ‘heb ik niet veel meer over.’ Er verscheen een grijns op zijn gezicht. ‘Een gedeelte ligt in de braadpan: drie malse kippetjes.’
De Cock knikte. ‘Ik geloof dat we elkaar begrijpen,’ zei hij. ‘Waar heb je die portefeuille gelaten?’
‘Weggegooid.’
‘Zomaar?’
‘Nadat ik het geld eruit had gehaald.’
‘Dat snap ik. Maar heb je de portefeuille zomaar los weggegooid. Ik bedoel, was er niets bij?’
Het gezicht van Henkie betrok. ‘Het is een slechte tijd, meneer De Cock. Ik ben nog niet zo lang vrij. Ik heb nog niet zoveel kans gekregen om wat te verdienen. En met de kerstdagen voor de deur.’
‘Je hebt dus nog iets gejat?’
Henkie antwoordde niet. ‘Haal een stuk kip voor de heren,’ zei hij tegen het vrouwtje. ‘Je hebt het toch gehoord. Meneer De Cock heeft vanaf vanmorgen niets meer gegeten.’
Het hoertje haastte zich naar de keuken.
‘Ga toch zitten, heren,’ nodigde hij uit, ‘ga toch zitten. U wordt zo bediend.’
De Cock nam aan tafel plaats. Meneer Hofman volgde.
‘Je hebt nog steeds geen antwoord gegeven op mijn vraag,’ zei De Cock met effen stem.
Henkie trok een vies gezicht. ‘Moet dat nou. Ik heb al ellende genoeg.’
De Cock streek met zijn hand over zijn gezicht. Hij wist dat hij met Henkie geduld moest hebben. Het had geen zin om de zaak te forceren. Als Henkie dichtklapte en geen woord meer zou zeggen, was hij verder van huis.
‘Luister eens Henkie,’ zei hij vriendelijk, ‘ik ben er niet op uit om jou in de bajes te helpen en ook meneer Hofman heeft er dit keer geen bezwaar tegen dat je van zijn centen kippetjes eet. Maar ik verwacht dan ook van jou alle medewerking. Hoe ben je aan dat damestasje gekomen?’
Henkie zuchtte. ‘U hebt de portefeuille natuurlijk samen met het tasje gevonden. Ik begrijp het wel. En nu wil je weten waar ik dat tasje vandaan had.’
‘Precies.’
‘Gewoon gejat uit een wagen.’
‘Waar?’
‘Op de Keizersgracht.’ Hij zuchtte opnieuw. ‘Kijk, meneer De Cock, nadat ik de portefeuille van meneer had gerold, ben ik naar mijn ouwetje gegaan in de Herenstraat.’
‘Ik dacht dat je moeder al honderd keer dood was.’
Henkie maakte een gebaartje. ‘Ach meneer De Cock, dat is business. Zonder dollen. Ik ben gek op mijn ouwetje en ben blij dat ze nog leeft. In die platvink van meneer zaten tweehonderd gulden. Het was lang niet gek. Ik dacht, kom, laat ik dat ouwe mens ook wat brengen. Dat heb ik ook gedaan. Ik ben een paar uur bij haar gebleven. Op weg naar huis, op de Keizersgracht, struinde ik nog wat langs de auto’s. Je kan toch nooit weten, nietwaar? Afijn, in een van de wagens zag ik een tasje staan, op de achterbank. Ik voelde eens aan de kruk. De wagen was niet afgesloten. Wat kon ik anders doen dan het tasje meenemen.’
‘Juist, en verder?’
‘Nou, toen heb ik het geld uit het tasje genomen. Het was niet veel. Een paar gulden maar. De portefeuille van meneer had ik nog steeds bij mij. Die heb ik maar in het tasje gedaan en toen ik op weg naar huis langs de Brouwersgracht kwam, heb ik het tasje met portefeuille en al in het portiek geslingerd. Ik dacht, dat vinden ze wel. Waarom zou ik die rommel in de gracht gooien? Voor de mensen zitten er soms nog waardevolle papieren in.’
‘Hoe edelmoedig,’ grijnsde De Cock.
‘Nou ja,’ zei Henkie verongelijkt, ‘het is toch zo. Wat heb ik nou aan die papieren.’
De Cock dacht even na. ‘Zou je mij nog kunnen aanwijzen waar die wagen stond?’
‘Welke wagen?’
‘Waar je dat tasje uit gehaald hebt.’
‘Natuurlijk. Ik weet het nog precies.’
‘Mooi, dan moet je straks maar even met mij meegaan.’
Het vrouwtje kwam uit de keuken. Ze droeg een ronde witemaille schaal met een paar prachtig bruin gebraden kippen. ‘Zet maar neer, meid,’ zei Henkie opgewekt. ‘Mijn eetlust is teruggekomen.’
Het werd een geanimeerde maaltijd in een vreemd decor: een peuterig kamertje op de derde verdieping van het gammele pandje van Manke Miep, de oude hoerenwaardin en toevluchtsoord voor pas ontslagen bajesklanten.
Een schemerlamp zonder kap wierp een schel licht op het wiebelende tafeltje en toverde grote zwarte koppen op de muur. Serviesgoed was er niet. Alleen de schaal waarin de kippetjes waren opgediend. Een stuk doorschijnend plastic diende als gemeenschappelijk bord. Henkie smakte vergenoegd.
Het hoertje, met haar blote rug naar een roodgloeiend salamandertje, peuterde met paarsgelakte nagels het witte vlees van de botjes. De Cock prees het vrouwtje om haar kookkunst. ‘Je moest er maar bij blijven,’ zei hij. ‘Je bent er goed in.’
Henkie grinnikte met volle mond. Zijn glimmend vette hand gleed achter het schortje, waaronder ze niets droeg. ‘Ze is overal goed in,’ zei hij met glinsterende oogjes.
Meneer Hofman bloosde en het hoertje lachte.
De Cock bedacht dat hij bezig was een misdrijf te plegen. Hij at kippenboutjes van gestolen geld. Het idee amuseerde hem kostelijk. Zijn gemoed werd er niet door bezwaard.