Femmy van Wijngaarden wist.
Niet dat haar wetenschap zou kunnen worden vastgelegd in ambtelijke stukken, dat niet. Daarvoor was het te subtiel. Geen enkele openbare aanklager zou het bij een eventuele rechtszitting ter sprake durven brengen. Hij zou worden weggehoond, want rechters beschouwen intuïtie als een wat wazig fenomeen, waarop geen staat valt te maken. Hun liefde gaat uit naar solide bewijzen. En bewijzen had Femmy niet. Toch wist ze. Ze wist zelfs met volkomen zekerheid. Intuïtief.
Op hetzelfde moment dat die rechercheur haar had gezegd dat Ellen was vermoord, kende zij de moordenaar. Het was een gedachteflits geweest, een plotseling opdoemen van een beeld, een bonte warreling van kleuren met druipende zwarte vlekken en felle rode stippen, als een surrealistisch schilderij, waarvan zij alleen de betekenis kende. Het had haar geschokt, diep geschokt.
Ze had de peinzende, haast vragende uitdrukking in de ogen van de oudere rechercheur wel gezien en gevoeld dat hij haar reactie niet kon peilen, niet begreep. Maar ze had het hem niet durven zeggen, bang dat hij verder zou vragen, naar bewijzen, tastbare bewijzen. En die had ze niet. Het was alleen dat zij hem kende, de man die Ellen had vermoord. Ze had steelse blikken opgevangen, vage uitlatingen verwerkt. Het lag allemaal verankerd in haar geheugen.
Ze ging op het smalle krukje voor haar toiletspiegel zitten en bekeek haar gezicht van drie kanten. Ze zag bleek en huiverde. Instinctief trok ze de kraag van haar trui iets omhoog. De spiegels weerkaatsten angst.
Zeker, ze voelde verdriet om de dood van Ellen, maar dat beheerste niet haar gedachten; evenmin de daad, hoe afschrikwekkend haar die ook voorkwam. Dat vervaagde, vervaagde bij de gedachte aan de man die blijk had gegeven zoiets afschuwelijks te kunnen doen. Het beangstigde haar. En om meer dan één reden.
Ze besefte ineens dat ze het eigenlijk altijd al had geweten, onbewust, en herinnerde zich een grauwe regenachtige avond in augustus, nu enige jaren geleden.
Ze had toen op zijn aanraden en zonder dat iemand het wist voor een maand een kleine villa gehuurd in Bergen aan Zee. Het was die avond slecht weer en donker op een te vroeg uur. Zwarte wolken joegen langs de hemel en felle regenslagen zwiepten tegen het raam. Ze had voorgesteld om thuis te blijven, gezellig, genietend van elkaars aanwezigheid, maar hij had aangedrongen op een avondwandeling langs het strand. Ze had toegestemd, zoals ze had toegestemd in alles, omdat ze van hem hield. Onderweg had hij haar aangekeken, vreemd, met een blik die zij niet kende. De trieste verlatenheid van het strand, de regen, het oorverdovend geraas van de branding; het stond haar weer helder voor de geest. Het was een onderdeel geweest van die plotselinge gedachteflits, een zwarte vlek op het surrealistisch schilderij. Ze voelde nog zijn sterke arm om haar hals en zag weer zijn nerveus plukkende vingers aan haar sjaal.
Opnieuw overviel haar een huivering.
Ze had geroepen, niet om hulp — het zou verwaaid zijn in de storm — maar een leugen. ‘Moeder weet het, ze weet dat ik hier ben met jou!’ had ze hem toegeschreeuwd, angstig, boven het geloei van de branding uit.
De spieren van zijn arm hadden zich ontspannen en de plukkende vingers waren weggetrokken, langzaam, in een aarzelend gebaar.
Later had ze erover nagedacht. Waarom die leugen? Moeder wist niets. Die tastende vingers aan haar sjaal. Het behoefde niets te betekenen. Het kon een streling zijn geweest, een liefkozing.
Ze knikte haar spiegelbeeld toe.
Die leugen had destijds haar leven gered. Ze wist het, nu, met een glasheldere zekerheid.
Plotseling draaide zij zich met een ruk om. Er werd op haar deur geklopt. Eerst zacht, daarna harder. Ze antwoordde niet. Het kloppen hield aan, werd dwingender. Toen hield het op. Verstijfd van schrik bleef ze zitten en keek angstig toe hoe de kruk bewoog. Langzaam ging de deur open.
In de deuropening stond een jongeman. Om zijn mond speelde een verlegen lachje. ‘Femmy?’
‘Heb je de telexberichten nagekeken?’
‘Ja.’
‘Iets gelezen van een koffertje?’
‘Koffertje?’
De Cock zuchtte.
‘Waar zitten vandaag je hersenen? Ellen is vanaf haar kamer met een koffertje vertrokken. Dat koffertje moet ergens zijn gebleven. Ik zou graag willen weten waar. Het kan een aanwijzing zijn. Stuur een telexbericht aan alle posten met de vraag of het als gevonden werd gedeponeerd. Bel ook het bagagedepot van het Centraal Station. Misschien heeft ze het in bewaring gegeven. En vergeet niet de kluizen op de perrons. Volgens Tom had ze het koffertje nog bij zich toen hij haar om negen uur verliet.’ ‘Had ze haar handtasje toen nog?’
De Cock hief zijn armen omhoog. ‘Wanneer leer je eens denken,’ riep hij in wanhoop. ‘Natuurlijk had ze haar handtasje toen nog. Hoe konden we anders die verlovingsring hebben gevonden. Die zat in haar tasje, herinner je je nog?’
Vledder knikte beschaamd. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij timide. ‘Ze hadden elkaar de ringen teruggegeven. Stom. Daar had ik niet meer aan gedacht.’ Hij zuchtte. ‘En wat doen we met Hofman? Hij zit nog steeds beneden op ons te wachten.’
De Cock knikte met een nors gezicht. ‘Zorg voor het koffertje en stuur Hofman naar boven. Ik zal hem hier wel opvangen.’
De Cock stond in de open deur van de recherchekamer, aan het einde van de lange gang, en keek naar de man die vanaf de trap naderde. Vanonder zijn borstelige wenkbrauwen namen zijn scherpe ogen hem nauwkeurig op. Hij had daartoe niet veel nodig. Een enkele blik was genoeg. Korte, driftige passen, felrode gelaatskleur, klein, corpulent, opdringerige das, suède schoenen. De Cock wist wat voor een man hij op bezoek kreeg en bepaalde zijn houding.
De heer Hofman opende de aanval nog voor hij bij hem was. ‘Bent u rechercheur De Cock?’
‘Ja, ik ben rechercheur De Cock. De Cock met ceeooceekaa. Dit… voor het geval u een klacht over mij wilt schrijven. Ik had dan graag dat u mijn naam goed spelde.’
De heer Hofman leek even van zijn stuk gebracht. ‘Ja, ja,’ zei hij, ‘precies, een klacht.’
De Cock knikte. ‘Dat vermoedde ik al,’ antwoordde hij gelaten. ‘Maar komt u binnen, misschien dat ik u nog meer stof tot klagen kan geven.’
Hij bood hem de stoel aan die voor zijn bureau stond.
De man ging puffend zitten. Het antwoord had hem verward. Bovendien had het klimmen van de steile trappen het ritme van zijn ademhaling verstoord. ‘Waarvoor…’ hijgde hij, ‘waarvoor laat u mij op kerstdag van huis halen? En op wat voor een manier. Ik kreeg niet eens de tijd om mij behoorlijk te kleden. Onmiddellijk, onmiddellijk, werd er gezegd. Alsof ik een moord op mijn geweten had.’
De Cock tuitte zijn lippen. ‘En… meneer Hoffman, hebt u dat niet?’
‘Wat?’
De Cock grijnsde vriendelijk. ‘Een moord op uw geweten.’ Een paar seconden was de heer Hofman niet in staat te spreken, toen barstte hij los als een lawine.
De Cock hoorde de stortvloed gelaten aan en wachtte rustig af tot hij was uitgeraasd. ‘Ik begrijp uw woede,’ zei hij kalm, ‘maar ik heb u echt niet voor niets laten komen. In alle redelijkheid: ik verdenk u ernstig van moord op een negentienjarig meisje.’
De heer Hofman staarde hem aan. Uit zijn gezicht was alle kleur en intelligentie verdwenen. Hij zag plotseling bleek en grinnikte als een dwaas. ‘Het… is absurd,’ stamelde hij, ‘gewoon absurd.’ De Cock streek met zijn hand langs zijn kin. ‘Mogelijk,’ zei hij rustig, ‘mogelijk dat het u absurd in de oren klinkt. Maar u kent mijn standpunt en weet waarvoor ik u heb laten ophalen. Beschouw uzelf als verdachte.’
De laconieke, haast nonchalante manier waarop De Cock sprak, miste haar uitwerking niet. De heer Hofman greep een zakdoek en wiste het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik… ik heb geen meisje vermoord!’
De Cock keek hem aan. Er was nog maar weinig overgebleven van het arrogante mannetje dat nog maar een paar minuten geleden driftig door de lange gang was komen stappen. Een dik puffend kereltje, snakkend naar adem. Het speet De Cock dat hij hem zo snel had moeten ontluisteren. Maar hij wilde de waarheid, de naakte waarheid. Het ging tenslotte om een moord. Bovendien gunde hij zich weinig tijd. Hij was niet van plan om al zijn vrije dagen aan deze zaak op te offeren. ‘U ontkent dus?’
De heer Hofman knikte heftig. ‘Natuurlijk ontken ik. Ik heb niemand vermoord.’
De Cock zuchtte. ‘Mooi,’ zei hij, ‘heel mooi. Maar u kunt echt niet van mij verwachten dat ik dit zo maar voetstoots van u aanneem. U zult toch met sterke argumenten moeten komen, voordat ik van inzicht verander. Voorlopig houd ik u nog voor de moordenaar van Ellen de Vries.’
‘Ellen de Vries? Heb ik nooit van gehoord.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Dat is vreemd,’ zei hij laconiek, ‘uiterst vreemd. Hoe komt uw portefeuille dan in haar handtasje?’
‘Wat?’
De Cock knikte. Hij trok de lade van zijn bureau open en pakte daaruit de zwartlederen portefeuille. Voorzichtig, als gold het een kostbare relikwie, legde hij het bewijsstuk voor zich op het bureau.
De mond van de heer Hofman viel open van verbazing. In een impuls reikte zijn arm naar de portefeuille. Maar nog voordat hij haar had aangeraakt, trok hij zijn hand terug, verschrikt, geschrokken, als lag daar een brokje gloeiend heet metaal, waaraan hij bijna zijn uitgestrekte vingers had verbrand.
‘Uw portefeuille?’
De heer Joost Hofman slikte. Zijn adamsappel wipte op en neer. ‘Ja, ja,’ zei hij hees, ‘dat is mijn portefeuille.’
‘Mooi,’ zei De Cock. Hij bukte zich naar zijn la en pakte het handtasje van Ellen. Hij hield het aan het hengsel omhoog. ‘En dit is het tasje van het vermoorde meisje. In dit tasje hebben wij uw portefeuille aangetroffen.’ Hij ademde diep, als een zucht. ‘U begrijpt, meneer Hofman, dat u mij toch echt wel een verklaring schuldig bent.’
Hofman wipte op zijn stoel. ‘Mijn portefeuille,’ riep hij ongelovig, ‘in dat tasje? Maar dat kan niet. Ik heb dat tasje nooit gezien. Dat… dat kan niet. Ik ben ook helemaal niet met een meisje uitgeweest. Ik ben een getrouwd man. Ik heb een vrouw en drie lieve kinderen. Ik werk hard… ik heb geen tijd. Ik zou… ik…’
Hij stond geëmotioneerd op en ging achter zijn stoel staan. Zijn mollige handjes omklemden de leuning in een vaste greep. Het was alsof hij steun zocht in die kale recherchekamer, waarin alles om hem heen scheen te draaien als in een mallemolen op de kermis. Zijn enige houvast was de leuning van die stoel en dat gezicht voor hem, dat koele, zakelijke gezicht, dat halfgeamuseerd de vreselijkste beschuldigingen uitsprak. ‘Ik kan het u niet verklaren,’ stamelde hij. ‘Ik kan u niet verklaren hoe mijn portefeuille in dat tasje is terechtgekomen. Ik weet het niet. Ik kan u alleen zeggen dat ik mijn portefeuille op een of andere manier ben kwijtgeraakt, gisterenavond.’
‘Waar?’
‘Ook dat weet ik niet. Ik denk dat iemand mijn portefeuille heeft gerold. Of misschien heb ik hem wel verloren. Ik weet het niet.’
De Cock zuchtte. ‘Uw kerstinkopen hebben blijkbaar nogal een flinke bres in uw financiën geslagen. We hebben geen geld meer in uw portefeuille gevonden.’
‘Maar dat moet. Er moet geld in zitten. Ik schat minstens tweehonderd gulden.’
De Cock gunde zich even rustig de tijd om na te denken. Hij wreef met zijn hand langs zijn kin en overdacht de mogelijkheden. ‘Gaat u weer zitten, meneer Hofman,’ zei hij na een poosje. Zijn toon was veel vriendelijker. ‘We moeten dit eens rustig met elkaar bepraten.’ De telefoon rinkelde. De Cock greep de hoorn.
‘Met Vledder,’ klonk het opgewonden. ‘Het wordt hoe langer hoe gekker. Ik kreeg zojuist antwoord op mijn telexbericht. Er is een koffertje met dameskleding gedeponeerd bij de politie te Amstelveen. En waar denk je dat het werd gevonden? In het Amsterdamse bos.’
‘Dat is wel een heel eind van de Herengracht.’
‘Ja, is dat niet vreemd?’
De Cock zuchtte. ‘Voor ons nog wel. Ga er in ieder geval zo snel mogelijk heen. Bekijk het koffertje. Probeer vast te stellen of het inderdaad het koffertje van Ellen is. Stel je daarna in verbinding met de vinder en laat je heel nauwkeurig de vindplaats aanwijzen. Let op banden en andere sporen. En neem een fotograaf mee. De politie in Amstelveen heeft er misschien wel eentje voor je te leen.’
‘En dan nog wat. Mocht je eventuele aanwijzingen vinden, handel dan niet op eigen houtje, maar kom eerst hierheen. Begrepen?’
‘Ja.’
‘Mooi, doe je best.’
De Cock legde de hoorn weer op het toestel en keek naar de heer Hofman. ‘Waar waren we gebleven?’ Hij kneep zijn ogen even dicht om zich te concentreren. ‘Oh ja, we zouden eens rustig over de portefeuille gaan praten.’
De heer Hofman knikte. Het kleine intermezzo van het telefoongesprek had hem de gelegenheid gegeven weer wat op verhaal te komen. Hij zag niet zo bleek meer en zijn ogen stonden helder.
‘Ik heb erover nagedacht,’ zei hij. ‘Ik moet de portefeuille in Amsterdam zijn kwijtgeraakt.’
‘Hoezo?’
‘Wel, ik was gisteren zowat de hele dag in Amsterdam. In de namiddag had ik een bespreking met een zakenrelatie. Het werd nogal laat. Later dan mijn bedoeling was. Het was ongeveer half tien toen ik bij hem vandaan reed. Onderweg bemerkte ik dat ik bijna geen benzine meer had en stopte bij een pomp aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal. De verwarming van mijn wagen heeft soms kuren. Ik vertelde dit tijdens het tanken aan de pompbediende. Hij zei dat hij wel begreep wat eraan haperde. Het was maar een kleine reparatie, zei hij, waarvoor hij maar een halfuurtje nodig zou hebben. Omdat ik toch laat was, liet ik hem de reparatie uitvoeren. Ik vroeg hem wat het alles bij elkaar kostte en betaalde vooruit, met een flinke fooi.’
‘U had toen uw portefeuille nog?’
‘Ja, ik heb hem uit mijn portefeuille betaald. Ik weet het bedrag niet precies, maar de pompbediende zal het zich zeker herinneren.’
‘En verder?’
‘Het was nogal koud en ik voelde er weinig voor om dat halfuur in die kale garage te blijven rondhangen. Ik besloot een borreltje te pakken. Via een smal straatje liep ik naar de Nieuwendijk en stapte daar een café binnen. Ik ben er niet lang geweest, hoogstens twintig minuten. Daarna ben ik teruggegaan naar mijn wagen.’
De Cock knikte. ‘En in dat café heeft u voor uw verteringen betaald.’
Er verscheen een glimlach op het ronde gezicht van de heer Hofman. ‘Nee, ik heb daar niet betaald.’
‘Niet betaald?’
‘Nee, ziet u, er was daar een man met wie ik in gesprek raakte.’ Hij glimlachte opnieuw. ‘Een dronken man. O, een aardige kerel, maar ontzettend sentimenteel. U weet hoe dronken mensen zijn. Hij kwam naast mij aan de bar zitten en vertelde mij een treurig verhaal over zijn moeder, die in de kerstnacht was gestorven. Hij zat er compleet bij te janken. Ik heb zelf niet veel gezegd. Ik heb hem alleen maar aangehoord. Toen ik opstond en wilde betalen, drong hij erop aan dat mijn verteringen op zijn rekening werden gezet. Ik was erop tegen, maar hij wilde van geen weigering horen. Hij zei dat hij nog nooit zo’n vriendelijk mens had ontmoet. Wat moest ik doen? Ik ben tenslotte maar vertrokken zonder te betalen. Hij bracht me tot de deur en wuifde mij na.’
De Cock knikte peinzend. ‘Die man,’ zei hij traag, ‘die man in dat café, had hij van dat korte stoppelige haar, zo’n borstelkop?’
‘Ja.’
‘En legde hij zo nu en dan vertrouwelijk zijn arm om uw schouders?’
De heer Hofman keek hem verbaasd aan. ‘Inderdaad.’
De Cock grijnsde. ‘Weet u waarom u niet mocht betalen?’
‘Hij vond mij een aardige kerel.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nee, meneer Hofman, dan zou u onmiddellijk al hebben gemerkt dat u uw portefeuille kwijt was. Daarom.’
‘Die man…?’
‘Ja, mijn vriend Handige Henkie, ex-inbreker, maar de laatste jaren een bekend zakkenroller en tasjesdief. Hij heeft driehonderdvijfenzestig moeders gehad.’
‘Wat?’
De Cock maakte een grimas. ‘Ja, op iedere dag van het jaar is er één gestorven. Hij gebruikt namelijk altijd hetzelfde verhaaltje om in contact te komen met zijn slachtoffers. Steeds is juist op die dag zijn moeder gestorven en drinkt hij zijn verdriet weg.’ De Cock zuchtte. ‘Hij moest eens van repertoire veranderen. Het wordt eentonig.’
‘Dus die Henkie heeft mijn portefeuille gerold.’
‘Ja, ik zou mij sterk vergissen als het niet zo was.’
‘Maar hoe komt mijn portefeuille dan in dat tasje?’
De Cock slenterde naar de kapstok. ‘Dat zullen we hem samen gaan vragen.’
‘Samen?’
De Cock wrong zich in zijn overjas. ‘Inderdaad, meneer Hofman, samen.’