12

‘Was het haar koffertje?’

‘Ja, ik heb het nog aan Femmy laten zien. Ze herkende het direct als het koffertje van Ellen.’

‘Nog bijzonderheden?’

‘Nee, niets. Het lag aan de kant van de weg langs de bosbaan. Vermoedelijk uit een auto geslingerd. Ik had nogal wat moeite om de vinder op te sporen. Daarom heeft het zo lang geduurd.’ De Cock knikte. ‘Sommige dingen kosten tijd,’ zei hij wijsgerig. Vledder geeuwde. ‘Ik begin honger te krijgen.’

‘In het dashboardkastje ligt nog dat stuk kerstkrans dat mijn vrouw voor je heeft meegegeven. Misschien heb je er nu trek in.’ Vledder pakte het zakje en hapte gretig. ‘Wat verwacht je van het bezoek aan Dolmen,’ vroeg hij met volle mond. ‘Hij zal ons niet veel meer kunnen vertellen dan Femmy.’

De Cock antwoordde niet direct. Hij klemde zijn vingers wat vaster om het stuur en bedacht hoe hij het onderhoud met Dolmen zou laten verlopen. ‘Hij was haar werkgever,’ zei hij na een poosje. ‘Hij heeft het recht te weten wat er met zijn personeel gebeurt.’

Vledder keek hem verwonderd aan. ‘En haar ouders hebben we nog niet eens gewaarschuwd.’

‘Je hebt gelijk,’ zuchtte De Cock. ‘Dat moet jij morgen maar doen. Je kan dan rustig voor de herkenning zorgen. Doe het voorzichtig, neem er de tijd voor. Het zal een grote slag voor ze zijn. Voor zover ik weet, was Ellen hun enige dochter.’ Vledder draaide zich naar hem toe. ‘Waarom doe jij het niet? Jij kan dat veel beter dan ik. Jij hebt er zo’n handje van om de mensen op hun gemak te stellen.’

‘Ik hoop er morgen niet te zijn.’

‘Wat?’

‘Nee, één kerstdag vind ik meer dan genoeg.’

Vledder was sprakeloos.

‘Dat is verschrikkelijk, meer dan verschrikkelijk.’

Meneer Dolmen had de rechercheurs minzaam ontvangen — een beetje geërgerd over de storing — en naar een ruim vertrek geleid, waar hij ze met een simpel handgebaar een stoel aanbood. De Cock had het bericht over de dood van Ellen laten ontploffen alsof het een bom was.

‘Dat is verschrikkelijk, meer dan verschrikkelijk,’ herhaalde Dolmen en steeg uit zijn fauteuil. ‘Wie had dat kunnen denken.’ Hij liep handenwringend heen en weer en leek waarlijk geschokt. ‘Vermoord, het arme kind. Haar ouders zullen radeloos zijn. Ik voel een diep medeleven. Het zijn zulke keurige mensen.’ Hij schudde vertwijfeld het hoofd. ‘Ik durf ze niet meer onder ogen te komen.’

‘Kom, kom,’ zei De Cock, ‘het is toch niet uw schuld.’

‘U begrijpt het niet,’ riep hij wanhopig. ‘Ik voel mij verantwoordelijk. Ellen wilde zo graag in Amsterdam werken. Ik heb haar toen een betrekking op mijn kantoor aangeboden. Haar ouders hadden geen bezwaar, omdat ze mij kenden. En nu dit.’ Hij zuchtte diep en drukte zijn handpalmen tegen zijn slapen.

De Cock zat geheel vooruitgeschoven op het randje van de imposante stoel, zijn hoed op zijn knieën. Hij zat niet prettig. Zijn knieën drukten tegen zijn buik. Hij had een wat gemakkelijker houding kunnen aannemen, maar dat wilde hij niet. Hij wilde vooral de indruk vestigen dat hij zich niet op zijn gemak voelde, dat hij geïmponeerd was door de rijke stoffering van de kamer en de vlot acterende heer Dolmen.

‘Wij meenden,’ sprak hij onderdanig, ‘dat het onze plicht was om u van het gebeurde op de hoogte te brengen. Het was niet onze bedoeling u van streek te maken. Ziet u, ze was bij u in dienst en als ze na de kerstdagen niet bij u op kantoor verscheen, zou u zich misschien afvragen…’

Er verscheen een glimlach op het beslist knappe gezicht van de heer Dolmen. Hij stak zijn duimen in de zakjes van zijn opvallende vest van Schotse ruit. ‘Ik neem de heren niets kwalijk,’ zei hij vriendelijk. ‘Ik apprecieer zelfs uw goede bedoeling, maar u begrijpt dat ik even was geschokt.’

De Cock knikte. ‘Ik begrijp het,’ zei hij, ‘het zal niet dagelijks gebeuren dat een lid van uw personeel wordt vermoord.’

De heer Dolmen stak zijn beide armen omhoog. ‘Nee, nee, hemeltje nee. Gelukkig niet.’

De Cock lachte wat schaapachtig. ‘Dat was een domme opmerking van mij,’ zei hij verontschuldigend. ‘Heel dom.’

De heer Dolmen leek de schok te boven. Hij was weer rustig in zijn fauteuil gaan zitten. Hij scheen zelfs iets geamuseerd. ‘Maken de heren al vorderingen?’ vroeg hij.

‘Niet erg,’ bekende Vledder. ‘We…’ Hij stokte even. In de ogen van De Cock blonk een waarschuwing… ‘doen ons best.’

‘Ja,’ vulde De Cock aan, ‘dat spreekt. Maar het is een vrij hopeloze zaak. Het meisje schijnt gewurgd te zijn en bij wurgmoorden treft men in de regel weinig sporen aan.’

De heer Dolmen trok een ernstig gezicht. ‘Ik benijd de heren niet,’ zei hij. ‘Het lijkt mij een hele opgave.’

‘Dat is het,’ zuchtte De Cock. Hij speelde wat verlegen met zijn hoed. ‘Er zijn zo weinig aanknopingspunten.’

‘Is er dan niets dat u nader tot de oplossing kan brengen?’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘We hebben nog een klein kansje. Een heel klein kansje.’

‘En dat is?’

De Cock glimlachte droevig. ‘Het heeft niet veel te betekenen en het zal u ook weinig interesseren.’

De heer Dolmen schoof iets naar voren. ‘Integendeel, ik ben zeer geïnteresseerd. Ik lees nog wel eens detectiveromans.’ Hij maakte een wat verontschuldigend gebaar. ‘Ik heb altijd grote bewondering voor een speurder. Wat voor een kans heeft u nog?’

De Cock zuchtte. ‘Wurging,’ zei hij met enige tegenzin, ‘is een verstikkingsdood. Het slachtoffer krijgt het benauwd en in negen van de tien gevallen volgt er een urinelozing. Vooral als de blaas goed gevuld is, wil dat nog wel eens een flinke plas opleveren. We weten dat Ellen niet lang voor haar dood een paar koppen koffie heeft gedronken. De mogelijkheid is dus groot dat er een urinelozing heeft plaatsgehad. Wanneer ze op straat is gewurgd, vinden we daar natuurlijk nooit meer iets van terug. Maar is ze in een huis vermoord, dan hebben we nog een vrij redelijke kans om de zaak tot een oplossing te brengen.’

‘Hoezo?’

‘Wel, de dader zal de sporen natuurlijk zorgvuldig verwijderen. Dat spreekt voor zich. Maar in de regel vergeet hij de doek of de dweil waarmee hij de plas heeft opgenomen. Die gooit hij achteloos weg.’

De heer Dolmen lachte wat nerveus. ‘Wat heeft u aan zo’n dweil?’

De Cock frommelde aan zijn hoed. ‘O,’ zei hij, ‘daar moet u niet te gering over denken. De luitjes van het laboratorium zijn tegenwoordig erg knap en beschikken over een uitgebreide apparatuur. Zo’n dweil kan heel wat vertellen. Urine is namelijk opgebouwd uit een complex van stoffen. De samenstelling wil bij de mensen onderling nogal sterk verschillen.’

‘Verbazingwekkend.’

De Cock knikte. ‘Het is natuurlijk heel mooi,’ zei hij somber, ‘maar dan zullen we toch eerst die dweil moeten vinden. En zoals de situatie op het ogenblik is…’ Hij maakte een wanhoopsgebaartje en stond op. ‘U neemt het ons niet kwalijk dat we weer verder gaan?’

‘Nee, nee,’ antwoordde de heer Dolmen verward. ‘Ik wil u niet ophouden.’ Hij kwam haastig overeind en bracht ze tot aan de buitendeur. ‘Ik… eh, ik hoop dat de heren succes hebben.’

‘Dank u,’ zei De Cock simpel, ‘dank u.’

Hij stapte met Vledder naar buiten, maar nog voor de heer Dolmen de deur achter hen had gesloten, draaide hij zich om.

‘O ja,’ zei hij, ‘morgenochtend wilde ik graag een kijkje nemen in het kantoor. Misschien had Ellen in haar bureautje nog wat persoonlijke bezittingen.’

‘Morgenochtend?’

De Cock knikte. ‘Als het u schikt?’

De heer Dolmen leek geschrokken. ‘Ja, ja,’ zei hij weifelend, ‘zeker, dat schikt wel.’

De Cock lichtte beleefd zijn hoed. ‘Mooi, tot morgen dan, meneer Dolmen.’

Eenmaal buiten het gezicht van het huis van Dolmen, ontwikkelde De Cock een opmerkelijke activiteit. Hij beende zo snel hij kon de laan af naar de zijstraat waar de politiewagen stond geparkeerd.

De Cock liep eigenlijk nooit hard. Hij had er ook het postuur niet voor. Zijn bovenlijf was te zwaar en in verhouding daarmee waren zijn benen te kort.

De Cock in draf was een koddig gezicht.

Maar nu draafde hij toch. Zijn hand aan zijn hoed en zijn jaspanden fladderend achter hem aan. Voor zijn doen kwam hij nog aardig uit de voeten.

De jonge Vledder begreep er niets van! Hij trok een kort sprintje en haalde De Cock in. ‘Wat heb je?’ riep hij onder het lopen. ‘Haast,’ antwoordde De Cock.

‘Ja, dat zie ik.’

‘Wat vraag je dan. Je denkt toch niet dat ik train voor de Olympische Spelen?’

Vledder zweeg.

Bij de wagen gekomen gaf De Cock hem het contactsleuteltje. ‘Hier m’n jong,’ hijgde hij, ‘rij jij maar. Je bent een beter chauffeur dan ik.’

Ze stapten in en Vledder startte de motor. ‘Waarheen?’ ‘Naar de Keizersgracht en wel zo hard als die oude rammelkast van een Volkswagen maar wil lopen.’

Vledder gaf gas en trok de wagen, soms met gierende banden, langs de stille lanen en straten van Amstelveen, Amsterdams voorstad, waar Dolmen woonde.

Hij was inderdaad een kundig chauffeur en na een paar minuten hadden ze de rand van de oude stad alweer bereikt. Vledder vroeg zich onder het rijden af wat de oude in zijn schild voerde. Hij vond dat De Cock zich bij Dolmen thuis maar sullig had gedragen. Akelig onderdanig, tegen zijn gewoonte in. Even was er door zijn hoofd geflitst: De Cock wordt oud, maar hij had die gedachte onmiddellijk weer laten varen, toen hij uit zijn grijze ogen die blik opving, die waarschuwende blik om zich er niet mee te bemoeien. Dat had hij ook wijselijk niet gedaan. Hij had hem rustig laten kletsen over een dweil en urinelozing. Eigenlijk vreemd, bedacht hij plotseling, het was nog helemaal niet ter sprake gekomen. Voor zover hij wist, kwam er in het hele stuk geen dweil voor. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek opzij.

De Cock zat wat onderuit gezakt naast hem. Zijn gezicht stond ernstig. Het groene licht van het controlelampje van de mobilofoon streek langs zijn kin omhoog en gaf aan zijn anders zo goedmoedige uiterlijk een wat spookachtig aanzien.

‘Wat… eh,’ vroeg Vledder met de nodige achterdocht, ‘bedoelde je eigenlijk met die dweil?’

De Cock zuchtte. ‘Precies wat ik heb gezegd.’

‘Bedoel je dat Ellen tijdens de wurging een urinelozing heeft gehad?’

‘Ja, dat bedoel ik. En als jij mij vanmorgen een nauwkeurig verslag van de sectie had gegeven, was ik misschien eerder op dit idee gekomen.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Maar je was vanmorgen zo in de war…’

Vledder keek strak voor zich uit naar het verkeer. Het was vrij druk in de binnenstad. Het ging niet zo snel meer. Verkeerslichten en pure zondagsrijders belemmerden hun vaart. Vledder had al zijn aandacht nodig. ‘Haar blaas was inderdaad leeg,’ zei hij na een poosje. ‘Dr. Rusteloos heeft mij er tijdens de sectie nog op gewezen. Maar ik dacht niet dat het zo belangrijk was, anders had ik het je wel verteld.’ Hij draaide vanaf de Raadhuisstraat de Keizersgracht op. ‘Ik begrijp ook eerlijk gezegd niet wat je er in deze zaak aan hebt.’

De Cock grijnsde. ‘Ik dacht anders dat mijn uiteenzetting duidelijk genoeg was geweest. Ik hoop in ieder geval dat de heer Dolmen het wel begrijpt.’ Hij hees zich iets overeind. ‘Ik zal het je straks allemaal wel uitleggen. Parkeer de wagen maar op de Herengracht bij de Herenstraat. Zoek een plaatsje onder de bomen en schuif zo ver mogelijk naar de wallenkant. Ik zou niet graag willen dat de heer Dolmen onze wagen in de gaten kreeg. Hij mocht eens van gedachten veranderen.’


Vijf minuten later zaten ze beiden op de bovenste trede van de trap naar de tweede etage. Ze waren binnengekomen langs de weg die Henkie een paar uur tevoren had vrijgemaakt, namelijk via de deur van het souterrain. De Cock had die deur weer zorgvuldig achter zich gesloten en was Vledder voorgegaan naar de trap, die hij om zijn gunstige ligging als uitkijkpost had gekozen.

Hij had Vledder verteld van zijn vriend Handige Henkie, van de inbraak op zijn gezag, van de uitgebeten plek op de parketvloer en van de dweil die onder aan de trap in de kast van de werkster lag.

Vledder had met stijgende verbazing geluisterd. ‘En denk je dat hij komt?’

De Cock streek met zijn hand langs zijn gezicht. ‘Als hij haar vermoord heeft, bestaat er een kans.’ Hij zweeg even. ‘Tenminste…’

‘Tenminste… wat?’

De Cock zuchtte. ‘Hij moet er niet te lang over nadenken.’

‘Wat dan?’

De Cock snoof. ‘Als hij nadenkt, blijft hij thuis.’

Vledder werd ongeduldig. ‘Maar die dweil?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Die dweil, m’n jong, die dweil heeft niet veel te betekenen. Het enige dat de knappe luitjes van het laboratorium ons kunnen zeggen, is dat de dweil spoortjes van menselijke urine bevat. En als we veel geluk hebben, zullen ze zelfs kunnen vertellen welke bloedgroepeigenschappen die urine heeft. Maar dat is dan ook wel zo wat alles. Veel meer is er niet uit te putten.’

‘Je bedoelt dat met die dweil nooit een afdoend bewijs van moord is te leveren?’

‘Nee… het kan eventueel bijdragen tot het bewijs. Maar alleen die dweil…’ De Cock zuchtte. ‘Denk nu eens even na, m’n jong. Zo’n dweil wordt nooit gewassen, hoogstens uitgespoeld. De werkster gebruikt zo’n dweil overal voor. Voor de gangen, de portalen, en ook voor de wc.’s. Ik wed dat je aan iedere gebruikte dweil spoortjes van urine vindt. Een advocaat van een beetje allure veegt je met zo’n bewijsstuk onder tafel. Je blijft nergens.’

‘En toch verwacht je dat hij komt?’

‘Ja, toch verwacht ik dat hij komt.’

Vledder zuchtte. ‘Hij lijkt mij geen domme man.’

‘Nee, dat is hij ook niet. Zakenmensen zijn nooit dom… in zaken doen. Maar hun interessesfeer is in de regel beperkt. Ze lezen niet veel. Hoogstens zo nu en dan een detectiveromannetje van een superspeurder, die met de geringste middelen een moord oplost.’ Hij streek met zijn hand langs zijn kin. ‘Ik hoop dat hij heel veel van die romannetjes heeft gelezen.’

Vledder lachte. ‘Je bent een gokker, De Cock, een onverbetelijke gokker.’

De Cock grijnsde. ‘Ik heb toch tegen Dolmen gezegd dat we nog een kansje hebben… wel, hij heeft het lot in eigen handen.’


De tijd vergleed langzaam.

Ze waren wat dichter tegen elkaar gekropen voor de warmte, want het was kil en tochtig boven aan die trap. Ze spraken niet, allang niet meer, maar luisterden in het pikkedonker naar de geluiden van het huis. Zo nu en dan klonken er trippelende potjes in de marmeren gangen. Geen grachtenhuis is nu eenmaal vrij van ratten. Soms kraakten de sponningen van een raam.

De Cock vroeg zich af of het Klaas Pieper zou gelukken Femmy van Wijngaarden al die tijd op het bureau te houden. Wettige middelen had hij niet. Als Femmy er per se op stond weg te gaan, kon hij haar niet vasthouden. Hij speculeerde op de handigheid van Klaas en hoopte dat het lukte. Hij had haar nodig voor de finishing touch, een soort dramatische finale. Dit niet terwille van de dramatiek, maar als een psychologisch stuntje om de dader alle illusies te ontnemen.

Plotseling klonk het klikken van een slot, gevolgd door voetstappen in de gang beneden. Vledder en De Cock luisterden intensief met ingehouden adem en hoorden het kraken van de trap naar de eerste etage.

De Cock voelde hoe Vledder naast hem zijn spieren spande. Op de eerste etage werd het licht ontstoken en de voetstappen kwamen naderbij. Een vreemde spanning maakte zich van hen meester. Alle kilte trok uit hun lichamen weg.

Voor de kast van de werkster hielden de voeten stil. Van boven aan de trap keken De Cock en Vledder neer op de lange slanke gestalte van een man. Zijn gelaatstrekken waren nog niet te onderscheiden. Hij opende de kastdeur en bukte zich. Ze hoorden het lichte rammelen van de emmers. Nog even hield De Cock Vledder tegen, toen stormden ze de trap af.

Totaal verbluft keek de man omhoog. Zijn gezicht zag grauw en zijn mond viel open. Hij deinsde terug tegen de muur en staarde met grote angstige ogen naar de rechercheurs. De natte dweil gleed langzaam uit zijn hand.

Met zijn hoofd een beetje schuin keek De Cock hem wat treurig aan. ‘Goedenavond, meneer Dolmen,’ zei hij zacht, ‘ik dacht dat wij pas een afspraak hadden voor morgenochtend.’

Meneer Dolmen verzette zich niet. Hij voelde dat hij was verslagen, verslagen door die wat burgerlijke man met het niet onvriendelijk uiterlijk van een goedaardige boxer. ‘Rechercheur De Cock, met ceeooceekaa,’ zo had hij zich aan hem voorgesteld. Hij zou die naam nooit meer vergeten. Gewillig liet hij zich wegvoeren. Geflankeerd door de beide rechercheurs liep hij losjes mee naar de politiewagen. Het was koud buiten, vinnig koud. De grachten waren verlaten. De mensen hadden zich in de warme beslotenheid van hun woningen teruggetrokken. Niemand was getuige van het schouwspel. In de Herenstraat glinsterden achter de ramen van enkele huisjes kaarsjes van de kerstboom. Dolmen keek ernaar en liet het hoofd zakken.


Op het moment dat Vledder en De Cock met Dolmen de recherchekamer binnenstapten, sprong Femmy op. Het leek alsof ze op dit moment had gewacht. Zonder zich om iemand of iets te bekommeren, liep ze driftig op hem toe. Met haar kleine vuistjes roffelde ze op zijn borst. Heel haar opgekropt gemoed scheen zich te ontladen. ‘Moordenaar,’ gilde ze, ‘moordenaar. Jij hebt haar vermoord, vermoord…’

Klaas en Vledder wilden tussenbeide komen, maar De Cock hield ze tegen. Van een afstandje keek hij toe, gelaten, onbewogen. Zijn gezicht was een effen masker. Hij zag dat Dolmn zich niet verzette. Er lag een wat pijnlijke uitdrukking op zijn gelaat. Femmy schold, schreeuwde en sloeg. De Cock liet haar rustig begaan. Eerst na een poosje vatte hij haar bij de arm en leidde haar naar een ander kamertje. ‘We moeten straks eens kalm met elkaar praten.’ Hij pakte zijn tweede schone zakdoek en droogde haar tranen. Daarna slenterde hij terug naar Dolmen.

‘Hoe oud bent u?’ vroeg hij loom.

‘Vijfenveertig.’

‘En hoe oud was Ellen?’

‘Negentien.’

De Cock zuchtte. ‘Als ik goed ben ingelicht, hebt u zelf ook een dochter van omstreeks negentien jaar. U zult zich dus de gevoelens van haar ouders wel kunnen indenken.’ De heer Dolmen knikte vaag.

De Cock zweeg geruime tijd, zijn hand aan zijn kin. ‘Hebt u wel eens gehoord,’ zei hij peinzend, ‘van oog om oog en tand om tand?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Een afschuwelijk rechtsbeginsel, vindt u niet? Gelukkig dat het wat is verouderd.’

Загрузка...