Vledder keek hoe zijn oudere collega met een verbeten trek op zijn gezicht tegenover hem ging zitten. Hij schoof zijn computer opzij. Daarna hield hij zijn hoofd iets scheef en keek hem onderzoekend aan.
‘Is het weer zover?’ vroeg hij spottend. ‘Ben je weer eens van zijn kamer geschopt?’
De Cock grijnsde.
‘Die man leert het nooit,’ sprak hij grommend. ‘Officieren van justitie zijn in zijn ogen bijna heiligen. Engeltjes eerste klas. Altijd rechtschapen, onwankelbaar en doordrenkt van gezag. Er valt geen smetje aan die lieden te ontdekken. Onze bloedeigen commissaris accepteert van die heren alles. Kritiekloos. Zolang ik hem ken laat hij nooit een eigen geluid horen.’
Vledder boog zich iets naar voren.
‘Wat was er nu weer?’
De Cock schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Je houdt het niet voor mogelijk,’ riep hij opgewonden. ‘Op verzoek van mevrouw Van Breukelen uit Bussum uitte meester Van Everdingen, onze officier van justitie, de vurige wens dat aan de moord op de voorzitter van de Stichting Leefgenoten geen ruchtbaarheid wordt gegeven.’
Vledder grinnikte.
‘Dan moet hij toch niet bij ons zijn,’ sprak hij hoofdschuddend. ‘De moord op die voorzitter is geen zaak van ons, maar wordt door de politie Gooi en Vechtstreek behandeld.’
De Cock knikte.
‘Volgens commissaris Buitendam zou Van Everdingen zijn verzoek ook aan onze collega’s hebben gericht.’
‘En?’
De Cock grinnikte vreugdeloos.
‘Maar diezelfde politie van Gooi en Vechtstreek zette vanmiddag een uitgebreid bericht op de telex waarin zij de opsporing, aanhouding en voorgeleiding verzoeken van Thomas van Uitdam als verdacht van de moord op Herman van Breukelen.’
Vledder reageerde geschokt.
‘Het is niet waar?’
De Cock zuchtte.
‘Het is teleurstellend wel waar. Commissaris Buitendam concludeerde daaruit zelfs dat onze collega’s bij Gooi en Vechtstreek blijkbaar actiever en voortvarender handelen dan wij.’
Vledder spreidde zijn handen.
‘Wat is de basis van dat verzoek op de telex? Op welke gronden menen zij dat Thomas van Uitdam verdachte is?’
De Cock gebaarde.
‘Volgens artikel 27 van ons Wetboek van Strafvordering is een verdachte degene te wiens aanzien uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit.’
Vledder zwaaide.
‘Wat zijn die feiten en omstandigheden?’
De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Ik vermoed dat onze collega’s bij Gooi en Vechtstreek grote waarde hebben gehecht aan de verklaring van mevrouw Van Breukelen dat haar man die avond een afspraak had met Thomas van Uitdam.’
Vledder knikte.
‘Voeg daarbij de mededeling in ons proces-verbaal dat Thomas van Uitdam wel eens met Van Breukelen van mening verschilde, en zij bombarderen hem prompt tot verdachte.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Misschien zijn ze wel naar hem op zoek gegaan. Toen ze hem niet thuis troffen hebben ze dat vermoedelijk als een vlucht geinterpreteerd.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Zo pleegt men toch geen onderzoek?’ sprak hij afkeurend. ‘Men gaat met de vrijheid van mensen toch wat zorgvuldiger om? Ze hebben ook ons niet verwittigd terwijl ze toch weten dat wij in feite aan dezelfde zaak werken.’
De Cock wuifde afwerend.
‘Laten we geen kritiek leveren op onze collega’s. Het is een oud zeer. Tussen de politiekorpsen onderling bestaat al rivaliteit zolang ik bij de politie ben. Vooral de politie van Amsterdam gunt men geen succes. Men vindt dat we in Amsterdam al te veel kapsones hebben.’
‘Hoe komen we daar vanaf?’
‘Wat bedoel?’
‘Die rivaliteit?’
De Cock ademde diep.
‘Het hele politiebestel moet nodig op de schop. We vallen al een eeuwigheid tussen de wal en het schip, ik bedoel tussen twee ministeries: Binnenlandse Zaken en Justitie. Dat geeft wrijvingen. Om al die tegenstellingen op te lossen moet er één ministerie komen… een ministerie van Politie.’
‘Kan dat?’
De Cock reageerde fel.
‘Natuurlijk kan dat.’
‘Zou dan de rivaliteit verdwijnen?’
‘Een strak leidende minister van Politie kan die concurrentiegedachte doen indammen. Bovendien kan hij zorgen voor meer openheid.’
De oude rechercheur stond van zijn stoel op en slofte naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga jij heen.’
De Cock keek over zijn schouder.
‘Na mijn ellende met Buitendam dorst mijn droge keel naar het fluweel van een cognackie.’
Vledder glimlachte.
‘Op naar het etablissement van Smalle Lowietje.’
Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in het woelige wereldje van de penoze meest Smalle Lowietje genoemd, wreef zijn kleine handjes langs zijn morsige vest en begroette de oude rechercheur met glinsterende ogen.
‘Welkom, welkom,’ kirde hij uitbundig. ‘Welkom in mijn nederig etablissement. Ik dacht dat men jou naar een andere regio had overgeplaatst, zo weinig zie ik je de laatste tijd. Of zijn bij de recherche spiritualiën tot verboden geneugten verklaard?’
De Cock lachte hartelijk.
‘Als ik jouw etablissement niet meer zou mogen bezoeken, Lowie, nam ik ontslag bij de politie.’ Hij schuifelde naar het einde van de bar en hees zijn negentig kilo op een kruk. Het was zijn vaste stek. Hij wist hoe licht ontvlambaar de gemoederen in de buurt waren. Vanaf die plaats had hij een goed overzicht over alles.
Vledder nam lenig naast hem plaats. De jonge rechercheur voelde zich steeds meer thuis in het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje, waar meisjes van de vlakte verpozing en vergetelheid zochten achter een pittig likeurtje of een citroentje met suiker.
De tengere caféhouder keek naar de oude rechercheur op. Zijn vriendelijke muizensmoeltje glom van genegenheid.
‘Hetzelfde recept?’
De Cock antwoordde niet. Hij wist dat dit niet van hem werd verlangd. De vraag vormde slechts een inleiding… een inleiding tot een bijna sacraal gebeuren. Vergenoegd keek hij toe hoe Smalle Lowietje aalglad onder de tapkast dook en tevoorschijn kwam met een fles pure Franse cognac Napoleon, die de kastelein speciaal voor hem gereserveerd hield.
De tengere caféhouder zette drie diepbolle glazen op de bar. Hij dronk altijd een glas mee. Behoedzaam schonk hij in.
De Cock genoot van de koesterende toewijding waarmee de kastelein hem bediende. De schaarse momenten die de misdaad hem vergunde bij Smalle Lowietje door te brengen, probeerde hij in zijn herinnering vast te leggen. Hij hief het glas op, schommelde het zachtjes in zijn hand en snoof. Op zijn brede gezicht vol groeven verscheen een glans van opperste verrukking. Met getuite lippen nam hij een slok en liet het vocht genietend door zijn dorstige keel glijden. Even sloot hij zijn ogen, toen zette hij het glas omzichtig op de bar terug.
Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.
‘Je hebt geen toost uitgebracht.’
De Cock trok een somber gezicht.
‘Is er op deze gewelddadige wereld nog iets om vrolijk op te toosten?’
De caféhouder hief juichend zijn arm omhoog.
‘Op de misdaad… lang zal ze leven. Zonder misdaad was jij werkeloos.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Misdaad is van alle tijden,’ reageerde hij rustig. ‘Kaïn — Ben ik mijn broeders hoeder? — sloeg Abel. En Ali Baba — Sesam open u! — had veertig rovers. Het is nooit anders geweest. Een wereld zonder criminelen en zonder oplaaiend geweld is een illusie.’
Smalle Lowietje keek hem onderzoekend aan.
‘Ben je een tikkeltje chagrijnig?’
De Cock lachte vrijuit.
‘Je moet als rechercheur,’ grapte hij, ‘niet gaan filosoferen over je werk… dat brengt slechts droefenis.’
‘Druk aan de Kit?’
‘Nogal.’
‘Waar ben je mee bezig?’
De Cock glimlachte.
‘Een organisatie voor dierenbescherming die hondjes laat fokken voor vivisectie.’
Smalle Lowietje schudde zijn hoofd.
‘Hou op. Dat is toch bezopen, totaal bezopen.’
De Cock grinnikte.
‘Dat dacht ik ook. Bezopen. Maar mensen met een criminele inslag zijn vaak erg inventief.’
De tengere caféhouder trok een vies gezicht.
‘Dat mensen actie voeren ter bescherming van dieren is te prijzen, maar onder een valse vlag dieren te laten fokken voor vivisectie is ronduit walgelijk.’
De Cock knikte.
‘Je hebt gelijk.’
Smalle Lowietje keek hem onderzoekend aan.
‘Hoe ben je daar achter gekomen?’
De Cock krabde zich even achter in de nek.
‘Er is blijkbaar herrie onder de actievoerders ontstaan. Bovendien zijn de fokkers van honden er achter gekomen waar hun geleverde diertjes voor dienden. Zij kwamen in opstand en eisten meer geld voor hun honden. Dat werd geweigerd. Inmiddels zijn er al twee slachtoffers gevallen.’
‘Twee moorden?’
‘Precies.’
‘Is het een bekende organisatie?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik had voor ik aan deze zaak begon nog nooit van ze gehoord.’
‘Hebben ze een naam?’
De Cock glimlachte.
‘Leefgenoten.’
Smalle Lowietje fronste zijn wenkbrauwen.
‘Stichting Leefgenoten?’
‘Inderdaad.’
De caféhouder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘De leiding van die Stichting Leefgenoten ligt toch in handen van ene Van Wijngaarden?’
De Cock keek hem verrast aan.
‘Ken jij Van Wijngaarden?’
Smalle Lowietje knikte vaag.
‘Hij gaat met Blonde Femmy.’
‘Een hoertje?’
De caféhouder knikte opnieuw.
‘Niet zomaar een hoertje. Een beeld. Echt waar. Een kostelijk blond stuk met alles d’r op en d’r an. Die heer Van Wijngaarden is stapelgek op die meid. Volgens Blonde Femmy heeft hij op een van de grachten voor haar een kasteeltje laten bouwen.’
De Cock glimlachte.
‘Een kasteeltje?’
Smalle Lowietje knikte.
‘Zo noemt ze dat.’
‘Zit ze nog?’
‘Je bedoelt of ze nog in de business zit?’
‘Ja.’
‘Zeker. Nog bijna dagelijks.’
‘Bij wie?’
‘Tante Greet.’
‘Van wie heb je die naam Van Wijngaarden?’
‘Van Blonde Femmy zelf. Ze is zo trots als een pauw met die vangst.’
‘Heb jij hem wel eens gezien?’
Smalle Lowietje gebaarde naar een tafeltje.
‘Hij was hier met Blonde Femmy in mijn etablissement. Een slanke man met een bolrond gezicht en een grote zwarte snor.’
‘Dat klopt.’
De tengere caféhouder keek hem even peilend aan.
‘Is er wat met die Van Wijngaarden?’
De Cock knikte.
‘Iemand joeg hem drie kogels door mijn hart.’
‘Dood?’
‘Wat dacht je?’’
Smalle Lowietje sloeg zijn hand voor zijn mond.
‘Dat zal Blonde Femmy een bult centjes schelen. Van Wijngaarden zat goed in de slappe was.’
De rechercheurs verlieten het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje. Met de milde gloed van de cognac in hun aderen liepen ze via de Achterburgwal en de Oude Kennissteeg naar het Oudekerksplein.
Tot hun pijnlijke verrassing begon het te regenen. De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje iets naar voren. Traag en loom daalde het hemelwater op hen neer. De nattigheid deed geen afbreuk aan de business. Het droeve leger van behoeftigen trok in dichte drommen langs de roze etalages met schaars geklede vrouwen in tal van kleurschakeringen.
Op het Oudekerksplein bleef De Cock even staan en schoof toen links de Sint Annendwarsstraat in.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg hij verwonderd
De Cock wees voor zich uit.
‘Daar is het pandje van Tante Greet.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Blonde Femmy.’
Achter het smalle raam van Tante Greet zat met een verveeld gezicht in het zachtroze licht een beeldschone vrouw. De omschrijving van Smalle Lowietje klopte. Niet zomaar een hoertje, maar een kostelijk blond stuk met alles d’r op en d’r an.
De Cock stapte haar kamertje binnen. Toen Vledder zich bij hem aansloot, maakte de vrouw afwerende gebaren.
‘Geen twee tegelijk.’
De grijze speurder lachte.
‘Wij komen niet als klant,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Ik ben rechercheur De Cock van het politiebureau aan de Warmoesstraat. De Cock spel je met ceeooceekaa.’ Hij duimde over zijn schouder. ‘Dat is mijn jonge collega Vledder. We willen even met u praten over de heer Van Wijngaarden. Petrus van Wijngaarden. Uit betrouwbare bron weten wij dat u met hem bevriend bent.’
De vrouw knikte.
‘Dat is zo. Al geruime tijd. Alleen noem ik hem geen Petrus maar Pierre. Petrus is zo’n man in de hemel en daar lijkt hij niet op. Ik wil hem ook niet hemels noemen.’
De Cock glimlachte.
‘In de buurt noemen ze u Blonde Femmy. Wat is uw werkelijke naam?’
‘Femmy de Boer.’
De Cock trok een blij gezicht.
‘Het is mij een genoegen om met u kennis te maken. Hoe hebt u de heer Van Wijngaarden leren kennen?’
Femmy wees naar de canapé in haar peeskamertje.
‘Hier, als klant. Pierre wilde hier echter op den duur niet meer verschijnen. Je krijgt algauw het predicaat van hoerenloper.’
De Cock knikte begrijpend.
‘En toen?’
Femmy gebaarde.
‘Op de Prinsengracht heeft hij in een grote tuin achter een diep pand een huis van ontvangst laten bouwen. Daar ontving hij mij of… eh, ontving ik hem.’
‘Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?’
Het gezicht van Femmy de Boer betrok.
‘Dat is al meer dan een week geleden. Zeker. Ik maak mij een beetje zorgen. Het ellendige is dat ik hem niet kan opzoeken. Ik kan moeilijk bij zijn vrouw op de stoep gaan staan. Hij belt altijd wanneer hij mij in zijn kasteeltje verwacht. Zonder dat telefoontje mag ik niet komen. Dat is afspraak.’
‘Hij heeft niet gebeld?’
Femmy schudde haar hoofd.
‘Nee, helemaal niet.’
‘Heeft Pierre wel eens met u over privézaken gesproken?’
‘Ik weet dat hij getrouwd is,’ grinnikte Femmy.
‘Wat doet hij… beroepshalve?’
Femmy lachte.
‘Pierre handelt in hondjes. En dat schijnt een goede business te zijn.’
‘Hoezo?’
Femmy liet haar blauwe ogen twinkelen.
‘Pierre kan zich veel permitteren. Ik ga je niet aan je neus hangen hoeveel geld hij aan mij kwijt is, maar ik heb door hem intussen een aardig spaarcentje opgebouwd.’
Femmy verschoof iets op haar stoel. Haar knappe gezicht kreeg een ernstige uitdrukking.
‘Vanwaar uw belangstelling voor Pierre. Zoekt u hem? Heeft hij iets geflikt?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Pierre…’ De Cock weifelde. ‘Eh… uw Pierre leeft niet meer.’
De mond van Femmy de Boer zakte open.
‘Leeft niet meer,’ herhaalde ze hees. ‘Is hij dood?’
De Cock knikte.
‘Vermoord. Iemand schoot een revolver op hem leeg.’
Femmy keek De Cock verbijsterd aan.
‘Een klein, vies, vet mannetje met peenhaar. Op de Prinsengracht heeft Pierre hem eens aan mij voorgesteld. Freek… Freek van Beveren. Die was daar om het pand te bekijken.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘Wat… wat,’ stotterde hij. ‘Wat is er met Freek van Beveren?’
Femmy keek hem aan. Er kwam angst in haar ogen.
‘Die vent deugt niet. Pierre was een beetje benauwd voor hem. Echt bang. Toen hij weg was zei Pierre tegen mij: Kijk, Femmy, dat is nu een mannetje dat je met liefde een mes tussen je ribben duwt of een kogel door je hart jaagt.’