8

De Cock wierp zijn oude hoedje met een sierlijke boog naar de kapstok.

Hij lachte breed toen zijn hoedje aan de haak bleef hangen. Zijn score liep langzaam op naar vijftig procent… een keer mis en een keer raak. Hij wurmde zich uit zijn regenjas, hing die onder zijn hoedje, slofte naar zijn bureau en liet zich met een zucht in zijn bureaustoel zakken. Daarna keek hij op naar Vledder, die gespannen naar het scherm van zijn computer tuurde.

‘Heb jij vanmorgen voor ik kwam dokter Rusteloos al aan de telefoon gehad?’

‘Ja.’

‘Hoe laat is de sectie op het lijk van Petrus van Wijngaarden?’

‘Vanmiddag om twee uur… als de dokter op tijd is, want hij had ook nog een karweitje in Rotterdam.’

‘Jij gaat naar Westgaarde?’

Vledder pufte.

‘Ja. Wie anders? Jij laat het mij altijd doen. Zelf kom je nooit meer in het sectielokaal.’

De Cock negeerde de opmerking. Hij stak zijn wijsvinger omhoog.

‘Vraag vanmiddag aan dokter Rusteloos of hij het verschil van in- en uitschot wil meten van de kogel die het lichaam van Petrus van Wijngaarden aan de rugzijde heeft verlaten. Die meting geschiedt vanaf de voeten van het slachtoffer. Maar dat weet hij wel.’

Vledder gromde.

‘Heb je nog meer noten op je zang?’

De Cock glimlachte.

‘Heb je het proces-verbaal van onze bevindingen in Bussum al in concept?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Ik moet het verhaal alleen nog even uitprinten. Daarna laat ik het door een van onze motoragenten bij de politie van Gooi en Vechtstreek bezorgen.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Heb je ook vermeld dat Thomas van Uitdam, samen met Frederik van Beveren, de enige leden van het bestuur van Leefgenoten waren die wel eens kritische geluiden lieten horen over het beleid van voorzitter Van Breukelen?’

Vledder trok een grijns.

‘Ik heb het inderdaad uitvoerig vermeld. Maar met de pest in mijn lijf.’

De Cock keek hem verrast aan.

‘Waarom met de pest in? Dat heeft Herman van Breukelen ons toch zelf verteld.’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Het is feitelijk niet goed dat de politie van Gooi en Vechtstreek de moord op Herman van Breukelen behandelt. Volgens mij hangt die moord nauw samen met de moord op Petrus van Wijngaarden.’

De Cock wees speels in zijn richting.

‘Hoe?’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Ik heb nog geen flauw idee hoe het in elkaar steekt.’

Hij klopte op zijn borst.

‘Alleen mijn gevoel zegt dat er een verband moet bestaan. Het motief voor beide moorden ligt beslist ergens in de boezem van de Stichting Leefgenoten.’

De Cock knikte instemmend.

‘De vraag is… waar liggen de tegenstellingen. Welke groeperingen hebben tegenstrijdige belangen? Speelt geld daarbij een rol of zijn er alleen zwaarwegende ideologische verschillen?’

Vledder ging op de gestelde vragen niet in. Hij wees naar het scherm van zijn computer.

‘Is die Thomas van Uitdam een krachtfiguur… een man die het gezag van Herman van Breukelen niet langer accepteerde en de leiding van de stichting wil overnemen?’

De Cock keek hem schuins aan.

‘En daarvoor een moord pleegt? Twee moorden?’

Vledder gebaarde voor zich uit.

‘Volgens mevrouw Van Breukelen had Thomas van Uitdam gisteravond een afspraak met haar man. En hoe je het ook wendt of keert, na die afspraak zat Herman van Breukelen morsdood in zijn stoel.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Iemand,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘die oprecht van plan is om een moord te plegen, meldt volgens mij zijn komst niet van tevoren aan.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen hoog op.

‘Jij gelooft niet dat er echt een afspraak was?’

‘Nee.’

‘Jij denkt dat mevrouw Van Breukelen liegt?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zij liegt niet.’

Vledder reageerde geprikkeld.

‘Wat dan?’

De Cock zuchtte diep.

‘Ik denk dat de afspraak vals was.’

Vledder reageerde verward.

‘Dat begrijp ik niet.’

De Cock glimlachte.

‘Een goede rechercheur,’ schertste hij, ‘moet in zijn hart een doortrapte schurk zijn… een pure misdadiger… en hij moet ook kunnen denken als een echte crimineel.’

Vledder snoof.

‘Dat kan jij?’

Het klonk wat cynisch.

De Cock lachte vrijuit.

‘Ik gebruik die eigenschap niet om zelf misdadig te zijn, maar om misdadigers te ontmaskeren.’ Hij plukte even aan zijn neus. ‘Geloof me, in potentie had ik best een succesvolle crimineel kunnen zijn.’

Vledder wuifde het onderwerp weg.

‘Je had het over een valse afspraak?’

De Cock trok zijn gezicht weer in een ernstige plooi.

‘Luister. Iemand die het plan heeft om Herman van Breukelen te vermoorden meldt zich wanneer hij mevrouw Van Breukelen aan de telefoon krijgt, als Thomas van Uitdam.’

De mond van Vledder zakte iets open.

‘Maar dat is niet zijn eigen identiteit?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘De presentatie is vals. Maar als de moord volgt, valt door de verklaring van mevrouw Van Breukelen de verdenking op Thomas van Uitdam: de verkeerde dader.’

Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Het was toch toeval dat de moordenaar mevrouw Van Breukelen aan de telefoon kreeg.’

‘Dat vermoeden wij.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Mogelijk heeft de moordenaar Herman van Breukelen wel enige malen aan de lijn gekregen, maar zonder zich te melden… zonder een gesprek aan te gaan.’

‘En dan?’

‘Heeft hij de verbinding verbroken.’

‘Wat heeft dat voor zin?’

De Cock grinnikte.

‘Hij wachtte geduldig tot mevrouw Van Breukelen de hoorn opnam. Ik heb het vermoeden dat Herman van Breukelen de stem van zijn moordenaar zou hebben herkend wanneer die zich aan de telefoon had gemeld.’

‘Ha,’ zei Vledder. ‘En mevrouw Van Breukelen kende die stem niet.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ook de naam Thomas van Uitdam kende zij niet. Ze heeft de man die ze aan de lijn had, zijn naam een keer laten herhalen en die daarna in haar boekje geschreven.’

De oude rechercheur verschoof iets in zijn stoel.

‘Maar ik ben er bijna van overtuigd dat de moordenaar wel degelijk het gedrag van mevrouw Van Breukelen op haar wekelijkse bridgeavondje kende en wist dat zijn slachtoffer die avond alleen thuis zou zijn.’

Vledder tikte tegen het scherm van zijn computer.

‘Wat moet ik doen, De Cock, moet ik jouw criminele overdenkingen met betrekking tot de moord op Herman van Breukelen in dat proces-verbaal aan de politie van Gooi en Vechtstreek opnemen?’

De Cock schudde opnieuw zijn hoofd.

‘Het draagt niet bij tot het bewijs. Het is slechts een veronderstelling, een mogelijkheid om de schuld van de moord op Thomas van Uitdam te schuiven.

Overigens heb jij gelijk. Het onderzoek naar de moord op Herman van Breukelen hoort niet bij Gooi en Vechtstreek thuis. Die tweedeling is niet goed, maar zo zit ons belabberde politiebestel nu eenmaal in elkaar. Het lijkt mij het beste dat wij de moord op Van Breukelen gewoon bij ons onderzoek betrekken.’

Vledder glimlachte.

‘Zonder de politie van Gooi en Vechtstreek daarvan op de hoogte te brengen?’

De Cock trok zijn schouders op.

‘Wanneer we op zaken stuiten die ook voor hen van belang zijn, dan melden we die.’ De oude rechercheur glimlachte. ‘En misschien zijn onze collega’s van Gooi en Vechtstreek wel inventiever dan wij.’

Vledder grijnsde.

‘Heb jij daar…?’

De jonge rechercheur maakte zijn vraag niet af. Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt. Vledder riep: ‘Binnen!’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een wat gezette man met een bolrond gezicht en lichtgeel peenhaar in een scheve scheiding rechts op zijn hoofd. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij droeg een slobberig bruin kostuum dat schreeuwde om gereinigd te worden.

Met korte pasjes kwam hij naderbij. Bij het bureau van de grijze speurder bleef hij staan.

‘Ik heb de vrouw van Petrus van Wijngaarden telefonisch met het verlies van haar man gecondoleerd. Ik hoorde van haar dat rechercheur De Cock van het bureau Warmoesstraat de moord in behandeling had.’ Hij liet zijn hoofd iets zakken. ‘Bent u dat?

Rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’

De man tikte op zijn smoezelig witte overhemd.

‘Ik ben Van Beveren, Frederik van Beveren. Ik ben net als het slachtoffer Petrus van Wijngaarden lid van het bestuur van de Stichting Leefgenoten. Ik wilde met u eens over die moord praten.’

De Cock wees naar de stoel naast zijn bureau.

‘Neemt u plaats.’

Toen Frederik van Beveren schuifelend was gaan zitten, keek De Cock hem secondelang zwijgend aan. De man had lichtgroene ogen en op zijn bolle wangen lagen rode blosjes. De oude rechercheur glimlachte. De uitstraling van de man was hem niet onsympathiek. Hij wuifde in zijn richting.

‘Steek van wal.’

Van Beveren streek met de vingertoppen van zijn rechterhand langs zijn korte nek. Het was een nerveus gebaar.

‘Mevrouw van Wijngaarden,’ begon hij hakkelend, ‘gaf als haar mening te kennen dat haar man was vermoord door iemand uit de groep van pelsdierenhouders die door leden van onze stichting zijn benadeeld.’

De Cock knikte instemmend.

‘Die mening is ons ook kenbaar gemaakt.’

Van Beveren schudde zijn hoofd.

‘Ik ben het niet met haar eens.’

‘Waarom niet?’

Van Beveren trok zijn neus iets op.

‘Die groep is niet daadkrachtig genoeg. Zij hebben nooit enige actie tegen onze stichting ondernomen. Ze hebben lijdzaam toegezien hoe wij hun vaak bloeiende bedrijven hebben vernietigd.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Waarom die lijdzaamheid?’

Van Beveren gebaarde heftig.

‘Door onze lobby bij de media. Door de druk die wij op de pers uitoefenden heerste in het algemeen onder het Nederlandse volk de mening dat het fokken en doden van pelsdiertjes om hun bont een misdaad is. Niet wij waren verachtelijk voor onze daden, maar zij: de fokkers. Vol valse schaamte hebben ze zich teruggetrokken.’

De Cock accepteerde de mening zonder verweer.

‘Welk lid van de Stichting Leefgenoten,’ vroeg hij, ‘leidde die gewelddadige acties tegen de pelsdierenfokkers?’

Van Beveren trok zijn gezicht strak.

‘Petrus van Wijngaarden en zijn vrouw.’

‘Hebt u ook wel eens aan zo’n actie deelgenomen?’

Frederik van Beveren knikte.

‘Diverse malen. Wij werden door Petrus van Wijngaarden en zijn vrouw als volgers, als medewerkers aangewezen. Weigeren was in de boezem van onze stichting niet mogelijk. Dat gold als een afwijzing van onze denkbeelden.’

‘Was u, zoals de anderen, gewapend met een pistool? Een Sauer 7.65?’

Van Beveren grijnsde.

‘U bent goed geïnformeerd.’

‘U was gewapend?’ reageerde De Cock onbewogen.

‘Ja.’

De Cock nam een kleine pauze.

‘Mij is ter ore gekomen,’ ging hij verder, ‘dat Petrus van Wijngaarden en zijn vrouw schietoefeningen deden in de duinen bij Schoorl. Hebt u wel eens aan die schietoefeningen deelgenomen?’

‘Ook dat was een verplichting,’ reageerde Van Beveren. ‘In de regel ging ik daar samen met mijn goede vriend Thomas van Uitdam naartoe.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Zou u mij de plek waar die schietoefeningen in Schoorl werden gehouden, kunnen aanwijzen?’

Frederik van Beveren trok zijn lippen in een tuitje.

‘Dat dacht ik wel.’ Hij grinnikte. ‘Op die plek zullen nog wel bergen lege bierblikjes liggen.’

‘Bierblikjes?’ vroeg De Cock overbodig.

‘Die gebruikten we als doelwit,’ antwoordde Van Beveren.

‘Schikt het u vanmiddag, om twee uur? Mijn jonge collega moet de gerechtelijke sectie op het lichaam van Petrus van Wijngaarden bijwonen. Ik heb dan even tijd om met u naar Schoorl te gaan.’

‘Dat is goed. Ik ben hier om twee uur.’

De Cock streek even met zijn vlakke hand over zijn brede gezicht. Het was een gebaar om tijdwinst.

‘U… eh, u begon mij te vertellen,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat u het niet eens was met de mening van mevrouw Van Wijngaarden dat haar man door iemand van de groep gedupeerde pelsdierenfokkers was vermoord.’

‘Dat klopt.’

‘Wie acht u dan verantwoordelijk voor die moord?’

‘De fokkers.’

De Cock keek hem verbaasd aan.

‘Wat voor fokkers?’

Van Beveren gebaarde weids om zich heen.

‘Fokkers van honden.’

De Cock reageerde verrast.

‘Werden hondenfokkers ook door de Stichting Leefgenoten vervolgd en opgejaagd?’

Frederik van Beveren schudde zijn hoofd.

‘Herman van Breukelen, onze eminente voorzitter, was op het idee gekomen om de Stichting Leefgenoten als dekmantel te gebruiken.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Een dekmantel… waarvan… waarvoor?’

Van Beveren wuifde achteloos.

‘Het fokken van hondjes.’

‘Voor wie… voor wat?’ De Cock onderdrukte zijn verbazing over deze wending van het gesprek.

Frederik van Beveren zuchtte diep.

‘Er is wereldwijd,’ begon hij, ‘ook in ons land, een grote vraag naar proefdieren. Hondjes. Het liefst pups, jonge dieren van het type beagle lenen zich daar het beste voor.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Hondjes voor vivisectie?’

Frederik van Beveren knikte.

‘Volgens Herman van Breukelen zou niemand in ons land op het idee komen om de Stichting Leefgenoten als erkende dierenactivisten te verdenken van het fokken van hondjes voor vivisectie.’

De Cock snoof verachtelijk.

‘Geniaal.’ De walging klonk door in zijn stem.

‘Dat vonden Petrus van Wijngaarden, Thomas van Uitdam en ik ook,’ antwoordde Van Beveren enthousiast. ‘Wij vonden het een prachtig plan en zijn vrijwel onmiddellijk begonnen om een netwerk van hondenfokkers in ons land uit te zetten. Zij fokten de door ons verlangde beagles, die wij voor een vaste prijs van hen kochten.’

De Cock blikte mistroostig voor zich uit.

‘En de leden van de Stichting Leefgenoten,’ sprak hij somber, ‘zorgden voor de distributie?’

‘Precies. Wij legden de contacten met instellingen die hondjes voor vivisectie nodig hadden.’

‘En dat leverde een forse winst?’

Van Beveren knikte nadrukkelijk.

‘Zeker. Het geld zou onder meer worden besteed om in de binnenstad van Amsterdam een hoofdkantoor te vestigen.’

De Cock kneep denkrimpels in zijn voorhoofd.

‘Wisten de benaderde hondenfokkers dat hun jonge beagles voor de vivisectie werden gebruikt?’

Frederik van Beveren schudde zijn hoofd.

‘Aanvankelijk niet. Hoe zij erachter zijn gekomen wat er met de jonge hondjes gebeurde, weet ik niet. Maar ongeveer een week geleden is de bom gebarsten. Zij eisten voor de door hen geleverde hondjes ineens driemaal het bedrag dat zij voordien kregen.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Anders…?’

Hij maakte zijn zin niet af.

Van Beveren liet zich iets terugzakken in zijn stoel.

‘Toen Herman van Breukelen weigerde om op hun eis in te gaan, werden wij met de dood bedreigd.’

‘Wie zijn wij?’

Frederik van Beveren vouwde zijn armen voor zijn borst.

‘Petrus van Wijngaarden, Herman van Breukelen, Thomas van Uitdam en ik.’

Hij boog zich weer iets naar voren.

‘Begrijp me goed, rechercheur De Cock, deze hondenfokkers zijn van een ander kaliber dan de softe fokkers van pelsdieren. Zij voelen zich niet schuldig. Ze voelen zich door de Stichting Leefgenoten belazerd, bedonderd en misleid. Zij eisen genoegdoening. De dood van Petrus van Wijngaarden verrast mij niets.’

Frederik van Beveren zuchtte diep. De blosjes op zijn wangen waren verdwenen.

‘U staat als een bekwaam, eerlijk en betrouwbaar rechercheur te boek,’ ging hij verder. ‘Daarom ben ik openhartig geweest, openhartig met een doel. Mocht er ook met mij of met een van de anderen iets gebeuren, dan weet u in welke hoek u de dader of daders moet zoeken.’

De Cock nam een pauze. Ditmaal wat langer dan normaal.

‘Hoe… eh, hoe kan ik de namen van die hondenfokkers achterhalen?’

‘Ze staan in onze computers.’

De Cock hield zijn hoofd iets schuin.

‘Ook in de computer van Petrus van Wijngaarden?’

Frederik van Beveren knikte.

‘Tenzij mevrouw Van Wijngaarden die namen daaruit heeft verwijderd.’

Загрузка...