Alexander van Waalwijk zuchtte diep. Zijn gezicht zag grauw en zijn lippen trilden. Hij schudde zijn hoofd.
‘Verschrikkelijk om op zo’n manier te moeten sterven,’ sprak hij somber. ‘Dat gun je niemand. Hij was toch nog betrekkelijk jong, in de kracht van zijn leven.’
De Cock maakte een simpel handgebaar.
‘Het was een snelle dood,’ reageerde hij geruststellend. ‘Petrus van Wijngaarden heeft geen tijd gekregen om volledig te beseffen wat er met hem gebeurde.’
Van Waalwijk keek De Cock onderzoekend aan.
‘Hebt u… eh,’ vroeg hij voorzichtig, ‘hebt u al enig idee wie voor zijn afschuwelijke dood verantwoordelijk is?’
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
‘We hebben geen enkele aanwijzing. Petrus van Wijngaarden is voor ons een nieuw fenomeen. Ik bedoel, in onze administratie komt hij niet voor. We weten niets van deze man… kennen geen achtergronden. We zijn ook maar net met ons onderzoek gestart.’
Alexander van Waalwijk tastte met bevende hand naar het pistool in de doorschijnende plastic zak.
‘Is er mee geschoten?’
De Cock spreidde zijn handen.
‘Om geen sporen te bederven heb ik niet gekeken hoeveel patronen er nog in de houder van het wapen zitten. Dat laat ik liever onze deskundigen op het hoofdbureau doen. Zo’n onderzoek vergt wel enige tijd. Ik zal daarover pas later worden geinformeerd.’
Hij wees naar het pistool.
‘Petrus van Wijngaarden,’ ging hij rustig verder, ‘heeft het wapen in ieder geval niet gebruikt op de plek waar wij hem hebben gevonden. Daar lagen geen uitgeworpen patroonhulzen. Ik ben ervan overtuigd dat de man of de vrouw die hem belaagde, het slachtoffer volkomen heeft verrast; hem geen tijd heeft gegund om zijn eigen pistool uit zijn broekzak te halen.’
Alexander van Waalwijk fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waar hebben jullie hem gevonden?’
‘In een oud pand aan de Prinsengracht.’
‘Wat deed hij daar?’
De Cock glimlachte.
‘Een goede vraag. Een vraag die wij ons ook stellen. Ik ken alleen het antwoord niet. Van Wijngaarden werd in dat pand dood aantroffen door een jonge bouwvakker, die van plan was om daar herstelwerkzaamheden te gaan verrichten. Het opmerkelijke is dat de jonge bouwvakker werkte in opdracht van een man die hij nog nooit had ontmoet, met wie hij alleen via de telefoon contact had gehad.’
Van Waalwijk keek hem verwonderd aan.
‘Vreemd.’
De Cock knikte.
‘Hij kende wel zijn naam. De man aan wie hij zijn rekeningen stuurde was Petrus van Wijngaarden, wonende in de Vondelstraat 814.’
De mond van Alexander van Waalwijk gleed halfopen.
‘Dan was dat pand aan de Prinsengracht vermoedelijk zijn eigendom.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Was Petrus van Wijngaarden zo kapitaalkrachtig dat hij in staat was om zo’n aankoop te financieren? Die oude grachtenpanden zijn nogal prijzig.’
Van Waalwijk knikte traag.
‘Ik acht hem daartoe financieel wel in staat. Bovendien heeft Petrus van Wijngaarden het onbelemmerd beheer over de gelden van de Leefgenoten.’
De Cock grinnikte.
‘Gelden van wat?’
‘Leefgenoten.’
De Cock trok zijn neus iets op.
‘Wat is of zijn leefgenoten?’
Van Waalwijk gebaarde voor zich uit.
‘Een stichting. Een wat extreme, bijna radicale stichting, die zich strijdend ten doel stelt om de ons omringende dieren te behandelen als medegenoten op onze aardkloot. Die dus, volgens de doelstelling van die stichting, met dezelfde egards, eerbied en achting dienen te worden omringd als de mens.’
De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. Het was een gebaar om tijdwinst.
‘Het… eh, het lijkt mij,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘een moeilijk te realiseren idee.’
Alexander van Waalwijk glimlachte.
‘Ik heb er vroeger met Petrus, toen we nog bevriend waren, dikwijls over gediscussieerd. Vaak heftig. Naar mijn mening is het onmogelijk om dieren en mensen gelijk te stellen. Dat is ook nooit de bedoeling van de schepping geweest.’
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
‘Kent u die bedoeling?’
Van Waalwijk knikte nadrukkelijk.
‘En God zeide — zo staat in de Bijbel — Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt.’
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Heel goed. U kent die lange Bijbeltekst volledig uit uw hoofd?’
‘Ja. Genesis vers 26.’
De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘U bent een gelovig mens?’
‘Is dat een zonde?’ reageerde Alexander van Waalwijk ineens geprikkeld.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik bedoel, er zijn mensen die het Bijbelwoord niet als maatgevend voor onze samenleving beschouwen.’
Van Waalwijk knikte.
‘Jammer. Daarom is er zo veel ellende in de wereld… daarom kunnen dwaze stichtingen als Leefgenoten in onze samenleving gedijen.’
De Cock leunde iets achterover.
‘Waren de verschillen van inzicht de enige reden dat de vriendschap tussen u en Petrus van Wijngaarden iets was bekoeld?’
‘Iets bekoeld?’ sprak Van Waalwijk vol minachting. ‘Een understatement. Er was totaal geen sprake meer van enig gevoel van vriendschap.’
De Cock stak zijn handen naar voren.
‘Waardoor,’ vroeg hij verwonderd. ‘Waardoor is die aanvankelijk zo hechte vriendschap tussen u en Petrus tenietgegaan?’
Van Waalwijk liet zijn hoofd iets zakken.
‘Betsy.’
Zijn stem vibreerde in tederheid.
De Cock gniffelde.
‘Wie en wat is Betsy?’
Alexander van Waalwijk richtte zijn hoofd weer op.
‘Ik ben al vanaf mijn schooltijd de enige boekhouder van een vrij gezapig productiemaatschappijtje. Ik voel mij daar thuis en word door de directie gewaardeerd. We fabriceren al jaren op kleine schaal huishoud- en toiletpapier. Niet spannend… niet indrukwekkend.’
De Cock glimlachte.
‘Uw ambities reiken niet verder?’
Van Waalwijk schudde zijn hoofd.
‘Op een blijde dag kwam bij ons op kantoor in dienst een jonge vrouw… Betsy. Ze was mooi. Ze had bruine ogen en haar haren glommen als gepoetste kastanjes. Betsy, zo noemden wij haar vanaf het begin, Betsy van Blijenberg. Haar echte naam is Elisabeth, maar die gebruikten wij nooit. Betsy van Blijenberg en ik gingen al snel geanimeerd met elkaar om. Leuk. Lief. Gezellig. Het klikte tussen ons en op een goede dag besloten wij ons — heel ouderwets — te gaan verloven.’
De Cock glimlachte.
‘U gaat mij toch geen liefdesverhaal vertellen?’
Alexander van Waalwijk ontweek de vraag. Hij trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Betsy leerde via mij Petrus van Wijngaarden kennen, een man die over veel geld beschikte en spannende dingen deed in het kader van de dierenbescherming.’
‘Spannende dingen?’
Alexander van Waalwijk knikte.
‘Het bestoken van bontfarms — boerderijen waar pelsdieren worden gefokt — zilvervossen, nertsen, chinchilla’s. Betsy vond dat prachtig.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Ik begrijp het… Betsy is nu Elisabeth, de vrouw van wijlen Petrus van Wijngaarden.’
‘Ik was bij de kerkelijke inzegening van hun huwelijk,’ sprak Van Waalwijk timide. ‘Dat was mijn laatste contact met die twee. Nadien heb ik mijn relatie met beiden verbroken.’
De Cock nam een kleine pauze.
‘Toen Elisabeth na het verdwijnen van haar man in geestelijke nood zat, deed ze een beroep op de oude vriendschap met u en gaf u de opdracht om de vermissing van haar man bij de politie te melden.’
Van Waalwijk boog het hoofd.
‘Ik wilde dat niet weigeren. In feite sluimert in mijn hart nog een warm gevoel van liefde voor haar. Dat is nooit geheel verdwenen.’
De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn brede gezicht.
‘Bent u bereid en in staat om mevrouw Van Wijngaarden te vertellen wat er met haar man is gebeurd? Of zullen wij dat ambtelijk doen?’
Alexander van Waalwijk slikte.
‘Ik doe dat wel.’
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Ik hoop op uw medewerking bij ons onderzoek naar de dader… naar de man of de vrouw die drie kogels op Petrus van Wijngaarden afvuurde.’
De oude rechercheur zweeg even.
‘In feite,’ ging hij gedragen verder, ‘doe ik een ernstig beroep op u.’
‘In welk opzicht?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Als mevrouw Van Wijngaarden om welke duistere reden dan ook het liefst elk contact met de politie vermijdt, dan vrees ik dat een onderhoud met haar voor ons wat stroef zal verlopen en dat mogelijk belangrijke informatie voor ons verborgen blijft.’
Van Waalwijk knikte instemmend.
‘Die mogelijkheid,’ sprak hij bedachtzaam, ‘acht ik zeker aanwezig.’
De Cock zuchtte.
‘Ik ga ervan uit dat zij tegenover u wat openhartiger zal zijn dan tegen ons. In elk geval minder gespannen, en wellicht ook betrouwbaarder.’
Van Waalwijk keek hem geschrokken aan.
‘Wat verwacht u van mij?’ vroeg hij wantrouwend. ‘Dat ik u ga openbaren wat mevrouw Van Wijngaarden mij in vertrouwen vertelt?’
De Cock trok zijn gezicht strak.
‘Als het kan bijdragen tot het vinden van de dader? Ik ga ervan uit dat ook mevrouw Van Wijngaarden naar gerechtigheid streeft en erop gebrand zal zijn dat de man of vrouw die haar man vermoordde, zal worden ontmaskerd.’
Alexander van Waalwijk zuchtte diep.
‘Ik weet niet,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘of haar huwelijksjaren met Petrus veel hebben bijgedragen aan de verandering van Betsy naar Elisabeth.’
Het was een opmerking die De Cock analyseerde en tot nadenken stemde.
Toen Van Waalwijk de grote recherchekamer had verlaten keek Vledder zijn oudere collega peilend aan. In zijn ogen glansde argwaan.
‘Gaan we niet naar mevrouw Van Wijngaarden?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet direct. Ik wil eerst afwachten wat Alexander van Waalwijk ons heeft te rapporteren. Tussen hem en zijn Betsy zal straks een gesprek ontstaan met als hoofdmotief de dood van echtgenoot Petrus van Wijngaarden.’
‘Wat verwacht je daarvan?’
De Cock antwoordde niet direct.
‘Het hangt ervan af,’ sprak hij aarzelend, ‘hoe Van Waalwijk zich opstelt. Kiest hij onze zijde of voelt hij zich geroepen om zijn Betsy te beschermen.’
Vledder snoof.
‘Tegen wie… tegen wat,’ vroeg hij geprikkeld, ‘moet zijn Betsy worden beschermd?’
De Cock trok een grijns.
‘Het is niet denkbeeldig,’ opperde hij, ‘dat mevrouw Van Wijngaarden, gedreven door haar man, onder het mom van dierenbescherming aan tal van misdadige acties heeft deelgenomen.
Dat zou haar aversie tegen de politie kunnen verklaren.’
Vledder schoof de computer voor zijn neus iets opzij.
‘Als de fokkers van pelsdieren de activiteiten van Petrus van Wijngaarden en zijn vrouw kennen… daar op een of andere manier achter zijn gekomen… dan hebben beiden beslist tal van vijanden.’
De Cock ademde diep.
‘Misschien moeten wij de dader van de moord wel in die richting zoeken.’
‘Een wraakactie?’
‘Precies.’
Vledder keek op zijn horloge.
‘Het is bijna halfelf. Zullen we voor vandaag stoppen? Adelheid[2] komt om elf uur uit dienst. We hebben elkaar de laatste dagen weinig gezien.’
De Cock reageerde niet. De oude rechercheur staarde nadenkend voor zich uit.
‘Er zit mij iets dwars.’
‘Wat?’
‘Die bouwvakker.’
‘Wat is daarmee?’
‘Hij zei dat hij telefonisch instructies kreeg van, en zijn rekeningen stuurde naar Petrus van Wijngaarden, wonende Vondelstraat 814.’
‘En?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik heb in dat hele pand aan de Prinsengracht geen aanwijzingen van recent verrichte werkzaamheden gezien. Ik bedoel, waarom en waarvoor stuurde hij rekeningen?’
Vledder trok een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Je hebt gelijk. In het vertrek waar wij de dode man aantroffen had hij alleen zijn aggregaat opgesteld. Verder was er niets gebeurd.’
De Cock kauwde op zijn onderlip.
‘De jongeman maakte op mij toch wel een betrouwbare indruk.’
‘Een aardige vent,’ knikte Vledder instemmend.
De oude rechercheur stond op en wees naar de telefoon.
‘Bel die bouwvakker eens op en vraag om inlichtingen. Intussen haal ik voor ons ieder beneden in de kantine een broodje kroket. Ik rammel.’
Toen De Cock na enkele minuten in de grote recherchekamer terugkeerde trof hij Vledder met zijn jack aan. De oude rechercheur reageerde verrast.
‘En?’
‘Als wij de bouwvakker ophalen en weer terugbrengen zal hij ons ter plekke laten zien waarvoor hij aan Petrus van Wijngaarden gepeperde rekeningen stuurde.’
‘Dat heb je hem beloofd?’
Vledder knikte.
‘Ik had geen keus.’
De jonge bouwvakker lachte.
‘Dit is voor het eerst van mijn leven dat ik door rechercheurs van politie word begeleid. Dat is een nieuwe ervaring voor Jan de Timmerman.’
De Cock glimlachte.
‘Zo heet je? Jan de Timmerman?’
De jonge bouwvakker knikte.
‘Een toepasselijke nam voor een bouwvakker. Vindt u niet?’
‘Prachtig.’
‘Noem me maar Jan.’
De Cock knikte.
‘Jan, heb je straks in dat pand aan de Prinsengracht jouw aggregaat nodig?’
Jan de Timmerman schudde zijn hoofd.
‘Er is elektriciteit, water en gas voor de verwarming van de buren.’
‘Van de buren?’
Jan Timmerman knikte.
‘Daar heeft die opdrachtgever van mij voor gezorgd.’
De Cock keek hem verward aan.
‘Daar hebben we in dat pand niets van gemerkt.’
Jan de Timmerman lachte.
‘U hebt vermoedelijk niet verder gekeken dan het pand zelf… het pand waar vroeger zuurwaren werden ingemaakt.’
De Cock reageerde verward.
‘Waar hadden we dan moeten kijken?’
‘In de tuin.’
‘In welke tuin.’
‘Achter het pand aan de Prinsengracht is een vrij brede, diepe grote tuin. In die tuin stond een vervallen tuinhuis. Dat heb ik gesloopt en op dezelfde plek heb ik een nieuw tuinhuis gebouwd, een beauty, met alles d’r op en d’r an… comfortabele keuken, gerieflijke woonkamer en een prachtige slaapkamer met een tweepersoons hemelbed.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie maakt er gebruik van dat onderkomen?’
Jan de Timmerman trok zijn schouders op.
‘Ik vermoed die vent die mij opdrachten geeft en voor mijn werk betaalt.’
‘Petrus van Wijngaarden?’
‘Ja.’
Vledder parkeerde de Golf voor het bewuste pand. Ze stapten uit en Jan de Timmerman begeleidde de rechercheurs door het huis naar de tuin erachter.
Het tuinhuis dat Jan de Timmerman had geschetst overtrof de verwachtingen van De Cock. Toen Jan de toegangsdeur had geopend en het licht had ontstoken, stond De Cock versteld van de exorbitante luxe van het interieur. Hij liep naar de slaapkamer met het hemelbed en snoof de geur van parfum die daar hing.
Hij blikte naar Vledder.
‘Snuif die parfumgeur goed op.’
‘Waarom?’
De Cock glimlachte.
‘Ik ben er haast van overtuigd dat echtgenote Elisabeth zich met andere geurtjes omgeeft.’
‘Je bedoelt?’
‘Dit is duidelijk het liefdesnestje van wijlen Petrus van Wijngaarden.’