13

Met Vledder aan het stuur reden ze in hun oude Golf van de door de regen glad geworden houten steiger achter het politiebureau van de Warmoesstraat weg. Gevaarlijk slippend bereikten ze het asfalt van de Oudebrugsteeg. Het gezicht van de jonge rechercheur stond gespannen. Al op het Damrak drukte hij het gaspedaal stevig in.

De Cock keek hem van terzijde aan.

‘Wil je een snelheidsrecord vestigen?’

Het klonk cynisch.

Vledder minderde vaart.

‘Ik kan er niets aan doen,’ riep hij verontschuldigend. ‘Ik heb bij zo’n melding altijd het gevoel dat we snel ter plekke moeten zijn.’

De Cock grinnikte.

‘Dat is alleen belangrijk als de schutter geduldig bij het lijk staat te wachten tot wij komen. Maar dat heb ik in de praktijk nog nooit meegemaakt.’

‘En dat verwacht je ook nu niet?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ook nu niet.’ De oude rechercheur trok een grijns. ‘Ik vraag me af wat voor een geweldsdelict ons te wachten staat. Als ik het idee heb dat de man het slachtoffer is van een liquidatiemoord, steek ik geen hand uit. Dan waarschuw ik onmiddellijk de mensen van de centrale recherche aan het hoofdbureau.’

‘Waarom?’

De Cock gebaarde heftig.

‘Daar zijn specialisten,’ sprak hij met stemverheffing. ‘Die hebben met elkaar al meer dan een dozijn liquidatiemoorden in behandeling.’

Vledder gromde.

‘Naar mijn gevoel helpt dat specialisme ook niet veel. Zover ik weet is er in Amsterdam nog geen enkele liquidatiemoord opgelost.’

De Cock trok een mistroostig gezicht.

‘Het is ook hopeloos. Aan liquidatiemoorden is voor de recherche geen eer te behalen.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Waarom niet… moord is moord?’

De Cock zuchtte.

‘Bij een liquidatiemoord bestaat er tussen de dader en het slachtoffer in de meeste gevallen geen enkele relatie. Er valt niets te ontwarren, niets uit te pluizen. De opdrachtgever of opdrachtgevers blijven anoniem. Vaak zijn er meerdere tussenpersonen. Langs een grote omweg komt de opdracht bij de huurmoordenaar terecht. De weg terug naar de opdrachtgever is nooit meer te volgen.’

Het gezicht van de oude rechercheur verstarde.

‘Huurmoordenaars… in mijn ogen de smerigste en lafste figuren onder de criminelen. Vaak komen ze vanuit een of ander duister Balkanland even via Schiphol binnenwippen en zijn alweer vertrokken voor het onderzoek naar de moord op gang komt.’

De oude rechercheur zweeg. Zijn brede gezicht stond nog gespannen. Huurmoordenaars verkilden zijn gevoel van menselijkheid. Hij keek even om zich heen naar de weg die Vledder volgde.

‘Weet je waar het Zoutkeetsplein is?’ vroeg hij bezorgd.

‘In de Zeeheldenbuurt, bij de Barentszstraat.’

De Cock grinnikte.

‘Het hoeft niet via Schiermonnikoog.’

Toen ze toch nog vrij snel via de Planciusstraat over de brug het Zoutkeetsplein hadden bereikt, zagen ze nabij de hoek van de Zoutkeetsgracht op het trottoir een bruin dekkleed waar een paar benen onderuit staken. Bij het kleed stond een oudere man.

Verder was er niemand.

De rechercheurs stapten uit hun Golf.

De man liep op de grijze speurder toe.

‘Hé, De Cock,’ riep hij vrolijk. ‘Ik had al gehoopt dat jij zou komen.’

De Cock blikte om zich heen.

‘Waar is de surveillancewagen?’

De man wees naar het bruine dekkleed.

‘Die is hartstikke dood. De dienders hebben even gekeken en dat kleed over hem heen gelegd en zijn toen de Houtmankade op gereden.’

‘Waarom?’

‘Daar was die wagen heen gegaan.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Wat voor een wagen?’

‘Een grote groene kar,’ zei de man. ‘Een poenerige wagen. Ik heb alles kunnen gezien.’

Hij wees voor zich uit.

‘Ik zat daar aan de overkant boven dat winkeltje op de eerste etage voor het raam. Die groene wagen stopte plotseling midden op het plein. Er stapte een man uit met een grote zwarte hoed op zijn kop en toen het slachtoffer vanaf de brug kwam aanlopen en hier op het trottoir stapte, schoot hij. Zeker drie keer. Daarna liep hij rustig naar het slachtoffer en bukte zich over de man heen. Dat duurde maar een paar seconden. Toen liep hij weer even kalm terug naar zijn wagen en verdween naar de Houtmankade.’

De Cock keek hem strak aan.

‘Hebt u het kenteken kunnen opnemen? Iets van een nummer misschien?’

De oudere man schudde zijn hoofd

‘Daar heb ik niet op gelet. Ik raakte toch een beetje in de war bij wat ik zag. Die groene wagen was ook zo weer van het plein verdwenen.’

‘Hebt u de Warmoesstraat gebeld?’

‘Vrijwel onmiddellijk. Nog voor ik naar buiten ging om te kijken hoe het met het slachtoffer was. Ik ken het nummer van de Warmoesstraat nog uit mijn hoofd.’ Hij glimlachte. ‘U hebt mij nog een keer verhoord voor een kleine kraak op de Achterburgwal… jaren geleden.’

De Cock liet de man zonder te reageren staan en liep naar het bruine dekkleed. Hij trok een punt van het kleed omhoog en schrok bij de herkenning. De oude rechercheur vermande zich snel en knielde bij het slachtoffer neer. Met duim en wijsvinger drukte hij de grote starende ogen dicht. Rond de hartstreek ontdekte hij een grote rode bloedvlek. Om de hals van de dode hing het bekende metalen ponsplaatje.

Vledder hijgde in zijn nek.

‘Het is Frederik van Beveren.’

De Cock knikte.

‘Morsdood, met Canis Major om zijn nek.’


De Cock had moeie voeten.

Het was er ineens, onaangekondigd. Als een donderslag bij heldere hemel. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duivels uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn die uit de holte van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoogtrok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht verliepen, als zijn onderzoeken dreigden te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven de helse duiveltjes acte de présence.

Vledder keek hem bezorgd aan.

‘Is het weer zover?’

De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markante gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.

‘Het gaat wel weer over,’ sprak hij mat. ‘Die pijn is nog wel te verdragen, maar de wetenschap dat wij na drie moorden en dagen van intensief speuren in feite nog geen stap verder zijn gekomen met ons onderzoek, bezorgt mij een angstig voorgevoel.’

Vledder keek zijn oudere collega met een blik vol ongeloof aan.

‘Jij denkt dat wij er niet uitkomen en dat wij de moordenaar nooit zullen vatten?’

De Cock keek hem aan.

‘Dat kan toch?’ reageerde hij kalm. ‘Hoeveel moorden blijven niet onopgelost?’

Vledder schudde resoluut zijn hoofd.

‘Niet bij ons,’ sprak hij ferm. ‘Wij zijn er samen nog altijd uitgekomen.’

Op het gezicht van De Cock brak een glimlach door.

‘Misschien is het bijgeloof.’

‘Wat?’

‘Dat mijn moeie voeten iets met de stand van ons onderzoek te maken hebben.’

Vledder lachte bevrijd.

‘Vast.’

De Cock streek nog eens over zijn kuiten.

‘De dienders van de surveillancewagen gisteravond zijn zo handig geweest om het signalement van de groene auto aan de centrale post door te geven. Een van de dienders kende het type en het merk, het was een Cadillac.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Het heeft niets opgeleverd. De wagen is nergens gesignaleerd.’

‘Jammer.’

De jonge rechercheur schoof iets op zijn stoel naar voren.

‘Toen ik vannacht even wakker lag, heb ik wel overwogen dat het type auto met als bestuurder een man met een hoed, nauwe overeenkomst vertoont met de auto waarmee wij in Bussum bijna een aanrijding hadden.’

De Cock knikte.

‘De wagen die vermoedelijk vanaf de villa van Herman van Breukelen kwam rijden.’

Vledder grinnikte.

‘Ik had toen beter niet kunnen remmen, dan hadden we de moordenaar al in de cel gehad.’

De Cock reageerde niet.

De jonge rechercheur pakte een aantekening van zijn bureau.

‘Hans Rijpkema belde mij vanmorgen al vroeg. Voordat jij op bureau was. Hij heeft zonder problemen van de politie Gooi en Vechtstreek een kogel uit het lichaam van Herman van Breukelen mogen meenemen voor onderzoek.’

‘En?’

‘De kogel komt uit hetzelfde wapen als de kogels uit het lichaam van Petrus van Wijngaarden en de twee kogels die jij in de duinen bij Schoorl hebt gevonden.’

De Cock glunderde.

‘Prachtig. We hebben dus niet meer dan één dader. Een man die met zijn negen-millimeterrevolver moordend rondgaat.’

De uitdrukking op het gezicht van de oude rechercheur versomberde.

‘Zonder dat wij weten wat hem bezielt… wat hem drijft.’

Vledder stak zijn wijsvinger omhoog.

‘En nog iets van Hans Rijpkema. Bij Herman van Breukelen waren in- en uitschot vrijwel gelijk. Dat bleek tijdens de gerechtelijke sectie. De kogels zijn bijna horizontaal recht door het lichaam van het slachtoffer gevlogen.’

De Cock tilde omzichtig zijn benen van zijn bureau. De pijn in zijn kuiten trok langzaam weg. Hij wees naar Vledder.

‘Heb je al contact gehad met dokter Rusteloos?’

De jonge rechercheur knikte.

‘De gerechtelijke sectie op het lichaam van Frederik van Beveren is vanmiddag om twee uur op Westgaarde.’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Ik had vanmiddag op pad willen gaan.’

‘Waarheen?’

‘We moeten toch een uitweg zoeken?’ sprak De Cock zuchtend. ‘We kunnen die vent met zijn revolver toch niet ongehinderd zijn gang laten gaan. Daar moet een eind aan komen.’

‘Hoe?’

‘Heb jij die lijst met hondenfokkers?’

‘Wat wil je daarmee?’

De Cock zwaaide geëmotioneerd.

‘Met een van die boze mannen praten. Hoe diep zit hun haat jegens de leden van de Stichting Leefgenoten. Met welke leden van de Stichting heeft men contact gehad. Waren er acties gepland. Vragen, vragen.’

Vledder snoof.

‘Verwacht je daar wat van?’

De Cock maakte een wanhopig gebaar. ‘We moeten toch wat.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde en Vledder greep de hoorn.

De Cock lette scherp op zijn reacties. De angst voor weer een moord kroop in zijn bloed.

Vledder legde met een blij gezicht de hoorn terug.

‘Beneden voor de balie,’ zei hij opgelucht, ‘staat Thomas van Uitdam. Hij wil met je spreken.’


Toen Thomas van Uitdam de grote recherchekamer binnenkwam, stond De Cock van zijn stoel op en liep met uitgestoken hand op hem toe.

‘Ik ben blij u als vrij man te kunnen begroeten,’ riep hij vrolijk.

‘Dat mag hypocriet klinken van een rechercheur die u ter zake moord heeft gearresteerd, maar ik verzeker u dat ik oprecht heb gehoopt dat uw alibi onaantastbaar was.’

Van Uitdam grinnikte.

‘Ten tijde van de moord op Herman van Breukelen zat ik met mijn gezin nog in het vliegtuig. Dat was voor de recherche vrij gemakkelijk vast te stellen.’

De Cock leidde de man naar de stoel naast zijn bureau en liet hem plaatsnemen.

‘Heeft de recherche van de politie Gooi en Vechtstreek verder nog pogingen ondernomen om uw schuld… uw onschuld te bepalen?’

Thomas van Uitdam knikte.

‘Ik heb een telefoongesprek moeten voeren.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘Met mevrouw Van Breukelen?’

‘Ik kreeg een tekst voor mijn neus die ik hardop moest lezen. Het waren de woorden die de man had gebezigd die zich als Thomas van Uitdam had gepresenteerd en een afspraak had gemaakt voor een bezoek aan haar man.’

‘En?’

Thomas van Uitdam glimlachte.

‘Mevrouw Van Breukelen was heel duidelijk in haar oordeel. Het was mijn stem niet.’

Van Uitdam zweeg even. Hij zuchtte.

‘Alles bijeen genomen heb ik wel begrip voor het feit dat de politie van Gooi en Vechtstreek heel officieel mijn opsporing had verzocht.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Als politieambtenaar kan ik zo’n verzoek tot opsporing niet negeren. Het is mijn plicht dat op te volgen. Ondanks het feit dat u naar mijn gevoel onschuldig was. Ik had al snel de indruk dat de gemaakte afspraak vals was en dat iemand valselijk uw naam had gebruikt.’

Thomas van Uitdam glimlachte.

‘Ik neem u mijn arrestatie van gisteren niet kwalijk, rechercheur.’

Hij schudde zijn hoofd. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Dat is ook niet de reden van mijn komst. Ik maak mij zorgen om mijn vriend Frederik van Beveren. Ik ben vanmorgen bij hem aan de deur geweest met het doel hem van mijn ervaringen te vertellen. Hij woont in de Van Heemskerkstraat. Hij was niet thuis. Toen ik bij de buren informeerde, vertelde iemand mij dat er gisteravond in de buurt een man was neergeschoten.’

De Cock liet zijn hoofd knikkend zakken.

‘Dat klopt.’

‘U weet ervan?’

De Cock knikte opnieuw en keek op naar de man voor zich. Hij overwoog hoeveel weerstand hij van de mens Thomas van Uitdam kon verwachten.

‘Het… eh, het was Frederik van Beveren,’ sprak hij zacht.

Van Uitdam trok zijn gezicht strak.

‘Hij is dood?’

De Cock beet op zijn onderlip.

‘Iemand schoot hem een reeks kogels in zijn lijf.’

Thomas van Uitdam reageerde niet direct. Hij staarde secondelang voor zich uit.

‘Freek.’ Hij fluisterde het woord bijna. ‘Freek zag er altijd wat slonzig uit, maar het was een vent met een gouden hart. Freek en ik zijn dierenbeschermers van de oude stempel. Het leed van dieren uitbannen… verzachten… zonder geweld… zonder illegale acties. Zo wilden wij dat. Ik zal er ook alles aan doen om de Stichting Leefgenoten weer een vertrouwd gezicht te geven.’

Thomas van Uitdam zweeg een tijdje. De Cock stoorde hem niet.

‘Als ik u,’ sprak hij toen ernstig, ‘bij het vinden van de moordenaar van Freek ook maar enigszins behulpzaam kan zijn, doe een beroep op mij.’

Van Uitdam stond op en met tranen in zijn ogen slofte hij de grote recherchekamer uit.

Загрузка...