Vledder reed hun oude Golf vanaf de houten steiger achter het politiebureau naar de Oudebrugsteeg en sloeg rechtsaf naar de rijbaan van het Damrak.
Het was gezellig druk in de mooiste straat van de stad. De etalages straalden en de vele eettentjes achter de vele pittoreske geveltjes waren in vol bedrijf.
De hitte van de dag kleefde nog aan het asfalt. Louter mooie vrouwen en tintelende tieners liepen in luchtige, weinig verhullende toiletjes over het brede trottoir.
Op weg naar de zoveelste moord in zijn lange carrière als rechercheur bezag De Cock het zomerse tafereel met een zekere gelatenheid. Het was een doffe berusting in het feit dat hij in zijn hectische beroep steeds met de negatieve zijde van het menselijk gedrag werd geconfronteerd. In flinters van een seconde overdacht hij of hij niet beter kermisexploitant had kunnen worden, makelaar, leraar of een bezielde dominee… die gekleed in een imponerende toga, staande onder een fraai klankbord met een van emotie trillende stem bewogen teksten vanaf de kansel slingert.
Hij duwde zijn oude vilten hoedje dat hij onder alle weersomstandigheden over zijn grijze haren schoof, iets naar achter, liet zich onderuitzakken en wachtte geduldig tot Vledder, geplaagd door vele verkeersperikelen, uiteindelijk de Prinsengracht had bereikt.
De jonge rechercheur parkeerde de oude Golf achter een politiesurveillancewagen met een blauw zwaailicht. Ze stapten uit. Vanachter de surveillancewagen liep een jonge diender naar De Cock toe en tikte ter begroeting met zijn wijsvinger tegen de pet van zijn uniform.
‘Mijn collega is binnen,’ rapporteerde hij. ‘Ik ben maar naar buiten gegaan. Ik verkeer niet graag in het directe gezelschap van lijken.’
Hij wees naar de surveillancewagen.
‘Ik heb de bouwvakker die het lijk hier vanavond ontdekte, achter in de wagen laten plaatsnemen. Dat vond ik veiliger, dan kan hij niet, wellicht ongewild, belangrijke sporen vernietigen. U kunt hem daar op de achterbank ook rustig verhoren.’
De Cock zwaaide naar de wagen.
‘Als die man er geen bezwaar tegen heeft, breng hem dan zolang naar de Kit. Dan kan hij daar op ons wachten. Het onderzoek binnen kan binnen wel even duren. Is de meute al gewaarschuwd?’
De agent knikte.
‘Dat heeft de wachtcommandant al gedaan.’
De Cock liep de jonge diender voorbij en stapte het pand binnen. Vledder volgde in zijn kielzog.
De ruime hal was schaars verlicht. Het vervuilde en bestofte bovenlicht liet maar weinig door. De Cock pakte zijn zaklantaarn uit een zijzak van zijn colbert. Het ovaal danste voor hem uit naar een brede gang, die eindigde in de oploop van een kronkelende trap. Boven aan die trap stond een al wat oudere diender.
‘U moet hier zijn,’ riep de man.
De Cock hees zijn negentig kilo steunend langs de leuning omhoog. Hij snoof een paar maal.
‘Wat stinkt het hier.’
De oude diender boven hem lachte.
‘Volgens de bouwvakker die het lijk vond, werden hier vroeger uitjes, augurken, haringen en schijven leverworst ingemaakt. Toen de joodse man die het bedrijf in zijn eentje runde, vond dat hij aan zijn pensioen toe was, heeft hij zijn geliefde zure haringen en uitjes in wijnazijn verlaten en dit oude pand verkocht.’
‘Vandaar die zurige lucht.’
De oude diender knikte. Toen De Cock kreunend van de trap stapte, leidde hij hem naar een openstaande deur.
‘Het slachtoffer ligt daar,’ verduidelijkte hij, ‘niet ver van dat dichtgetimmerde raam.’
De Cock ging het vertrek binnen en blikte om zich heen.
‘Is hier geen licht?’
De diender schudde zijn hoofd.
‘Het pand is al bijna een halfjaar niet meer in gebruik. De stroom is nog steeds afgesloten.’
‘Wat doet die bouwvakker dan hier in het donker?’
De oude diender gebaarde naar een roodgelakt apparaat bij de muur.
‘Hij heeft een draagbaar aggregaat. Met een paar lampen verlicht hij zijn werkterrein.’
‘Kan jij dat ding aanzetten?’
De diender schudde zijn hoofd.
‘Daar begin ik liever niet aan. Ik heb weinig verstand van apparaten.’
De Cock glimlachte.
‘Je hebt gelijk. Vraag aan je collega beneden — als ze nog niet naar de Kit zijn — of hij de bouwvakker nog even naar boven brengt om ons wat licht te geven.’
De diender pakte zijn mobieltje.
De Cock wachtte geduldig.
De bouwvakker, zo bleek even later, was een jongeman van rond de dertig jaar met een kop volle blonde krullen en een vrolijke grijns om zijn brede mond. Hij bleef voor De Cock staan.
‘Kan ik niet weg?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Ik heb geen zin om met mijn handen over elkaar een tijdje op dat bureau van jullie te zitten wachten.’
De Cock glimlachte.
‘Wij willen wat licht.’
‘Kan ik dan gaan?’
De Cock negeerde de vraag.
‘Had je het aggregaat aan toen je het slachtoffer ontdekte?’
De bouwvakker schudde zijn hoofd.
‘Ik trapte in het donker bijna op hem.’
‘Toen heb je licht gemaakt?’
‘Ja.’
‘Heb je hem herkend… ik bedoel, heb je die man wel eens eerder gezien?’
De bouwvakker schudde opnieuw zijn hoofd.
‘Hij was volgens mij hartstikke dood. Zijn T-shirt zat van voren vol bloed. Toen heb ik met mijn mobieltje de Warmoesstraat gebeld.’
De Cock keek naar de jonge diender.
‘Noteer straks zijn naam, adres en telefoonnummer en neem een korte verklaring van hem op voor het dagelijks rapport. Dan mag hij van mij voorlopig wieberen.’
De bouwvakker boog zich over zijn aggregaat, startte met een paar handgrepen de motor en binnen enkele minuten werd het vertrek met drie lampen ruim verlicht. De jongeman keek omhoog naar De Cock.
‘Als jullie hier straks klaar zijn met je onderzoek, doen jullie mijn aggregaat dan weer uit?’ Hij wees. ‘Gewoon deze knop omdraaien.’
De Cock knikte hem bemoedigend toe en de jonge diender leidde hem het vertrek uit.
De oude rechercheur slenterde naar het dichtgetimmerde raam. Met zijn rug geleund tegen de muur en zijn benen iets gespreid zat een dode man. Hij had een bleek rond gezicht met opbollende wangen. Zijn mond onder een brede zwarte snor hing halfopen en zijn bruine opengesperde ogen staarden in het niets. Het witte T-shirt dat hij droeg, was nabij de hartstreek rood van het bloed.
De Cock knielde bij het slachtoffer neer. Vrijwel op hetzelfde moment herkende hij de man.
Vledder hijgde in zijn nek.
‘Het is die vermiste vent.’
In zijn stem trilde verwarring.
De Cock knikte.
‘Petrus van Wijngaarden met… eh, met een paar kogels in zijn lijf.’
Vledder boog zich over de geknielde De Cock heen.
‘Wat heeft hij onder aan zijn nek? Het lijkt wel een ketting met een naamplaatje.’
De oude rechercheur peuterde met enige moeite een schone witte zakdoek uit zijn broekzak. Met de zakdoek in zijn hand trok hij het metalen plaatje iets naar zich toe en boog zich ernaar over.
‘Het lijkt wel zo’n ouderwets adresplaatje, zoals die vroeger op kantoren werd gebruikt. Als ik het goed zie staat er iets in geponst.’
De adem van Vledder kriebelde in zijn nek.
‘Een adres?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Een tekst.’
‘Wat voor een tekst?’
Met toegeknepen ogen las De Cock hardop.
‘Ca-nis Ma-jor.’
Vledder trok zijn neus op.
‘Is dat Latijn?’
‘Ja.’
‘Daar ben jij toch goed in.’
De Cock glimlachte.
‘Dat is rijkelijk overdreven. Mijn kennis rijkt niet veel verder dan wat opgeklopt potjeslatijn.’[1]
‘Wat betekent Canis Major?’
De Cock liet het plaatje los en kwam uit zijn geknielde houding omhoog.
‘Canis is hond en Major is groot.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
‘Grote hond.’
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Canis Major…’ sprak hij bedachtzaam, ‘zo werd in aloude tijden de ster Sirius, de Hondsster van onze beruchte hondsdagen, genoemd.’
Bram van Wielingen kwam het vertrek binnen. Hij zette zijn aluminium koffertje op de vloer en keek rond.
‘Een gezellig sfeertje,’ snierde hij, ‘een snorrend aggregaat en een knusse verlichting.’
De fotograaf liep op De Cock toe.
‘En nog een christelijke tijd.’
De oude rechercheur glimlachte.
‘Wanneer eindigt bij jou het begrip christelijk?’
Van Wielingen grijnsde breed.
‘Om middernacht.’
De Cock liet het onderwerp rusten. Hij wist uit ervaring hoe chagrijnig Van Wielingen was wanneer hij in de nacht moest komen opdraven. Hij leidde de fotograaf naar de dode man bij het dichtgetimmerde raam.
‘We hebben het slachtoffer zo aangetroffen. Ik vermoed dat hij met een revolver is neergeschoten toen hij rechtop stond. Daarna is hij, zo schat ik, langs de muur in die zittende houding gezakt.’
‘Een revolver?’
De Cock knikte.
‘We hebben geen uitgeworpen patroonhulzen gevonden.’
Bram van Wielingen wees naar de witgekalkte muur boven het hoofd van het slachtoffer.
‘Als hij van dichtbij is neergeschoten, dan bestaat de mogelijkheid dat er kogels aan de rugzijde het slachtoffer weer hebben verlaten.’
De Cock knikte.
‘Je bedoelt dat een eventueel uitschot in de kalk te zien moet zijn.’
Van Wielingen pakte zijn koffertje en monteerde een flitslicht op zijn Hasselblad.
‘Ik zal kijken of ik wat kan fotograferen.’
De Cock wees naar de ketting en het plaatje onder de kin van het slachtoffer.
‘Probeer ook de tekst op dat plaatje vast te leggen.’
Van Wielingen boog zich voorover en grinnikte.
‘Verrek. Een ouderwets ponsplaatje. Ik dacht dat die plaatjes met de komst van de computer totaal van het toneel waren verdwenen.’
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
‘Zouden er nog van die oude ponsmachines bestaan?’
De fotograaf knikte.
‘Vast wel… in een of ander muf kantoor.’
De Cock draaide zich om. Bij de deur van het vertrek stond dokter Den Koninghe met in zijn kielzog twee geüniformeerde broeders van de Geneeskundige Dienst met hun onafscheidelijke brancard.
De grijze speurder liep op de oude lijkschouwer toe en begroette hem hartelijk. De Cock had een zwak voor de excentrieke dokter met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwarte jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.
‘Hoe maakt u het?’ vroeg hij uitbundig.
‘Best. Zelfs mijn jicht is draaglijk.’
De oude rechercheur leidde dokter Den Koninghe naar de dode bij het dichtgetimmerde raam.
‘Het is moord… zonder twijfel.’
De lijkschouwer keek peinzend naar het lijk.
‘Het is stom,’ sprak hij cynisch, ‘om zich tijdens de hondsdagen te laten vermoorden… het is buiten veel te mooi weer.’
De Cock reageerde niet.
Dokter Den Koninghe nam zijn garibaldihoed af, trok de pijpen van zijn streepjesbroek iets omhoog en knielde bij de dode neer. Hij trok het bebloede T-shirt uit de broek van het slachtoffer en hield het omhoog zodat de kogelwonden dichtbaar werden.
‘Een goede schutter,’ mompelde hij, ‘de drie treffers liggen dicht bij elkaar gegroepeerd.’
Hij liet het hemd weer zakken, voelde aan de kin van het slachtoffer en legde de rug van zijn rechterhand tegen zijn bleke bolle wangen.
Al na luttele seconden kwam de lijkschouwer overeind. Zijn oude knieën kraakten. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock kende de bewegingen. Het was een reeks gebaren om tijdwinst te boeken.
‘Hij is dood,’ sprak de dokter laconiek.
De oude rechercheur knikte met een strak gezicht.
‘Dat begreep ik,’ reageerde hij simpel.
Dokter Den Koninghe wees naar de dode.
‘Langer dan acht uur. Vermoedelijk al enkele dagen. Ondanks het fraaie weer van de laatste dagen is zijn lichaam sterk afgekoeld en de lijkstijfheid is al verdwenen.’ Hij zette zijn bril weer op en plooide zijn pochet terug in het borstzakje van zijn jacquet. ‘Doodsoorzaak…’
De Cock onderbrak hem.
‘Inwendige verbloedingen.’
De kleine lijkschouwer lachte.
‘Jij kunt zo langzamerhand mijn baan als lijkschouwer wel overnemen. Je hebt gelijk… inwendige verbloedingen.’ Hij wuifde ten afscheid en liep de kamer uit.
De Cock keek hem na. Daarna wendde hij zich tot de fotograaf, die zijn fraaie Hasselblad behoedzaam in zijn koffertje teruglegde.’
‘Ben je klaar?’
Bram van Wielingen knikte.
‘Ik heb alles… de tekst Canis Major van het plaatje en een kogelinslag in het kalk van de muur.’
‘Heb je die plek aangeduid?’
De fotograaf knikte.
‘Je moet het nog even nameten. Ik schat zo’n zeventig à tachtig centimeter boven het hoofd van de man. De kogel van de put in de kalk moet ergens achter de rug van het slachtoffer liggen.’
De Cock knikte.
‘Ik zal het bekijken.’
Van Wielingen zwaaide.
‘Ajuus. De plaatjes heb je morgenochtend op je bureau.’
Hij liep met zijn koffertje weg, draaide zich bij de deur om en kwam weer terug.
‘Canis Major is toch Latijn?’
‘Ja.’
‘Wat betekent het?’
‘Grote hond.’
Van Wielingen wees naar het slachtoffer. Om zijn mond lag een grijns.
‘Misschien was hij bij leven wel een hond van een vent. Wie weet hoeveel mensen hij als een hond heeft behandeld?’
De Cock lachte.
‘Ga gauw naar huis voor je de hond in de pot vindt.’
Bram van Wielingen keek hem verrast aan.
‘Ik meen dat serieus, De Cock. Echt. Een moordenaar hangt zo’n tekst niet voor de gein om de nek van zijn slachtoffer. Dat moet iets betekenen. Ik zou maar eens in het verleden van die vent gaan wroeten. Zijn smoel met die vette snor bevalt mij niet.’
‘Dat is een vooroordeel.’
De fotograaf schudde zijn hoofd.
‘Een ingeving.’