3

Toen Bram van Wielingen, de fotograaf, met zijn koffertje aan de hand en een wat wazige blik in zijn ogen het vertrek had verlaten, wenkte De Cock de twee broeders van de Geneeskundige Dienst met hun brancard naderbij. Hij wees naar de dode man.

‘Wees voorzichtig bij het vervoer. Het is mogelijk dat er kogels op zijn rug tussen zijn hemd en zijn T-shirt zijn blijven hangen. Ik wil die graag voor het onderzoek behouden. Mogelijk liggen er ook kogels onder het lichaam van het slachtoffer. Hij moet namelijk staande zijn neergeschoten en daarna naar beneden zijn gezakt in die zittende houding van nu.’

De broeders knikten begrijpend. Terwijl een van hen het hoofd van het slachtoffer langs de muur geleidde, trok de ander hem aan de voeten in een liggende houding. Ze kantelden het lichaam enigszins en de oudste broeder streek met zijn vlakke hand over de rug. Daarna trok hij het T-shirt omhoog en reikte De Cock een bebloede kogel aan. De grijze speurder verpakte hem in zijn witte zakdoek en stak die in een zijzak van zijn colbert.

Toen de broeders het lichaam op de brancard hadden getild, vond Vledder een tweede kogel op de vloer, slechts een paar centimeter van de muur. Hij keek naar De Cock op en liet de kogel zien.

‘Een zwaar kaliber. Wat schat je?’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Negen millimeter. Ik heb precies zo’n kogel al in mijn zakdoek.’

De jonge rechercheur gebaarde om zich heen.

‘De derde kogel moet in het lichaam zijn blijven steken. Er ligt hier verder niets meer.’

De Cock keek toe hoe de broeders een wit laken ontvouwden.

Ineens viel het de grijze speurder op dat de rechterbroekzak van het slachtoffer uitpuilde. Voordat de broeders het laken over de dode man drapeerden, tastte de oude rechercheur met zijn vingertoppen de buitenzijde van de broekzak af. Daarna drukte hij het voorwerp in de broekzak gedeeltelijk naar buiten. Het bleek een klein model pistool.

De Cock pakte een potlood uit de binnenzak van zijn colbert.

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Wat moet je met een potlood? Ga je schrijven?’

De Cock reageerde niet. Hij drukte het wapen met de loop naar buiten uit de broekzak. Daarna stak hij het potlood in de loop van het pistool en hield dat aan het potlood omhoog. Hij glimlachte bij de herkenning.

‘Het is een Sauer,’ riep hij vrolijk, ‘7.65. Ik weet het zeker. Daar kan ik mij absoluut niet in vergissen. Het is het eerste type pistool dat ik tijdens mijn aanstelling bij de politie in handen kreeg. Dat was toen een groots moment.’

De oude rechercheur grinnikte. Hij liet het pistool even uitbundig om het potlood draaien.

‘En een potlood, brave collega,’ riep hij blufferig, ‘heeft een ervaren rechercheur altijd bij zich. Het is de enige manier om een pistool of een revolver te vervoeren zonder dat je mogelijke vingerafdrukken op het wapen beschadigt, wegveegt… of ongewild van jouw eigen vingerafdrukken voorziet.’

Vledder wees naar het wapen.

‘Is het gebruikt?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Niet hier in dit vertrek. Anders hadden we hier patroonhulzen moeten vinden.’

De oude rechercheur liet het pistool van het potlood af in een doorzichtige plastic zak glijden en stak die bij zich. Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Zou die Petrus van Wijngaarden altijd een wapen bij zich hebben gedragen?’

De Cock schoof zijn onderlip iets vooruit.

‘Vroeger trof men bij slachtoffers van een moord nooit een pistool of revolver aan. Het lijkt alsof tegenwoordig iedere man een vuurwapen op zak heeft.’

Vledder grinnikte.

‘Of losjes tussen de broekriem gestoken.’

De Cock zuchtte.

‘Het wordt tijd dat we eens uitgebreid met mevrouw Van Wijngaarden gaan praten.’

Vledder grijnsde.

‘Of zij iets van de activiteiten van haar man weet… en daarover met ons wil praten.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Misschien… als we haar duidelijk hebben gemaakt dat hij er niet meer is. Er zijn vrouwen die openhartig worden om hun verdriet te vergeten.’

Vledder wees naar het slachtoffer.

‘Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat iemand verdriet heeft om zijn dood.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat is een verkeerde gedachte,’ sprak hij verwijtend. ‘Wat weten we van die man… niets.’

De oudste broeder vroeg om aandacht. Hij wees naar het slachtoffer.

‘Mogen we hem wegbrengen?’

De Cock knikte.

‘Naar Westgaarde?’

‘Het sectielokaal.’

De broeders sloegen de canvas flappen over het laken en sjorden de riemen vast. Zacht wiegend droegen ze de dode man het vertrek uit.

De oude diender liep op De Cock toe.

‘Kunnen wij ook weg of wachten we nog op de dactyloscopische dienst?’

‘De dactyloscopische dienst werkt tegenwoordig met een wachtlijst,’ antwoordde De Cock. ‘Daar staan we in de rij. Ze kampen nog steeds met personeelsgebrek.’

Hij dacht even na.

‘Jouw jonge collega beneden,’ ging hij verder, ‘heeft van de bouwvakker die het slachtoffer hier vond een verklaring opgenomen en zijn adres genoteerd. Rij nog even bij die bouwvakker langs en vraag hem in wiens opdracht hij in dit pand werkzaamheden verrichtte en wie hem voor dat werk betaalde.’

De oude diender knikte.

‘Dat doen we.’ Hij zwaaide tot afscheid. ‘U vindt het antwoord in het dagelijks rapport.’

Vledder blikte naar De Cock.

‘En wat doen wij?’

De oude rechercheur tastte in zijn broekzak naar het apparaatje dat hij lang geleden van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen toen die besloot om voortaan het smalle pad van de deugd te gaan bewandelen. Het was een koperen houdertje met daarin een keur van stalen sleutelbaarden.

‘We sluiten de tent hier slotvast af en gaan op zoek.’

Vledder keek hem vragend aan.

‘Op zoek?’

‘Ja.’

‘Waarnaar?’

De Cock grijnsde breed.

‘Denk eens na… hoe is die Petrus van Wijngaarden hier op de Prinsengracht gekomen?’

Vledder klapte met zijn vlakke hand een paar maal tegen zijn voorhoofd.

‘Stom. Natuurlijk met zijn eigen auto. Een rode Peugeot 407.’

‘Precies, die moet hij hier ergens in de buurt hebben geparkeerd.’

Ze verlieten het pand en De Cock sloot de toegangsdeur met zijn apparaatje af. Daarna stapten ze in hun oude Golf.

Langzaam reden ze over de Prinsengracht langs de aan de wallenkant geparkeerde auto’s. De Cock blikte opzij.

‘Ken jij het kenteken nog uit je hoofd.’

Vledder schudde zijn hoofd. Hij pakte tijdens het rijden zijn notitieboekje uit een binnenzak van zijn jack en gaf dat aan De Cock.

‘Daar staat het in.’

De oude rechercheur gniffelde.

‘Kan ik jouw gekriebel lezen?’

‘Absoluut. Ik kriebel niet. Ik heb een net handschrift.’

Vledder zweeg even.

‘Vermoedelijk heb je dat kenteken niet eens nodig. Zo veel rode Peugeots 407 zullen we niet tegenkomen.’

De Cock bromde.

‘Het is een gewilde automobiel. Mijn buurman heeft zo’n auto en is er erg over te spreken.’

Toen ze de hele Prinsengracht hadden afgereden zonder een rode Peugeot 407 te vinden, gebaarde de oude rechercheur voor zich uit. ‘Probeer het eens aan de overkant van de gracht op het Amstelveld. Daar staan vaak wagens geparkeerd.’

‘Waar niet,’ gromde Vledder, maar hij volgde de aanwijzingen van zijn oude collega. Op het Amstelveld stopte hij plotseling.

‘Daar,’ riep hij opgetogen, ‘daar staat een rode Peugeot 407.’

De Cock knikte.

‘Het is het goede kenteken.’

Vledder zocht en vond voor hun oude Golf nog een plekje. Ze stapten uit en sjokten naar de rode Peugeot. Vledder liep om de wagen heen.

‘Er is aan de buitenkant niets bijzonders te zien. Ik zou wel eens binnen willen kijken.’

‘Waarom?’

De jonge rechercheur tikte met zijn knokkels op de voorruit.

‘Misschien heeft Petrus van Wijngaarden buiten die Sauer nog meer vuurwapens. Ik verwacht in het dashboardkastje ook zijn rijbewijs en papieren van de wagen; die had hij als lijk niet bij zich.’

Hij keek De Cock glimlachend aan.

‘Dat apparaatje van jou… kan je daar ook een auto mee openmaken?’

De Cock knikte gedwee.

‘Zeker.’

Vledder spreidde zijn handen.

‘Wil je het proberen? Ik zal dit keer niet protesteren. Dit is geen huisvredebreuk.’

De Cock pakte lachend het apparaatje met de vele sleutelbaarden en maakte het rechter voorportier open. Terwijl Vledder de wagen in dook, liep de oude rechercheur naar de bagageruimte, draaide het slot om en trok de klep open. Vol afgrijzen staarde hij naar zes kleine dode hondjes op een grijze wollen deken.

Het duurde even voor de oude rechercheur van zijn schrik was bekomen. Zijn stem piepte toen hij Vledder riep. De jonge rechercheur kwam vanuit de auto naar hem toe.

‘Wat is er?’

De Cock wees.

Vledder staarde met open mond naar de dode diertjes en kon zijn woede nauwelijks onderdrukken. Zijn gezicht zag rood en zijn handen trilden.

‘Wat een schoft!’ schreeuwde hij luid en onbeheerst. ‘Wat een gore ploert. Het zijn beagles, mooie jonge beagles, puppy’s nog. Ze moeten een verschrikkelijke dood zijn gestorven… van ellende gestikt. De schoft heeft ze tijdens de gloeiende hitte van de laatste dagen in de bagageruimte van zijn auto achtergelaten.’

Na nog een blik op de dode diertjes te hebben geworpen, deed De Cock de klep van de bagageruimte dicht. Hij gebaarde naar Vledder.

‘Neem contact op met de motordienst met het verzoek om de wagen naar het hoofdbureau te brengen voor onderzoek. Probeer ook Bram van Wielingen te bereiken, dat die de dode hondjes fotografeert.’

Vledder legde zijn vlakke hand vertederend op de gesloten klep van de bagageruimte.

‘Wat doen we met die kadavertjes?’

De Cock ademde diep.

‘Commissaris Buitendam moet daarover contact opnemen met de officier van justitie. Begraven of cremeren… het kost allebei geld.’

‘Betalen wíj dat toch.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Dit is dienst,’ sprak hij streng. ‘Zo’n ervaring mag ons niet raken. Dat hoort bij ons vak. We kunnen voor alles wat we in ons werk tegenkomen geen persoonlijke oplossingen gaan zoeken of bedenken.’

‘Waarom niet?’

‘Daar hebben we superieuren voor.’

Vledder snoof verachtelijk.

‘Die laten het zo vaak afweten. Ik snap niet hoe men ooit voor die mensen het woord “superieur” heeft uitgedacht. Volkomen misplaatst.’

De Cock glimlachte.

‘Maak je niet druk om die dode hondjes,’ sprak hij bemoedigend. ‘Als er geen passende oplossingen worden gevonden, dan heb ik genoeg relaties in kringen van de media om daarvan een groot sentimenteel spektakel te maken.’

De oude rechercheur stak zijn wijsvinger op.

‘Ik wil toch even wijlen de heer Petrus van Wijngaarden in bescherming nemen. Ik weet niet wat hij met de hondjes van plan was, maar we mogen aannemen dat ons slachtoffer niet kon voorzien dat hij nooit meer in leven bij zijn auto zou terugkeren.’

Vledder bromde.

‘Voor mij blijft hij een schoft,’ sprak hij bitter. ‘Met die hitte van de laatste dagen houden jonge hondjes het in zo’n afgesloten bagageruimte nog geen halfuur uit. Dan leggen ze het loodje.’


Ze reden in mineurstemming terug naar de Kit.

Vledder blikte opzij.

‘Wil je niet naar mevrouw Van Wijngaarden?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik wil eerst alles eens op een rijtje zetten,’ sprak hij nadenkend. ‘Ik heb het gevoel dat wij tot nu alleen bezig zijn geweest om voor de moordenaar van Petrus van Wijngaarden een reeks van verzachtende omstandigheden te vergaren.’

‘Hoe bedoel je.’

De Cock glimlachte.

‘Bram van Wielingen interpreteerde het Canis Major in het ponsplaatje op zijn borst als een aanwijzing dat Petrus van Wijngaarden een hond van een vent moet zijn geweest. Het vinden van het pistool in zijn broekzak en de dode hondjes in zijn auto hebben ook bij ons tot een negatieve karakteranalyse geleid. Dat is volgens mij geen goede start om opgewekt naar de moordenaar te gaan zoeken.’

Vledder knikte begrijpend.

‘Je bedoelt dat wij de moordenaar van Petrus van Wijngaarden al bij voorbaat in bescherming nemen.’

‘Precies.’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Maar we kunnen de feiten toch niet omdraaien. Hij had een plaatje met Canis Major op zijn borst. Hij had een pistool in zijn broekzak en er lagen dode hondje in de bagageruimte van zijn auto.’

De Cock zuchtte diep.

‘Je hebt gelijk. Die feiten hebben wij niet gecreëerd. Die zijn er. Toch moeten we ervoor waken het slachtoffer slechts met een duister vooroordeel te bezien. We hebben uiteindelijk maar één taak: zijn moordenaar ontmaskeren. Al het andere is aan de rechter.’

Vledder trok zijn kin iets omhoog en klapte met zijn vuist op de rand van het stuur.

‘Of je het erg vindt of niet, die zes dode hondjes in zijn bagageruimte kleven op mijn netvlies en ik verzeker je, dat beeld raak ik voorlopig niet kwijt.’


Vledder parkeerde hun oude Golf op de houten steiger achter het bureau. Ze stapten uit en slenterden via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Toen ze de hal van het bureau binnenliepen, wenkte Jan Rozenbrand De Cock met een kromme vinger.

De Cock liep op hem toe.

‘Niet weer een lijk?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

‘De jongens van de surveillancewagen zijn al een poosje binnen.’

De Cock knikte.

‘Wij hebben nog naar de rode Peugeot van het slachtoffer gezocht.’

‘Gevonden?’

De Cock knikte opnieuw.

‘Met zes dode hondje in de bagageruimte.’

‘Allemachtig… in de hitte gestikt?’

‘Precies.’

‘De jongens van de surveillancewagen hebben nog een bericht voor je achtergelaten. De bouwvakker heeft zijn opdrachtgever nog nooit persoonlijk ontmoet. Hij kreeg zijn aanwijzingen via de telefoon. Hij had wel de naam van de man aan wie hij zijn rekeningen stuurde. Petrus van Wijngaarden.’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar.

‘Dan is dat pand aan de Prinsengracht vermoedelijk zijn eigendom.’

De wachtcommandant stak zijn hand omhoog.

‘Er zit boven ook nog een man op je te wachten.’ Jan Rozenbrand raadpleegde een notitie. ‘Ene Alexander van Waalwijk.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Heb je hem verteld dat wij het lijk van Petrus van Wijngaarden hebben gevonden?’

De wachtcommandant schudde lachend zijn hoofd.

‘Toen hij hier binnenkwam wist ik dat nog niet. Bovendien bemoei ik mij niet met jouw werk. Hij zei alleen dat hij een belangrijke mededeling voor je had.’

De Cock draaide zich om en stapte naar de stenen trap. Opmerkelijk kwiek danste hij over de treden naar de tweede etage. Vledder volgde lichtvoetig.

Op de bank naast de toegangsdeur van de grote recherchekamer zat Van Waalwijk. Toen hij De Cock in het oog kreeg kwam hij overeind en liep op hem toe.

‘Ik ben bij mevrouw Van Wijngaarden geweest. Ze was totaal overstuur. Volgens haar heeft Petrus zijn pistool bij zich gestoken. Normaal ligt dat wapen in een lade van zijn bureau. Het is weg.’

De Cock leidde de man naar de stoel naast zijn bureau en liet hem daar plaatsnemen. Met zijn hoedje nog op ging de oude rechercheur achter zijn bureau zitten.

‘Heeft mevrouw Van Wijngaarden een beschrijving van het wapen gegeven?’

Alexander van Waalwijk schudde zijn hoofd.

‘Dat was niet nodig. Ik wist dat Petrus een vuurwapen had. Toen ik nog met hem bevriend was, heeft hij mij zijn pistool wel eens laten zien. Het is een Sauer 7.65.’

De Cock trok de plastic zak uit een zijzak van zijn colbert en schoof die naar hem toe.

Alexander van Waalwijk staarde verschrikt naar het wapen. Met open mond keek hij De Cock aan.

‘U… u hebt Petrus gevonden?’

De Cock knikte traag.

‘Met drie kogels rond zijn hartstreek.’

‘Dood?’

‘Als een pier.’

Загрузка...