De twee stoïcijnse broeders van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst legden het lijk van Izaak van Blijendijk op de brancard, sloegen een laken over hem heen en klapten het canvas terug. Daarna sjorden ze de riemen vast en droegen hem wiegend weg.
De Cock keek hen na. Hij bespeurde bij zichzelf een zekere beroering. Voor het eerst. Het onherroepelijke karakter van het heengaan van Izaak van Blijendijk boeide hem op dat moment buitengewoon.
Vledder liep met de broeders mee om de deuren in het huis open te houden. De leden van de familie Van Blijendijk waren onzichtbaar. Ze hadden zich met een hautain acterende Ivo teruggetrokken in de sobere salon.
Bram van Wielingen, de fotograaf, was al met zijn koffertje verdwenen. Hij was door de centrale post aan het hoofdbureau van politie opgeroepen om te gaan naar het Amsterdam-Rijnkanaal bij Diemen, waar in een doorschijnende plastic zak het afgehouwen hoofd van een vrouw was gevonden. Alleen Frans Kreuger, de oude dactyloscoop, was nog in de kamer. Hij kwastte met aluminiumpoeder ongeïnteresseerd aan de deurstijlen. Na een poosje schoof hij zijn bril omhoog tot op zijn golvend grijze haar en keek naar De Cock.
‘Bij dit soort moorden,’ sprak hij mistroostig, ‘vind je nooit iets.
Alleen maar vegen en greepjes van de bewoners.’ Hij wees naar de armstoel, waarin de dode Izaak had gezeten. ‘Hebben we van hem al vingerafdrukken?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik denk niet dat hij in onze politieadministratie voorkomt. Hij was, hoe zal ik dat zeggen… een min of meer nette man.’ Frans Kreuger keek hem ernstig aan.
‘Dat min of meer geldt voor ons allen.’
De Cock ging er niet op in. Hij voelde niets voor een discussie met de godsdienstige, vlot formulerende dactyloscoop.
Vledder kwam opgewonden binnen. Hij liep op Frans Kreuger toe. ‘Heb je spullen bij je voor voetafdrukken?’ vroeg hij gehaast.
De dactyloscoop knikte traag.
‘Heb je wat?’
De jonge rechercheur wendde zich tot De Cock.
‘Omdat Bram zo snel weg moest, ben ik alleen maar even gaan kijken. Er zijn duidelijke voetafdrukken in de tuin. In de brede border langs het huis.’ Hij wees naar de openslaande deuren. ‘Ze gaan van hier naar een paar kamers verder.’
‘Welke kamer?’
Vledder wees vaag om zich heen.
‘De slaapkamer van tante Isolde.’
De Cock streek nadenkend met zijn pink over de rug van zijn neus. Rond zijn mond speelde een glimlach. ‘Dan heeft die kleine Penny haar oom Izaak gisterenavond dus wel goed gezien.’ Hij keek op. ‘Gaan de voetstappen niet verder?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ze eindigen onder het raam van de slaapkamer van tante Isolde. Daar staan ze wat door en over elkaar. Soms zijn de neuzen wat dieper ingedrukt… alsof iemand op zijn tenen heeft gestaan.’
De Cock knikte instemmend.
‘En dan?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Waar blijven de afdrukken?’
‘Ze lopen terug.’
‘Naar deze kamer?’
‘Precies. De kluiten aarde kleven nog aan de afdrukken op het kleine tegelterras voor de openslaande deuren van deze kamer.’
‘Een stok?’
Vledder maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Er groeien nogal wat oude struiken en heesters in de border. Misschien staat of ligt die stok daar wel ergens. Ik heb feitelijk alleen maar op de voetafdrukken gelet.’
‘Sporen van braak?’
Vledder schudde resoluut zijn hoofd.
‘Nergens. Ik ben alles uitvoerig nagegaan. Alle ramen en deuren van dit huis… zelfs op de bovenverdieping… zijn puntgaaf. Geen moeten of krassen. En de beveiliging is overal heel redelijk… dievenklauwen, kettingen en grendels.’ Hij zweeg even en keek De Cock peinzend aan. ‘Geen kans voor Igor Stablinsky,’ zei hij langzaam.
De Cock staarde voor zich uit.
‘Tenzij… tenzij iemand hem heeft binnengelaten.’
Ze zaten allen bijeen in de sober gemeubileerde salon met het uitzicht over het weiland. Isolde van Blijendijk in het midden, stijf rechtop in haar zetel als een troon. Rechts van haar stond neef Ivo. Zijn vette linkerhand steunde op een uitstekende knop van de rugleuning.
De Cock slenterde traag naderbij.
Links, op een brede houten bank met geborduurde kussens, zat nicht Irmgard. Achter de bank stonden haar drie kinderen in het gelid.
De opstelling was dezelfde als een dag geleden. Alleen neef Izaak ontbrak.
In het voorbijgaan blikte hij naar Penny. De kleine meid droeg weer het roodfluwelen jurkje met een pelerientje. Ze knipoogde.
De Cock negeerde het. Voor de troon van tante Isolde bleef hij staan en boog stijfjes.
‘Ik… eh, ik condoleer u,’ sprak hij vormelijk, ‘met het plotseling verscheiden van uw neef Izaak. Het moet voor u, na het verlies van de u zo toegewijde tuinman, een zware slag zijn.’
Mevrouw Van Blijendijk trok haar mond strak.
‘De tuinman was mijn bediende… een ondergeschikte.’ Ze sprak scherp. ‘Neef Izaak was een gewaardeerd lid van mijn familie.’
De Cock glimlachte beminnelijk.
‘Dat onderscheid geldt niet voor mij. En ik hoop ook niet voor de rechter, aan wie ik de moordenaar eens hoop uit te leveren.’
Mevrouw Van Blijendijk schudde mistroostig haar hoofd. ‘Ik heb daar weinig geloof meer in,’ sprak ze teleurgesteld. ‘Ik kan ook bepaald niet zeggen dat ik uw optreden bewonder.’ Ze zuchtte diep. ‘En men had uw capaciteiten als speurder zo geprezen.’
De glimlach op het gezicht van De Cock bleef.
‘Misschien heeft men mij wel overschat.’ Hij boog zich iets naar haar toe. ‘Toch zal ik de moordenaar arresteren.’
Mevrouw Van Blijendijk lachte schamper.
‘Wanneer?’
De Cock maakte een achteloos gebaar.
‘Wanneer ik over voldoende bewijzen beschik.’
Ze lachte opnieuw, haar mond iets scheef.
‘Bewijzen. U trekt zich toch niets van bewijzen aan. Tegen mijn tuinman had ik bewijzen… en u arresteerde hem niet eens.’
De Cock bleef onbewogen.
‘Dat spijt me nog. Meer dan ik u zeggen kan. Misschien was hij dan niet geëxecuteerd.’
Isolde van Blijendijk snoof. Haar neusvleugels trilden en haar helblauwe ogen flikkerden kwaadaardig. ‘Wat insinueert u?’
De Cock trok zijn gezicht strak. Alle beminnelijkheid was daaruit verdwenen.
‘Zijn moordenaar… was een Van Blijendijk.’
Vledder reed de Volkswagen van het koetshuis weg. Snel. Het grind spatte op. Van terzijde keek hij naar De Cock. De expressie op zijn gezicht lag vol puzzels.
‘Hoe kon je dat nu zeggen?’
‘Wat?’
‘Dat… eh, dat de tuinman door een Van Blijendijk werd vermoord.’
De Cock kwam wat overeind en wees naar de stapel dode dieren op het gazon.
‘Die ganzen liggen er nog.’
Het klonk bestraffend.
Vledder antwoordde verontschuldigend. ‘Ik heb opnieuw gebeld. Ze hebben blijkbaar nog geen tijd gehad om die kadavers weg te halen.’ Hij zweeg even met opeengeklemde lippen. ‘Ik heb nog geen antwoord gekregen op mijn vraag,’ sprak hij bits.
Er gleed weer een glimlach over het brede gezicht van De Cock. ‘Het was een kreet,’ grinnikte hij jongensachtig. ‘Een loze kreet. Meer een reactie op het irriterende gedrag van tante Isolde.’ Hij zuchtte. ‘Dat Blijemeer is een kruitvat vol hartstochten. Ik wilde wat reacties losweken.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Volgens mij zitten we met ons onderzoek muurvast. Er zal vandaag of morgen toch iets moeten gebeuren. Anders komen we er nooit uit.’
De Cock gromde.
‘Vind je twee moorden niet genoeg?’
De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.
‘Zo bedoel ik dat niet,’ reageerde hij wat geprikkeld. ‘Elke moord is er een te veel. Het is juist de moord op de oude tuinman, die mij dwars zit. Die lijkt zo zinloos. Die past niet in het geheel. Als we de zaak konden beperken tot de moord op Izaak van Blijendijk, dan kwam ik wel tot een motief.’
De Cock keek hem verrast aan.
‘Ik luister,’ sprak hij simpel.
Vledder remde, reed de oude Volkswagen naar een parkeerstrook en stopte. Daarna draaide hij de motor af en keerde zich geheel naar De Cock.
‘Nicht Irmgard,’ begon hij enthousiast, ‘en haar beide broers Ivo en Izaak azen, ieder voor zich, op de rijke erfenis van hun tante Isolde van Blijendijk. Om haar nerveus te maken, stuurt een van hen haar dreigbrieven.’
‘Waarvan men de tuinman valselijk beschuldigt.’
Vledder knikte.
‘Dan doodt men haar ganzen, die zij ter bescherming heeft aangekocht.’
‘Waarvan men de tuinman valselijk beschuldigt.’
De jonge rechercheur stak een vinger omhoog.
‘De dreigbrieven en de dood van de ganzen resulteren in een alarmerende uitnodiging van Isolde van Blijendijk aan haar dierbare erfgenamen om ter ondersteuning en bescherming naar Blijemeer te komen.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.
‘Prachtig… en verder?’
Vledder bloosde om de lof.
‘Neef Izaak, het wachten moe, besluit op eigen houtje om het absolute heengaan van zijn tante Isolde wat te bespoedigen.’
‘Daar wisten de anderen dus niets van?’
‘Nee… tenminste… dat hoeft niet.’
‘Ze profiteerden wel.’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Misschien,’ sprak hij weifelend, ‘heeft neef Izaak dat niet in overweging genomen… was zijn eigen financiële nood zo groot, dat hij zijn eigen aandeel voldoende achtte.’
De Cock keek zijn jonge collega peinzend aan.
‘Waarom neef Izaak?’
Vledder zuchtte om zoveel onbegrip.
‘Denk aan de voetstappen in de tuin, die eindigen bij de slaapkamer van tante Isolde. En denk aan het verhaal van de kleine Penny, die haar oom Izaak met een stok heeft zien lopen.’
De Cock glimlachte beleefd.
‘Het klinkt erg aannemelijk, maar neef Izaak is dood en tante Isolde zit nog ongenaakbaar en redelijk gezond op haar troon in de salon.’
Vledder grinnikte bedroefd.
‘Er is iets scheef gegaan.’
‘Wat?’
Vledder raakte duidelijk geïrriteerd.
‘Dat weet ik niet… een regiefout. Misschien kwam er wel iemand gelijktijdig op hetzelfde idee en mepte de verkeerde op de schedel.’ Hij zweeg even, perste zijn lippen samen. ‘Maar dat binnenkort het grijze hoofd van tante Isolde valt… daarvan ben ik overtuigd.’