De beide rechercheurs reden in hun oude politie-Volkswagen over het Damrak, langs de vlaggen en steigers van de rondvaartboten, rechtsaf de brug over naar de Prins Hendrikkade. Een grauw wolkendek hing als een wollen deken over Amsterdam. Het begon zachtjes te regenen. Op de vettige voorruit vormde zich een waas van kleine druppels.
Vledder, aan het stuur, zette de ruitenwissers aan.
De Cock keek er geboeid naar. De langzaam zwiepende wisserbladen hadden een bijna hypnotische werking op de oude speurder. Ze brachten hem in een zoete sluimer. Om zich daaraan te onttrekken, zakte hij wat onderuit en deed zijn ogen dicht.
Vledder blikte opzij.
‘Wat gebeurt er verder met Igor Stablinsky?’
‘Hij wordt morgenochtend voor meester Bosschaert, de officier van justitie geleid.’
‘Zal hij veroordeeld worden?’
‘Zeker. Ondanks zijn ontkennen… de bewijsvoering is overtuigend genoeg.’
‘Die aanslag op jou met het breekijzer… heb je dat nog ten laste gelegd?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik heb het hele voorval uit mijn proces-verbaal gehouden.’
Vledder reageerde verrast
‘Waarom?’
De grijze speurder antwoordde niet direct. Hij had er lang over nagedacht en was uiteindelijk tot het zorgvuldige besluit gekomen om het incident als ‘niet gebeurd’ te beschouwen.
‘Waarom?’ herhaalde Vledder ongeduldig.
De Cock glimlachte vermoeid.
‘Het was mijn eigen schuld. Ik had hem die kans niet moeten geven.’
Vledder wond zich duidelijk op.
‘Je bent gek. Iemand kan toch niet ongestraft een moordaanslag op je plegen? En dat nog wel in onze eigen recherchekamer.’
De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op.
‘Ik liet het breekijzer liggen,’ sprak hij gelaten, ‘en draaide hem mijn rug toe.’
Vledder keek hem ongelovig aan.
‘Maar dat geeft die vent toch geen absolute vrijbrief om jou opgewekt je hersens in te slaan. Wat een nonsens. Hoe kom je daarbij? Als het mij was gebeurd, dan had ik hem…’
De Cock wuifde afwerend. Hij drukte zich wat omhoog. ‘Ik wist dat Igor Stablinsky tweemaal een mens had gedood met een breekijzer,’ sprak hij geduldig. ‘Let wel, op een moment dat zijn slachtoffers hem niet in zijn ogen konden kijken. Wanneer je je als ervaren politieman dan toch omdraait… met een fraai breekijzer binnen Igors handbereik, dan bega je een stommiteit. En ik wil een medemens niet voor mijn stommiteiten laten boeten.’
Vledder sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd.
‘Dat is een dwaze redenering.’
‘Vind je?’
De jonge rechercheur knikte heftig.
‘Volkomen dwaas. De verantwoordelijkheid ligt niet bij jou, maar bij die vent. Hij pakte het breekijzer… en hij sloeg.’
De Cock wreef zich in zijn nek.
‘En ik ben medeverantwoordelijk. Ik gaf hem de gelegenheid dat te doen, terwijl ik mij er terdege van bewust was dat hij daarvan gebruik zou maken.’ Hij zuchtte diep. ‘Het was gewoon een moment van onbedachtzaamheid.’
Vledder gebaarde met beide handen. ‘Onzin,’ riep hij verhit. ‘Dat is toch geen haalbare theorie. Dan zou je alle criminelen steeds achter tralies moeten houden, omdat ze in vrijheid weer de gelegenheid hebben om opnieuw crimineel te zijn.’
De Cock knikte een paar maal traag.
‘Zo is het wel ongeveer. Zeker ten aanzien van bepaalde misdadigers zou de overheid zich haar verantwoordelijkheid wat meer bewust moeten zijn. De levens van vele onschuldige slachtoffers hadden gespaard kunnen blijven, wanneer men individuen met een beslist moordzuchtige inslag niet steeds opnieuw lichtvaardig op de samenleving had losgelaten.’ De Cock benadrukte zijn betoog met levendige gebaren. ‘Daarvan zijn voorbeelden te over. Ik herinner mij nog Jantje de Vries. Hij had een paar geweldsdelicten gepleegd en moordde na zijn vrijlating een compleet gezin uit: vader, moeder en drie kinderen. Toen hij naar zijn inrichting werd teruggebracht, stak hij zijn rechterhand met gespreide vingers omhoog en zei tegen zijn behandelend arts: «Vijf moorden, omdat jij, psychiater, dacht dat ik zo gezond was.»’
Vledder bromde en zweeg.
Ze reden via de Wibautstraat naar het Prins Bernhardplein en bogen rechtsaf naar de Berlagebrug. Vandaar volgden ze de linkeroever van de Amstel.
Na een ontluisterende reeks onverklaarbaar bewoonde afbraakschuiten, die het fraaie uitzicht benamen, prijkte de rivier in al zijn sobere schoonheid. De zware regenval van de laatste dagen had het peil hoog opgevoerd. Een lichte bries dreef het water spattend over de beschoeiing.
Het landschappelijk schoon ontging De Cock volkomen. Hij schoof zijn oude vilten hoed ver naar voren. Zijn gedachten verwijlden bij die vreemde Igor Stablinsky. Hij had het gevoel dat het niet was afgelopen; dat de zaak Stablinsky nog niet ten einde was. In hem tintelde de zekerheid dat de man met de gierenkop nog eens zijn pad zou kruisen. De donderende klap waarmee het zware breekijzer naast hem op het bureaublad sloeg, dreunde nog na.
De vriendelijke accolades rond de mond van de oude man verhardden. Hij kneep zijn lippen samen tot een smalle lijn. Zo’n kans, besloot hij grimmig, zou Igor Stablinsky nooit meer krijgen.
Hij schoof zijn hoedje wat terug en blikte opzij naar Vledder, die duidelijk nog over recht en gerechtigheid nadacht.
‘De naam en het adres van die mevrouw Van Blijendijk, stonden die in hetzelfde rijtje, waarin ook de beide slachtoffers waren opgenomen?’
De jongeman schudde zijn hoofd.
‘Ze stonden apart vermeld. Ze hadden ook een andere inktkleur. Ik had de indruk dat naam en adres meteen bij het in gebruik nemen van de agenda waren ingeschreven. Misschien had hij haar al eerder als slachtoffer uitverkoren. Ik bedoel, voor hij zijn rijtje samenstelde. Mevrouw Van Blijendijk is ook vrij weerloos. Ze is invalide en rijdt in een rolstoel. Ze schijnt een rijke en bovenal bijzonder excentrieke oude vrouw te zijn.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.
‘Hoe weet je dat?’
Vledder glunderde.
‘Dat weet ik al een poosje. Toen wij die agenda van Igor Stablinsky in handen kregen, was zij een van de eersten die ik natrok. Ik heb toen navraag gedaan bij onze collega’s van het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan. Daar ressorteert zij onder.’
‘En?’
‘Ze kenden haar goed. Heel goed, zelfs. Ze had vaak klachten.’
‘Waarover?’
Vledder maakte een handgebaar.
‘Over de slechte bewaking. Ze vond dat er onvoldoende toezicht werd gehouden. Ze stond erop dat de surveillancewagen ten minste vijfmaal per nacht langs haar buitengoed reed.’
‘Dat is nogal wat.’
Vledder knikte.
‘Dat vond men aan de Van Leijenberghlaan ook. Maar omdat ze zo hardnekkig bleef aandringen en schermde met namen van hooggeplaatste lieden, zegde de chef haar uiteindelijk toe, dat er viermaal ’s nachts toezicht zou worden gehouden. Toen eens op een nacht de politiewagen slechts driemaal langs reed, hing ze de volgende morgen woedend aan de telefoon. Het bleek dat ze ’s nachts wakker bleef en nauwgezet de tijdstippen noteerde, waarop de surveillancewagens voorbijkwamen.’
De Cock lachte.
‘Maar… maar waarom?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Mevrouw Van Blijendijk zegt ervan overtuigd te zijn dat men het op haar leven en bezittingen heeft voorzien. Ze is ook bepaald niet te spreken over de aandacht, die de recherche van het bureau Van Leijenberghlaan aan haar problemen schenkt. Ze wilde wel eens dat een echte rechercheur haar belangen kwam behartigen.’ Hij blikte naar De Cock. ‘Ik denk dat ze jou daarom belde.’
De Cock nam zijn hoed af. Zijn rechterhand gleed tastend over zijn kruin.
‘Op een bijzonder ongelukkig moment.’
Het klonk somber.
Een tijdlang reden ze zwijgend voort.
Plotseling hees De Cock zich overeind en bekeek het landschap om zich heen.
‘Zit je met je ogen open te slapen?’
Vledder keek hem wat verward aan.
‘Hoezo?’
De Cock maakte een breed gebaar langs de voorruit.
‘We zijn al ver buiten de grens van Amsterdam. Je bent het kolossale buiten van mevrouw Van Blijendijk gewoon voorbijgereden. Dit hier zijn al de eerste huizen van Ouderkerk.’
Ze parkeerden hun politie-Volkswagen op een smalle vluchtstrook, stapten uit en gingen te voet verder.
De wind was toegenomen en het regende nog steeds.
De Cock schoof de kraag van zijn oude regenjas wat omhoog en trok zijn hoed dichter op zijn oren.
Boven het oude smeedijzeren toegangshek stond Blijemeer in een boog van vergulde letters. Het zware zwartgelakte hek zag er ontoegankelijk uit. Hoog, imposant, hangend aan kolossale zuilen van fijn geaderd basalt. Achter het hek kronkelde een grindpad tussen fraaie gazons, omzoomd door hoge hagen paars bloeiende rododendrons.
De Cock bekeek de vergrendeling. Het hek was niet op slot. Hij zette zich schrap en drukte de rechterhelft voorzichtig open. Het ging zwaar. De roestige scharnieren piepten onheilspellend.
Als reactie op het geluid kwamen er plotseling twee groepen ganzen over de gazons aangewaggeld; de vleugels iets gespreid, fel blazend, de lange halzen vijandig gestrekt.
Een moment stond De Cock perplex. De gebundelde vijandigheid van de ganzen was zo indrukwekkend, zo beangstigend, dat hij zich snel omdraaide en het hek weer beschermend achter zich sloot.
Vledder stapte opzij en lachte. ‘Bang?’ vroeg hij spottend.
De Cock reageerde niet.
Achter de ganzen, over het grindpad, sjokte een oude man op klompen. Hij zwaaide met een stok. Toen hij naderbij was gekomen, dreef hij de ganzen bij het hek weg. Steunend op zijn zware stok keek hij de beide mannen onderzoekend aan.
‘Wat moet u op ons erf?’
Zijn stem klonk schor, had een dreigende ondertoon.
Rechercheur De Cock toonde zijn beminnelijkste glimlach.
‘Mijn naam is De Cock,’ sprak hij vriendelijk. ‘De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.’
‘Politie?’
De Cock knikte.
‘Mevrouw Van Blijendijk heeft ons gebeld. Ze wilde met ons praten.’ Hij wees wat schuchter naar de twee groepen grote witte vogels, die op enige afstand, duidelijk geïnteresseerd het gebeuren volgden. ‘Over… eh, over haar ganzen.’
De man wreef met de rug van zijn hand draaiend langs zijn neus en snoof.
‘Rotganzen,’ bromde hij verachtelijk. ‘Snertbeesten zijn het. Kwaadaardig. Als je ze niet met een stok van je afhoudt, trekken ze de kleren van je lijf.’ Hij maakte een achterwaartse hoofdbeweging. ‘Zij wilde ganzen. Honden… honden waren haar niet goed genoeg.’
De Cock monsterde het gezicht van de oude man. Hij schatte hem achter in de zestig. De huid was rimpelig en verweerd. Maar het grijze haar was nog dik en vol en de bruine ogen straalden levendig.
‘U… eh, u werkt hier?’ vroeg hij voorzichtig.
De oude man snoof opnieuw.
‘Werken?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik noem het geen werken. Lijfeigene ben ik. Overgeleverd aan de nukken van dat malle wijf.’
De Cock beluisterde de toon.
‘U bedoelt, eh, mevrouw Van Blijendijk?’
De oude man antwoordde niet. Hij klemde een grove hand om een van de tralies en trok het hek open.
‘Ik zal u voorgaan.’
Hij sjokte op zijn grote klompen voor hen uit. Toen de ganzen weer vervaarlijk opdrongen, zwaaide hij met zijn stok. Krijsend en blazend stoven de beesten weg.
Het grindpad verbreedde zich voor het bordes van een paleisachtig gebouw, opgetrokken uit grijze leisteen. Rechts, op enige afstand, stond in dezelfde stijl een fraai koetshuis met een verdieping. De oude man wees ernaar met zijn stok.
‘Daar woon ik… daar slaap ik… en ze hebben mij nog nooit weggehaald.’
Ze wandelden naar de trappen van het bordes. Links, over een breedte van ongeveer een meter, waren de treden opgevuld met cement. Een grove en beslist te steile voorziening voor een rolstoel.
De oude man boog zich iets naar hen toe.
‘Als ze maar niet slaapt,’ bromde hij. ‘Om dit uur van de dag doet ze vaak een dutje… en dan heeft ze alles op slot.’
De klompen van de oude man klotsten op de treden. De beide rechercheurs volgden. Boven op het bordes bleef de oude peinzend staan. Zijn hand aan zijn kin. Hij keek de politiemannen aan, een denkrimpel in zijn voorhoofd.
‘Hoe was het, De Cock… en Vledder?’
De Cock knikte.
‘Van het bureau Warmoesstraat.’
De oude man draaide zich om en opende voorzichtig de hoge toegangsdeur. ‘Een ogenblikje. Ik zal u even aandienen.’ In zijn schorre stem trilde nu vrees en onderdanigheid. Hij deed zijn klompen uit en stapte op zijn zwarte sokken naar binnen. Na enkele minuten kwam hij terug en wenkte met een kromme vinger.
‘Komt u mee?’
Hij liep voor hen uit door een brede, met wit marmer beklede gang. Aan het einde, rechts, opende hij een deur en hield die uitnodigend open.
In het midden van een sobere, schaars gemeubileerde kamer, op een zetel als een troon, zat een grote statige vrouw. De Cock schatte haar op midden vijftig. In het zwarte haar, gevangen in een wrong, zat nog weinig grijs.
De Cock liep op haar toe met Vledder in zijn kielzog.
Plotseling bleef hij staan. Zijn blik gleed langs haar gelaatstrekken… een scherp gesneden neus in een smal bleek gezicht met wat uitstekende, hoogoplopende jukbeenderen. Hij keek naar haar ogen. Ze stonden iets te dicht bij elkaar. Zijn adem stokte.
‘Igor,’ mompelde hij, ‘Igor Stablinsky.’