5

Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik wil met je praten.’

Rechercheur De Cock nam wat onwillig plaats. Wanneer commissaris Buitendam hem ontbood, bezag hij hem steeds met argwaan. Hij had geen hekel aan zijn commissaris. Dat niet. Zolang de politiechef de gang van zaken ongemoeid liet, was de verhouding zelfs vriendschappelijk te noemen. De botsingen ontstonden wanneer de commissaris, meestal onder druk van de officier van justitie, meende dat het gedrag van De Cock enige correctie behoefde. Eerst dan werd de grijze speurder opstandig en onhandelbaar en soms zelfs onredelijk. De vrijheid om bij onderzoeken naar eigen inzicht te handelen, was hem dierbaar. Elke beknotting van die vrijheid beschouwde hij als een aantasting van zijn persoon, een blaam op zijn kundigheid als rechercheur.

De Cock keek zijn chef achterdochtig aan.

‘Waarover?’

Commissaris Buitendam glimlachte beminnelijk.

‘Over ganzen.’

‘Welke ganzen?’

‘De ganzen van mevrouw Van Blijendijk.’

De Cock hield zijn hoofd iets scheef.

‘Wat is daarmee?’

‘Ze zijn dood.’

De Cock grinnikte.

‘Dat is mij bekend. Ik hoorde het gisterenavond laat van brigadier Kusters.’

Commissaris Buitendam reageerde niet direct. Hij verschikte iets aan de papieren op zijn bureau. Daarna keek hij op.

‘De ganzen zijn vergiftigd.’

De Cock trok achteloos zijn schouders op. ‘Dat zal best,’ zei hij gelaten. ‘Ik neem niet aan dat ze allemaal tegelijk een natuurlijke dood zijn gestorven.’ Hij trok een grimas. ‘Dat zou hoogst ongebruikelijk zijn.’

Commissaris Buitendam kuchte. Het grapje ontging hem.

‘Het is mijn oprechte wens,’ sprak hij plechtig, ‘dat jij de dood van de ganzen onderzoekt.’

De Cock keek hem ongelovig aan.

‘Ik?’ riep hij verbaasd. ‘Ik heb met de dood van de ganzen niets te maken. Ik wil dat ook niet. Mevrouw Van Blijendijk woont aan de Amstel. Ze ressorteert onder het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan. Daar moeten ze er maar wat aan doen.’

Commissaris Buitendam gebaarde in zijn richting.

‘Jij hebt toch gisteren al een onderzoek naar die ganzen ingesteld.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Die ganzen interesseren mij niets,’ sprak hij nonchalant. ‘Eenieder die daar zin in heeft en die over voldoende ruimte beschikt, kan van mijn part ganzen gaan houden. Ik, persoonlijk, zou het niet doen. Ik vind het onaardige beesten. Ik zou…’

Commissaris Buitendam onderbrak hem. Hij klapte met de vlakke hand op het blad van zijn bureau.

‘Blijf bij de zaak, De Cock,’ sprak hij streng. ‘Jij was gisteren met Vledder bij mevrouw Van Blijendijk. Ze had je gebeld over haar ganzen.’

De Cock zuchtte omstandig. ‘Ik ging naar de Amstel,’ sprak hij kalm en geduldig, ‘omdat de naam van mevrouw Van Blijendijk in de agenda van Igor Stablinsky stond. Een andere reden was er niet.’ Hij spreidde zijn armen. ‘De dame leeft op een vreemde, wat gespannen voet met haar oude tuinman. Ik ben bang dat haar ganzen daarvan de dupe zijn geworden.’

Commissaris Buitendam rees uit zijn stoel. Hij stond indrukwekkend en statig achter zijn bureau.

‘Ik wil dat je het onderzoekt.’

De Cock wrong zijn gezicht in een verachtende grijns. ‘Ganzen… dode ganzen.’ Hij snoof. ‘Het is toch te bespottelijk om daar mijn kostbare tijd aan te verdoen?’

De politiechef verstijfde.

‘Je hoort wat ik heb gezegd.’

De Cock stond traag op. Hij boog zich iets naar de commissaris toe. Om zijn mond dansten bedrieglijk vrolijke accolades. ‘Igor Stablinsky is ontvlucht,’ siste hij. ‘Weet u dat? Of… eh, of leest u geen telexberichten?’

Op het bleke gezicht van de commissaris kwam nu een rode blos. Een zenuwtrek zwiepte langs zijn scherpe kaken. Hij wees met gestrekte arm naar de deur.

‘Eruit.’

De Cock ging.


‘Hoe was het?’

De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.

‘De commissaris werd weer eens kwaad en stuurde mij de kamer af.’

Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Je gaat echt te ver. Je maakt die man rijp voor een psychiatrische inrichting.’ Hij glimlachte. ‘Waar hadden jullie nu weer bonje over?’

De Cock duimde over zijn schouder.

‘De commissaris wenste dat ik de dood van die ganzen onderzocht.’

Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Daar hebben wij toch niets mee te maken. Dat is een zaak van de Van Leijenberghlaan.’

De Cock knikte.

‘Dat heb ik hem ook gezegd. Die ganzen interesseren mij voor geen fluit. Ik vind het op dit moment veel belangrijker om achter Igor Stablinsky aan te gaan. Zolang die gevaarlijke gek vrij rondloopt, bestaat het gevaar dat hij weer het ene of het andere oude mens de schedel inslaat.’ Hij zweeg even en zuchtte diep.

‘De commissaris dacht er anders over.’ Hij grinnikte smalend.

‘Dode ganzen.’ De som van zijn verontwaardiging lag in die twee woorden.

Vledder trok een stoel bij en ging er achterstevoren op zitten.

‘Ik begrijp het niet,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Hoe kan de commissaris dat nu willen?’

De Cock lichtte het dossier-Stablinsky uit de lade van zijn bureau en legde het voor zich neer.

‘Ik vermoed,’ sprak hij berustend, ‘dat de rijke mevrouw Van Blijendijk uiterst invloedrijke kennissen heeft, die via de officier van justitie onze commissaris Buitendam onder druk hebben gezet.’

Vledder maakte een woest gebaar.

‘Wat wil dat mens dan?’

‘Bescherming.’

Vledder stond geagiteerd van zijn stoel op.

‘Dan moet ze een bewakingsdienst inschakelen… bodyguards huren. Ze kan moeilijk van ons verwachten…’

De Cock keek met een ernstig gezicht omhoog.

‘Het lijkt mij verschrikkelijk,’ onderbrak hij Vledder, ‘om een dodelijke angst te kennen voor een onbekend gevaar, terwijl je als invalide aan een rolstoel bent gekluisterd. Begrijp je… zonder hulp kan zij die angst niet ontvluchten. Dat moet een enorme belasting zijn. Ik denk dat mevrouw Van Blijendijk van ons verwacht dat wij de oorzaak van haar angst wegnemen.’

‘En als die oorzaak er niet is?’

De Cock staarde een moment voor zich uit.

‘Dan is ze — hoe zei je dat ook weer? — rijp voor een psychiatrische inrichting.’

Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt. Achter het geribbelde glas verschoof een schaduw.

De Cock riep: ‘Binnen.’

De deurkruk bewoog. Langzaam zwaaide de brede deur open. In de deuropening verscheen een man. Hij was middelgroot, wat dik. Met trage tred kwam hij naderbij. Voor De Cock bleef hij staan en boog wat stijfjes.

‘Bent u… eh, bent u rechercheur De Cock?’

De grijze speurder knikte.

‘Met ceeooceekaa… om u te dienen.’

De man glimlachte.

‘Mijn naam is Ivo… Ivo van Blijendijk. Ik ben vanmorgen uit Antwerpen gekomen na een alarmerend telefoontje over vergiftigde ganzen. Ik wilde eens met u praten over mijn tante… tante Isolde.’

De Cock keek de man voor hem onderzoekend aan. Hij schatte hem voor in de dertig. De man had een vlezig gelaat met bolronde wangen, waarop een rode gloed, waardoor hij voortdurend leek te blozen. Het vlasblonde haar lag geplakt op zijn hoofd. Onder de kleine neus hing een dunne snor, die mistroostig langs de mondhoeken gleed.

De grijze speurder wenkte hoffelijk naar de stoel naast zijn bureau. ‘Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk. ‘Waarop berust uw vermoeden dat ik geïnteresseerd zou zijn?’

De opmerking bracht de jongeman duidelijk in de war.

‘Ik… eh, ik heb van tante Isolde begrepen dat u de zaak in onderzoek zou nemen.’ Hij nam plaats en trok zijn broekspijpen aan de vouwen iets op. ‘Ze is van mening dat u de enige rechercheur bent die bekwaam genoeg is om haar bij te staan.’

‘Waarmee?’

Ivo van Blijendijk keek verrast op.

‘Weet u dat dan niet,’ riep hij onthutst, ‘tante wordt bedreigd.’

‘Door wie?’

De jongeman lichtte zijn schouders.

‘Dat… eh, dat weten we niet. Mijn broer en zus begrijpen er niets van.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Broer en zus?’

Ivo van Blijendijk glimlachte verontschuldigend.

‘Mijn broer Izaak en mijn zuster Irmgard voelen zich ook nauw bij het geval betrokken. Ziet u, wij zijn de enige erfgenamen van tante Isolde. We erven haar vermogen… als ze sterft.’

De Cock keek hem strak aan.

‘En is ze dat van plan?’

Ivo van Blijendijk reageerde verward.

‘Hoe bedoelt u dat?’

De Cock gebaarde wat ongeduldig.

‘Is tante Isolde van plan om op korte termijn te sterven?’

Ivo van Blijendijk krabde met zijn wijsvinger boven zijn rechteroor. Het was een duidelijk gebaar van verlegenheid.

‘Nee,’ hakkelde hij verward, ‘nee, dat niet… natuurlijk niet. Maar in de brieven staat dat ze zal worden vermoord.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht.

‘Vermoord?’ riep hij ongelovig.

Ivo van Blijendijk knikte heftig.

‘Tante Isolde heeft brieven ontvangen, waarin staat dat ze niet lang meer heeft te leven.’ Hij slikte, waarbij zijn adamsappel duidelijk bewoog. ‘Tante Isolde neemt de brieven hoogst ernstig. Ze is hypernerveus, ze verschanst zich in haar huis en ze is echt doodsbang. Hoewel ze het niet met zoveel woorden zegt, maak je uit haar houding toch op dat ze een van ons verdenkt.’

‘U of uw broer of zuster.’

Ivo van Blijendijk gebaarde met beide handen.

‘Ze stelt dat wij de enigen zijn die belang hebben bij haar dood.’

‘En is dat zo?’

Ivo van Blijendijk dacht na.

‘Wij zijn niet rijk,’ sprak hij toen behoedzaam. ‘De erfenis van tante Isolde zou ons drieën hoogst welkom zijn. Ik ben realist genoeg om dat te bekennen. Maar daarom wens ik haar dood nog niet.’ Hij zweeg weer en legde zijn vette handjes op zijn knieën. ‘Bovendien is tante Isolde niet de enige van wie wij iets te erven hebben. Oom Immanuel is ook schatrijk… heeft geen kinderen en is nog aanmerkelijk ouder dan tante Isolde.’

‘Kan dus eerder sterven.’

‘Inderdaad.’

De Cock plukte aan zijn onderlip.

‘Heeft oom Immanuel ook dreigbrieven ontvangen?’

Ivo van Blijendijk zuchtte.

‘Dat weet ik niet,’ sprak hij onzeker. ‘Ik heb er niets van gehoord. Oom Immanuel woont in een villa in Bussum… samen met zijn oude huishoudster, die ook in zijn testament is genoemd. Een paar maal per jaar gaan we bij hem op bezoek. Maar oom Immanuel heeft een lichte aderverkalking en is al wat dement. Dat geeft vreemde reacties. Soms herkent hij ons niet eens.’ Een glimlach van vertedering gleed langs zijn lippen. ‘Ik denk dat oom Immanuel dreigbrieven gewoon ongeopend naast zich zou neerleggen.’

De Cock knikte begrijpend.

‘U ziet hoe betrekkelijk alles is… ongeopende dreigbrieven missen hun uitwerking.’

Het klonk bijzonder nuchter.

Ivo van Blijendijk keek de rechercheur tegenover zich onderzoekend aan. ‘U bedoelt dat tante Isolde de dreigbrieven beter niet had kunnen openen?’

De Cock glimlachte.

‘Wie bedwingt vrouwelijke nieuwsgierigheid.’ Hij keek Ivo van Blijendijk nauwlettend aan, zijn hoofd een beetje schuin, gescherpt op elke reactie.

‘U neemt de dreigbrieven aan tante Isolde ook ernstig?’

De jongeman maakte een afwerend gebaar.

‘Ik heb ze gezien en gelezen. Ik moet u zeggen dat de inhoud huiveringwekkend is. Ik begrijp best dat tante Isolde zich ernstig bedreigd voelt. En nu die affaire met de vergiftigde ganzen… ze zou van angst kunnen sterven.’

De Cock keek hem secondenlang aan. Zijn grof, breed gezicht was als een stalen masker.

‘Dat… heer Van Blijendijk… is misschien wel de bedoeling.’


Toen Ivo van Blijendijk was vertrokken met de mededeling dat hij het als liefhebbende neef tot zijn plicht rekende om althans voorlopig zijn intrek bij tante Isolde te nemen, nam Vledder op de lege stoel naast het bureau van De Cock plaats. Zijn gezicht glansde van verbazing.

‘Toen wij bij haar aan de Amstel waren, heeft ze niets van die dreigbrieven verteld.’

De Cock maakte een achteloos gebaar.

‘Misschien achtte ze de tijd er nog niet rijp voor.’

Hij zweeg even en wreef over zijn brede kin. ‘Toch moeten die bedreigingen al enige tijd geleden zijn begonnen. Haar hardnekkig aandringen om extra bescherming door de politie van het bureau Van Leijenberghlaan wijst in die richting.’

Vledder reageerde wat kriegel.

‘Ze had toch direct open kaart kunnen spelen met ons. Nu laat ze een neef helemaal uit Antwerpen komen om ons te vertellen dat ze dreigbrieven ontvangt.’

De Cock knikte nadenkend.

‘De dood van haar wakende ganzen zal haar zwaar hebben aangegrepen. Ze zal dat als een eerste daadwerkelijke actie tegen haar hebben opgevat. Het is duidelijk dat ze vanmorgen na de ontdekking van de moord op haar ganzen, een soort offensief heeft geopend. Ze oefende druk uit op onze commissaris en stuurde haar neef Ivo om ons tot activiteiten te dwingen. Ik denk toch dat ze haar toestand uiterst bedenkelijk acht.’

Vledder keek verbaasd op.

‘Je bedoelt dat ze werkelijk de kans loopt om gedood te worden?’

In gedachten verzonken knikte De Cock traag voor zich uit. Ineens kwam er een glimlach. Jolige accolades dansten vrolijk rond zijn mond.

‘Ik begin mij toch voor die dode ganzen te interesseren.’

Vledder grijnsde. ‘Het zal de commissaris welgevallig zijn.’

De oude speurder stond op. Hij leek plotseling vol veerkracht. Hij gebaarde wijs naar Vledder.

‘Ga eens na wat die Ivo van Blijendijk in Antwerpen al zo uitspookt. En ik wil ook graag inlichtingen over neef Izaak en nicht Irmgard.’

Vledder kwam naast hem staan.

‘Denk je toch dat die drie erbij betrokken zijn?’

De Cock grinnikte.

‘Met een fortuin dicht bij de hand komt een mens soms op vreemde ideeën.’ Hij slenterde naar de kapstok en greep zijn regenjas eraf.

Op zijn bureau rinkelde de telefoon.

Vledder nam de hoorn op. Het duurde even. Toen verbrak hij de verbinding. Met zijn jas half aan, liep De Cock op hem toe.

‘Is er wat?’

‘Igor Stablinsky is gesignaleerd.’

‘Waar?’

‘Hij reed met een gestolen BMW door Bussum.’

‘Bussum?’

Vledder knikte met een bleek gezicht.

‘Daar woont oom Immanuel.’

Загрузка...